Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:6446

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
20-10-2015
Datum publicatie
20-10-2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 3072
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft het aan eiser verleende Nederlanderschap ingetrokken omdat uit onderzoek naar gedragingen inzake artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag is gebleken dat hij informatie heeft achtergehouden over zijn betrokkenheid bij de genocide in Rwanda en bekendheid met die informatie ertoe zou hebben geleid dat hem het Nederlanderschap niet zou zijn verleend. De rechtbank stelt vast dat verweerder de beschuldigingen aan deelname aan de genocide Rwanda in hoofdzaak heeft gebaseerd op rapporten van African Rights, specifiek het samen met Redress opgestelde rapport van 2010, dat integraal over eiser gaat. De rechtbank is van oordeel dat het, gelet op de op verweerder rustende onderzoeksplicht en bewijslast, op zijn weg had gelegen om zich ervan te vergewissen dat het onderzoek van African Rights, specifiek in het rapport van 2010 en de daarbij gebruikte bronnen, op een zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Ook de overige bronnen, die ten grondslag liggen aan het standpunt dat artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag op eiser van toepassing is, kunnen dat standpunt niet zonder nader onderzoek en motivering dragen. Beroep gegrond wegens strijd met artikel 3:2 en 7:12 van de Awb.

Wetsverwijzingen
Rijkswet op het Nederlanderschap
Rijkswet op het Nederlanderschap 8
Rijkswet op het Nederlanderschap 14
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:2
Algemene wet bestuursrecht 7:12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2015/355
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 14/3072

uitspraak van de meervoudige kamer van 20 oktober 2015

in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. M.F. Wijngaarden),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 22 mei 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder het Koninklijk besluit van 9 oktober 2002, waarbij aan eiser het Nederlanderschap is verleend, ingetrokken.

Bij besluit van 2 april 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het daartegen door eiser gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 8 juni 2015. Eiser is verschenen en vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. M.M. van Asperen.

Overwegingen

1. Eiser is naar eigen zeggen op 13 januari 1998 Nederland ingereisd. Op 14 januari 1998 heeft eiser aanvragen om toelating als vluchteling en om verlening van een verblijfsvergunning ingediend.

In het kader van zijn asielprocedure heeft eiser het volgende verklaard.

Eiser is Hutu. Vanaf 1976 is hij werkzaam geweest in het Rwandese leger. Vanaf 1990 was eiser, gedurende twee jaar, werkzaam als inlichtingenofficier (G2) op het Ministerie van Defensie. Vervolgens werd hij, gedurende een jaar, geplaatst als inlichtingenofficier bij de generale staf van de Rwandese gendarmerie, een onderdeel van de Forces Armées Rwandaises (hierna: de FAR). Eiser is in de periode 1992-1993 aanwezig geweest bij de vredesbesprekingen in Arusha, Tanzania. Op 20 december 1993 werd eiser door de toenmalige Rwandese autoriteiten benoemd als verbindingsofficier/liasonofficier namens deze autoriteiten bij UNAMIR, de vredesmacht van de Verenigde Naties (hierna: de VN) in Rwanda. In 1994 had eiser de rang van majoor bij de Rwandese gendarmerie. Eiser heeft op 26 juli 1994 Rwanda moeten verlaten omdat hij werd bedreigd door het Front Patriotique Rwandais (hierna: de FPR), die na de burgeroorlog en de genocide de macht hadden overgenomen in Rwanda. Voorts hebben de Rwandese autoriteiten hem, met behulp van de Keniaanse autoriteiten, in 1997 in Kenia geprobeerd te ontvoeren. Eiser stelt dat de huidige Rwandese autoriteiten hem ten onrechte in verband brengen met de genocide in 1994. In verband met deze problemen, en ook omdat de Keniaanse autoriteiten hem in deze periode hebben aangezegd Kenia te verlaten, is eiser naar Nederland gevlucht. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn asielrelaas een lijst van genocideverdachten overgelegd van de Rwandese autoriteiten, waarop zijn naam staat vermeld.

Naar aanleiding van deze vermelding heeft in 1999 een onderzoek plaatsgevonden in het kader van artikel 1(F) van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen (hierna: het Vluchtelingenverdrag). Bij dit onderzoek is niet gebleken van betrokkenheid van eiser bij mensenrechtenschendingen.

Bij besluit van 22 september 1999 is de aanvraag van eiser om toelating als vluchteling ingewilligd. Met de inwerkingtreding van de Vreemdelingenwet 2000 per 1 april 2001 is deze verblijfsvergunning van rechtswege omgezet in een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd.

Bij Koninklijk Besluit van 9 oktober 2002 is aan eiser op zijn verzoek het Nederlanderschap verleend.

Bij brief van 14 augustus 2012 is aan eiser het voornemen tot intrekking van zijn Nederlanderschap kenbaar gemaakt. Eiser heeft daartegen bij verschillende brieven zijn zienswijze kenbaar gemaakt. Op 12 maart 2013 is eiser door een ambtelijke commissie gehoord. Bij het primaire besluit heeft verweerder het Nederlanderschap van eiser ingetrokken. Deze intrekking werkt terug tot en met 1 april 2003.

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Op 5 november 2013 is eiser gehoord door een ambtelijke commissie. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Na indiening van het beroep heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank bij uitspraak van 20 mei 2014 het bestreden besluit geschorst tot zes weken na verzending van de uitspraak op het beroep.

