Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:6513

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
28-10-2015
Datum publicatie
04-11-2015
Zaaknummer
C/05/283456 / HZ ZA 15-190
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres doet aangifte van diefstal van haar auto. Achmea weigert dekking omdat er volgens haar sprake van fraude. De rechtbank gaat hier niet in mee.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zutphen

zaaknummer / rolnummer: C/05/283456 / HZ ZA 15-190

Vonnis van 28 oktober 2015

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [plaats] ,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. S. Burger te Rotterdam,

tegen

de naamloze vennootschap

ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Apeldoorn,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. A.P.E. de Ruiter te Zwolle.

Partijen zullen hierna [eiseres] en Achmea genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 19 augustus 2015

  • -

    de brief van 17 september 2015 van mr. S. Burger, met als bijlagen productie 9 en 10

  • -

    de brief van 18 september 2015 van mr. A.P.E. de Ruiter, met als bijlagen productie 11 en 12

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 2 oktober 2015, waarbij de advocaat van Achmea het woord heeft gevoerd aan de hand van de overgelegde comparitieaantekeningen

  • -

    de brief van 14 oktober 2015 van mr. S. Burger, houdende een reactie op de inhoud van voormeld proces-verbaal.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] heeft op 13 maart 2014 een tweedehands auto gekocht, merk Mercedes Benz, type S-420 L CDI Prestige Plus, bouwjaar 2008 met het kenteken [kenteken] (hierna: de auto).

2.2.

[eiseres] heeft op 12 oktober 2014 bij de politie - telefonisch - aangifte van diefstal van de auto gedaan. Van de aangifte is proces-verbaal opgemaakt (productie 1 bij dagvaarding).

2.3.

De auto is dezelfde dag nog in Polen teruggevonden. Met de auto kon niet worden gereden omdat een belangrijk onderdeel van de elektronica (de CDI-unit) uit de auto was verwijderd.

2.4.

[eiseres] heeft de diefstal ook gemeld aan Achmea, bij wie [eiseres] de auto all-risk had verzekerd op grond van een polis met bijbehorende voorwaarden (productie 1, 2 en 3 van Achmea).

2.5.

Achmea heeft ervoor zorggedragen dat de auto weer naar Nederland is teruggebracht.

2.6.

[eiseres] heeft op verzoek van Achmea een formulier, “Verklaring inzake diefstal object”, ingevuld (productie 2 bij dagvaarding).

2.7.

Op 7 november 2014 heeft [eiseres] een door Achmea opgestelde “Akkoordverklaring” (productie 3 bij dagvaarding) ondertekend. Hierin verklaart [eiseres] dat zij akkoord gaat met de poliswaarde van € 34.000,-- (inclusief btw) voor de auto. Dit bedrag is inclusief de vergoeding voor de in het expertise rapport gespecificeerde en meeverzekerde accessoires. In deze verklaring komt aan het slot de volgende passage voor: “De in deze akkoordverklaring vermelde waardebepaling houdt voor de verzekeraar geen verplichting tot vergoeding in”.

2.8.

Achmea heeft een onderzoek ingesteld naar de toedracht van de door [eiseres] gemelde diefstal van de auto. In dit kader heeft haar toedrachtonderzoeker, [naam A] (hierna: [naam A] ) op 5 december 2014 [eiseres] gehoord. Van dit interview is een verslag opgesteld (productie 4 bij dagvaarding).

2.9.

Bij brief van 18 maart 2015 (productie 6 bij dagvaarding) heeft Achmea aan [eiseres] medegedeeld dat zij op grond van de polisvoorwaarden niet tot schadevergoeding zal overgaan omdat [eiseres] volgens Achmea opzettelijk een onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven. Achmea heeft daarbij aangegeven dat de all-risk autoverzekering alsmede de bij haar lopende woongarantverzekering en rechtsbijstandsverzekering zullen worden beëindigd. Achmea heeft voorts jegens [eiseres] aanspraak gemaakt op vergoeding van de door Achmea gemaakte onderzoekskosten ad € 4.895,15 alsmede de kosten van repatriëring van de auto ad € 3.124,34. Tot slot heeft Achmea medegedeeld dat zij de gegevens van [eiseres] heeft opgenomen in het interne incidentenregister alsmede in het extern verwijzingsregister. Laatstgenoemd register wordt gehouden door de stichting Stichting Centraal Informatie Systeem voor in Nederland werkzame verzekeringsmaatschappijen (hierna: stichting CIS). Stichting CIS bewaart verzekeringsgegevens voor verzekeringsmaatschappijen en gevolmachtigde agenten.

