Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:6530

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
23-10-2015
Datum publicatie
23-10-2015
Zaaknummer
05/860809-14, 05/780053-15 (ttz.gev) en 05/820028-15 (ttz.gev)
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2018:653, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft een 26-jarige man uit Veenendaal veroordeeld voor het zich verzetten bij een aanhouding in januari 2014. De rechtbank vindt dat niet bewezen kan worden dat als gevolg van dat verzet een politieagent zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Voor dat deel volgt dan ook vrijspraak, met tot gevolg dat de verbalisant als benadeelde niet-ontvankelijk wordt verklaard in de vordering.

De man is daarnaast veroordeeld voor het veroorzaken van een verkeersongeval in januari 2015, waarbij zijn partner zwaar gewond raakte. Hij verkeerde onder invloed van alcohol en raakte met zijn auto van de weg,

Aan verdachte is een taakstraf opgelegd en een deels voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummers : 05/860809-14, 05/780053-15 (ttz.gev) en 05/820028-15 (ttz.gev)

Datum uitspraak : 23 oktober 2015

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaken van

de officier van justitie

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , wonende aan de [adres] .

Raadsman: mr. T.J. Roest Crollius, advocaat te Woerden.

De zaak met parketnummer 05/860809-14 is op 5 juni 2015 door de politierechter verwezen naar de meervoudige kamer.

Tijdens het onderzoek ter terechtzitting van 9 oktober 2015 zijn bovengenoemde zaken gevoegd behandeld, op basis van welk onderzoek dit vonnis is gewezen.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, nadat in de zaak met parketnummer 05/780053-15 een vordering tot wijziging van de tenlastelegging is toegelaten, ten laste gelegd dat:

in de zaak met parketnummer 05/860809-14

hij op of omstreeks 19 januari 2014 in de gemeente Ede, een ambtenaar, te weten [slachtoffer 1] , hoofdagent van Politie Gelderland-Midden, gedurende en/of terzake de rechtmatige uitoefening van zijn bediening heeft mishandeld, door zijn hand tussen de benen van die [slachtoffer 1] te steken/brengen/doen en/of vervolgens (met kracht) het scrotum van die [slachtoffer 1] vast te pakken/grijpen en/of (hard) in diens scrotum te knijpen;

in de zaak met parketnummer 05780053-15

hij op of omstreeks 19 januari 2014 in de gemeente Ede, toen (een) aldaar in uniform geklede dienstdoende politieambtenaar, te weten [slachtoffer 1] , hoofdagent van Politie Gelderland-Midden, verdachte op verdenking van het overtreden van artikel 4.8 van de Algemene Plaatselijke Verordening te Ede (wildplassen) en/of het overtreden van artikel 2.1 van de Algemene

Plaatselijke Verordening van de gemeente Ede (uitdagend gedrag die aanleiding geven tot onregelmatigheden), in elk geval op verdenking van het gepleegd hebben van enig strafbaar feit, op heterdaad ontdekt, had aangehouden en/of vastgegrepen, althans vast had teneinde hem ten spoedigste voor te geleiden voor een hulpofficier van justitie en hem daartoe over te brengen naar een politiebureau te Ede, zich met geweld heeft verzet tegen bovengenoemde

opsporingsambtenaar, werkzaam in de rechtmatige uitoefening zijner bediening:

-door bovengenoemd opsporingsambtenaar vast te pakken (bij zijn middel en/of been) waarna een worsteling is ontstaan en/of

-door die [slachtoffer 1] op te tillen waarbij beiden ten val zijn gekomen en/of

-door de val die [slachtoffer 1] met zijn hoofd op de grond terecht is gekomen en/of

-waarbij verdachte bovenop opsporingsambtenaar [slachtoffer 1] is gevallen en/of

-door met zijn hand tussen de benen van die politieambtenaar [slachtoffer 1] te steken/brengen/doen en/of vervolgens (met kracht) het scrotum van die [slachtoffer 1] vast te pakken/grijpen en/of (hard) in diens scrotum te knijpen,