2. Ingevolge artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN), zoals deze bepaling ten tijde van belang gold, komt voor verlening van het Nederlanderschap slechts in aanmerking de verzoeker tegen wiens verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland geen bedenkingen bestaan.

Ingevolge artikel 14, eerste lid, van de RWN kan verweerder de verkrijging of verlening van het Nederlanderschap intrekken, indien zij berust op een door de betrokken persoon gegeven valse verklaring of bedrog, dan wel op het verzwijgen van enig voor de verlening relevant feit.

Volgens de Handleiding voor de toepassing van de RWN 2003 (hierna: de Handleiding) kan verweerder besluiten tot intrekking van het Nederlanderschap indien de naturalisandus in het kader van de naturalisatieprocedure een valse verklaring heeft afgelegd, bedrog heeft gepleegd of relevante feiten heeft verzwegen. Bij ‘het verzwijgen van enig voor de verkrijging of verlening relevant feit’ moet worden gedacht aan het verzwijgen van feiten, waarvan de betrokkene weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat ze van belang kunnen zijn voor de beoordeling van het verzoek om naturalisatie. De intrekking van het Nederlanderschap is geen sanctie voor de frauduleuze handelingen, maar heeft tot doel dat de gevolgen van het frauduleus handelen worden gecorrigeerd.

Volgens de Handleiding zal intrekking slechts worden overwogen indien de betrokkene, ware de fraude, het bedrog of de verzwijging van relevante feiten tijdig bekend geweest, niet voor verkrijging of verlening van het Nederlanderschap in aanmerking zou zijn gekomen.

3. Verweerder heeft het aan eiser verleende Nederlanderschap ingevolge artikel 14, eerste lid, van de RWN ingetrokken omdat eiser gedurende zijn toelatings- en naturalisatieprocedure volgens verweerder relevante feiten heeft verzwegen waarvan hij wist, althans redelijkerwijs kon vermoeden, dat deze van belang waren te melden. Eiser wordt op grond van onderzoek naar gedragingen inzake artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag tegengeworpen dat hij informatie heeft achtergehouden over zijn betrokkenheid bij de genocide in Rwanda. Uit dit onderzoek is gebleken dat eiser in verband moet worden gebracht met het voorbereiden van aanvallen, het doden en het opdracht geven tot het doden van Tutsi burgers in Rwanda in de periode voorafgaande aan de genocide in 1994, en gedurende de periode waarin die genocide van april tot juli 1994 heeft plaatsgevonden. Volgens verweerder blijkt uit de onderzoeksresultaten dat ernstige redenen bestaan om te veronderstellen dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan, dan wel verantwoordelijk is te houden voor, één of meer gedragingen als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag. Indien verweerder eerder bekend zou zijn geweest met deze informatie was eiser niet de vluchtelingenstatus verleend. Zonder het bezit van een verblijfsvergunning zouden bedenkingen hebben bestaan tegen het verblijf van eiser in Nederland voor onbepaalde tijd, zodat hij niet zou hebben voldaan aan de in artikel 8, eerste lid, van het RWN, opgenomen voorwaarden voor verlening van het Nederlanderschap. Het verzwijgen van relevante feiten en omstandigheden door eiser heeft er dus toe geleid dat aan eiser ten onrechte het Nederlanderschap is verleend, aldus verweerder.

4. Uit het onderzoek over de toepasselijkheid op eiser van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag blijkt dat eiser in verband gebracht wordt met:

- de deelname aan een militaire commissie die betrokken was bij het opstellen van lijsten die werden gebruikt om Tutsi’s en gematigde Hutu’s op te sporen;

- het opzetten en bewapenen van Interahamwe;

- het inzamelen van geld en voertuigen ten behoeve van de Interahamwe;

- het afdwingen van vrijlating van, in opdracht van de burgemeester, aangehouden Interahamwe-leden in Mugina;

- een aanval op het winkelcentrum Kabuga te Cyeru;

- betrokkenheid bij het doden van [naam 1];

- betrokkenheid bij het doden van Tutsi vluchtelingen in de St. Paul kerk te Mugina tussen

21 en 25 april 1994;

- het ontvoeren en doden van overlevenden van de moorden in Mugina, welke gevlucht waren naar de kerk en het hospitaal van Kabyayi te Giterama in mei en juni 1994;

- leiding geven aan militieleden en persoonlijke participatie bij het doden van Tutsi’s in het Josephite Brothers klooster in Nyamirambo op 7 juni 1994;

- het doden van Tutsi’s in de Catholic Parish of Charles Lwanga en College St. André op

8 april 1994;

- betrokkenheid bij de moorden in de Parish of Ste. Famille in juni 1994;

- de poging tot moord op vluchtelingen in Gisimba Weeshuis op 2 juli 1994;

- betrokkenheid bij de dood van tien Belgische VN-militairen op 6 op 7 april 1994.

In het bestreden besluit heeft verweerder eiser ook in verband gebracht met de moord op

1 oktober 1990 op [naam 2] (de broer van de vooraanstaand [naam 3]), de massamoord op Tutsi’s in Bugusera in maart 1992 en de gebeurtenissen in Kabyigi in mei/juni 1994.

Daarnaast wordt eiser verweten dat hij voorafgaand aan het verkrijgen van zijn Nederlanderschap op 9 oktober 2002 de schorsing van zijn werkzaamheden als getuige voor het ICTR in april 2002 niet heeft gemeld.

