Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:6418

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
22-10-2015
Datum publicatie
22-10-2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 8852
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

VAR-Wuo of VAR-loon: moeten de inkomsten van eiser uit zijn chauffeurswerkzaamheden worden gekwalificeerd als winst uit onderneming? Weging van de elementen zelfstandigheid ten opzichte van opdrachtgevers, streven naar continuïteit en ondernemersrisico.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/2292
FutD 2015-2596
NTFR 2015/3177 met annotatie van drs. R.P. Bitter
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummer: AWB 14/8852

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 22 oktober 2015

in de zaak tussen

[X] , te [Z] , eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Groningen, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft bij herziene beschikking van 18 maart 2014 aan eiser voor het jaar 2014 een verklaring arbeidsrelatie ‘loon uit dienstbetrekking’ (hierna: VAR-loon) afgegeven ten behoeve van chauffeurswerkzaamheden.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 7 november 2014 de beschikking VAR-loon gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen tijdig op 18 december 2014 digitaal beroep ingesteld bij de rechtbank.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juni 2015. Eiser is verschenen. Namens verweerder is verschenen mr. [gemachtigde] .

Overwegingen

Feiten

1. Eiser heeft in 2014 onder meer chauffeurswerkzaamheden verricht voor diverse opdrachtgevers onder de naam “ [A] ”.

2. Op basis van in het verleden ingediende aanvragen is aan eiser in 2014 (volledig geautomatiseerd) een VAR-verklaring ‘winst uit onderneming’ (hierna: VAR-Wuo) afgegeven voor zijn chauffeurswerkzaamheden.

3. Op 13 februari 2014 heeft verweerder een boekenonderzoek bij eiser ingesteld naar de juistheid van de afgegeven VAR-Wuo. De bevindingen van het boekenonderzoek zijn vastgelegd in het rapport van 10 maart 2014. Het rapport behoort tot de gedingstukken.

4. De conclusie uit het boekenonderzoek is dat de beschikking VAR-Wuo ten aanzien van de chauffeurswerkzaamheden in 2014 niet terecht is afgegeven. Ten aanzien van de hovenierswerkzaamheden is de VAR-Wuo terecht afgegeven.

5. Naar aanleiding van het boekenonderzoek heeft verweerder vervolgens met dagtekening 18 maart 2014 de beschikking VAR-Wuo voor 2014 herzien in een beschikking VAR-loon. Hiertegen heeft eiser bezwaar gemaakt.

6. In de bezwaarfase heeft verweerder een vragenbrief aan eiser verzonden. In de reactie hierop geeft eiser bij brief van 9 juli 2014 – voor zover van belang – het volgende aan:

  1. De werkzaamheden hebben betrekking op het verrichten van chauffeurswerkzaamheden voor derden die eigen vervoer hebben. Gedacht moet worden aan chauffeurswerkzaamheden op vrachtauto/bestelwagen van de [B] , [C] , [D] , Mengveevoederbedrijven e.d. Er is geen sprake van de Transportwet en/of NIWO vergunning, waaraan voldaan dient te worden.

  2. Het aantal opdrachtgevers voor de chauffeurswerkzaamheden bedraagt tot nog toe 5. Voor de rest van het jaar kan dit weer anders zijn en is afhankelijk van de vraag van de opdrachtgevers.

  3. Dat is verschillend en eveneens afhankelijk van de vraag van de opdrachtgevers. Bij

ontstentenis van eigen personeel en of andere omstandigheden, wordt gevraagd chauffeurswerkzaamheden te verrichten bij opdrachtgevers. Het kan zijn dat de heer [X] zijn planning vol heeft, hetgeen dan resulteert in een afwijzing van de opdracht. Er is dus geen sprake van gezagsverhouding.

