Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:6447

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
21-10-2015
Datum publicatie
27-10-2015
Zaaknummer
C/05/281855 / HZ ZA 15-141
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

KNHS hoeft niet terug te komen tot afnemen jurylicentie van jurylid aangespannen sport niet in te trekken; beslissing was in de gegeven omstandigheden niet onrechtmatig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/2038
TvS&R 2016, afl. 1-2, p. 36
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zutphen

zaaknummer / rolnummer: C/05/281855 / HZ ZA 15-141

Vonnis van 21 oktober 2015

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [plaats] ,

eiser,

advocaat mr. F.Y. de Reus te Assen,

tegen

de vereniging

KONINKLIJKE NEDERLANDSE HIPPISCHE SPORTFEDERATIE,

gevestigd te Ermelo,

gedaagde,

advocaat mr. M.A.J. Vreeburg te Utrecht.

Partijen zullen hierna [eiser] en KNHS genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 17 juni 2015

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 7 september 2015.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] is 23 jaar actief geweest als jurylid voor de aangespannen sport in de categorie regionaal en nationaal Hackneys, Tuigpaarden en Tuigpaarden Fries ras. KNHS stelt zich (onder meer) ten doel het bevorderen van de paardensport en het welzijn van paarden in Nederland in de breedste zin des woords. De jurylicenties worden uitsluitend afgegeven door de KNHS, die jaarlijks een indeling voor de juryleden maakt.

2.2.

Voor overtredingen van de statuten of reglementen van KNHS geldt het KNHS tuchtreglement.

Artikel 9 van het tuchtreglement bepaalt het volgende:

“1. Een overtreding in de zin van dit Tuchtreglement is elk handelen of nalaten:

  1. waardoor een bepaling in de Statuten of reglementen van de KNHS onderscheidenlijk van de desbetreffende lidvereniging niet wordt nagekomen, dit reglement en wedstrijdbepalingen daaronder begrepen;

  2. dat in strijd is met een besluit van een orgaan of commissie van de KNHS en/of van de desbetreffende lidvereniging;

  3. waardoor de belangen van de KNHS of van de desbetreffende lidvereniging worden geschaad;

  4. waarbij een lid zich jegens een ander lid, een orgaan of een commissie van de KNHS of van het desbetreffende lidvereniging in strijd gedraagt met hetgeen door de redelijkheid en billijkheid wordt verlangd;

  5. dat in strijd is met de statuten, reglementen of besluiten van de Fédération Equestre Internationale (FEI). (…)”

2.3.

Op 8 januari 2014 heeft [eiser] in het kader van een tuchtprocedure naar aanleiding van uitlatingen van [naam A] , een deelnemer van de wedstrijdcategorie aangespannen sport, over een ander jurylid, [naam B] , een verklaring afgegeven over [naam B] , gericht aan [naam A] , waarin hij schrijft:

“Na telefonisch contact over mijn bedenkingen van het jurylid [ zwartgemaakt, rb] deel ik jullie het volgende mee.

Hierbij geef ik vrijblijvend mijn mening:

  • -

    Hij komt zeer slecht in de praktijk over (in de aangespannen sport);

  • -

    Hij doet de sport geen goed;

  • -

    Hij is zeer eigenwijs;

  • -

    Kan niet tegen commentaar;

  • -

    Is zeer arrogant tegen de desbetreffende deelnemers;

  • -

    Kan sport en privé niet gescheiden houden “bepaalde deelnemers kunnen er over meespreken”;

  • -

    Wil meestal niets aannemen van medejuryleden.

Menige deelnemers hebben al een aanvaring met hem gehad. Ook zijn er deelnemers in de sport als hij als jurylid opgesteld staat, in bepaalde concoursen, dat zij huiswaarts keren, of zelfs niet meer inschrijven.

Mijn gedachten gaan er naar uit dat dit desbetreffende jurylid het veld mag ruimen. Maar ik denk dat hij de hand boven het hoofd wordt gehouden door o.a. KNHS en het KWPN.