2.10.

[eiseres] heeft bij brief aan Achmea van 19 maart 2015 (productie 7 bij dagvaarding) geprotesteerd tegen de inhoud van voormelde brief. Dit heeft niet tot het door [eiseres] gewenste resultaat geleid.

2.11.

[eiseres] heeft vervolgens een advocaat ingeschakeld die bij brieven van 25 maart 2015 en 1 april 2015 Achmea heeft verzocht om haar standpunt te herzien. Achmea heeft in haar standpunt volhard.

3 De vordering in conventie

3.1.

[eiseres] vordert dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
a. zal bepalen dat Achmea dient over te gaan tot uitkering van de schadevergoeding ad
€ 34.000,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 mei 2015 tot de dag der algehele voldoening,
b. zal bepalen dat Achmea aan [eiseres] de dagvergoeding ad € 2.880,--, te vermeerderen met de dagvergoeding vanaf 6 mei 2015 tot de dag der algehele voldoening van de schadevergoeding dient te betalen,

c. Achmea zal gebieden binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis de registraties met betrekking tot [eiseres] in het interne incidentenregister van Achmea en het externe verwijzingsregister bij de Stichting CIS te verwijderen, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,-- voor iedere dag dat Achmea na zeven dagen na betekening van dit vonnis niet aan dit gebod voldoet, met een maximum aan te verbeuren dwangsommen van € 25.000,--,

d. zal bepalen dat de verzekeringsovereenkomst met [eiseres] nimmer is geëindigd en aldus voortgezet wordt onder dezelfde voorwaarden,

e. zal bepalen dat Achmea de buitengerechtelijke kosten ad € 1.143,80 dient te betalen aan [eiseres] , te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 mei 2015 tot de dag der algehele voldoening,

f. Achmea zal veroordelen in de proceskosten van de onderhavige procedure, inclusief de gebruikelijke nakosten.

3.2.

Op de stellingen van [eiseres] zal, voor zover van belang, hierna nader worden ingegaan.

4 Het verweer in conventie

4.1.

Achmea concludeert dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [eiseres] niet-ontvankelijk zal verklaren in haar vorderingen, althans haar deze zal ontzeggen, met

haar veroordeling in - kort samengevat - de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente ingeval dat betaling van bedoelde kosten niet binnen veertien dagen na de dagtekening van het vonnis plaatsvindt.

4.2.

Op het verweer van Achmea zal, voor zover van belang, hierna nader worden ingegaan.

5 De vordering in reconventie

5.1.

Achmea vordert dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [eiseres] zal veroordelen om aan Achmea te betalen een bedrag van € 8.019,49, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 18 maart 2015, alsmede [eiseres] zal veroordelen in - kort samengevat - de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente ingeval dat betaling van bedoelde kosten niet binnen veertien dagen na de dagtekening van het vonnis plaatsvindt.

5.2.

Op de stellingen van Achmea zal, voor zover van belang, hierna nader worden ingegaan.

6 Het verweer in reconventie

6.1.

[eiseres] concludeert tot afwijzing van de vorderingen met veroordeling van Achmea in de proceskosten.

6.2.

Op het verweer van [eiseres] zal, voor zover van belang, hierna nader worden ingegaan.

7 De beoordeling

in conventie

onjuiste informatieverschaffing

7.1.