tengevolge waarvan deze opsporingsambtenaar zwaar lichamelijk letsel, althans enig lichamelijk letsel, te weten een (zware) hersenschudding en/of een blijvende hersenbeschadiging heeft bekomen;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 19 januari 2014 in de gemeente Ede, een ambtenaar, te weten [slachtoffer 1] , hoofdagent van Politie Gelderland-Midden, gedurende en/of terzake de rechtmatige uitoefening van zijn bediening heeft mishandeld, door die [slachtoffer 1] , na aanhouding (bij zijn middel en/of been) vast te pakken, waarna een worsteling is ontstaan en/of door die [slachtoffer 1] op te tillen

waarbij beiden ten val zijn gekomen en/of door de val die [slachtoffer 1] met zijn hoofd op de grond terecht is gekomen en/of waarbij verdachte bovenop die [slachtoffer 1] is gevallen en/of door met zijn hand tussen de benen van die [slachtoffer 1] te steken/bengen/doen en/of vervolgens (met kracht) het scrotum van die [slachtoffer 1] vast te pakken/grijpen en/of (hard) in diens scrotum te knijpen, tengevolge waarvan deze zwaar lichamelijk letsel, te weten een hersenschudding en/of een

blijvende hersenbeschadiging, heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

in de zaak met parketnummer 05/820028-15

1.

hij op of omstreeks 19 januari 2015 te Otterlo, gemeente Ede, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede gaande in de richting van Otterlo, zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend

onder invloed van alcoholhoudende drank, althans na het gebruik van een niet onaanzienlijke hoeveelheid alcoholhoudende drank,

heeft gereden over de Apeldoornseweg (N304) en/of

gekomen in of nabij een in die weg (de Apeldoornseweg (N304)gelegen, gezien, zijn verdachtes rijrichting, naar links verlopende bocht, welke bocht werd werd aangeduid middels borden, model BB 12L, zijnde bochtaanwijzers, rechtdoor is gereden, althans met het door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (personenauto) geheel of gedeeltelijk in de rechter berm van die weg is terechtgekomen en/of

tegen een paal, waaraan een bochtschild was bevestigd en/of twee bomen is gebotst, althans is aangereden en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten

verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer 2] ) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan,

terwijl verdachte verkeerde in een toestand, als bedoeld in artikel 8 tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 19 januari 2015 te Otterlo, gemeente Ede, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede gaande in de richting van Otterlo, heeft gereden over de weg, de Apeldoornseweg (N304) en/of

gekomen in of nabij een in die weg (de Apeldoornseweg (N304)gelegen, gezien, zijn verdachtes rijrichting, naar links verlopende bocht, welke bocht werd werd aangeduid middels borden, model BB 12L, zijnde bochtaanwijzers, rechtdoor is gereden, althans met het door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (personenauto) geheel of gedeeltelijk in de rechter berm van die weg is terechtgekomen en/of

tegen een paal, waaraan een bochtschild was bevestigd en/of twee bomen is gebotst, althans is aangereden,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

2.

hij op of omstreeks 19 januari 2015 te Otterlo, gemeente Ede, als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 1,11 milligram, in elk geval hoger dan 0,5 milligram, alcohol per milliliter bloed bleek te zijn.

2 Overwegingen ten aanzien van het bewijs1

In de zaken met parketnummer 05/860809-14 en 05/780053-15

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 19 januari 2014 heeft verdachte zich in de gemeente Ede schuldig gemaakt aan wildplassen, voor welk strafbaar feit hij werd aangesproken door, onder meer, verbalisant [slachtoffer 1] , hoofdagent van Politie Gelderland-Midden (hierna: [slachtoffer 1] ). Vervolgens ontstond tussen beiden een woordenwisseling, waarop [slachtoffer 1] wilde overgaan tot aanhouding van verdachte. Daarbij is een worsteling ontstaan waarbij [slachtoffer 1] op de grond is gevallen met verdachte bovenop hem.2 [slachtoffer 1] heeft na de val gezondheidsklachten gekregen, waarvoor hij zich heeft laten behandelen.3

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat op basis van de diverse bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde, zijnde mishandeling en wederspannigheid met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich ter zake van de mishandeling gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Wat betreft de wederspannigheid heeft de raadsman vrijspraak bepleit nu verdachte zich weliswaar irritant en uitdagend heeft gedragen jegens [slachtoffer 1] , maar niet kan worden gesteld dat hij zich met geweld heeft verzet bij zijn aanhouding. De handelingen die verdachte blijkens de camerabeelden heeft verricht, kunnen worden aangemerkt als een natuurlijke reflex op de manier waarop hij werd vastgepakt door [slachtoffer 1] . Hoewel de gezamenlijke val van verdachte en [slachtoffer 1] met name voor laatstgenoemde zeer ernstige gevolgen heeft gehad, lijkt de val vooral te hebben plaatsgevonden door onbalans.