5. De conclusie van verweerder over de toepasselijkheid op eiser van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag steunt met name op de volgende stukken:

- het rapport ‘[naam eiser], Accused of Genocide in Rwanda, Today Living in The Netherlands’ van april 2010 van African Rights en Redress (hierna: het rapport van African Rights van 2010);

- het rapport ‘The leadership of Rwandan armed groups abroad with a focus on the FDLR and RUD/URUNANA’ van African Rights van december 2008;

- het rapport ‘A welcome expression of intent; The Nairobi communique and the ex-FAR/Interahamwe’ van African Rights van december 2007;

- een vonnis in kort geding van de rechtbank Rotterdam van 25 juni 2010, zaaknummer 354157/KG (LJN BM9349), over een publicatie in de NRC over voormeld rapport van African Rights van 2010;

- twee uitspraken van Gacaca-rechtbanken in Mugina (Rwanda) van 27 januari 2009 en

29 december 2009, waarin staat vermeld dat eiser bij verstek is veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf wegens zijn aandeel in de genocide;

- een internationale signalering door Interpol in verband met genocide en misdrijven tegen de menselijkheid;

- een artikel in dagblad Trouw;

- een proces-verbaal van 28 februari 2014 (hierna: het proces-verbaal), opgemaakt door een hoofdinspecteur van politie, werkzaam bij de Dienst Landelijke Recherche als teamleider van het Team Internationale Misdrijven;

- de aanklacht tegen [naam 4] bij het International Criminal Tribunal for Rwanda (hierna: het ICTR) en de uitspraak van het ICTR van 18 december 2008 in deze zaak;

- een bericht van 1992, opgesteld door de heer [naam 5], de toenmalige Belgische ambassadeur in Rwanda.

6. Volgens paragraaf C4/3.11.3.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000, zoals die luidde ten tijde van belang, moet verweerder aantonen dat er ‘ernstige redenen’ zijn om te veronderstellen dat een vreemdeling onder de criteria van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag valt. De veronderstelling dat artikel 1(F) van toepassing is, hoeft niet bewezen te worden volgens de in het strafrecht gehanteerde bewijsmaatstaf, maar moet niettemin zorgvuldig worden gemotiveerd. Als er ernstige redenen zijn te veronderstellen dat een vreemdeling zich aan een in artikel 1(F) bedoelde handeling schuldig heeft gemaakt, dient betrokkene, wil hij voorkomen dat op hem artikel 1(F) van toepassing zal worden verklaard, een en ander gemotiveerd te weerleggen. Teneinde te kunnen bepalen of betrokkene individueel verantwoordelijk dient te worden gehouden voor handelingen, als bedoeld in artikel 1(F), wordt gebruik gemaakt van de ‘personal and knowing participation test’ bedoeld in de artikelen 25 en 27 tot en met 33 van het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof. Onderzocht wordt of ten aanzien van betrokkene kan worden aangenomen dat hij weet heeft gehad of had behoren te hebben van het plegen van het betreffende misdrijf/de betreffende misdrijven (‘knowing participation’) én of hij op enige wijze hieraan persoonlijk heeft deelgenomen (‘personal participation’). Indien hiervan sprake is, kan aan betrokkene artikel 1(F) worden tegengeworpen,

7. Ten aanzien van de onderzoeksplicht bij een ambtshalve genomen besluit gaat de rechtbank uit van de volgende uitgangspunten.

De rechtbank stelt vast dat het besluit tot intrekking van het Nederlanderschap een ambtshalve genomen en belastend besluit is met een ingrijpend karakter. Dit brengt mee dat op verweerder de onderzoeksplicht en de bewijslast rust ten aanzien van de vraag of eiser zich schuldig heeft gemaakt aan handelingen bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag en daarmee is voldaan aan de voorwaarden van intrekking van het Nederlanderschap. Dit betekent niet dat de feiten waarop de veronderstelling dat artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag op eiser van toepassing is vast moeten staan. Voldoende is dat het ernstige vermoeden betstaat dat er ‘ernstige redenen’ zijn om te veronderstellen dat een vreemdeling onder de criteria van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag valt. Dit neemt evenwel niet weg dat inzichtelijk moet zijn waarop deze ernstige vermoedens zijn gebaseerd.

Als verweerder aan de genoemde onderzoeksplicht en bewijslast heeft voldaan, is het vervolgens aan eiser om het geleverde bewijs te weerleggen.

8. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat het intrekken van het aan hem verleende Nederlanderschap in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel. Daartoe heeft eiser gesteld dat de door hem in zijn asielprocedure afgelegde verklaringen, waaronder de verklaring dat zijn naam wordt genoemd op een lijst van genocideverdachten (en hij daarom vervolgd werd), die hebben geleid tot de verlening van een verblijfsvergunning, niet op een later moment kunnen worden gebruikt om artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag tegen te werpen en het Nederlanderschap in te trekken, terwijl geen sprake is van nieuw gebleken feiten. In dit verband heeft eiser gewezen op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 18 april 2013 (JV 2013, 203).

