Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:6420

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
20-10-2015
Datum publicatie
20-10-2015
Zaaknummer
05/820773-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot een werkstraf voor de duur van 140 uur wegens overtreding van artikel 6 Wegenverkeerswet en het rijden onder invloed van meer alcoholhoudende drank dan wettelijk is toegestaan, met daarnaast ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 12 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer : 05/820773-14

Datum uitspraak : 20 oktober 2015

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1990 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] , [woonplaats] .

Raadsman: mr. N. van Schaik, advocaat te Utrecht.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen

van 26 mei 2015, 21 juli 2015 en 6 oktober 2015.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 08 december 2013 te Harderwijk in de gemeente Harderwijk

binnen de bebouwde kom, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een

motorrijtuig (personenauto), daarmede komende uit de richting Westeinde en

gaande in de richting van de Westermeenweg, zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, onder invloed van alcoholhoudende drank, althans na het gebruik van een niet

onaanzienlijke hoeveelheid alcoholhoudende drank en/of met zeer hoge snelheid, althans met een grotere snelheid dan de aldaar voor hem, verdachte ingevolge artikel 20 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 geldende maximum snelheid van 50 kilometer heeft, gereden, over de Stadswei en/of met die snelheid, althans nagenoeg die snelheid, een in die weg gelegen, gezien zijn verdachtes rijrichting, naar links verlopende bocht is in- en/of

doorgereden en/of uit de bocht is gevlogen en/of met dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (personenauto), gezien zijn verdachte rijrichting in de rechter berm van die Stadswei is terechtgekomen en/of is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met een rechts in die berm staande paal, waaraan een verkeersbord was bevestigd en/of één of meer

boom/bomen en/of waardoor en/of waarbij dat motorrijtuig (personenauto)om

zijn lengte as is gerold en/of op de rechter zijde tot stilstand is gekomen en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, zulks, terwijl verdachte verkeerde in een toestand, als bedoeld in artikel 8 lid 2 van de Wegenverkeerswet 1994 en/of welk feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat hij, verdachte een krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 08 december 2013 te Harderwijk in de gemeente Harderwijk

binnen de bebouwde kom, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto),

daarmede komende uit de richting Westeinde en gaande in de richting van de

Westermeenweg, met zeer hoge snelheid, althans met een grotere snelheid dan de aldaar voor

hem, verdachte ingevolge artikel 20 van het Reglement verkeersregels en

verkeerstekens 1990 geldende maximum snelheid van 50 kilometer heeft gereden,

over de Stadswei en/of met die snelheid, althans nagenoeg die snelheid, een in die weg gelegen,

gezien zijn verdachtes rijrichting, naar links verlopende bocht is in- en/of

doorgereden en/of uit de bocht is gevlogen en/of met dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (personenauto), gezien zijn verdachte rijrichting in de rechter berm van die Stadswei is terechtgekomen en/of is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met een rechts in die berm staande paal, waaraan een verkeersbord was bevestigd en/of één of meer

boom/bomen en/of waardoor en/of waarbij dat motorrijtuig (personenauto)om zijn lengte as is gerold en/of op de rechter zijde tot stilstand is gekomen, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

2.