Achmea heeft ter onderbouwing van haar stelling dat [eiseres] haar opzettelijk onjuiste informatie heeft verschaft het volgende aangevoerd.
heeft in haar “Verklaring inzake diefstal object” verklaard dat zij de auto zelf op
13 maart 2014 heeft gekocht van een particulier voor een bedrag van € 54.950,--. De vraag of de auto volledig schadevrij is aangekocht, heeft zij onbeantwoord gelaten. Het vakje voor eventuele schade bij aankoop is leeg gelaten. De vraag of zij bezig was met inruil of verkoop van de auto, heeft [eiseres] beantwoord met “nee”.
Tegen de schadeonderzoeker van Achmea, [naam B] , heeft [eiseres] verteld dat zij de auto via Marktplaats van een particulier heeft gekocht. De auto zou voor € 55.950,-- te koop hebben gestaan. [eiseres] heeft een advertentie van Marktplaats getoond. De advertentie bleek te zijn gemanipuleerd. In de kop van de advertentie stond een bedrag van € 55.900,-- genoemd. Doorlezend blijkt de auto te worden aangeboden voor een bedrag van € 39.050,--.
heeft ter onderbouwing van haar overige schade, diefstal van de in de auto aanwezige goederen (een koelbox, kinderstoeltjes enzovoorts) een nota overgelegd van “ [naam bedrijf] ” te [plaats] . Hieruit zou moeten blijken dat [eiseres] een bedrag van € 2.724,32 voor bedoelde zaken heeft betaald. Op de factuur staat de naam [naam C] als klant vermeld en het kenteken van de auto. Zij zouden zijn geholpen door [naam D] . De koelbox die [eiseres] claimt zou volgens de verkoper van de auto bij de koop (door [naam C] ) al in de auto hebben gezeten.
Nader onderzoek heeft geleerd dat de auto van [eiseres] bij “ [naam bedrijf] ” niet bekend is. [eiseres] noch [naam C] is als klant in het bestand opgenomen. [naam D] heeft nooit gewerkt bij het bedrijf en de overige op de factuur vermelde gegevens, zoals het internetadres en het telefoonnummer, bleken niet juist.
[eiseres] heeft in het gesprek met [naam A] - in afwijking van hetgeen zij heeft ingevuld in de “Verklaring inzake diefstal object”- verklaard dat zij de auto niet zelf heeft gekocht, maar dat haar zwager, [naam C] , de auto heeft gekocht voor haar. [eiseres] kon geen verklaring geven voor het feit dat uit de marktplaatsadvertentie blijkt dat de vraagprijs niet € 55.950,--, maar € 39.050,-- bedroeg. Na het interview op 5 december 2014 heeft [eiseres] een e-mail overhandigd van [naam C] , die heeft verklaard over de aankoop van de auto. Voorts heeft [eiseres] een factuur van [naam BV] te [plaats] overhandigd waaruit blijkt dat een bedrag van € 20.000,-- voor de auto is betaald (inclusief BPM en btw) alsmede een offerte waaruit zou moeten blijken dat de auto gerepareerd zou kunnen worden voor een bedrag van € 28.621,--.
[naam C] verklaart in zijn e-mail dat hij op verzoek van de echtgenoot van [eiseres] op zoek zou zijn gegaan naar de auto alsmede dat hij tegen [eiseres] en haar echtgenoot heeft verteld dat hij de auto van een particulier heeft gekocht, terwijl hij de auto van een bedrijf heeft gekocht. Verder heeft [naam C] verklaard dat de auto enkele schades had en dat hij de versnellingsbak van de auto heeft vervangen alsmede dat hij plus minus 28 tot 29 duizend euro heeft uitgegeven voor de onderdelen. De verklaring van [naam C] is niet juist omdat vaststaat dat nog steeds de originele versnellingsbak in de auto is gemonteerd. Opvallend is dat de offerte voor het herstel van de schade dateert van 28 februari 2014. Dit is ruim voor de datum van de aankoop op 13 maart 2014. De verkoper van de auto herkent zich niet in het in de schadetaxatie omschreven beeld. Bovendien strookt dit niet met de verklaring van [naam C] dat hij pas na de aankoop van de auto werd geconfronteerd met extra kosten, te weten de - op de offerte vermelde - versnellingsbak. Overigens ontbreekt een nota van het herstel, zodat het de vraag is of de auto wel is hersteld.
Ten aanzien van de factuur voor de overige spullen in de auto heeft [eiseres] tegenover [naam A] verklaard dat zij een autostoeltje wilde hebben, dat gevonden werd bij een garage in Duitsland alsmede dat zij toen bij die garage meer spullen heeft gekocht, onder andere een koelbox. [eiseres] heeft bevestigd dat zij de door [naam A] aan haar voorgehouden factuur van [naam bedrijf] bij de garage in Duitsland heeft ontvangen. [naam A] heeft [eiseres] geconfronteerd met zijn bevindingen dat bedoelde factuur niet door voormeld bedrijf is opgesteld, dat [eiseres] daar niet bekend is als klant, dat de auto daar niet bekend is, dat het bankrekeningnummer fout is, dat het internetadres niet klopt, dat het telefoonnummer fout is alsmede dat er geen heer [naam D] bij dit bedrijf werkt. [eiseres] heeft daarop geantwoord dat zij er niets van begreep, dat zij met haar man naar buiten is gelopen en dat haar zwager haar buiten de factuur heeft laten zien. Nadat [naam C] in zijn e-mail had verklaard dat hij de nota van bedoeld bedrijf eerst later opgestuurd kreeg, heeft [eiseres] in een e-mail aan Achmea haar verklaring aangepast door te verklaren dat de verkoper achteraf een nota naar haar zwager heeft gestuurd. [eiseres] heeft in haar “verklaring inzake diefstal object” verklaard dat de auto in de tijd dat deze in haar bezit was niet te koop heeft gestaan. Dit is onjuist nu uit een advertentie van Marktplaats blijkt dat de auto op 3 oktober 2014 te koop werd aangeboden voor € 32.450,--, met vermelding van het telefoonnummer van [eiseres] . [eiseres] heeft verklaard dat zij niets van deze advertentie afwist. [naam C] heeft verklaard dat hij met toestemming van de echtgenoot van [eiseres] de marktplaatsaccount van [eiseres] heeft gebruikt om zijn eigen auto te verkopen en daarbij het kenteken van de auto van [eiseres] heeft gebruikt, omdat zijn auto een Duits kenteken had. Vervolgens zou hij - omdat de advertentie er toch stond - hebben geprobeerd om de auto van [eiseres] te verkopen. Daarna zou hij een vriend hebben gevraagd om de advertentie te verwijderen. Deze verklaring van [naam C] is ongeloofwaardig.
[eiseres] heeft ten aanzien van de omvang van de schade onjuiste informatie verstrekt met het doel (ten onrechte) een (hogere) uitkering te verkrijgen. Er is dus sprake van opzet tot misleiding. Gelet op artikel 4 sub c en d AV-01-132 van de polisvoorwaarden is Achmea niet gehouden om aan [eiseres] een uitkering te verstrekken, aldus nog steeds Achmea.