Verweerder heeft in het rapport van African Rights van 2010 en de vonnissen van de Gacaca-rechtbanken, waarover is gepubliceerd in een artikel van de NRC van 25 april 2010, aanleiding gezien het onderzoek over de betrokkenheid van eiser bij misdrijven, bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag, te heropenen. De rechtbank stelt vast dat deze informatie verweerder niet bekend was ten tijde van de asielprocedure en hem ook niet eerder bekend kon zijn. Zoals blijkt uit de brief van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie aan de Tweede Kamer van 31 januari 2014 (TK 2013-2014, 33750 VI, nr. 27) is de afgelopen jaren meer informatie beschikbaar gekomen en toegankelijk geworden met betrekking tot de Rwandese genocide en mogelijke daders, hetgeen aanleiding is geweest voor het nader bezien van vreemdelingrechtelijke besluiten in zaken van Rwandese vreemdelingen en van besluiten tot verlening van het Nederlanderschap aan Rwandezen. Gelet op het voorgaande is sprake van nieuwe feiten en omstandigheden, die verweerder aanleiding mochten geven voor hernieuwd onderzoek, omdat ze nieuw licht konden werpen op de door eiser tijdens zijn asielprocedure afgelegde verklaringen. Daarnaast is van belang dat de verlening dan wel de intrekking van het Nederlanderschap een zelfstandige beoordeling inhoudt, hetgeen betekent dat de omstandigheid dat artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag niet aan de verlening van een verblijfsvergunning in de weg heeft gestaan niet meebrengt dat deze bepaling niet in het kader van een besluit over het Nederlanderschap mag worden tegengeworpen. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 11 april 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BW1611). De beroepsgrond faalt derhalve.

9. De rechtbank stelt vast dat verweerder de toepasselijkheid van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag niet heeft gebaseerd op eigen verklaringen van eiser dan wel op de conclusies van een in opdracht van het Ministerie van Buitenlandse Zaken verricht onderzoek naar eiser (individueel ambtsbericht).

Verweerder heeft de beschuldiging dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan deelname aan de genocide Rwanda – de essentie van de tegenwerping van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag – in hoofdzaak gebaseerd op de drie rapporten van African Rights, met name het samen met Redress opgestelde rapport van 2010, dat integraal over eiser gaat. Dat dit rapport de kern van de beschuldigingen vormt blijkt uit de besluitvorming. Zo heeft verweerder in het primaire besluit overwogen dat de rapportages van African Rights worden aangevuld en bevestigd door overige bronnen (pagina 3 en 16). Voorts heeft verweerder in het bestreden besluit samenvattend ten aanzien van de tegenwerping van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag nadrukkelijk verwezen naar het rapport van 2010 en heeft verweerder ten aanzien van de overige genoemde informatie overwogen dat deze dient ter ondersteuning van dit rapport en nadere informatie bevat (pagina 31). Ook in de door verweerder aangehaalde uitspraak van rechtbank Rotterdam van 25 juni 2010 is overwogen dat het rapport van African Rights van 2010 de belangrijkste bron vormt. De rechtbank ziet daarom aanleiding om allereerst te beoordelen of verweerder het rapport van African Rights van 2010 aan de besluitvorming ten grondslag heeft kunnen leggen.

10. Het rapport van 2010 is een resultaat van samenwerking van twee non- gouvernementele organisaties (hierna: ngo’s): African Rights en Redress. Het rapport is (blijkens de inleiding ervan) gebaseerd op 34 getuigenverklaringen (zowel overlevenden als daders), die verklaren over de rol van eiser bij de moorden in Mugina in de préfecture van Gitarama, de gebeurtenissen in Kabgayi en in Kigali. In het rapport zijn geen volledige verklaringen opgenomen, maar worden passages uit interviews met de getuigen aangehaald. Volgens het rapport is in een aantal gevallen, waarin de getuige er de voorkeur aan gaf om anoniem te blijven, gebruik gemaakt van pseudoniemen.

Eiser heeft betoogd dat verweerder voor de conclusie dat eiser zich aan genocidaire handelingen schuldig heeft gemaakt niet heeft kunnen volstaan met een verwijzing naar rapporten van deze twee ngo’s. Volgens eiser had verweerder nader onderzoek moeten verrichten naar de door African Rights (en Redress) gebruikte bronnen.

Niet in geschil is dat verweerder geen nader onderzoek heeft gedaan naar de verklaringen van de getuigen in het rapport van 2010. Uit het door verweerder aan zijn besluit ten grondslag gelegde vonnis van rechtbank Rotterdam van 25 juni 2010 – dit betrof een kort geding over een publicatie over eiser, waaronder het rapport van 2010, in de NRC – blijkt dat de NRC in die zaak afschriften van verklaringen van getuigen, die aan het rapport hebben meegewerkt en die na de verschijning daarvan bij een notaris hebben verklaard dat hun getuigenis zoals in het rapport opgenomen door hen is afgelegd en juist is, in het geding had gebracht. Deze verklaringen zijn door verweerder echter niet overgelegd en evenmin heeft heeft verweerder in onderhavige zaak een soortgelijk onderzoek verricht. Daarnaast blijkt uit het rapport van African Rights van 2010 dat de getuigen, van wie de verklaringen zijn gebruikt in dat rapport, tegenover African Rights en Redress hebben aangegeven ‘that they would be prepared to meet with Dutch authorities’ (pagina 9), van welk aanbod verweerder geen gebruik heeft gemaakt. De bronnen in het rapport van 2010 zijn in een groot aantal gevallen anoniem, en van de niet-anonieme bronnen zijn slechts zeer summier gegevens bekend. Uit het rapport blijkt niet of en zo ja, hoe de betrouwbaarheid van deze getuigen is getoetst. Ook zijn de onderzoekers anoniem en is weinig bekend over hun kwalificaties. Het rapport geeft ook weinig informatie over de toegepaste onderzoeksmethodiek. Daarnaast heeft eiser gewezen op de bijna woordelijke overeenkomsten in de verklaringen van sommige getuigen en dat daarin afwijkende jaren en data, zoals zijn geboortedatum, worden gehanteerd.

