Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:6559

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
27-10-2015
Datum publicatie
03-11-2015
Zaaknummer
14/8955, 14/8956 en 14/8957
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het primaire besluit van 25 april 2014, waarbij eiser 100% schuldig nalatig is verklaard de premie volksverzekeringen over 2005 te betalen, betreft een herhaald besluit. Het bezwaar daartegen is ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is in zoverre gegrond.

Ten aanzien van de 100% schuldig nalatig verklaring over 2006 en 2008 is het beroep ongegrond. De aanslagen voor de premie volksverzekeringen zijn ambtshalve vastgesteld. Het beroep op artikel 62 Wfsv slaagt niet. Het niet-ontvangen van de aanslagen kan eiser worden toegerekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummers: 14/8955, 14/8956 en 14/8957

uitspraak van de meervoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser] , eiser

(gemachtigde: mr. dr. D. Coskun),

en

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank te Amstelveen, verweerder.

Procesverloop

Bij drie besluiten van 25 april 2014 (de primaire besluiten) heeft verweerder vastgesteld dat eiser voor de jaren 2005, 2006 en 2008 voor 100% schuldig nalatig is de premie voor de Algemene Ouderdomswet (AOW) te betalen.

Bij besluit van 17 november 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 oktober 2015. Namens eiser is mr. E. Gürcan verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door J.A.J. Groenendaal.

Overwegingen

1. De Belastingdienst heeft verweerder bericht dat eiser een openstaande schuld heeft over de periode van 1 januari 2005 tot en met 31 december 2005 van € 5.777, alsmede dat eiser over de periode van 1 januari 2006 tot en met 31 december 2006 een openstaande schuld heeft van € 13.519 en over de periode van 1 januari 2008 tot en met 31 december 2008 een openstaande schuld heeft van € 37.632. De schulden betreffen ambtshalve opgelegde aanslagen, onder meer voor te weinig betaalde premie volksverzekering ingevolge de AOW.

2. Bij brief van 11 mei 2011 heeft verweerder eiser hiervan op de hoogte gesteld en hem meegedeeld dat verweerder zal beslissen of eiser schuldig nalatig is de AOW-premie te betalen. Verweerder heeft eiser in dit verband verzocht gegevens aan te leveren zodat verweerder kan vaststellen of eiser verzekerd was voor de volksverzekeringen over de periode 1 januari 2005 tot en met 31 december 2005. Op beide brieven heeft eiser niet gereageerd. Op 23 juni 2011 heeft verweerder besloten dat eiser in het jaar 2005 verplicht verzekerd was voor de AOW en dat hij 100% schuldig nalatig is de over die periode verschuldigde premie te betalen. Dit besluit is verzonden aan het bij verweerder laatst bekende adres van eiser in België. De brief werd echter door de nieuwe bewoner retour gezonden met de mededeling dat eiser hier niet meer woonde.

Op 25 april 2014 was bij verweerder het nieuwe adres van eiser bekend. Hierop heeft verweerder de drie primaire besluiten genomen, waarin eiser voor de jaren 2005, 2006 en 2008 voor 100% schuldig nalatig is verklaard in het kader van de AOW.

3. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake was van een noodsituatie, waardoor hij niet wist van de aanslagen van de Belastingdienst. Eiser wist niet dat hij verweerder op de hoogte diende te stellen van zijn verblijf in het buitenland. Door uitschrijving uit de Gemeentelijke Basisadministratie (GBA) heeft hij zelf al aan de gemeente en daarmee aan alle instanties te kennen gegeven te zijn verhuisd naar het buitenland. Hij verbleef in werkelijkheid echter in Nederland, maar heeft geen adresgegevens doorgegeven om onvindbaar te zijn voor zijn schuldeisers.

Voorts wijst eiser op zijn psychologische beperkingen door zijn scheiding en het uiteenvallen van zijn gezin. Dit heeft geleid tot financiële problemen. Door diezelfde persoonlijke omstandigheden kon hij verweerder niet op toereikende wijze informeren over zijn persoonlijke situatie.

4. Verweerder heeft verwezen naar artikel 61, tweede lid, onder a, van de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv), waaruit volgt dat niet wordt afgezien van schuldig nalatig stellen als er sprake is van de oplegging van een ambtshalve aanslag zoals in het geval van eiser. De wet biedt dan geen ruimte voor afwijking of het meewegen van de omstandigheden waardoor er niet is betaald. Er is ingevolge artikel 62 van de Wfsv slechts ruimte voor eiser om te betogen dat de aanslag of beslissing niet is ontvangen, indien de belanghebbende aannemelijk kan maken dat hij de aanslag of de beslissing nimmer ontvangen heeft en dat er geen omstandigheden zijn op grond waarvan het niet ontvangen van de aanslag of de beslissing hem kan worden toegerekend. Een dergelijk betoog slaagt in dit geval niet.