De beoordeling door de rechtbank

Op 19 januari 2014 heeft in Ede tussen verdachte en [slachtoffer 1] een incident plaatsgevonden. Verdachte wordt verweten dat hij zich heeft verzet bij zijn aanhouding en dat hij (daarbij) [slachtoffer 1] heeft mishandeld.

In het proces-verbaal van aanhouding heeft verbalisant [naam 1] beschreven dat verdachte, nadat hem een bekeuring was gegeven voor wildplassen, telefonerend wegliep van de verbalisanten. Verbalisant [slachtoffer 1] gaf verdachte vervolgens te kennen dat hij weg moest gaan, waarna verdachte zich omdraaide en met gespreide armen richting [slachtoffer 1] terugliep. Beide personen kwamen tegenover elkaar te staan, waarbij verdachte de pet van het hoofd van [slachtoffer 1] sloeg. De verdachte greep [slachtoffer 1] vast. [slachtoffer 1] ontweek dat en gaf een schop in de richting van de onderbenen van verdachte, waarbij hij tegen verdachte zei dat hij was aangehouden omdat zijn gedrag aanleiding gaf tot ongeregeldheden. Vervolgens ontstond een worsteling tussen verdachte en [slachtoffer 1] , waarbij beiden elkaar vasthielden.
Verbalisant [naam 1] is vervolgens naar hen toegelopen. Verbalisant [naam 1] heeft verdachte vastgepakt en hem tegen de grond getrokken.4


De verbalisanten [naam 2] en [naam 3] hebben de camerabeelden uitgekeken en beschreven dat daarop te zien is dat verdachte, nadat [slachtoffer 1] hem schopt, achteruitloopt, dat [slachtoffer 1] achter hem aan loopt, zijn arm om de nek van verdachte slaat, hem beetpakt en probeert verdachte naar de grond te brengen. Er vindt een worsteling plaats, ze vallen op de grond en verbalisant [naam 1] trekt aan de jas van verdachte. Verdachte ligt dan op zijn buik op het fietspad, deels op verbalisant [slachtoffer 1] , die ook op zijn buik ligt, en heeft zijn rechterhand tussen de benen/ het kruis van [slachtoffer 1] . Wanneer verbalisant [naam 1] de hand van verdachte wegtrekt, gaat verdachte weer met zijn hand in de richting van het kruis van [slachtoffer 1] .5

Verbalisant [naam 1] heeft verklaard dat [slachtoffer 1] kort na het incident tegen hem heeft gezegd: “ik ben bij mijn ballen gepakt”.6

Verdachte heeft verklaard dat hij, nadat hij de pet van het hoofd van [slachtoffer 1] had geslagen, zag dat [slachtoffer 1] boos werd, dat hij [slachtoffer 1] toen heeft beetgepakt omdat deze helemaal aan het flippen was en dat hij hem rustig wilde maken.7

Op basis van het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte zich actief heeft verzet tegen zijn aanhouding. De verzetshandelingen van verdachte hebben hieruit bestaan dat verdachte [slachtoffer 1] heeft vastgepakt op het moment dat deze hem naar de grond probeerde te brengen, waarna een worsteling is ontstaan en dat verdachte, in die worsteling, zijn rechter hand tussen de benen/het kruis van [slachtoffer 1] heeft gebracht en diens scrotum heeft vastgepakt.


Hoewel verdachte heeft verklaard dat hij [slachtoffer 1] heeft opgetild en dat zij daardoor ten val zijn gekomen, wordt dit optillen niet bevestigd door (het proces-verbaal uitkijken van) de camerabeelden, en evenmin door getuigen. De rechtbank acht dit deel van de tenlastelegging dan ook niet wettig en overtuigend bewezen.

Het dossier bevat evenmin enig bewijsmiddel waaruit volgt dat [slachtoffer 1] bij of door het op de grond terechtkomen met zijn hoofd de grond heeft geraakt, zodat ook dat deel van de tenlastelegging niet bewezenverklaard kan worden.