Ik hoop dat u met deze bedenkingen verder kunt en wens u veel succes.”

2.4.

Deze verklaring is gebruikt door mr. Zoer, optredend voor [naam A] , in de tuchtprocedure. In haar verweerschrift heeft mr. Zoer over deze verklaring geschreven:

“Vorenstaande bezwaren tegen de dubbele functie en [naam B] specifiek wordt nog nader onderbouwd met een verklaring van [eiser] te [plaats] , jurylid KNHS (…). Deze verklaring is uitsluitend afgegeven ten behoeve van het verweer van Stal [naam A] in casu en mag niet zonder toestemming van [eiser] voor andere doeleinden worden gebruikt zonder nader overleg met [eiser] . De brief heeft een signaalfunctie, zoals er al zovele signalen zijn gegeven over [naam B] aan de KNHS. (…)”

2.5.

De aanklager van de KNHS heeft in het kader van de tuchtprocedure tegen [naam A] de hierboven onder 2.3. geciteerde verklaring van [eiser] voorgelegd aan [naam B] voor commentaar.

2.6.

[naam B] heeft per e-mail van 8 februari 2014 aan de voorzitter van KNHS Discipline Commissie Aangespannen Sport (hierna: DCA) zijn beklag gedaan over de verklaring van [eiser] .

2.7.

Bij e-mail van 12 februari 2014 heeft [naam C] van KNHS aan [eiser] laten weten dat de onder 2.2 geciteerde verklaring KNHS zeer oncollegiaal en onfatsoenlijk voorkomt, dat dergelijk gedrag van een KNHS-official niet toelaatbaar is en dat de KNHS een toelichting op de brief verlangt. Het gesprek waarin [eiser] de toelichting zou hebben moeten geven, heeft niet plaatsgevonden.

2.8.

Op basis van de onder 2.2 geciteerde brief heeft de KNHS het functioneren van [eiser] voorgelegd aan de DCA. Daarin heeft een rol gespeeld een verklaring van [naam B] :

“Hierbij doe ik mijn beklag over het gedrag van mijn medejurylid [eiser] . Afgelopen dinsdagavond is er een zitting geweest van de tuchtcommissie van de KNHS. De KNHS heeft namelijk een tuchtzaak aangespannen tegen de tuigpaardrijders (…). Op de sites van beide stallen werd ik na afloop van het concours hippique te Luttenberg 2013 als jurylid aan de schandpaal genageld. Dat was een duidelijke en onterechte aantasting van mijn eer en goede naam.

In het uitgebreide verweer van de familie (…) trof ik tot mijn grote verbazing een verklaring aan van mijn medejurylid [eiser] . Deze verklaring heeft als onderwerp ‘bedenkingen met betrekking tot jurylid (…) en wordt door hem gericht aan mevrouw (…).

In die verklaring, die in de bijlage wordt aangetroffen, somt [eiser] een hele rij punten op waarin ik volgens hem zwaar tekort schiet. Bovendien meent [eiser] te mogen concluderen dat al menig deelnemer een aanvaring met mij heeft gehad en rijders op een concours niet starten en huiswaarts keren als ze mij daar als jurylid aantreffen enz enz…

(…)

Naar mijn overtuiging is het jurylid [eiser] in zijn verklaring aan mevrouw (…) zijn boekje te buiten gegaan en heeft hij iets gedaan wat voor een jurylid absoluut onaanvaardbaar is. (…)”

2.9.