7.2.

De rechtbank oordeelt als volgt.
[eiseres] heeft als productie 5 een kopie van een in de Turkse taal gesteld e-mailbericht van
8 december 2014 (alsmede een schriftelijke vertaling daarvan in het Nederlands) overgelegd, waarvan zij stelt dat deze e-mail afkomstig is van haar zwager [naam C] . Daar waar Achmea in haar conclusie ingaat op de e-mail van [naam C] (en daaraan consequenties voor de betrouwbaarheid van [eiseres] verbindt), gaat het niet aan dat Achmea ter comparitie het bestaan van [naam C] in twijfel trekt en - als dat Achmea uitkomt - de betrouwbaarheid van de verklaring van [naam C] ter discussie stelt. De rechtbank zal de inhoud van bedoelde e-mail dan ook bij haar beoordeling betrekken.

7.3.

Uit de inhoud van deze e-mail kan worden afgeleid dat [eiseres] [naam C] om opheldering heeft gevraagd naar aanleiding van de feiten en omstandigheden waarmee [naam A] [eiseres] tijdens het interview van 5 december 2014 heeft geconfronteerd. In deze e-mail verklaart [naam C] dat hij tegen [eiseres] en haar echtgenoot heeft verteld dat hij de auto van een particulier heeft gekocht, maar dat hij in werkelijkheid de auto heeft gekocht bij een bedrijf. Uit de door Achmea als productie 7 overgelegde factuur (die is gesteld op naam van [naam C] ) blijkt dat de auto (voor een bedrag van € 20.000,--) is gekocht bij [naam BV] te [plaats] . [naam C] verklaart vervolgens dat hij de auto, die enkele schades had, heeft opgeknapt alsmede dat hij daarvoor “plus minus 28-29 duizend” heeft uitgegeven. Voorts verklaart [naam C] dat hij, teneinde [eiseres] en haar echtgenoot te overtuigen van de juistheid van de door hem verlangde koopprijs van
€ 54.500,--, [eiseres] en haar echtgenoot een advertentie van Marktplaats heeft getoond alsmede foto’s van de auto.

Uit de verklaring van [naam C] blijkt tenslotte dat hij de auto zonder medeweten en toestemming van [eiseres] (tijdelijk) op Marktplaats te koop heeft aangeboden.

7.4.

Uit het vorenstaande volgt dat de verklaring van [eiseres] tegenover Achmea over de koop van de auto en de door haar betaalde koopprijs zijn gebaseerd op hetgeen [naam C] haar heeft medegedeeld, welke mededelingen van [naam C] in strijd met de waarheid waren. [naam C] heeft aan [eiseres] ook niet medegedeeld dat de auto bij aankoop door hem schade had, laat staan in de door [naam C] gestelde omvang. Onder deze omstandigheden kan [eiseres] niet worden tegengeworpen dat zij de daarop betrekking hebbende vragen in haar “verklaring inzake diefstal object” heeft opengelaten. Vast staat dat de originele versnellingsbak nog in de auto aanwezig was, zodat in zoverre de door [naam C] aan [eiseres] overhandigde - aan hem op 28 februari 2014 uitgebrachte - offerte van de beweerdelijk uitgevoerde reparaties ad in totaal € 28.621,-- (productie 8 van Achmea) in zoverre onjuist is. Dit kan [eiseres] niet worden toegerekend.