hij op of omstreeks 08 december 2013 te Harderwijk als bestuurder van een

voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van

alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes bloed bij een

onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van de

Wegenverkeerswet 1994, 1,23 milligram, in elk geval hoger dan 0,5 milligram,

alcohol per milliliter bloed bleek te zijn.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 8 december 2013 omstreeks 06:13 uur heeft in Harderwijk, in de gemeente Harderwijk, binnen de bebouwde kom een personenauto gereden over de Stadswei, komende uit de richting Westeinde en gaande in de richting van de Westermeenweg. Ter plaatse geldt een maximumsnelheid van 50 kilometer per uur. 2 De personenauto is een in die weg gelegen (gezien vanuit de rijrichting) naar links verlopende bocht in gereden, uit de bocht gevlogen en in de (gezien vanuit de rijrichting) rechter berm van die Stadswei terechtgekomen en is gebotst tegen een rechts in die berm staande paal, waaraan een verkeersbord was bevestigd, welke paal omver is gereden. Vervolgens heeft die personenauto met de voorzijde een boom geraakt, waardoor die boom afbrak, waarna die personenauto een tweede boom heeft geraakt. Daarna is die personenauto om zijn lengteas gerold en op de rechterzijde tot stilstand gekomen.3 Verdachte en [slachtoffer] zaten op dat moment in de personenauto.4 Bij verdachte is omstreeks 09:20 uur bloed afgenomen.5 Na onderzoek is vastgesteld dat het alcoholgehalte van het bloed van verdachte 1.23 milligram alcohol per milliliter bloed bedroeg.6 [slachtoffer] heeft door dit ongeval een wervelboogfractuur opgelopen.7

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde feit. Zij is van mening dat vast staat dat hij als bestuurder van de personenauto een ongeval heeft veroorzaakt waarbij hij aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gehandeld. De officier van justitie wijst in dit kader onder meer op de verklaringen van verdachte en [slachtoffer] bij de politie, die volgens de officier van justitie worden ondersteund door technisch bewijs, te weten het vezelonderzoek, dat beschrijft dat het merendeel van de aan de bestuurderskant aangetroffen vezels overeen komt met de vezels die zijn verwerkt in de broek die verdachte ten tijde van het ongeval droeg. Daarnaast wordt ook in het door de raadsman ingebrachte rapport van Forensicon beschreven dat die vezels zijn aangetroffen op een plek die niet toegankelijk is voor de bijrijder.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair vrijspraak bepleit, nu niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat zijn cliënt de bestuurder van de personenauto was. Zijn cliënt heeft ter terechtzitting ontkend de bestuurder te zijn geweest. De raadsman heeft gemotiveerd aangegeven dat zijn cliënt om hem moverende redenen aanvankelijk de schuld op zich heeft genomen, terwijl het [slachtoffer] was die de auto bestuurde.
Volgens de raadsman is sprake van een alternatief scenario. De resultaten van het vezelonderzoek kunnen niet zonder meer stand houden, nu volgens het rapport van Forensicon het ook mogelijk is dat de vezels op een ander moment dan tijdens het voorval zijn versmolten met het materiaal in de auto. Van belang hierbij is dat het soort aangetroffen vezels aan de bestuurderskant van de auto in veel broeken voorkomt. Het is dus ook mogelijk dat de versmolten vezels op een ander moment dan tijdens het ongeval in het plastic terechtgekomen zijn. De raadsman stelt dat de betreffende auto in januari 2011 op de weg is gekomen, maar pas in juli 2013 vanuit België in Nederland is ingevoerd (en in gebruik is gekomen van de vader van verdachte). Onder meer gelet op de informatie uit het vergelijkend vezelonderzoek en het rapport van Forensicon, is de kans dat een vorige Belgische eigenaar een ongeval of anderszins een energierijke impact met de auto heeft gehad, aanzienlijk. Op dat moment kunnen kledingvezels zijn versmolten met het dashboard. De raadsman heeft in het kader van dit alternatieve scenario een voorwaardelijk verzoek tot nader onderzoek gedaan, te weten het opvragen van data geregistreerde ongevallen met de BMW in Europa, deskundigenbericht over de vraag wat voor energierijke impact, naast een ongeval, nodig is om tot vezelversmelting te leiden en het horen van de vorige eigenaar(s) over de vraag of zij met de auto een ongeval hebben gehad of dat anderszins sprake is geweest van een energierijke impact dat vezelversmelting kan verklaren.

Subsidiair heeft de raadsman vrijspraak bepleit, nu niet bewezen kan worden dat zijn cliënt schuld heeft gehad aan het verkeersongeval, dan wel gevaar heeft veroorzaakt. Niet kan worden aangetoond dat een causaal verband bestaat tussen het ongeval en het gebruik van alcohol. Ook is het alcoholgebruik niet zodanig dat sprake kan zijn van culpa. Ook is het causale verband tussen het al dan niet te hard rijden en het verkeersongeval niet aangetoond.