4. Er zijn geen schriftelijke overeenkomsten met de opdrachtgevers.

5. A. De heer [X] heeft verschillende potentiële klanten gebeld en/of bij de klanten zelf geweest om te vragen of zij incidentele opdrachten hadden om chauffeurswerkzaamheden te verrichten. De hoogte van de beloning bedraagt ca. € 25,-- per uur. B. Er worden geen voorwaarden gesteld in de opdracht. Wel dient te worden voldaan aan de wettelijke kaders inzake de rijtijden etc. C. De duur van de opdracht is wisselend. Deze kan variëren per rit dan wel voor een bepaalde tijd in de maand en/of week. Er bestaan geen opdrachten voor onbepaalde tijd en/of periode.

6. Er wordt geen gebruik gemaakt van bemiddeling. Alle opdrachten worden door de heer [X] zelf verworven.

7. De heer [X] presenteert zijn bedrijf als: [A] .

8. De heer [X] heeft geen voordelen uit welk soort samenwerkingsverband en/of V.o.f. of maatschap.

9. De begrote omzet voor 2014 is een grove benadering. De heer [X] verwacht ca.
€ 30.000,-- aan omzet chauffeurswerkzaamheden te behalen. Van [E] € 12.000,--, de [B] ca. € 5.000,--, [F] € 5.000,--, [C] € 5.000,-- en van diverse bedrijven ca. € 3.000,--.

10. Bijgevoegd ontvangt u verkoopfacturen aan enkele opdrachtgevers.

11. Deze vraag is niet van toepassing omdat er meerdere opdrachtgevers zijn en geen enkele boven 70 % van het totaal.

12. De heer [X] beschikt zelf over een auto van waaruit hij werkzaamheden verricht dan wel naar toe rijdt naar het adres van de opdrachtgever. Naast enkele gereedschappen worden er geen investeringen verwacht.

13. De heer [X] beschikt over visitekaartjes en één hiervan treft u hierbij aan. De reclame betreft meer mond op mondreclame. Cliënt benadert zijn (potentiële) klanten rechtstreeks of per telefoon, op afspraak of daadwerkelijk bezoek. Hij maakt geen gebruik van advertenties omdat deze volgens hem niets brengen.

14. In 2013 is de heer [X] in loondienst geweest hij [G] B.V als

chauffeur. Thans is de heer [X] niet in loondienst bij derden en ontvangt geen enkele uitkering.

15. De heer [X] stuurt rechtstreeks een factuur aan de opdrachtgever en deze betaald op zijn bankrekeningnummer. Er is dus geen sprake van een derde partij. (…)

Geschil

7. In geschil is of verweerder terecht voor het jaar 2014 de beschikking VAR-Wuo heeft ingetrokken en een beschikking VAR-loon heeft afgegeven. Eiser heeft zich, met hetgeen hij in bezwaar en beroep en ter zitting naar voren heeft gebracht, op het standpunt gesteld dat sprake is van winst uit onderneming. Daarnaast heeft eiser zich beroepen op het gelijkheidsbeginsel.

Beoordeling van het geschil

8. Op grond van de rangorderegeling van artikel 2.14 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) moet eerst worden beoordeeld of de inkomsten van eiser uit de chauffeurswerkzaamheden in 2014 moeten worden gekwalificeerd als winst uit onderneming. Ingevolge artikel 3.8 van Wet IB 2001 is winst uit onderneming het bedrag van de gezamenlijke voordelen die, onder welke naam en in welke vorm ook, worden verkregen uit een onderneming. Uit artikel 3.5 van de Wet IB 2001 volgt dat onder onderneming mede moet worden verstaan het zelfstandig uitgeoefende beroep.

9. De vraag of de inkomsten van eiser uit zijn chauffeurswerkzaamheden moeten worden gezien als winst uit onderneming kan slechts bevestigend worden beantwoord als eiser voldoende zelfstandigheid bezit ten opzichte van zijn opdrachtgevers, niet slechts incidenteel opdrachten aanvaardt maar streeft naar continuïteit door het verkrijgen van verschillende opdrachten en ondernemersrisico loopt (Hoge Raad 20 december 2000, nr. 35941, ECLI:NL:HR:2000:AA9094). Eiser heeft dit naar het oordeel van de rechtbank, met hetgeen hij in bezwaar en beroep heeft aangevoerd en ter zitting nader heeft onderbouwd, voldoende aannemelijk gemaakt. De rechtbank zal dit oordeel hieronder nader toelichten.