Ten aanzien van het vastpakken/-grijpen van en knijpen in het scrotum van [slachtoffer 1] door verdachte stelt de rechtbank vast dat uit de camerabeelden en de verklaring van [naam 1] weliswaar volgt dat verdachte met zijn hand tussen de benen van [slachtoffer 1] heeft gebracht en diens scrotum heeft vastgepakt, maar niet dat hij dit met kracht heeft vastgegrepen of daarin heeft geknepen. Voorts bevat het dossier geen bewijsmiddelen waaruit volgt dat het zitten bij en/of pakken van het scrotum heeft geleid tot pijn en/of letsel bij [slachtoffer 1] .

Dit leidt tot de conclusie dat verdachte van dat deel van de tenlastelegging in de zaak met parketnummer 05/780053-15 en van de algehele tenlastelegging in de zaak met parketnummer 05/860809-14 dient te worden vrijgesproken.

Hoewel [slachtoffer 1] thans te maken heeft met serieuze klachten die worden toegeschreven aan niet aangeboren hersenletsel, kan niet wettig en overtuigend bewezen worden verklaard dat – zoals wel expliciet is ten laste gelegd – dit letsel is opgelopen ‘ten gevolge van’ de bewezenverklaarde handelingen van verdachte.

De rechtbank stelt vast dat zowel de verbalisant [naam 1] als de verbalisanten [naam 2] en [naam 3] niet hebben beschreven welke handelingen van verdachte zij bij de door hen genoemde worsteling tussen verdachte en [slachtoffer 1] hebben waargenomen, en dat zij evenmin hebben beschreven waardoor verdachte en [slachtoffer 1] zijn gevallen. Door de getuige [getuige 1] wordt verklaard dat verdachte door de agenten bij zijn armen werd gegrepen en dat hij vervolgens rustig, in een grijphouding, naar de grond werd gebracht. Ook de getuige [getuige 2] verklaart dat de jongen en de agenten op de grond terechtkwamen en dat de agenten op die manier de jongen onder controle hielden.

Verbalisant [naam 1] verklaart uitdrukkelijk dat hij degene is geweest die verdachte naar de grond heeft gebracht. Omdat verdachte en [slachtoffer 1] elkaar op dat moment vast hadden, heeft dit mogelijk tot gevolg gehad dat ook [slachtoffer 1] ten val is gekomen en zou dat heel wel tot gevolg kunnen hebben gehad dat [slachtoffer 1] op dat moment met zijn hoofd de grond heeft geraakt.

Omdat niet met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld hoe verdachte en [slachtoffer 1] ten val zijn gekomen, en omdat vervolgens niet kan worden bewezen dat [slachtoffer 1] als gevolg van die val met zijn hoofd de grond heeft geraakt met (ernstig) hoofdletsel tot gevolg, zal verdachte – mede met inachtneming van de formulering van de tenlastelegging – wegens gebrek aan causaliteit van die strafverzwarende omstandigheid worden vrijgesproken.

In de zaak met parketnummer 05/820028-15

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 19 januari 2015 reed verdachte te Otterlo, in de gemeente Ede na het gebruik van een hoeveelheid alcoholhoudende drank (waarbij het alcoholgehalte van zijn bloed 1,11 milligram alcohol per milliliter bloed bleek te bedragen) met een personenauto, over de Apeldoornseweg (N304). Bij een voor hem naar links verlopende bocht, die werd aangeduid door middel van borden (model BB 12L), is hij in de rechter berm van de weg terechtgekomen, waarna hij tegen een paal, waaraan een bochtschild was bevestigd, en tegen twee bomen is gebotst.8 Bij dit ongeval heeft zijn passagier [slachtoffer 2] lichamelijk letsel opgelopen.9

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde.
Daartoe heeft zij aangevoerd dat verdachte in de auto is gestapt na het drinken van meerdere glazen alcoholhoudende drank. In een flauwe bocht is verdachte vervolgens van de weg geraakt en in de berm terecht gekomen. Uiteindelijk is verdachte tegen een paal en twee bomen gebotst. Niet is gebleken dat verdachte door een andere oorzaak dan het alcoholgebruik van de weg is geraakt. Gelet op de gedragingen van betrokkene, en gezien de geldende jurisprudentie, is de officier van justitie van mening dat sprake is van zeer onoplettend en onvoorzichtig verkeersgedrag. Daarbij heeft de passagier van verdachte letsel opgelopen dat moet worden gekwalificeerd als zwaar lichamelijk letsel.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling door de rechtbank

Om tot het oordeel te komen dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 is in zijn algemeenheid vereist dat het rijgedrag van de verdachte roekeloos, dan wel zeer of aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig of onachtzaam was. Daarvoor moet beoordeeld worden of sprake was van ten minste een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Daarbij geldt dat in zijn algemeenheid niet valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende is voor bewezenverklaring van schuld in vorenbedoelde zin. Gekeken moet worden naar het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en voorts naar de overige omstandigheden van het geval. Daarnaast geldt dat niet enkel uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994.