De beoordeling door de rechtbank

Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte ten tijde van het verkeersongeval de bestuurder van de personenauto was. Zij overweegt daartoe als volgt.
Hoewel verdachte ter terechtzitting het standpunt heeft ingenomen dat hij niet heeft gereden, heeft verdachte eerder anders verklaard. Zo heeft hij enkele minuten na het ongeval tegen de gearriveerde verbalisanten verklaard dat hij de bestuurder van de personenauto was.8 Ook daarna, in twee latere verhoren, heeft hij verklaard dat hij denkt dat hij de bestuurder was, maar dat niet zeker te weten.9 Deze eerdere verklaringen van verdachte worden ondersteund door de verklaringen van [slachtoffer] . Zij is meermalen gehoord, waaronder enkele uren na het ongeval, en heeft telkens verklaard dat het verdachte was, die de auto bestuurde.10

Deze verklaringen van verdachte en [slachtoffer] worden vervolgens bevestigd door de uitkomsten van het vezelonderzoek. In de auto zijn vezels en sporen van versmolten vezels aangetroffen. Op het frontje van de radio uit het middenconsole, een zwart afdekplaatje in het middenconsole aan de bestuurderskant en een deel van het dashboard aan de bestuurderskant, zijn vezels aangetroffen waarvan de meerderheid overeen bleek te komen met de vezels zoals verwerkt in de blauwe spijkerbroek die verdachte op het moment van het ongeval droeg.11 Er werden geen sporen aangetroffen die overeenkwamen met vezels zoals verwerkt in overige aangeboden kleding.12 De aangetroffen vezelsporen, met name die op het dashboard, waren grotendeels versmolten in het kunststof, hetgeen impliceert dat de overdracht heeft plaatsgevonden gedurende een energierijke impact en niet na het incident zijn achtergebleven, bijvoorbeeld bij het verlaten van de personenauto. De vezeldeskundige concludeert dat, als wordt aangenomen dat de versmolten sporen zijn overgedragen gedurende het ongeval, de donor één van de ontvangen kledingstukken betreft en de posities waarop de sporen zijn aangetroffen slechts toegankelijk waren voor de bestuurder, daaruit kan worden afgeleid dat de personenauto ten tijde van het ongeval werd bestuurd door verdachte.13

Naar het oordeel van de rechtbank zijn de posities waarop de sporen zijn aangetroffen, met name het dashboard aan de bestuurderszijde en het afdekplaatje middenconsole aan de bestuurderszijde, aan te merken als plaatsen die ten tijde van het ongeval slechts toegankelijk voor de bestuurder zijn geweest. Van een eerder ongeval met de desbetreffende auto is niet gebleken en het onderhavige ongeval was dusdanig dat versmelting van vezels op het dashboard voor de hand ligt. De rechtbank concludeert dan ook dat de versmolten sporen zijn overgedragen tijdens dit ongeval en dat de donor één van de ontvangen kledingstukken is geweest, namelijk de spijkerbroek van verdachte. Deze conclusie staat ook niet op zichzelf maar komt overeen met de verklaringen van verdachte en [slachtoffer] , inhoudende dat verdachte de bestuurder is geweest van de auto. Naar het oordeel van de rechtbank kan daarom wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte de bestuurder van de auto is geweest. Het door de raadsman geschetste “alternatieve scenario” is in zoverre niet alternatief dat het

de door verdachte bij de politie afgelegde verklaringen, alsmede de verklaringen van [slachtoffer]

ten onrechte buiten beschouwing laat en daarmee niet in overeenstemming is. Gelet op die verklaringen ziet de rechtbank geen noodzaak om de door de verdediging geopperde mogelijkheid dat er eerder een ongeval met deze auto heeft plaatsgevonden nader te onderzoeken. Het verzoek daartoe wordt afgewezen.


Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte als bestuurder van de auto een ongeval heeft veroorzaakt. De vraag is vervolgens of verdachte door zijn verkeersgedrag artikel 6 WVW ’94 heeft overtreden. Om tot het oordeel te komen dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW ‘94), is vereist dat het rijgedrag van verdachte roekeloos dan wel zeer of aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig of onachtzaam was. Daarvoor moet beoordeeld worden of sprake was van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Daarbij geldt dat in zijn algemeenheid niet valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor bewezenverklaring van schuld in vorenbedoelde zin. Gekeken moet worden naar het geheel van gedragingen van verdachte, naar de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en voorts naar de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Daarnaast geldt dat niet enkel uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW ‘94.