Op grond van het vorenstaande kan niet worden gezegd dat [eiseres] tegenover Achmea met opzet onjuiste verklaringen heeft afgelegd over de omvang van de schade, daar waar het de waarde van de auto betreft.

7.5.

Met betrekking tot de in Duitsland gekochte zaken verklaart [naam C] in voormelde e-mail dat de echtgenoot van [eiseres] een advertentie op internet had gezien en dat de echtgenoot hem had gevraagd om mee te rijden. [naam C] verklaart - zakelijk weergegeven - dat hij de locatie en de verkoper niet betrouwbaar vond. [naam C] heeft om een nota verzocht, waarop de verkoper mededeelde dat hij op dat moment geen nota kon geven, dat hij aan [naam C] een bewijs zou geven en dat de nota via de post zou worden opgestuurd.
Het enkele feit dat [eiseres] in eerste instantie tegenover Achmea heeft verklaard dat zij nadat zij en haar echtgenoot weer buiten kwamen de nota heeft gezien, betekent nog niet dat [eiseres] die mededeling heeft gedaan met het oogmerk om Achmea te misleiden over de omvang van de schade. De nota, die door Achmea als productie 6 is overgelegd, is op naam gesteld van [naam C] . De betreffende nota is buiten [eiseres] om opgesteld.
Achmea heeft voorts gesteld dat op die nota een koelbox voorkomt, terwijl de verkoper van de auto, die niet aan het onderzoek wilde meewerken, tegen Achmea heeft gezegd dat de auto bij de verkoop was uitgerust met een koelbox. Daar waar een schriftelijke verklaring van de betreffende verkoper ontbreekt, is niet aangetoond dat [eiseres] in strijd met de waarheid tegen Achmea heeft gezegd dat zij in Duitsland een koelbox heeft gekocht. Dat in de auto bij aankoop door [naam C] al een koelbox was ingebouwd, blijkt overigens niet uit de inhoud van de door Achmea als productie 5 overgelegde advertentie van Marktplaats waarin vele accessoires van de auto worden opgenoemd. Het is deze advertentie die door [naam C] aan [eiseres] en haar echtgenoot is voorgehouden om hen te overtuigen dat de door [naam C] verlangde prijs van de auto reëel was. Uit de op bladzijde 26 van de door Achmea als productie 10 overgelegde informatie over de auto blijkt dat de auto is toegerust met een koelbox. Die informatie behoort bij de - door [naam C] ten onrechte geplaatste advertentie - waarin de auto te koop wordt aangeboden voor € 32.450,--. Hierdoor is niet aannemelijk gemaakt dat de auto toen [naam C] deze van het garagebedrijf kocht reeds was uitgerust met een koelbox.
Bij deze stand van zaken kan niet worden geoordeeld dat [eiseres] onjuiste verklaringen heeft afgelegd over de omvang van de bijkomende schadeposten, laat staan dat haar opzet er op was gericht om Achmea te misleiden.

7.6.

Uit het vorenstaande volgt dat de hiervoor onder 7.1. weergegeven stellingen van Achmea onvoldoende zijn om te kunnen oordelen dat [eiseres] welbewust heeft getracht om Achmea te misleiden over de omvang van de schade. Achmea heeft haar weigering om aan [eiseres] schadevergoeding uit te keren ten onrechte op die grond gebaseerd.

geen verzekerd evenement

7.7.

Bij de beoordeling van de door de verzekerde gestelde grondslag wordt vooropgesteld dat de verzekerde dient te stellen, en bij voldoende gemotiveerde betwisting door de verzekeraar ook dient te bewijzen, dat de auto is gestolen. Aan het bewijs van de gestelde diefstal mogen in een geval als het onderhavige, waarin sprake is van een geparkeerde auto, evenwel geen al te zware eisen worden gesteld. De verzekerde zal kunnen volstaan met het leveren van bewijs van feiten en/of omstandigheden die voldoende aannemelijk maken dat de gestelde diefstal heeft plaatsgevonden Daarbij kan, afhankelijk van hetgeen door de verzekerde aangaande de toedracht van de diefstal is gesteld en van hetgeen de verzekeraar ter betwisting daarvan heeft aangevoerd, onder omstandigheden de enkele aangifte van diefstal in een door de politie opgemaakt proces-verbaal als voldoende bewijs worden aanvaard (HR 11 april 2003, LJN AF7070 en HR 28 oktober 1994, NJ 1995, 141).