Op 4 maart 2014 heeft de KNHS de jurylicentie van [eiser] met onmiddellijke ingang ingetrokken onder verwijzing naar het advies van de DCA: “De commissie is tot het volgende advies gekomen. Dit jurylid (dhr. [eiser] ) kan niet langer fungeren/functioneren als jury, omdat het voor het uitoefenen van deze taak noodzakelijk is om goed te kunnen samenwerken en integer te zijn richting de collega juryleden. De integriteit is hier dermate met voeten getreden dat naar het oordeel van de commissie met onmiddellijke ingang dhr. [eiser] uit zijn functie als jurylid ontheven moet worden. De KNHS neemt dit advies over omdat u ook in strijd met de KNHS-statuten heeft gehandeld. Te weten;

Statuten KNHS

Artikel 5 – Algemene rechten en verplichtingen

1. Leden van de KNHS zijn verplicht:

  1. De statuten, het Algemeen Reglement en de reglementen van de KNHS en de besluiten van organen van de KNHS na te leven;

  2. (…)

Artikel 7

De licentie voor licentiehouders eindigt voor:

e. Licentiehouders, zijnde rechtspersoon: door beëindiging of faillissement van de rechtspersoon, door opzegging door de KNHS of de licentiehouder en/of door onmiddellijke beëindiging door de KNHS omdat de licentiehouder in strijd handelt met de statuten, het Algemeen Reglement, de reglementen of besluiten van de KNHS of de KNHS op onredelijke wijze benadeelt.

Licentiereglement KNHS

Artikel 10 – Intrekken van een licentie

De KNHS behoudt zich het recht voor een licentiehouder zijn of haar licentie te ontnemen indien:

De licentiehouder door gedrag, handelen of uitlatingen handelt in strijd met de statuten en reglementen van de KNHS.

Mocht u alsnog op een voor u passend moment de brief nader willen toelichten in een gesprek dan zijn wij daartoe van harte bereid. Aan de hand van dit gesprek zal dan worden bepaald of het opnieuw toekennen van de licentie tot de mogelijkheden behoort. (…)”

2.10.

Op 17 maart 2014 heeft [eiser] als volgt gereageerd op de intrekking van de licentie, voor zover hier althans relevant:

“(…) Om maar direct met de deur in huis te vallen kan ik u laten weten dat ik hoogstens verbaasd ben over de gang van zaken. Een brief welke ik vertrouwelijk heb geschreven aan [naam A] en die uitsluitend mocht worden gebruikt voor haar verweer in de tuchtzaak welke de KNHS aanklager tegen Stal [naam A] had aangespannen betreffende uitingen over jurylid [naam B] , wordt nu tegen mij gebruikt. Deze brief blijkt namelijk zonder mijn toestemming in handen te zijn gekomen van [naam B] ! De inhoud van deze brief, die dus vertrouwelijk was in het kader van de tuchtzaak en waarin naar ik heb begrepen nog geen uitspraak in is, wordt nu reeds gebruikt tegen mij. De jurycommissie heeft zich geen moment afgevraagd hoe [naam B] aan deze brief is gekomen die aan [naam A] gericht is geweest! [naam B] is geen partij in de procedure die de aanklager heeft aangespannen tegen stal [naam A] , dat is de Aanklager. (…)

Ik kan me niet voorstellen dat u wilt dat ik dit in zijn geheel ga uitzoeken en hier een openbare zaak van ga maken, mogelijk met de pers erbij. Daarom wil ik u de gelegenheid geven om dit intern uit te zoeken en recht te zetten en per direct mij weer in ere te herstellen in de functie van jurylid KNHS! (…) Wenst u hier geen werk van te maken, dan rest mij enkel uw gehele organisatie uit te dagen voor de civiele rechter of misschien wel de pers over hoe de KNHS organisatie te werk gaat, zodat de leden weten waar ze mee te maken hebben als ze zich willen verdedigen tegen de KNHS aanklager.”

2.11.

Nadat [eiser] een gesprek had gehad met medewerkers van KNHS naar aanleiding van de intrekking van de licentie heeft [naam C] van KNHS hem per e-mail op 24 april 2014 laten weten dat hij de argumenten van [eiser] tegen de intrekking aan de jurycommissie had voorgelegd maar dat de jurycommissie unaniem van mening was dat er geen enkele aanleiding was om op haar advies terug te komen. Dat maakte voor KNHS ook dat er voor haar geen aanleiding was om op haar besluit terug te komen. [eiser] heeft KNHS gesommeerd de jurylicentie weer aan hem te verstrekken.