Het had naar het oordeel van de rechtbank op de weg van verweerder gelegen, gelet op de op hem rustende onderzoeksplicht en bewijslast, om zich ervan te vergewissen dat het onderzoek van African Rights, specifiek in het rapport van 2010 en de daarbij gebruikte bronnen, op een zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. De rechtbank vindt hiervoor ook steun in de uitspraken van de Afdeling van 13 april 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BW4347) en 24 september 2009 (ECLI:NL:RVS:2009:BJ8654). De Afdeling heeft in deze uitspraken geoordeeld dat het in die zaken overgelegde rapport van een gezaghebbende organisatie als de United Nations High Commissioner for Refugees (hierna: de UNHCR) geen concrete aanknopingspunten opleverde om van de conclusies van een algemeen ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken af te wijken, dit omdat niet inzichtelijk was gemaakt in hoeverre de aan dat rapport ten grondslag gelegde bronnen, dan wel de door de UNHCR geraadpleegde aanvullende bronnen, konden worden gekwalificeerd als objectief, onafhankelijk en betrouwbaar. De Afdeling overwoog in de uitspraak van 13 april 2012 eveneens dat de kwalificaties van de door de UNHCR geraadpleegde wetenschappers en medewerkers van de Verenigde Naties, alsmede de waarde van de door hen verstrekte informatie, eerst kon worden beoordeeld indien nadere gegevens aangaande deze bronnen zou worden verschaft. Volgens de Afdeling in deze uitspraak was de betreffende belanghebbende er niet in geslaagd te voldoen aan de op hem rustende bewijslast om aannemelijk te maken dat concrete aanknopingspunten bestonden voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van het ambtsbericht. Nu in onderhavige zaak de bewijslast om aan te tonen dat op eiser artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is op verweerder rust dient, in lijn met voormelde uitspraken, verweerder aannemelijk te maken dat de door African Rights gebruikte bronnen kunnen worden gekwalificeerd als objectief, onafhankelijk en betrouwbaar, waarnaar verweerder onderzoek dient te verrichten.

Verweerder heeft, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 23 juni 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:2382), gesteld dat verweerder de tegenwerping van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag mede op de rapporten van African Rights mag baseren.

Anders dan in de zaak die ten grondslag lag aan die uitspraak van de Afdeling heeft verweerder in deze procedure de 1(F)-beschuldigingen in hoofdzaak, en dus niet mede, op de rapporten van African Rights gebaseerd. De Afdeling heeft in de uitspraak van 23 juni 2014 geoordeeld dat de rechtbank, gelet op de combinatie van het individueel ambtsbericht en de rapporten van African Rights, ten onrechte had overwogen dat verweerder ondeugdelijk had gemotiveerd dat ernstige redenen bestonden te veronderstellen dat de desbetreffende vreemdeling zich schuldig had gemaakt aan handelingen of misdrijven als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag. Reeds nu verweerder geen individueel ambtsbericht ten grondslag heeft gelegd aan het bestreden besluit, en dus vorenbedoelde combinatie zich niet voordoet, is geen sprake van een vergelijkbare zaak, zodat een verwijzing naar de uitspraak van 23 juni 2014 niet kan opgaan.

De beroepsgrond van eiser dat verweerder onvoldoende onderzoek heeft verricht naar de objectiviteit, betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van de in de rapporten van African Rights gebruikte bronnen, en dat het bestreden besluit op dit punt in strijd is met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), treft derhalve doel.

11. De andere door verweerder genoemde, en aan de tegenwerping van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag ten grondslag liggende, bronnen kunnen niet tot een ander oordeel leiden. Hiertoe overweegt de rechtbank allereerst dat verweerder zijn standpunt dat artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag op eiser van toepassing is, hoofdzakelijk heeft gebaseerd op de rapporten van African Rights, in het bijzonder het rapport van 2010. De motivering van het bestreden besluit steunt hierop in overwegende mate. Voorts is het volgende van belang.

12. Ten aanzien van het eerdergenoemde vonnis van rechtbank Rotterdam van

25 juni 2010 overweegt de rechtbank dat, hoewel blijkens dat vonnis de NRC afschriften van verklaringen van getuigen die aan het rapport hebben meegewerkt en die na verschijning bij de notaris hebben verklaard dat hun getuigenis als in het rapport opgenomen door hen is afgelegd in het geding heeft gebracht, verweerder met de enkele verwijzing naar dat vonnis niet heeft voldaan aan de op hem rustende onderzoeksplicht. Verweerder heeft geen zelfstandig onderzoek verricht naar de in dat vonnis genoemde verklaringen en heeft deze niet opgevraagd bij African Rights, dan wel (ondanks het daartoe in het rapport van African Rights van 2010 opgenomen aanbod) contact gezocht met deze getuigen. Voorts betrof de zaak die heeft geleid tot dat vonnis van 25 juni 2010 een kort geding, waarin het ging om toetsing van de persvrijheid. Eiser heeft ten aanzien daarvan onbetwist gesteld dat de rechter in die zaak slechts marginaal heeft getoetst en derhalve, zoals ook volgt uit dat vonnis, beperkt onderzoek naar het waarheidsgehalte van verklaringen van getuigen heeft plaatsgevonden.