7.8.

[eiseres] heeft ten aanzien van de toedracht van de diefstal tegenover Achmea verklaard dat zij en haar echtgenoot en haar dochter vrijdagavond 10 oktober 2014 laat thuis waren gekomen, dat haar echtgenoot haar en haar dochter thuis heeft afgezet en dat haar echtgenoot vervolgens de auto heeft geparkeerd op [adres] , een paar minuten lopen van haar woning, omdat er geen plaats was in de buurt van hun woning. [eiseres] heeft verklaard dat zij de auto op zaterdag nog in [adres] heeft zien staan en dat zij, toen zij op zondagmiddag rond 15.00 uur de auto wilde ophalen, constateerde dat de auto was verdwenen. [eiseres] heeft direct de politie gebeld en aangifte van diefstal gedaan, waarvan proces-verbaal is opgemaakt.

7.9.

Achmea heeft gesteld dat niets wijst op diefstal, omdat de auto afgesloten en zonder braakschade en met het diefstalsignaal ingeschakeld is terug gevonden in Polen en [eiseres] over de enige twee sleutels beschikte. [eiseres] heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zich een verzekerd evenement heeft voorgedaan en daarom is er geen dekking, aldus nog steeds Achmea.

7.10.

Voor haar onderbouwing dat geen sprake is van diefstal, omdat de auto geen diefstalschade vertoonde en het diefstalsignaal nog aanwezig bleek, heeft Achmea verwezen naar het rapport van Advies Bureau Schade. Hierin is het volgende vermeld: “Aangezien er geen sleutel bij het voertuig in Polen voorhanden was, hebben wij deze met spoed per DHL koerier naar Polen moeten zenden, om het voertuig aldaar te kunnen laden zonder verdere schade te hoeven laten toebrengen. (…) Uit de geraadpleegde bestanden is gebleken dat het diefstalsignaal nog aanwezig is.” [onderstreping rechtbank]. In reactie hierop heeft [eiseres] ter comparitie verklaard dat toen zij de auto in [plaats] heeft gezien deze duidelijk diefstalsporen had. ‘Verdere schade’ impliceert reeds aanwezige schade. Dat geen sprake is van diefstalschade staat derhalve niet vast. Anders dan Achmea kennelijk meent, is het niet aan [eiseres] om aannemelijk te maken hoe het onder de door Achmea gestelde feiten en omstandigheden, die door [eiseres] niet zijn bestreden (op de afwezigheid van braaksporen na), mogelijk is geweest om de auto te stelen. Van [eiseres] kan immers niet worden verwacht dat zij over kennis beschikt om een auto als de onderhavige te kunnen stelen zonder dat iemand daarvan iets merkt. Uit hetgeen Achmea heeft aangevoerd, volgt niet dat het onmogelijk is geweest om de auto te stelen. Overigens is enkel komen vast te staan dat uit de bestanden bleek dat het diefstalalarm nog aanwezig is. Gesteld noch gebleken is echter dat vervolgens is gecontroleerd of het alarm wel werkte indien het werd geactiveerd, en of het in de periode van de diefstal was afgegaan. Voorts is niet duidelijk of de afwezigheid van de CDI-unit, die uit de auto was verwijderd, van invloed is op de werking van het alarm. Dit relativeert het feit dat uit de bestanden bleek dat het diefstalalarm nog aanwezig was. Bovendien impliceert het enkele feit dat [eiseres] over de twee enige originele sleutels van de auto beschikte niet dat er “dus” geen derde sleutel is. Dat er in deze wel vragen open staan, betekent echter niet dat dit in het nadeel van [eiseres] zou moeten worden uitgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft Achmea onvoldoende concrete feiten en omstandigheden gesteld die tot het oordeel zouden moeten leiden dat het bewijs van de diefstal (nog) niet (voldoende) is geleverd. Achmea is dan ook gehouden om dekking te verlenen voor de diefstal van de auto.

omvang van de schade

7.11.