3 De vordering

3.1.

[eiser] vordert dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

  1. voor recht zal verklaren dat de KNHS onrechtmatig heeft gehandeld jegens hem;

  2. zal bepalen dat de KNHS haar besluit om tot intrekking van de licentie over te gaan dient te vernietigen, dan wel een nieuwe licentie categorie 1+2 Hackney’s, Tuigpaarden en Tuigpaarden Fries ras dient af te geven, zulks op verbeurte van een dwangsom van € 200,-- per dag met een maximum van € 25.000,-- per dag de KNHS hiermee in gebreke blijft na betekening van het vonnis;

  3. zal bepalen dat de KNHS na toewijzing van het gevorderde onder 2. in haar, na het te wijzen vonnis, eerstvolgende uitgave van haar verenigingsblad de ‘Paard en Sport’ zal publiceren dat zij haar besluit tot intrekking van de licentie heeft ingetrokken, dan wel een nieuwe licentie aan [eiser] heeft verstrekt, met de mededeling dat [eiser] weer actief kan en zal functioneren als jurylid, zulks op verbeurte van een dwangsom van € 200,-- per dag met een maximum van € 25.000,-- dat de KNHS hiermee na betekening van het vonnis in gebreke blijft;

  4. zal bepalen dat de KNHS na de vernietiging van haar besluit tot intrekking, dan wel na het afgeven van een nieuwe licentie, [eiser] als voorheen, derhalve gemiddeld 8 maal per jaar, zal indelen om bij diverse concoursen als jurylid 1+2 Hackney’s, Tuigpaarden en Tuigpaarden Fries ras op te treden, onder verbeurte van een dwangsom van € 1.000,-- per niet ingedeelde dag met een maximum van € 25.000,-- dat de KNHS na betekening van het vonnis in gebreke blijft;

  5. zal bepalen dat de KNHS een schadevergoeding van € 3.000,-- dan wel een zodanig bedrag als de rechtbank geraden acht, vanwege geleden immateriële schade aan [eiser] dient te voldoen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf datum van het vonnis tot aan de dag der algehele voldoening;

  6. KNHS zal veroordelen in de proces- en nakosten van dit geding.

3.2.

[eiser] legt, tegen de achtergrond van de vaststaande feiten, de volgende stellingen ten grondslag aan zijn vorderingen. KNHS heeft onrechtmatig gehandeld en gehandeld in strijd met de Grondwet, in concreto met de vrijheid van meningsuiting, alsmede met het beginsel van hoor en wederhoor. [eiser] is door het bestreden besluit onder meer aangetast in zijn eer en goede naam. Hierdoor heeft [eiser] schade geleden.

4 Het verweer

4.1.

KNHS concludeert dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis [eiser] niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn vorderingen, althans die zal afwijzen met veroordeling van [eiser] in de kosten van het geding.

4.2.

KNHS voert, tegen de achtergrond van de vaststaande feiten, de volgende verweren aan. KNHS heeft het besluit tot intrekking van de licentie van [eiser] op basis van een veel breder perspectief genomen. [eiser] had zijn mening over [naam B] op een andere manier naar voren kunnen en moeten brengen en hij heeft een interview gegeven aan De Paardenkrant, waarmee hij [naam B] publiekelijk aan de schandpaal heeft genageld. De licentie is ingetrokken nadat [eiser] had laten weten dat hij gedurende 6 weken niet beschikbaar zou zijn om zich met betrekking tot zijn verklaring te verantwoorden. Zijn verklaring kwalificeert als smaad, laster en/of belediging jegens [naam B] , KNHS en/of het KWPN en levert een onrechtmatige daad op. Ook kan de verklaring worden aangemerkt als een overtreding ingevolge artikel 9 lid 1 sub c en d van het tuchtreglement.