Vast staat dat verdachte een ongeval heeft veroorzaakt. Vast staat eveneens dat verdachte had gedronken. Enkele uren na het voorval is immers bij verdachte bloed afgenomen teneinde het alcoholgehalte te meten.14 Het alcoholgehalte betrof toen 1,23 milligram alcohol per milliliter bloed.15 Zelfs op dat moment, uren na het ongeval, bevatte het bloed van verdachte dus nog meer dan twee keer de wettelijk toegestane hoeveelheid alcohol. Door de auto te besturen na inname van een zodanige hoeveelheid alcohol, heeft verdachte verkeerd in een toestand als bedoeld in artikel 8, lid 2, onder b WVW ’94.

Hoewel de exacte snelheid van verdachte niet vast is komen te staan, kan naar het oordeel van de rechtbank op grond van de bevindingen van de Verkeers Ongevals Analyse wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte in ieder geval harder heeft gereden dan de aldaar toegestane maximum snelheid van 50 kilometer per uur.16 Dat past ook bij het feit dat verdachte een verkeersbord uit de grond heeft gereden, een boom heeft afgebroken en de auto is gaan rollen en op de zijkant tot stilstand is gekomen.

Daarnaast heeft verdachte de in de weg aanwezige bocht niet genomen zoals van verkeersdeelnemers mag worden verwacht, immers is verdachte de bocht in gereden, uit de bocht gevlogen en in de rechter berm van die Stadswei terechtgekomen, waarna hij is gebotst tegen een rechts in die berm staande paal en bomen, waarbij die auto om zijn lengte as is gerold en op de rechterzijde tot stilstand is gekomen.17

[slachtoffer] , die op het moment van het ongeval op de passagiersstoel zat, heeft door dit ongeval een wervelboogfractuur opgelopen.18 Gelet op de aard en ernst van dit letsel moet daaruit tijdelijke verhindering in de uitoefeningen van de normale bezigheden zijn ontstaan.

Naar het oordeel van de rechtbank kan worden vastgesteld dat verdachte onder invloed van een aanzienlijke hoeveelheid alcohol de ter plaatse toegestane snelheid heeft overschreden, van de weg is geraakt en de macht over het stuur is verloren. Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze omstandigheden van dien aard dat sprake is van zeer onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag waardoor hij een ongeval heeft veroorzaakt. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verdachte schuld in de zin van artikel 6 WVW ‘94 draagt aan dit ongeval.

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan.

Het standpunt van de verdediging

Zoals reeds ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde is verwoord, is de raadsman primair van mening dat niet wettig en overtuigend kan worden dat zijn cliënt de bestuurder was van de personenauto.
Indien de rechtbank van oordeel is dat zijn cliënt de auto wel heeft bestuurd, kan het onder 2 tenlastegelegde worden bewezen.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 2 tenlastegelegde. Zij verwijst in dit kader naar hetgeen zij onder 1 heeft overwogen ten aanzien van het rijden onder invloed van alcoholhoudende drank en de daarmee samenhangende overtreding van artikel 8, lid 2, onder b WVW ’94. De betreffende bewijsmiddelen dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, primair en het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij op of omstreeks 08 december 2013 te Harderwijk in de gemeente Harderwijk

binnen de bebouwde kom, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een

motorrijtuig (personenauto), daarmede komende uit de richting Westeinde en

gaande in de richting van de Westermeenweg, zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, onder invloed van alcoholhoudende drank, althans na het gebruik van een niet

onaanzienlijke hoeveelheid alcoholhoudende drank en/of met zeer hoge snelheid, althans met een grotere snelheid dan de aldaar voor hem, verdachte ingevolge artikel 20 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 geldende maximum snelheid van 50 kilometer heeft, gereden, over de Stadswei en/of met die snelheid, althans nagenoeg die snelheid, een in die weg gelegen, gezien zijn verdachtes rijrichting, naar links verlopende bocht is in- en/of