13. Verweerder heeft voorts van belang geacht dat eiser bij vonnis van 27 januari 2009 van de Gacaca-rechtbank (een traditionele rechtbank) van Mugina, sector Mugina in Rwanda, bij verstek is veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf in verband met moord, leiding van de Interahamwe gedurende moord en plundering en het aanzetten tot genocide. Eiser is bij vonnis van 29 december 2009 van de Gacaca-rechtbank van Kigese, sector Mugina, opnieuw bij verstek tot levenslange gevangenisstraf veroordeeld, wegens het aanzetten tot de moord op Tutsi’s, leiding geven bij de genocide, het voorbereiden van vergaderingen over deze moorden, het verschaffen van benzine ten behoeve van brandstichting, het uitdelen van wapens om Tutsi’s te doden en het leveren van versterkingen voor hulp bij de moord op de Tutsi’s.

Hiertegen heeft eiser aangevoerd dat, kort samengevat, niet van de betrouwbaarheid van deze Gacaca-vonnissen mag worden uitgegaan.

De rechtbank overweegt dat aan de Gacaca-vonnissen niet de door verweerder gewenste betekenis kan worden gehecht. In het thematisch ambtsbericht over de ontwikkelingen ten aanzien van de vervolging, berechting en detentie van genocideplegers in en buiten Rwanda van de minister van Buitenlandse Zaken van november 2011 (hierna: het thematisch ambtsbericht) is gewezen op de vele gebreken die deze vonnissen vertonen. Uit dit ambtsbericht volgt dat doordat de lekenrechters onvoldoende tijd hadden om de dossiers grondig te bestuderen soms overhaast vonnis is gewezen, waardoor de bevolking gaandeweg het vertrouwen in het Gacaca-proces heeft verloren. Ook blijkt daaruit dat in de loop der tijd Gacaca volgens sommigen steeds meer een lucratieve business is geworden. Sommige rechters zouden steekpenningen van rijke Rwandezen hebben aangenomen in ruil voor vrijspraak, genocide-overlevenden zouden rijken hebben beschuldigd en hun aanklacht hebben laten vallen in ruil voor geld. Dit beeld volgt ook uit de door eiser genoemde rapporten van Amnesty International en Human Rights Watch. De Afdeling is bij uitspraak van 23 juni 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:2382), onder verwijzing naar deze in het thematische ambtsbericht opgenomen passages, tot het oordeel gekomen dat met een vrijspraak in een Gacaca-vonnis geen concreet aanknopingspunt voor twijfel aan de juistheid van het individueel ambtsbericht was aangevoerd. Daarbij komt dat eiser in de bestuurlijke fase op de vele gebreken heeft gewezen ten aanzien van de op hem betrekking hebbende Gacaca-vonnissen en dergelijke vonnissen in het algemeen. Zoals eiser onbetwist heeft gesteld is hij ten aanzien van de zitting van 24 december 2009 slechts één dag van tevoren in kennis gesteld van deze zitting, zodat hij zich niet heeft kunnen verdedigen, en is hij van de zitting in januari 2009 in het geheel niet op de hoogte gesteld. Ook heeft eiser terecht (en onweersproken) gesteld dat de vonnissen een summiere motivering bevatten. Mede hierdoor kan niet zonder nader onderzoek worden aangenomen dat eiser in deze zaken is veroordeeld voor verschillende feiten en niet tweemaal voor hetzelfde feit, hetgeen blijkens het thematisch ambtsbericht niet ongebruikelijk is. Het standpunt van verweerder dat niet onderzocht hoeft te worden of eiser tweemaal voor hetzelfde feit is veroordeeld, omdat in het kader van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag slechts relevant is dat eiser in Rwanda is veroordeeld, en het aan eiser is om hiertegen rechtsmiddelen aan te wenden in Rwanda, kan niet zonder nadere motivering worden gevolgd, nu een dergelijke gang van zaken van betekenis kan zijn voor de betrouwbaarheid van deze vonnissen.

14. Verweerder heeft voorts gesteld dat de ernstige redenen om te vermoeden dat eiser zich in 1994 aan genocidaire handelingen schuldig heeft gemaakt worden ondersteund door het overgelegde proces-verbaal. Volgens verweerder blijkt uit dit proces-verbaal dat de politie onderzoek heeft verricht naar eiser en dat naast de eerder genoemde Gacaca-procedures in Rwanda strafrechtelijk onderzoek naar hem is verricht en nog steeds strafrechtelijke bedenkingen tegen hem bestaan. Daarnaast komt uit het proces-verbaal naar voren dat er meer getuigen zijn die over eiser hebben verklaard, dan degenen die zijn gehoord ten behoeve van het rapport van African Rights van 2010, en dat deze andere verklaringen in essentie niet afwijken van de verklaringen die in dit rapport zijn opgetekend. Dit versterkt de betekenis die aan het rapport van African Rights van 2010 moet worden toegekend, aldus verweerder.

In het proces-verbaal staat, voor zover van belang, het volgende vermeld:

‘De mensenrechtenorganisaties African Rights en Redress hebben in april 2010 het rapport ‘[naam eiser]: Accused of Genocide in Rwanda. Today living in the Netherlands’ gepubliceerd (hierna AR-rapport). In dit rapport wordt zijn naam verbonden aan een aantal ernstige misdrijven gepleegd tijdens de genocide. Het rapport is een openbaar stuk. In het rapport worden namen genoemd van getuigen die hebben verklaard over [eiser]. Uit het rapport blijkt dat de getuigen gehoord zijn tussen 2002 en 2010; een enkele getuige is blijkens het rapport al in 1995 gehoord.