[eiser] kan niet langer functioneren als jurylid omdat het voor het uitoefenen van deze taak noodzakelijk is om goed te kunnen samenwerken en integer te zijn richting de collega juryleden.

5 De beoordeling

5.1.

Vast staat dat de aanklager van de KNHS voorafgaand aan de mondelinge behandeling in de tuchtprocedure tussen die aanklager en [naam A] het verweerschrift van de raadsvrouwe van [naam A] inclusief de verklaring van [eiser] heeft toegezonden aan [naam B] . [naam B] was evenwel geen partij in die procedure die tussen de aanklager en [naam A] is gevoerd. In het Tuchtreglement van de KNHS is niet bepaald dat stukken die in die procedure worden gewisseld door de aanklager ter beschikking of ter inzage kunnen worden gesteld aan degene die de melding heeft gedaan van de gestelde overtreding. Integendeel, uit het feit dat in artikel 12 lid 5 van het Tuchtreglement is bepaald dat de mondelinge behandeling niet in het openbaar plaatsvindt, wordt afgeleid dat stukken die in die procedure worden gewisseld en mededelingen die tijdens de mondelinge behandeling worden gedaan in beginsel binnen de muren van het Tuchtcollege blijven. Anderzijds diende [eiser] er rekening mee te houden dat de aanklager van de KNHS [naam B] wilde oproepen als getuige, hetgeen conform het Tuchtreglement tijdig moet worden aangekondigd, zodat [naam B] ter zitting ter ore zou komen hetgeen [eiser] in zijn verklaring over [naam B] had geschreven. Uit het resumé zitting Tuchtcollege van 4 februari 2015 (productie 16 van de zijde van [eiser] ) en uit de uitspraak van het Tuchtcollege van 4 maart 2014 (productie 17 van de zijde van [eiser] ) blijkt evenwel dat de verklaring van [eiser] slechts zijdelings aan de orde is gekomen tijdens de mondelinge behandeling en dat die verklaring in het geheel geen rol heeft gespeeld bij de beslissing in de zaak tegen [naam A] . Vastgesteld wordt dan ook dat de aanklager op grond van het Tuchtreglement niet het recht toekomt om de verklaring van [eiser] zonder meer, en in ieder geval zonder aankondiging aan [eiser] , aan [naam B] ter beschikking te stellen. Voor dat oordeel is des te meer aanleiding nu de raadsvrouwe van [naam A] in het verweerschrift had opgenomen dat de verklaring van [eiser] uitsluitend is afgegeven ten behoeve van het verweer van [naam A] en niet zonder toestemming van [eiser] voor andere doeleinden mag worden gebruikt.

5.2.

Vervolgens heeft [naam B] zijn beklag gedaan over [eiser] bij [naam D] als voorzitter van de KNHS DCA. Alvorens die klacht in behandeling te geven, heeft [naam C] namens de KNHS [eiser] verzocht een toelichting te geven op zijn verklaring. Nadat [eiser] had laten weten dat zijn agenda dit niet toelaat en telefonisch een toelichting had gegeven, heeft [naam D] deze kwestie voorgelegd aan de jurycommissie van de DCA. De KNHS heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt op welke wijze zij de zaak heeft voorgelegd aan die jurycommissie en welke toelichting zij van de kant van [eiser] naar voren heeft gebracht. Zonder [eiser] te doen horen – zij had aanvankelijk slechts de beschikking gekregen over de verklaring waarbij de naam van [eiser] was weggelakt maar later toch te horen gekregen wie de verklaring had opgesteld – heeft de jurycommissie van de DCA de verklaring volstrekt onacceptabel genoemd en geadviseerd om [eiser] te ontheffen van zijn functie als jurylid. Dat advies is vervolgens integraal overgenomen door de KNHS zonder dat [eiser] eerst nog in de gelegenheid is gesteld daarop te reageren. Nu de KNHS geen openheid heeft verstrekt over de wijze waarop zij de zaak en met name de telefonische toelichting door [eiser] heeft voorgelegd aan de jurycommissie van de DCA, die jurycommissie heeft geadviseerd zonder eerst [eiser] te doen horen en de KNHS het advies vervolgens heeft overgenomen zonder [eiser] over de voorgenomen beslissing te doen horen, is de beslissing om de licentie van [eiser] in te trekken tot stand gekomen zonder de gebruikelijke procedurele rechtvaardigheid in acht te nemen.