5. Ten aanzien van het jaar 2005 overweegt de rechtbank als volgt. Op 23 juni 2011 heeft verweerder reeds het besluit genomen dat eiser over het jaar 2005 100% schuldig nalatig is. Dit besluit is gestuurd naar het door eiser opgegeven adres in België. Hoewel verweerder dit besluit retour heeft ontvangen, is de rechtbank van oordeel dat verweerder aan zijn bekendmakingsverplichting als bedoeld in artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft voldaan door het besluit te verzenden naar het hem laatst bekende adres van eiser, ook al is dit niet meer het juiste adres van eiser en heeft eiser nagelaten verweerder van de adreswijziging op de hoogte te stellen. De eerste verzending naar het laatst bekende adres moet als de bekendmaking in de zin van art. 3:41 Awb worden beschouwd.

6. Blijkens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1793) is een herhaald besluit geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb en staat daar om die reden geen rechtsmiddel tegen open. De rechtbank is van oordeel dat met de brief van 25 april 2014 betreffende 2005 geen rechtsgevolgen zijn ingetreden, die niet reeds met het besluit van 23 juni 2011 waren ingetreden. Daarom moet de brief van 25 april 2014 betreffende 2005 als een herhaald besluit worden aangemerkt. Verweerder had het bezwaar derhalve niet-ontvankelijk dienen te verklaren.

7. Gelet op het vorenstaande dient het beroep tegen het bestreden besluit, zij het op een andere grondslag, gegrond te worden verklaard en te worden vernietigd voor zover het 2005 betreft. De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien en het bezwaar van eiser tegen de brief van 25 april 2014 betreffende 2005 niet-ontvankelijk verklaren. Over de proceskosten wordt in rechtsoverweging 12 beslist.

8. Ten aanzien van de jaren 2006 en 2008 overweegt de rechtbank als volgt.

Uit artikel 61, tweede lid, onder a, van de Wfsv volgt dat niet wordt afgezien van schuldig nalatig stellen als er sprake is van de oplegging van een ambtshalve aanslag. Ambtshalve overweegt de rechtbank eerst, onder verwijzing naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 27 augustus 2009 (ECLI:CRVB:2009:BJ7419), dat het op 1 januari 2006 in werking getreden artikel 61 van de Wfsv onmiddellijk in werking is getreden. Artikel 61 Wfsv behelst overigens in essentie hetzelfde als het in 2002 geldende artikel 18 van de Wet financiering volksverzekeringen.

9. De rechtbank stelt voorop dat het hier uitsluitend gaat om de vraag of verweerder eiser terecht 100% schuldig nalatig heeft verklaard. Niet in geschil is dat eiser de hem ambtshalve opgelegde aanslagen inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen 2006 en 2008 niet heeft voldaan.

10. De rechtbank overweegt dat uit artikel 61, tweede lid onder a, van de Wfsv volgt dat een besluit tot schuldig nalaten in ieder geval wordt genomen indien de aanslag voor de premie voor de volksverzekeringen ambtshalve is vastgesteld omdat de premieplichtige geen of onvoldoende medewerking heeft verleend bij het vaststellen van het premie-inkomen.

Voor zover eiser met een beroep op artikel 62 van de Wfsv betoogt dat hij de aanslagen over 2006 en 2008 nimmer ontvangen heeft ten gevolge van een noodsituatie, is de rechtbank van oordeel dat het niet ontvangen van de aanslagen hem kan worden toegerekend. Hij heeft immers bewust bij de GBA een ander adres opgegeven om niet vindbaar te zijn voor schuldeisers. Ook de stelling dat er sprake was van een noodsituatie en persoonlijke problemen leiden niet tot een andere conclusie. Deze grond treft daarom geen doel.

11. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

12. Verder veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiser in beroep gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 980 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 490 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit ten aanzien van het jaar 2005;

- verklaart het bezwaar van eiser tegen de brief van 25 april 2014 ten aanzien van 2005 niet-ontvankelijk;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit ten aanzien van het jaar 2005;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 45 aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 980.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, voorzitter, mr. H.J. Klein Egelink en mr. J.A. van Schagen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. Lankamp, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.