doorgereden en/of uit de bocht is gevlogen en/of met dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (personenauto), gezien zijn verdachtes rijrichting in de rechter berm van die Stadswei is terechtgekomen en/of is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met een rechts in die berm staande paal, waaraan een verkeersbord was bevestigd en/of één of meer

boom/bomen en/of waardoor en/of waarbij dat motorrijtuig (personenauto)om zijn lengte as is gerold en/of op de rechter zijde tot stilstand is gekomen en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden

is ontstaan, zulks, terwijl verdachte verkeerde in een toestand, als bedoeld in artikel 8

lid 2 van de Wegenverkeerswet 1994 en/of welk feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat hij, verdachte een krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden.

2.

hij op of omstreeks 08 december 2013 te Harderwijk als bestuurder van een

voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van

alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes bloed bij een

onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van de

Wegenverkeerswet 1994, 1,23 milligram, in elk geval hoger dan 0,5 milligram,

alcohol per milliliter bloed bleek te zijn.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.

Ten aanzien van feit 2:

Overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994.

5 De strafbaarheid van het feit

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder 1, primair en het onder 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 140 uur, subsidiair 70 dagen hechtenis en een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 12 maanden. Bij het bepalen van de eis heeft de officier van justitie rekening gehouden met de omstandigheid dat het een relatief oude zaak betreft alsmede met het feit dat verdachte niet eerder voor dergelijke feiten is veroordeeld. Daarnaast heeft zij rekening gehouden met het feit dat [slachtoffer] letsel heeft opgelopen, waardoor zij tijdelijke ziekte heeft ondervonden.

Het standpunt van de verdediging

Indien de rechtbank van oordeel is dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 2 tenlastegelegde feit, verzoekt de raadsman de rechtbank aan te sluiten bij de landelijke strafmaatrichtlijnen.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 27 augustus 2015.

De rechtbank overweegt in het bijzonder als volgt.

Verdachte heeft een auto bestuurd en heeft daarbij de maximaal toegestane snelheid overschreden, terwijl hij veel meer alcoholhoudende drank had gedronken dan wettelijk is toegestaan. Hierdoor is een ongeval ontstaan, waarbij de passagier letsel heeft opgelopen. Hoewel [slachtoffer] bij verdachte in de auto is gestapt terwijl zij wist dat hij alcohol gedronken had, is de rechtbank van oordeel dat verdachte met zijn handelen blijk heeft gegeven van een gebrek aan verantwoordelijkheidsgevoel jegens [slachtoffer] , maar ook jegens andere verkeersdeelnemers. Dit neemt de rechtbank verdachte kwalijk. Verdachte mag van geluk spreken dat zijn handelen niet tot nog ernstiger gevolgen heeft geleid.

De rechtbank heeft kennis genomen van de nagenoeg blanco justitiële documentatie van verdachte. Evenwel acht zij, gelet op de aard en ernst van de feiten, een forse werkstraf en een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegd passend en geboden. De rechtbank ziet geen reden om af te wijken van de door de officier van justitie geëiste straf en zal daarom in de strafmaat bij die eis aansluiten. De ontzegging van de rijbevoegdheid zal ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde aan verdachte worden opgelegd.

7a. De beoordeling van de civiele vordering(en), alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde feit. Als voorschot wordt een bedrag van € 1250,-- gevorderd.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen tot een bedrag van € 446,77, bestaande uit € 411,77 aan de eigen bijdrage voor de zorgverzekering en € 35,-- aan gekochte medicatie. Volgens de officier van justitie dient de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar vordering, nu dat deel van de vordering onvoldoende is onderbouwd.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman is van mening dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard moet worden in de vordering. Primair gelet op het standpunt dat verdachte niet de bestuurder van de auto is geweest en subsidiair nu de gestelde schade niet in verband staat met de bewezenverklaring.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat [slachtoffer] ten tijde van het ongeval geen gordel droeg. Naar het oordeel van de rechtbank is daardoor onduidelijk of (en in hoeverre) de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde partij kan worden toegerekend. Het onderzoek dat nodig is voor beantwoording van die vraag, zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. Bovendien heeft [slachtoffer] aangegeven dat zij in de auto is gestapt, terwijl zij wist dat verdachte te veel gedronken had. Om die redenen zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. Zij kan haar vordering slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 22c, 22d, 57 en 91 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 8, 175, 176, 178 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het onder 1 en 2 bewezenverklaarde tot een werkstraf gedurende 140 (honderdveertig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 70 (zeventig) dagen;

 ontzegt verdachte ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 (twaalf) maanden;

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] .