Bij mij is bekend dat de Rwandese autoriteiten zelf onderzoek naar [eiser] hebben verricht. Voorts is mij het volgende bekend. In het Rwandese onderzoek zijn ten minste zesentwintig getuigen gehoord. Deze verklaringen zijn in 2008 afgelegd voor het Parket Generaal (PG) en in 2002 en 2005 voor het ministerie van Defensie te Rwanda. Dit aangezien [eiser] in het leger werkzaam was en ook de krijgsraad aldaar kennelijk destijds een onderzoek naar zijn handelen heeft ingesteld. Vier getuigen die door het Ministerie van Defensie zijn gehoord, zijn later in 2008, ook door het PG gehoord. Acht van de zesentwintig getuigen zijn in 2008 alleen door de PG gehoord.

De verklaringen uit het onderzoek zijn inhoudelijk vergeleken met de verklaringen die zijn gebruikt in het AR-rapport. Hieruit blijkt dat negen getuigen uit het PG-dossier ook in het AR-rapport worden genoemd. In totaal bevinden zich in het PG-dossier zeventien getuigen die niet worden genoemd in het AR-rapport. Uit de inhoudelijke vergelijking van de getuigenverklaringen zijn geen opvallende verschillen gebleken tussen hetgeen getuigen in het AR-rapport hebben verklaard en hetgeen zij in het kader van het Rwandese onderzoek hebben verklaard.’

Uit het proces-verbaal is af te leiden dat een vergelijking heeft plaatsgevonden tussen de verklaringen die zijn gebruikt in het rapport van African Rights van 2010 en de tegenover de Rwandese autoriteiten afgelegde verklaringen. Het proces-verbaal laat zich niet uit over de identiteit van de personen die verklaringen hebben afgelegd en hun betrouwbaarheid, objectiviteit en onpartijdigheid. Zoals verweerder ter zitting heeft bevestigd, beschikt verweerder over geen van de in het proces-verbaal genoemde verklaringen. Verweerder heeft evenmin onderzoek verricht naar de identiteit van de personen die verklaringen hebben afgelegd, noch in hoeverre deze getuigen kunnen worden gekwalificeerd als objectief, onafhankelijk en betrouwbaar. Aldus heeft verweerder ook op dit onderdeel de op hem rustende onderzoeks- en vergewisplicht geschonden.

15. De rechtbank overweegt dat aan de omstandigheid dat eiser door de Rwandese justitiële autoriteiten is gesignaleerd in Interpol ‘for prosecution / to serve a sentence’ geen zelfstandige betekenis toekomt, nu onduidelijk is op grond van welke feiten deze signalering heeft plaatsgevonden. Ook is het enkele feit dat in een artikel in dagblad Trouw en in Rwandese berichtgeving staat vermeld dat eiser onderwerp van vervolging is, onvoldoende nu onduidelijk is welke feiten daaraan ten grondslag liggen. Indien moet worden aangenomen dat de Gacaca-vonnissen aan deze signalering en vervolging ten grondslag liggen, geldt hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 13 is overwogen ten aanzien van de betrouwbaarheid van deze vonnissen.

16. In de bij het voornemen behorende 1(F)-beoordeling en het primaire besluit is eiser ook betrokkenheid bij de dood van tien Belgische VN-militairen tegengeworpen. Eiser wordt verweten dat hij, gedurende de gebeurtenissen van 6 op 7 april 1994, toen hij als verbindingsofficier van de gendarmerie werkzaam was, zich niet zou hebben gehouden aan afspraken met betrekking tot het inzetten van de gendarmerie die mede tot doel hadden aanvallen op burgers en VN-troepen te voorkomen. De beschuldiging is gebaseerd op de verklaring van de Belgische kolonel [naam 6], afgelegd in het kader van het onderzoek van de Belgische senaat naar deze gebeurtenissen.

De rechtbank stelt vast dat in het verslag staat vermeld dat kolonel [naam 6] denkt aan eiser de situatie te hebben uiteengezet, waaraan hij heeft toegevoegd dat alles lang geleden is gebeurd. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit deze verklaring niet ondubbelzinnig dat [naam 6] met eiser contact heeft gehad. Gelet op het voorbehoud in deze verklaring, waarop eiser in de bezwaarfase heeft gewezen, had verweerder in het bestreden besluit nader moeten motiveren waarom deze als vaststaand moet worden aangenomen. Daarbij is niet zonder betekenis dat [naam 6] in een schriftelijke verklaring, overgelegd bij de zienswijze, op basis van voortschrijdend inzicht is teruggekomen van deze verklaring.

17. Niet in geschil is dat eiser op 2 april 2002 is geschorst als onderzoeker voor de verdediging (‘defence investigator’) bij het ICTR. Met eiser is de rechtbank van oordeel dat zonder nader onderzoek zijdens verweerder deze schorsing niet de vaststelling kan dragen dat er ernstige redenen zijn om te vermoeden dat eiser zich aan genocidemisdrijven heeft schuldig gemaakt. Verweerder heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat eiser is geschorst omdat onderzoek bij het ICTR heeft uitgewezen dat hij als verdachte van genocide moet worden aangemerkt. Ook heeft verweerder zich er niet van vergewist of de bronnen en de informatie op grond waarvan de prosecutor bij het ICTR tot onderzoek heeft besloten die conclusie kunnen dragen. De enkele schorsing van eiser als onderzoeker bij het ICTR is niet voldoende om als grondslag te dienen voor het tegenwerpen van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag. Derhalve heeft verweerder ook ten aanzien van deze aan het besluit ten grondslag gelegde feiten gehandeld in strijd met de op hem rustende onderzoeks- en vergewisplicht.