Vast is komen te staan dat verdachte, met naast zich zijn partner [slachtoffer 2] , over de Apeldoornseweg reed, toen hij bij een voor hem naar links verlopende bocht in de rechterberm terecht is gekomen. De oorzaak daarvan is niet bekend. Verdachte heeft ter terechtzitting de mogelijkheid geopperd dat sprake is geweest van ijzel, maar de rechtbank acht dit niet aannemelijk geworden, nu in het proces-verbaal Verkeers Ongevallen Analyse wordt vermeld dat het wegdek vochtig was, maar de weersgesteldheid droog.10

Naar het oordeel van de rechtbank is aannemelijk dat de omstandigheid dat verdachte onder invloed van alcohol verkeerde ertoe heeft bijgedragen dat hij van de weg is geraakt en vervolgens niet in staat was bij te sturen dan wel het voertuig weer onder controle te krijgen. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat het drinken van alcoholische drank (onder andere) het reactievermogen en daarmee de rijvaardigheid beïnvloedt. De rechtbank concludeert dan ook dat verdachte, door na het gebruik van alcohol een voertuig te besturen, daarmee in de rechterberm te raken en vervolgens niet de auto zorgvuldig terug te sturen naar de weg, de voor hem geldende zorgplicht niet in acht heeft genomen en daarmee aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag heeft vertoond.

Met betrekking tot het letsel van passagier [slachtoffer 2] is de rechtbank met de officier van justitie van oordeel dat dit gekwalificeerd dient te worden als zwaar lichamelijk letsel. Blijkens de geneeskundige verklaring is sprake geweest van onder meer een open enkelbreuk.11 [slachtoffer 2] heeft zelf over zijn letsel verklaard dat hij beide voeten en enkels en een middenhandsbeentje heeft gebroken en dat zijn milt en alvleesklier zijn verwijderd.12

Alles in overweging nemende kan verdachte naar het oordeel van de rechtbank schuld aan het ongeval in de zin van artikel 6 WVW 1994 worden verweten.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

in de zaak met parketnummer 05780053-15

hij op of omstreeks 19 januari 2014 in de gemeente Ede, toen (een) aldaar in uniform geklede dienstdoende politieambtenaar, te weten [slachtoffer 1] , hoofdagent van Politie Gelderland-Midden, verdachte op verdenking van het overtreden van artikel 4.8 van de Algemene Plaatselijke Verordening te Ede (wildplassen) en/of het overtreden van artikel 2.1 van de Algemene

Plaatselijke Verordening van de gemeente Ede (uitdagend gedrag die aanleiding geven tot onregelmatigheden), in elk geval op verdenking van het gepleegd hebben van enig strafbaar feit, op heterdaad ontdekt, had aangehouden en/of vastgegrepen, althans vast had teneinde hem ten spoedigste voor te geleiden voor een hulpofficier van justitie en hem daartoe over te brengen naar een politiebureau te Ede, zich met geweld heeft verzet tegen bovengenoemde

opsporingsambtenaar, werkzaam in de rechtmatige uitoefening zijner bediening:

-door bovengenoemd opsporingsambtenaar vast te pakken (bij zijn middel en/of been) waarna een worsteling is ontstaan en/of

-door die [slachtoffer 1] op te tillen waarbij beiden ten val zijn gekomen en/of

-door de val die [slachtoffer 1] met zijn hoofd op de grond terecht is gekomen en/of

-waarbij verdachte bovenop opsporingsambtenaar [slachtoffer 1] is gevallen en/of

-door met zijn hand tussen de benen van die politieambtenaar [slachtoffer 1] te steken/brengen/doen en/of vervolgens (met kracht) het scrotum van die [slachtoffer 1] vast te pakken/grijpen en/of (hard) in diens scrotum te knijpen,

tengevolge waarvan deze opsporingsambtenaar zwaar lichamelijk letsel, althans enig lichamelijk letsel, te weten een (zware) hersenschudding en/of een blijvende hersenbeschadiging heeft bekomen;

in de zaak met parketnummer 05/820028-15

1.