[eiseres] vordert ter zake van de diefstal de door Achmea vastgestelde poliswaarde van de auto. Uit de slotzin van de door [eiseres] ondertekende akkoordverklaring volgt reeds dat Achmea zich niet zonder meer heeft verplicht om aan [eiseres] in geval van diefstal het daarin genoemde bedrag van € 34.000,-- als schadevergoeding aan [eiseres] uit te keren. Bovendien ziet bedoeld bedrag op de situatie dat de gestolen auto niet meer wordt teruggevonden. In dit geval is de auto echter wel teruggevonden en wel kort nadat [eiseres] aangifte van de diefstal had gedaan. In dat geval volgt uit artikel 9 van de door Achmea als productie 3 onder meer overgelegde “Bijzondere voorwaarden Autoverzekering Diefstal en inbraak PAV-RV-50-131” (welke voorwaarden onbestreden deel uitmaken van de door [eiseres] met Achmea gesloten all-riskautoverzekering) dat Achmea niet uitkeert en dat de verzekerde de auto moet terugnemen. Indien de auto dan beschadigd is, vergoedt Achmea de schade en wel de schade die is veroorzaakt door de diefstal. Dit laatste volgt uit artikel 10 van bedoelde bijzondere voorwaarden. [eiseres] heeft jegens Achmea geen aanspraak gemaakt op vergoeding van de door de diefstal veroorzaakte schade aan de auto.

7.12.

Nu [eiseres] - met Achmea - ook zelf van mening is dat de buiten haar om opgestelde nota met betrekking tot de door haar in Duitsland aangeschafte zaken (ad € 2.724,32) vervalst is, heeft Achmea zich met recht op het standpunt gesteld dat [eiseres] de omvang van haar schade ter zake niet heeft aangetoond. Achmea heeft dan ook met recht vergoeding van bedoelde schade geweigerd.
7.13. Een en ander brengt met zich dat Achmea niet gehouden is om het door [eiseres] gevorderde bedrag van € 34.000,-- (of een lager bedrag) aan haar als schadevergoeding uit te betalen.

dagvergoeding

7.14.

Op grond van artikel 5 van voormelde bijzondere voorwaarden heeft [eiseres] aanspraak op een vergoeding van € 15,-- per dag voor iedere dag dat zij de auto niet kan gebruiken omdat de auto is gestolen. Nu de auto is teruggevonden, eindigt de aanspraak op de dagvergoeding in beginsel op het moment waarop [eiseres] de auto weer terug heeft. Een redelijke uitleg van artikel 5 van de bijzondere voorwaarden brengt met zich dat indien de auto in beschadigde toestand wordt teruggevonden en met de auto niet meer gereden kan worden, zoals hier het geval is, [eiseres] aanspraak heeft op de dagvergoeding totdat de auto is hersteld. Nu [eiseres] echter vooralsnog, in afwachting van de uitslag van de onderhavige procedure, heeft geweigerd om de auto in ontvangst te nemen, komt het voor rekening en risico van [eiseres] dat zij tot op heden geen gebruik heeft kunnen maken van de auto. Nu de auto op de dag waarop [eiseres] aangifte heeft gedaan van diefstal is teruggevonden en niet duidelijk is hoeveel dagen er waren gemoeid met het terugbrengen van de auto naar Nederland en het uitvoeren van de herstelwerkzaamheden, heeft de rechtbank geen aanknopingspunten om aan [eiseres] enigerlei bedrag aan dagvergoeding toe te kennen. Dit onderdeel van de vordering wordt dus afgewezen.

opzeggen verzekering en opname in de registers

7.15.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat Achmea [eiseres] ten onrechte als een onbetrouwbare verzekerde heeft gekwalificeerd. Dit betekent dat Achmea de all-risk autoverzekering van [eiseres] ten onrechte heeft beëindigd en dat het kennelijk alleen op die verzekering gebaseerde onderdeel van de vordering wordt toegewezen. Voorts is er dan ook geen deugdelijke grond voorhanden die kan rechtvaardigen dat Achmea [eiseres] heeft opgenomen in haar interne incidentenregister. Achmea heeft tevens onrechtmatig jegens [eiseres] gehandeld door haar te doen opnemen in het externe verwijzingsregister van de stichting CIS. Achmea dient bedoelde registraties ongedaan te (laten) maken. De rechtbank gaat voorbij aan de door Achmea verder niet toegelichte stelling dat met verwijdering van de gegevens uit het systeem enkele weken zijn gemoeid. Zeven dagen lijkt zeker voor de verwijdering uit het externe verwijzingsregister aan de korte kant. Achmea zal een termijn van veertien dagen worden gegund om de gegevens van [eiseres] uit de systemen te (doen) verwijderen. De gevorderde dwangsom zal worden gematigd als na te melden en worden gemaximeerd als gevorderd.