5.3.

De vraag of de KNHS daarmee onrechtmatig heeft gehandeld, wordt echter ontkennend beantwoord. Voor zover [eiser] heeft willen betogen dat de KNHS inbreuk heeft gemaakt op een recht, te weten het recht op uitingsvrijheid neergelegd in artikel 10 EVRM, valt niet in te zien dat de KNHS enig verwijt valt te maken. Het is immers [eiser] geweest die het recht op uitingsvrijheid, welk recht wordt begrensd door het recht op bescherming van eer en goede naam (van [naam B] ), heeft gebruikt of heeft misbruikt door het opstellen van de verklaring. De KNHS valt enkel te verwijten dat zij die verklaring aan een derde heeft verstrekt. Dat de KNHS heeft gehandeld in strijd met een wettelijke plicht, is evenmin aan de orde. Hooguit zou kunnen worden geoordeeld dat de KNHS heeft gehandeld in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. Daarvan is echter evenmin sprake blijkens het hierna volgende.

5.4.

De KNHS heeft haar beslissing (zie r.o. 2.9.) gegrond op het bepaalde in artikel 5 van de Statuten en op artikel 10 van het Licentiereglement. In beide artikelen is echter slechts een algemene gedragsregel opgenomen, te weten het bevorderen van de belangen van de KNHS en/of de paarden- en ponysport, althans het niet schaden van die belangen, en het door gedrag, handelen of uitlaten niet in strijd handelen met de statuten en reglementen van de KNHS. Dat de belangen van de KNHS en/of de paarden- en ponysport geschaad zijn door de handelwijze van [eiser] is onvoldoende gesteld en gebleken.

5.5.

Daarnaast beroept de KNHS zich er thans echter op dat [eiser] in strijd heeft gehandeld met artikel 9 lid 1 sub d van het Tuchtreglement waarin staat dat sprake is van een overtreding als een lid zich jegens een ander lid in strijd gedraagt met hetgeen door de redelijkheid en billijkheid wordt verlangd. Te dien aanzien heeft het volgende te gelden. Weliswaar heeft de KNHS dit artikel niet expliciet als grondslag genoemd voor haar beslissing om de licentie in te trekken, evenwel valt uit de onderbouwing van die beslissing wel af te leiden dat de KNHS als belangrijkste reden voor haar beslissing noemt dat het noodzakelijk is voor een jurylid om goed te kunnen samenwerken en integer te zijn richting de collega juryleden. Bovendien noemt de KNHS in haar brief van 4 maart 2014 wel dat [eiser] door gedrag, handelen of uitlatingen in strijd handelt met de statuten en de reglementen van de KNHS. Vastgesteld wordt dat de verklaring van [eiser] als diffamerend jegens [naam B] moet worden beschouwd. [eiser] uit zich immers in die verklaring in zeer negatieve zin over [naam B] , zonder die uitlatingen op enige wijze te onderbouwen. Dit kan in de gegeven omstandigheden en in de relatie tussen collega juryleden niet anders worden opgevat dan gedrag in strijd met hetgeen door de redelijkheid en billijkheid wordt verlangd.

5.6.

De KNHS heeft daarnaast gesteld dat [eiser] zijn klachten over het functioneren van [naam B] zelf in de openbaarheid heeft gebracht door de publiciteit te zoeken. De publicaties in de Paardenkrant van 18 juni 2014 onder de kop “ [eiser] moet steun aan Stal [naam A] met intrekking jurylicentie bekopen” en in horses.nl van 20 juni 2014 onder de kop “Tuigpaardrijders mogen hun mening over juryleden uiten” dateren echter van enige maanden na het nemen van de beslissing door de KNHS zodat, zelfs indien juist is dat [eiser] de openbaarheid heeft gezocht – hetgeen door hem wordt betwist – het zoeken van de publiciteit niet ten grondslag kan hebben gelegen aan de beslissing van de KNHS om de licentie in te trekken.