10. Eiser heeft onweersproken gesteld dat hij de chauffeurswerkzaamheden in 2014 zelfstandig en naar eigen inzicht heeft verricht voor vijf verschillende opdrachtgevers, zonder gebonden te zijn aan vaste werktijden of pauzes of overleg over vakantieplanning. Uit de door eiser gegeven toelichting volgt ook dat eiser zich niet voor een bepaald aantal uren ter beschikking stelt van de opdrachtgever, maar één of meerdere transportklussen voor zijn rekening neemt en dan de door hem daaraan bestede uren kan declareren. Eiser heeft onderbouwd dat hij niet van één van hen afhankelijk is door de spreiding van zijn werkzaamheden. Hieruit volgt ook dat eiser naar continuïteit streeft.

11. Eiser heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij ondernemersrisico loopt, bestaande uit het risico dat hij niet voldoende werkzaamheden kan genereren dan wel om andere redenen niet kan werken (zoals bij ziekte), alsmede het incassorisico loopt voor betaling van zijn werkzaamheden. Eiser factureert zijn opdrachtgevers per klus voor het aantal gewerkte uren. Er is geen sprake van ‘ontslagbescherming’ en eiser loopt naar het oordeel van de rechtbank bij het uitblijven van betaling door zijn opdrachtgevers - anders dan een werknemer, die een preferentie geniet - hetzelfde risico als willekeurig welke andere crediteur. Daarnaast is van belang dat eiser zich door middel van ondernemersverzekeringen heeft verzekerd tegen de risico’s van aansprakelijkheid en arbeidsongeschiktheid.

12. Verder is aannemelijk geworden dat eiser acquireert door ‘agrarisch gerelateerde bedrijven’ mondeling met behulp van visitekaartjes en schriftelijk - op zijn briefpapier met logo en onder verwijzing naar de door hem gehanteerde algemene voorwaarden - te benaderen en dat hij, binnen beperkte marges, onderhandelt over zijn tarief.

13. Anders dan verweerder stelt, kwalificeert de rechtbank de relatie met de opdrachtgevers van eiser niet als 0-urencontracten die, zoals verweerder stelt, óók veel vrijheid bieden voor wat betreft het al dan niet aannemen van werk. Niet aannemelijk is geworden dat sprake is van (latent) gezag. Dat eiser zich als vrachtwagenchauffeur moet houden aan wettelijke voorschriften met betrekking tot rijtijden doet hier niet aan af.

14. Ook in het aantal opdrachtgevers van eiser ziet de rechtbank aanknopingspunten voor ondernemerschap, nu een arbeidsovereenkomst met vijf werkgevers niet voor de hand ligt. Dat eiser in de vrachtwagens van zijn opdrachtgevers rijdt en daarom niet investeert in een eigen vrachtwagen doet evenmin af aan zijn ondernemerschap, nu dit samenhangt met de aard van zijn dienstverlening, te weten chauffeursdiensten.

15. Op grond van alle hiervoor besproken feiten en omstandigheden, in samenhang bezien, komt de rechtbank dan ook tot het oordeel dat eiser als ondernemer dient te worden aangemerkt. De vraag of sprake is van loon uit dienstbetrekking behoeft dan geen behandeling meer, evenmin als de vraag of sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel. Gelet op al het voorgaande dient de beschikking VAR-loon te worden vernietigd en heeft eiser recht op een VAR-Wuo.

16. Het beroep zal gegrond worden verklaard.

17. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling omdat niet is gesteld of gebleken dat eiser kosten heeft gemaakt die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar;

  • -

    vernietigt de VAR-loon;

  • -

    draagt verweerder op om een VAR-Wuo af te geven over voor de chauffeurswerkzaamheden van eiser in 2014;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

  • -

    gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 45 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. mr. R.A. Boon, voorzitter, mr. F.M. Smit en mr. A.I. van Amsterdam, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G. Schokker, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 22 oktober 2015

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.