Buitengerechtelijke kosten

7.16.

Vast staat dat de raadsman van [eiseres] een korte brief en een langere brief, als aanvulling op de eerste brief, aan Achmea heeft verzonden met als doel Achmea te doen terugkomen op haar in haar brief van 18 maart 2014 verwoorde standpunt.
vordert ter zake van buitengerechtelijke incassokosten een bedrag van € 1.143,80, dat zij baseert op de wettelijke staffel buitengerechtelijke incassokosten van de sector kanton. Die staffel is in deze niet van toepassing nu het hier geen “kantonzaak” betreft.

7.17.

In deze is wel van toepassing het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Dit besluit normeert de incassokosten van geldvorderingen. Echter, nu de geldvorderingen van [eiseres] alle zijn afgewezen, heeft zij geen aanspraak op vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten op basis van dit besluit.
7.18. Voor zover de andersoortige vorderingen van [eiseres] zijn toegewezen, wordt geoordeeld dat de proceskostenveroordeling wordt geacht een vergoeding voor dergelijke kosten in te sluiten, zodat afzonderlijke vergoeding van buitengerechtelijke kosten achterwege zal blijven.

proceskosten en nakosten

7.19.

Achmea zal in de proceskosten worden veroordeeld. Omdat de geldvorderingen van [eiseres] zijn afgewezen, zal Achmea het door [eiseres] verschuldigde griffierecht maar ten dele aan [eiseres] moeten vergoeden, en wel tot het bedrag dat [eiseres] aan griffierecht verschuldigd zou zijn geweest indien zij in haar dagvaarding haar vorderingen zou hebben beperkt tot hetgeen de rechtbank voor toewijzing vatbaar heeft geoordeeld. De rechtbank begroot de proceskosten aan de zijde van [eiseres] op:

- dagvaarding € 96,84

- griffierecht € 285,00

- salaris advocaat € 904,00 (2,0 punten × tarief € 452,00)
Totaal € 1.285,84

7.20.

De nakosten zijn toewijsbaar als hierna te melden.

in reconventie

7.21.

Uit hetgeen hiervoor in conventie is overwogen, dat voor zover van belang als hier herhaald geldt, volgt dat Achmea jegens [eiseres] geen aanspraak kan maken op vergoeding van de door haar gemaakte onderzoekskosten. [eiseres] kan immers niet aansprakelijk worden gehouden voor het feit dat de handelwijze van haar zwager voor Achmea aanleiding is geweest om een onderzoek in te stellen naar mogelijk opzettelijke misleiding door [eiseres] , hetgeen niet is komen vast te staan.

7.22.

Nu sprake is van een gedekt evenement, kan Achmea jegens [eiseres] evenmin aanspraak maken op vergoeding van de gemaakte repatriëringskosten.

7.23.

Achmea zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden ter zake van salaris advocaat begroot op € 384,00 (2,0 punten × factor 0,5 × tarief € 384,00).

7.24.

Voor de goede orde wordt nog overwogen dat [eiseres] in reconventie geen nakosten heeft gevorderd en evenmin heeft gevorderd om het vonnis ten aanzien van de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Daar de rechtbank op beide punten niet ambtshalve mag beslissen, zullen in reconventie geen nakosten worden toegewezen en zal het vonnis in reconventie voor wat betreft de proceskostenveroordeling niet uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

8 De beslissing

De rechtbank

in conventie

8.1.

gebiedt Achmea om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis de registraties met betrekking tot [eiseres] in het interne incidentenregister van Achmea en het externe verwijzingsregister bij de Stichting CIS te (doen) verwijderen,

8.2.

veroordeelt Achmea om aan [eiseres] een dwangsom te betalen van € 500,-- voor iedere dag dat Achmea niet aan de in hiervoor onder 8.1 uitgesproken veroordeling voldoet, tot een maximum van € 25.000,-- is bereikt,

8.3.

bepaalt dat de all-risk autoverzekeringsovereenkomst van [eiseres] nimmer is geëindigd en aldus voortgezet wordt onder dezelfde voorwaarden,

8.4.

veroordeelt Achmea in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 1.285,84,

8.5.

veroordeelt Achmea in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Achmea niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

8.6.

verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

8.7.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

8.8.

wijst de vorderingen af,

8.9.

veroordeelt Achmea in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 384,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.A.M. Strens-Meulemeester en in het openbaar uitgesproken op 28 oktober 2015.

Th/St