hij op of omstreeks 19 januari 2015 te Otterlo, gemeente Ede, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede gaande in de richting van Otterlo, zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend

onder invloed van alcoholhoudende drank, althans na het gebruik van een niet onaanzienlijke hoeveelheid alcoholhoudende drank,

heeft gereden over de Apeldoornseweg (N304) en/of

gekomen in of nabij een in die weg (de Apeldoornseweg (N304) gelegen, gezien, zijn verdachtes rijrichting, naar links verlopende bocht, welke bocht werd aangeduid middels borden, model BB 12L, zijnde bochtaanwijzers, rechtdoor is gereden, althans met het door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (personenauto) geheel of gedeeltelijk in de rechter berm van die weg is terechtgekomen en/of

tegen een paal, waaraan een bochtschild was bevestigd en/of twee bomen is gebotst, althans is aangereden en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten

verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer 2] ) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan,

terwijl verdachte verkeerde in een toestand, als bedoeld in artikel 8 tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994;

2.

hij op of omstreeks 19 januari 2015 te Otterlo, gemeente Ede, als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 1,11 milligram, in elk geval hoger dan 0,5 milligram, alcohol per milliliter bloed bleek te zijn.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

In de zaak met parketnummer 05/780053-15 primair:

Wederspannigheid

In de zaak met parketnummer 05/820028-15:

De eendaadse samenloop van

feit 1 primair:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, tweede lid, onder b, van deze wet.

en

feit 2

Overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994.

5 De strafbaarheid van het feit

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur tien maanden waarvan drie maanden voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering gesteld is geweest, en met een proeftijd van drie jaar. Voorts heeft de officier van justitie in de zaak met parketnummer 05/780053-15 (ter zake van feit 1) een ontzegging van de rijbevoegdheid gevorderd voor de duur van 30 maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk en met een proeftijd van drie jaar. De officier van justitie neemt het verdachte in het bijzonder kwalijk dat hij eerder met politie en justitie in aanraking is geweest wegens rijden onder invloed.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft verzocht nadrukkelijk te kijken naar de verwijtbare gedragingen, los van de gevolgen voor de slachtoffers. Die gedragingen zijn niet van een zodanig kaliber dat zij een gevangenisstraf rechtvaardigen. Verzocht wordt te volstaan met een werkstraf, al dan niet in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf.

Nu verdachte reeds gewaarschuwd was voor het rijden onder invloed, ligt een rijontzegging van aanzienlijke duur in de rede. Daarbij wordt opgemerkt dat verdachte al langere tijd niet de beschikking heeft over zijn rijbewijs, waardoor wordt verzocht te volstaan met een ontzegging van gelijke duur als de tijd dat verdachte zijn rijbewijs al kwijt is.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 7 september 2015;

- het bericht van Reclassering Nederland van 21 augustus 2015.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan wederspannigheid. Door zijn handelen heeft verdachte inbreuk gemaakt op het ambtelijk gezag. Dit is een ernstig feit aangezien politieambtenaren in functie zich bezig houden met de naleving van wetten en regels en verdachte blijk heeft gegeven hiervoor geen respect te hebben.

Voorts heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het veroorzaken van een eenzijdig ongeval. Blijkens het strafblad van verdachte is hij eerder met politie en justitie in aanraking gekomen wegens rijden onder invloed. Dit heeft hem er kennelijk niet van weerhouden opnieuw een auto te besturen onder invloed van alcohol. Het is algemeen bekend dat alcohol en verkeer een dodelijke combinatie kan zijn. Daarom is deelnemen aan het verkeer na tevoren alcohol te hebben genuttigd een misdrijf. Verdachte wist ook dat hij (teveel) alcohol had gedronken. Dat verdachte toch met een dergelijke hoeveelheid alcohol op achter het stuur is gaan zitten, rekent de rechtbank hem daarom zwaar aan. Door te gaan rijden heeft verdachte een onaanvaardbaar groot risico genomen en heeft hij geen enkel verantwoordelijkheidsgevoel ten opzichte van zijn medepassagier getoond.