18. Aan eiser is niet alleen betrokkenheid bij de genocide tegengeworpen, maar ook betrokkenheid bij gebeurtenissen in de aanloop naar de genocide. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser, in zijn hoedanigheid als G2 (inlichtingenofficier) bij het Ministerie van Defensie en bij de generale staf van de Gendarmerie, betrokken is geweest bij de totstandkoming van de (doden)lijsten en dat hij kennis had van het circuleren van deze lijsten en de consequenties van het bezit van deze lijsten bij diverse milities, waaronder de Interahamwe. Verweerder heeft in dit verband gesteld dat gebleken is dat eiser op

23 oktober 1990 aanwezig was bij een bijeenkomst, onder voorzitterschap van het Ministerie van Justitie, waar besproken is dat ten aanzien van aangehouden personen zou moeten worden vastgesteld of en op wat voor wijze zij betrokken waren bij de FPR. Daarnaast is in december 1991 een commissie samengesteld die verantwoordelijk is geweest voor het opstellen van een lijst van personen welke direct of indirect betrokken zouden zijn bij de FPR. Deze lijst heeft gecirculeerd binnen het Ministerie van Defensie. Nadat de leden van de commissie hun eindrapport hadden ingeleverd is deze lijst voorafgaande aan de genocide in handen gekomen van diverse milities, waaronder de Interahamwe, die deze lijst ter hand hebben genomen als dodenlijst. Verweerder baseert zijn conclusie over de betrokkenheid en kennis van dodenlijsten met name op de uitspraak van het ICTR van 18 december 2008 in de zaak van [naam 4].

De rechtbank overweegt dat verweerder zijn standpunt onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. Eiser heeft onweersproken gesteld dat op de bijeenkomst in 1990 geen gewag is gemaakt over deze dodenlijsten, maar dat slechts besproken is dat ten aanzien van reeds aangehouden personen zou moeten worden vastgesteld of en op wat voor wijze zij betrokken waren bij de FPR, wat volgens eiser als een regulier en legitiem militair instrument moet worden aangemerkt om op accurate wijze de vijand die Rwanda binnenviel te karakteriseren. Verder volgt uit de uitspraak van 18 december 2008 in de zaak [naam 4] dat de in 1991 vastgestelde commissie die verantwoordelijk is geweest voor het opstellen van een lijst van personen welke direct of indirect betrokken zouden zijn bij de FPR, wel een rapport heeft opgesteld om de vijand te definiëren, maar geen lijsten met namen van vijanden heeft opgesteld. Voorts blijkt uit deze uitspraak dat het door de commissie opgestelde rapport aanvankelijk slechts in beperkte kring is verspreid, maar op 21 september 1992 door de Rwandese legerleider [naam 7] buiten deze beperkte kring is verspreid. Dat eiser betrokken is geweest bij of wetenschap heeft gehad van deze verspreiding blijkt niet uit deze uitspraak en is door verweerder ook anderszins niet onderbouwd. De enkele stelling dat, gelet op zijn functie op het Ministerie van Defensie en bij de generale staf van de Gendarmerie, dit moet worden aangenomen, is daartoe naar het oordeel van de rechtbank niet voldoende.

19. In het bestreden besluit heeft verweerder eiser ook in verband gebracht met de moord op 1 oktober 1990 op [naam 2], de massamoord op Tutsi’s in Bugusera in maart 1992 en de gebeurtenissen in Kabyigi in mei/juni 1994. Zoals verweerder ter zitting heeft toegelicht dient hetgeen hierover staat vermeld in het bestreden besluit niet als zelfstandige grond voor het aannemen van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag, maar wordt hiermee beoogd de juistheid van het rapport van African Rights van 2010 te onderbouwen en het beeld van de correcte officier, zoals dat zou zijn geschetst door de gemachtigde van eiser, weg te nemen. Nu volgens verweerder geen sprake is van feiten die het besluit zelfstandig kunnen dragen, en uit hetgeen hiervoor is overwogen blijkt dat de overige bronnen het bestreden besluit evenmin kunnen dragen, behoeft hetgeen verweerder hierover in het besluit heeft opgenomen en hetgeen eiser daartegen heeft aangevoerd, geen bespreking.

20. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat het beroep gegrond is en het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb. De overige door eiser aangevoerde beroepsgronden, waaronder de beroepsgronden die zien op artikel 2:4 van de Awb, en het door eiser overgelegde tegenbewijs, behoeven derhalve thans geen bespreking. De rechtbank ziet gelet op de aard van het geconstateerde gebrek geen aanknopingspunten om het geschil finaal te beslechten.

21. De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1470 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 490 en wegingsfactor 1,5 (zwaar)). Van andere kosten is de rechtbank niet gebleken.

22. Tevens dient toepassing te worden gegeven aan artikel 8:74, eerste lid, van de Awb.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 2 april 2014;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1470;

- draagt verweerder op het door eiser betaalde griffierecht van € 45 aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Penning, voorzitter, mr. G.A. van der Straaten en mr. G.W.B. Heijmans, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R. Barzilay, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 oktober 2015.

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.