5.7.

Enerzijds heeft de KNHS dus gehandeld zonder de gebruikelijke procedurele rechtvaardigheid jegens [eiser] in acht te nemen, anderzijds heeft [eiser] gehandeld in strijd met artikel 9 lid 1 sub d van het Tuchtreglement. Doorslaggevend bij de beantwoording van de vraag of de reactie van de KNHS – intrekking van de licentie en het weigeren die opnieuw te verlenen – gelet op het gedrag van [eiser] in strijd is met hetgeen in het maatschappelijk verkeer betaamt, is dat de KNHS in haar brief van 4 maart 2014 de mogelijkheid heeft opengehouden om terug te komen van haar beslissing om de licentie met onmiddellijke ingang in te trekken. Daartoe was volgens de KNHS in ieder geval een gesprek noodzakelijk waarin [eiser] nog een keer zijn verklaring nader zou toelichten. Tussen partijen heeft weliswaar een gesprek plaatsgevonden maar in dat gesprek – door de KNHS onbetwist gesteld – en in de reactie op de intrekking van de licentie (r.o. 2.10.) heeft [eiser] er geen blijk van gegeven in te zien dat zijn verklaring diffamerend was jegens [naam B] . Hij verwijt de KNHS slechts dat zij de verklaring heeft verstrekt aan [naam B] . Om echter in het vervolg met andere juryleden, onder wie [naam B] , te kunnen blijven samenwerken, is het noodzakelijk dat [eiser] inziet dat zijn verklaring de grenzen van de betamelijkheid ver te buiten ging en dat hij aan de KNHS liet weten op welke wijze hij weer met [naam B] zou kunnen samenwerken. Daartoe is des te meer aanleiding nu de KNHS onbetwist heeft gesteld dat zij de gewoonte heeft om deelnemers aan wedstrijden in de Aangespannen Sport door drie onderling samenwerkende juryleden te laten beoordelen. De KNHS heeft voorts onbetwist gesteld dat zij een goed stappenplan van [eiser] verwachtte voor zijn terugkeer in het veld en dat zij hem daarbij hulp heeft aangeboden. [eiser] heeft niet gesteld, terwijl ook niet is gebleken, dat hij een voorstel tot samenwerking heeft gedaan of een stappenplan heeft opgesteld, of zelfs maar tot het besef is gekomen dat enige actie van zijn kant vereist is om zijn functioneren als jurylid (weer) mogelijk te maken. Door enkel te blijven volhouden dat de KNHS de verklaring niet had mogen overleggen aan [naam B] , heeft [eiser] een terugkeer als jurylid en dus een (hernieuwde) verstrekking van de licentie geblokkeerd. Onder die omstandigheden wordt geoordeeld dat geen sprake was van onrechtmatig handelen door de KNHS en dat er geen aanleiding bestaat om het besluit te (doen) vernietigen en te bepalen dat een nieuwe licentie moet worden verstrekt. De vorderingen van [eiser] zullen derhalve worden afgewezen.

5.8.

Op de overige verweren van de KNHS hoeft niet te worden ingegaan nu deze niet tot een ander oordeel kunnen leiden.

5.9.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de KNHS worden begroot op:

  • -

    griffierecht € 1.909,00

  • -

    salaris advocaat € 904,00 (2 punten x tarief € 452,00)

Totaal € 2.813,00

6 De beslissing

De rechtbank

6.1.

wijst de vorderingen af,

6.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van de KNHS tot op heden begroot op € 2.813,00;

6.3.

verklaart dit vonnis ten aanzien van de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Boerwinkel en in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2015.

KH/EB