Alles in ogenschouw nemend acht de rechtbank een gevangenisstraf niet passend. Wel ziet de rechtbank aanleiding aan verdachte een forse taakstraf op te leggen. Verder acht de rechtbank, mede gelet op de eerdere veroordelingen van verdachte wegens rijden onder invloed, een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 24 maanden passend. Daarvan zal een periode van 6 maanden voorwaardelijk worden bepaald.

7a. De beoordeling van de civiele vordering, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake. Gevorderd wordt – na aanvulling van de vordering – een voorschot op de schadevergoeding groot € 84.104,37 bestaande uit € 20.745,- ter zake van immateriële schade en € 63.359,37 ter zake van materiële schade.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering en tot niet-ontvankelijkheid voor het overige, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel voor het toe te wijzen bedrag.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat de vordering van de benadeelde partij zodanig groot en complex is geworden, dat deze zich niet langer leent voor behandeling binnen het strafgeding. De raadsman heeft dan ook verzocht de benadeelde niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering.

De beoordeling door de rechtbank

De benadeelde partij zal niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering, nu de rechtbank niet bewezen acht dat de wederspannigheid zwaar lichamelijk letsel tot gevolg heeft gehad, zoals ten laste gelegd.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 27, 55, 57, 91 en 180 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 8, 175, 176, 178 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart niet bewezen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 05/860809-14 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

 verklaart bewezen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 05/780053-15 primair en in de zaak met parketnummer 05/820028-15 onder 1 primair en 2 tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een werkstraf gedurende 180 (honderdtachtig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 90 (negentig) dagen;

 beveelt dat voor de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van de werkstraf in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf uren in mindering worden gebracht volgens de maatstaf dat per dag in verzekering doorgebracht 2 uur in mindering wordt gebracht;

 ontzegt verdachte ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 05/820028-15 onder 1 primair bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden;

 bepaalt, dat een gedeelte van deze bijkomende straf groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

 bepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de veroordeelde ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak wat betreft de in artikel 179 van die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht;

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] (05/860809-14 en 05/780053-15)

 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in de vordering.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.K. van den Dungen-Dijkstra (voorzitter), mr. C. van Linschoten en mr. E. de Boer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.J.W. Lambregts, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 23 oktober 2015.

1 Het bewijs is terug te vinden in
- de verklaring van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting van 9 oktober 2015;
in de zaken met parketnummer 05/860809-14 en 05/780053-15
- het in de wettelijke vorm door verbalisanten van de politie Eenheid Oost-Nederland, Districtsrecherche Gelderland-Midden, opgemaakte proces-verbaal, BVH-nummer 2014007527, gesloten op 16 april 2014 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld;
- het proces-verbaal van aanhouding, proces-verbaalnummer PL074H-2014007527-2 d.d. 1 oktober 2014;
in de zaak met parketnummer 05/820028-15
- het in de wettelijke vorm door verbalisanten van de politie Eenheid Oost-Nederland, District Gelderland-Midden, Basisteam Ede, opgemaakte proces-verbaal, registratienummer PL0600-2015031357, gesloten op 9 maart 2015 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld;
- een geschrift zijnde een geneeskundige verklaring d.d. 25 maart 2015.

2 De verklaring van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting van 9 oktober 2015; het proces-verbaal aanhouding, p. 12 e.v.

3 Een geschrift zijnde een letselverklaring van forensisch arts mr.drs. [slachtoffer 2] d.d. 7 april 2014, p. 47 e.v.

4 Het proces-verbaal van aanhouding, proces-verbaalnummer PL074H-2014007527-2 d.d. 1 oktober 2014, blad 3 en 4.

5 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 30.

6 Proces verbaal van bevindingen, p. 26

7 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte, p 32

8 De verklaring van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting van 9 oktober 2015; het proces-verbaal Verkeers Ongevallen Analyse d.d. 4 februari 2015 (eigen nummering van betreffend proces-verbaal), p. 5 en 17; het proces-verbaal rijden onder invloed, p. 24.

9 Een geschrift zijnde een geneeskundige verklaring d.d. 25 maart 2015.

10 Het proces-verbaal Verkeers Ongevallen Analyse, p. 7.

11 Een geschrift zijnde een geneeskundige verklaring d.d. 25 maart 2015.

12 Het proces-verbaal verhoor benadeelde, p. 15.