Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:6444

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
27-10-2015
Datum publicatie
27-10-2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 8278
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening (Wro). Artikel 229 Gemeentewet. Leges. Legessanctie. Niet geactualiseerd bestemmingsplan. Verbod om leges te heffen voor diensten die verband houden met bestemmingsplan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/2317
Belastingblad 2015/500 met annotatie van P. de Bruin
V-N 2016/7.25 met annotatie van Redactie
FutD 2015-2668
NTFR 2015/3144 met annotatie van Mr. R. van den Berg
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummer: AWB 14/8278

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 27 oktober 2015

in de zaak tussen

[X] , te [Z] , eiser,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Nijkerk , verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser leges in rekening gebracht ten bedrage van € 1.586,20.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 20 november 2014 de leges gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen bij brief van 26 november 2014, ontvangen door de rechtbank op dezelfde dag, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Verweerder heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan eiser.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 september 2015. Eiser is verschenen, samen met zijn echtgenote. Namens verweerder is verschenen [gemachtigde] .

Overwegingen

Feiten

1. Eiser is eigenaar van de woning aan de [A-straat 1] te [Z] (hierna: de woning). Het betreft een woon-werkpand waarin een café is gevestigd waarvan eiser de uitbater is.

2. Op 2 september 2014 heeft eiser een aanvraag omgevingsvergunning ingediend voor het legaliseren van het gewijzigd uitvoeren van het dak op de woning. Op 21 oktober 2014 is de omgevingsvergunning verleend.

3. De aanvraag is onder meer getoetst aan het bestemmingsplan [A] .

4. Ten aanzien van de aanvraag omgevingsvergunning zijn leges in rekening gebracht. Het door verweerder in rekening gebrachte legesbedrag is als volgt opgebouwd:

het verbouwen van het dak van de woning

€ 862,54

het planologisch strijdig gebruik

€ 223,00

het achteraf ingediende aanvraag bouwen

€ 431,27

het welstandsadvies

€ 70,00

Totaal bedrag leges

€ 1.586,81

Geschil

5. In geschil is of de terecht en naar het juiste bedrag leges in rekening zijn gebracht.

Beoordeling van het geschil

Wettelijk kader

6. Artikel 229, eerste lid, aanhef en onder b, van de Gemeentewet luidt:

“Rechten kunnen worden geheven ter zake van:

Het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten.”

7. Artikel 3.1 van de Wet op de ruimtelijke ordening (Wro) luidt, voor zover relevant:

“2. De bestemming van gronden, met inbegrip van de met het oog daarop gestelde regels, wordt binnen een periode van tien jaar, gerekend vanaf de datum van vaststelling van het bestemmingsplan, telkens opnieuw vastgesteld.

3. Telkens indien de gemeenteraad van oordeel is dat de in het bestemmingsplan aangewezen bestemmingen en de met het oog daarop gegeven regels in overeenstemming zijn met een goede ruimtelijke ordening, kan hij, in afwijking van het tweede lid, besluiten tot verlenging van de periode van tien jaar, genoemd in dat lid, met tien jaar. In aanvulling op artikel 3:42 van de Algemene wet bestuursrecht plaatsen burgemeester en wethouders de kennisgeving van het besluit tot verlenging tevens in de Staatscourant en voorts geschiedt deze langs elektronische weg.

4. Indien niet voor het verstrijken van de periode van tien jaar, genoemd in het tweede of het derde lid, de raad onderscheidenlijk opnieuw een bestemmingsplan heeft vastgesteld dan wel een verlengingsbesluit heeft genomen, vervalt de bevoegdheid tot het invorderen van rechten terzake van na dat tijdstip door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten die verband houden met het bestemmingsplan.”