 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk in haar vordering.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.G. de Jong (voorzitter), mr. W.L.F. Prisse en mr. S.C.A.M. Janssen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. Kolkman, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 20 oktober 2015.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 1] van de politie Oost Nederland, regio Noord- en Oost-Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2014136384, onderverdeeld in een deel met pv-nummer 2013166136-1 en een deel met pv-nummer 2013166126-1 (per bewijsmiddel zal het betreffende deel worden aangegeven), gesloten op 6 oktober 2014 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , d.d. 6 oktober 2014, p. 2 (2013166136-1) en het proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse, d.d. 15 augustus 2014 opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] , p. 5/30, tweede alinea, p. 8/30, p. 25/30, onderste helft van de pagina en p. 26/30, in combinatie bezien met het aanvullend proces-verbaal, genummerd BVH-Nummer 2013166126, p. 3 van 2 (2013166126-1).

3 Het proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse, d.d. 15 augustus 2014 opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] , p. p. 5/30, tweede alinea, p. 25/30, onderste helft van de pagina en p. 26/30, in combinatie bezien met het aanvullend proces-verbaal, genummerd BVH-Nummer 2013166126, p. 3 van 2 (2013166126-1).

4 De verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 6 oktober 2015.

5 Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , d.d. 6 oktober 2014, p. 4 (2013166136-1).

6 Het rapport Alcohol in het verkeer d.d. 17 december 2013 van het Nederlands Forensisch Instituut, p. 24 (2013166136-1).

7 De geneeskundige verklaring, gedateerd 23 januari 2014, p. 81 (2013166126).

8 Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , d.d. 6 oktober 2014, p. 2, onder het midden (2013166136-1).

9 Het proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 12, vijfde alinea (2013166136-1) en het proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 14, onder het midden (2013166136-1).

10 Het proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer] , p. 16, onder het midden (2013166136-1) en het proces-verbaal van verhoor verdachte [slachtoffer] , p. 18 en 19 (2013166136-1).

11 Het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, d.d. 4 juli 2014, betreffende een vergelijkend vezelonderzoek, p. 6/11, 9/11 en 10/11 (2013166126-1).

12 Het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, d.d. 4 juli 2014, betreffende een vergelijkend vezelonderzoek, p. 9/11 (2013166126-1).

13 Het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, d.d. 4 juli 2014, betreffende een vergelijkend vezelonderzoek, p. 10/11 (2013166126-1).

14 Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , d.d. 6 oktober 2014, p. 4 (2013166136-1).

15 Het rapport Alcohol in het verkeer d.d. 17 december 2013 van het Nederlands Forensisch Instituut, p. 24 (2013166136-1), in combinatie bezien met het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , d.d. 6 oktober 2014, p. 4 (2013166136-1).

16 Het proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse, d.d. 15 augustus 2014 opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] , p. 25/30, onderste helft van de pagina en p. 26/30, in combinatie bezien met het aanvullend proces-verbaal, genummerd BVH-Nummer 2013166126, p. 3 van 2 (2013166126-1).

17 Het proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse, d.d. 15 augustus 2014 opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] , p. p. 5/30, tweede alinea, p. 8/30, p. 25/30, onderste helft van de pagina en p. 26/30, in combinatie bezien met het aanvullend proces-verbaal, genummerd BVH-Nummer 2013166126, p. 3 van 2 (2013166126-1).

18 De geneeskundige verklaring betreffende [slachtoffer] , gedateerd 23 januari 2014, p. 81 (2013166126-1).