8. In de Tweede nota van wijziging van het wetsvoorstel Wro staat:

“De tweede wijziging regelt in het nieuwe vierde lid [van artikel 3.1 Wro] de consequenties van de overschrijding van de 10-jaarstermijn: als de raad niet binnen dat tijdvak een nieuw bestemmingsplan heeft vastgesteld dan wel besloten heeft de termijn met tien jaar te verlengen kunnen leges terzake van vergunningen voor bouw-, aanleg- of sloopactiviteiten binnen het betrokken bestemmingsplangebied vanaf het moment van het verstrijken van de 10-jaarstermijn niet worden ingevorderd. Indien nadien alsnog een bestemmingsplan wordt vastgesteld «herleeft» de bevoegdheid, doch dan uiteraard voor de legesplichtige verzoeken die betrekking hebben op het nieuwe bestemmingsplan en na de vaststelling hiervan ontstaan zijn.”

Tweede Kamer, vergaderjaar 2004–2005, 28 916, nr. 9, p. 15

9. In de Nota naar aanleiding van het verslag van dit wetsvoorstel is over de fatale termijnen in de Wro het volgende opgenomen:

“Ik noem allereerst de artikelen of onderdelen van artikelen, die fatale termijnen voor bestuursorganen bevatten, met een korte aanduiding van de gevolgen die termijnoverschrijding heeft:

• 3.1, tweede lid: rechten voor bepaalde besluiten zijn niet langer verschuldigd;

(…)

• 3.8e: opschorting, en vervolgens vervallen, van bevoegdheid om rechten te heffen;”

Tweede Kamer, vergaderjaar 2004—2005, 28 916, nr. 14, p. 18

10. Tussen partijen is niet in geschil dat de tienjaarstermijn van artikel 3.1, vierde lid, van de Wro is verstreken omdat het bestemmingsplan [A] niet opnieuw is vastgesteld of verlengd, zodat de legessanctie van deze bepaling in werking treedt.

11. Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat hij geen leges heft als invordering op grond van artikel 3.1, vierde lid, van de Wro niet mogelijk is. De rechtbank ziet geen aanleiding dit standpunt onjuist te achten. Als een heffingsbeslissing wordt genomen met het doel deze belasting ook in te vorderen, terwijl invordering duidelijk in strijd is met de wet, zou het rechtszekerheidsbeginsel immers aan het onverkort handhaven van die beslissing in de weg staan. Voorts blijkt uit de onder 9. geciteerde parlementaire toelichting van de Wro dat de Minister verschillende bewoordingen gebruikt om de gevolgen van een termijnoverschrijding aan te duiden. De Minister gebruikt zowel de term “niet langer verschuldigd” als “vervallen van de bevoegdheid om rechten te heffen” waar in de tekst van het wetsvoorstel en de uiteindelijke wettekst gesproken wordt van “invorderen”. De rechtbank is op grond daarvan van oordeel dat de wetgever met de term “invorderen” in artikel 3.1, vierde lid, van de Wro het oog heeft gehad op het heffen van rechten en niet op het invorderen van geheven rechten op grond van de Invorderingswet 1990. Daaruit volgt dat de legessanctie van artikel 3.1, vierde lid, van de Wro opgevat moet worden als een verbod om leges te heffen.

12. De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld wat de reikwijdte is van de legessanctie. Verweerder stelt dat alleen de leges inzake het planologisch strijdige gebruik à € 223 onder de legessanctie vallen, aangezien alleen deze leges direct betrekking hebben op het verouderde bestemmingplan. Voor de overige in rekening gebrachte leges ontbreekt volgens verweerder dit directe verband. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn redenering. Uit de aangehaalde Tweede nota van wijziging blijkt dat de legessanctie ziet op leges ten aanzien van vergunningen voor bouw-, aanleg- of sloopactiviteiten. Naar het oordeel van de rechtbank zien alle in rekening gebrachte leges direct op de aangevraagde omgevingsvergunning voor de verbouw van eisers woning. Weliswaar splitst verweerder het totale legesbedrag uit naar verschillende categorieën, maar feitelijk hebben deze leges betrekking op één en dezelfde vergunningsaanvraag. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat alle in rekening gebrachte leges onder de legessanctie vallen.

13. Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond.

14. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, omdat niet is gesteld of gebleken dat eiser kosten heeft gemaakt die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vernietigt de legesnota;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

- gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 45 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, rechter, in tegenwoordigheid van mr.drs. O.D. Heitling, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 27 oktober 2015

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.