Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:6414

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
20-10-2015
Datum publicatie
02-02-2018
Zaaknummer
AWB - 15 _ 256, 15_257, 15_258 & 15_259
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2016:6922, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Publicatie op verzoek, geen samenvatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummers: AWB 15/256, 15/257, 15/258, 15/259

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 20 oktober 2015

in de zaken tussen

[X] , te [Z] , eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Hoofddorp, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser over het tijdvak 1 januari 2011 tot en met 31 december 2011 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd van € 879, alsmede bij beschikking een boete van € 87. Tevens is bij beschikking € 74 aan heffingsrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft aan eiser over het tijdvak 1 januari 2012 tot en met 31 december 2012 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd van € 1.947, alsmede bij beschikking een boete van € 194. Tevens is bij beschikking € 120 aan belastingrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft aan eiser over het tijdvak 1 januari 2013 tot en met 31 december 2013 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd van € 3.278, alsmede bij beschikking een boete van € 327. Tevens is bij beschikking € 103 aan belastingrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft aan eiser over het tijdvak 1 januari 2014 tot en met 30 juli 2014 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd van € 402, alsmede bij beschikking een boete van € 40.

Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar van 27 december 2014 de naheffingsaanslagen, de beschikking heffingsrente, de beschikkingen belastingrente en de boetebeschikkingen gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen bij brief van 26 december 2014, ontvangen door de rechtbank op
16 januari 2015, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 september 2015.

Namens verweerder zijn verschenen [gemachtigde] , [A] en [B] . Eiser is door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 24 juli 2015 aan de heer [X] op het adres [A-straat 1] te [Z] , onder vermelding van plaats en tijdstip, uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Eiser is, zonder kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen. Nu genoemde brief niet ter griffie is terugontvangen en uit informatie van PostNL is gebleken dat de brief op 25 juli 2015 aan eiser op genoemd adres is uitgereikt, is de rechtbank van oordeel dat de uitnodiging om op de zitting te verschijnen op juiste wijze, tijdig op het juiste adres is aangeboden.

Overwegingen

Feiten

1. Eiser heeft met ingang van [2000] een onderneming gedreven onder de handelsnaam [C] . Daarnaast heeft eiser op [2003] een taxibedrijf opgericht.

2. In 2006 heeft eiser voor de duur van 5 jaar een opdracht voor het bedienen van de bruggen in de gemeente de Ronde Venen verworven. Eind 2006 heeft de gemeente het contract opgezegd. Eiser heeft niet ingestemd met de opzegging en tot en met de Hoge Raad geprocedeerd. De Hoge Raad heeft op 25 oktober 2013 arrest gewezen.

3. Het taxibedrijf is op [2007] gestaakt. Gedurende de jaren 2007 en 2008 heeft eiser als uitzendkracht van [C] bij [D] en als taxichauffeur gewerkt.

4. In 2011 en 2012 is eiser in dienstbetrekking bij [D] .

5. Vanaf 2013 heeft eiser een bijstandsuitkering en volgt hij een bacheloropleiding rechtsgeleerdheid. Hij is werkzoekende.

6. Op [2014] is de onderneming [C] uitgeschreven bij de Kamer van Koophandel.

7. Op 30 april 2014 is bij eiser een boekenonderzoek ingesteld om de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting over de periode 1 januari 2009 tot en met 1 april 2014 te beoordelen. Het onderzoek heeft zich in het bijzonder gericht op de in aftrek gebrachte omzetbelasting. Het rapport van het boekenonderzoek heeft als dagtekening 22 september 2014. In het rapport is, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:

“3.4 Voorbelasting

(…)

Tijdens de controle heeft de heer [X] aangegeven dat de voorbelasting betrekking had op ten

onrechte niet in aftrek gebrachte voorbelasting inzake advocaatkosten door de toenmalige adviseur [E] over de jaren 2008 tot en met 2010.

Primair dient er aan de inspecteur een verzoek te worden gericht om de aangiften te herzien over deze

genoemde jaren omdat niet alle voorbelasting in aftrek is gebracht

Als de achteraf in aftrek gebrachte voorbelasting betrekking heeft op zakelijke kosten die niet eerder in aftrek zijn gebracht kan hier om praktische redenen in worden berust

3.5

Beoordeling kosten

Tijdens de controle op 30 april 2014 is geconstateerd dat de administratie bestond uit een verzameling

ordners met facturen Een grootboek over de jaren 2009 tot en met 2014 was niet aanwezig

Op verzoek van de heer [X] heeft er een tweede beoordeling plaatsgevonden op 8 mei 2014, met het verzoek van ons om tijdens dit bezoek alle facturen te ordenen en de zakelijke, niet eerder in aftrek gebrachte kosten te overleggen. Dit heeft echter niet geleid tot andere inzichten

Na afloop van de tweede beoordeling is de heer [X] een uitstelperiode toegezegd tot juli 2014 om alsnog een overzicht te overleggen van de juiste in aftrek te brengen voorbelasting Er is de heer

[X] het advies gegeven contact op te nemen met zijn voormalige adviseur [E] om het een en ander nader te onderbouwen Er is geen overzicht van de juiste kosten overlegd na deze uitstelperiode

3.5.1

Jaren 2009 en 2010

Inzake de jaren 2009 en 2010 is de administratie gevoerd door de adviseur en zijn alle facturen beoordeeld op zakelijkheid en is de voorbelasting op de juiste wijze in aftrek gebracht

3.5.2

Jaar 2011

Voor het jaar 2011 is de administratie gevoerd door de heer [X] zelf (…)

Tijdens de controle is telefonisch contact geweest met de adviseur [E] uit [Q] Uit dit telefoongesprek is duidelijk gebleken dat de adviseur de geclaimde voorbelasting inzake de

(advocaat)kosten uit 2010 al in het jaar 2010 in aftrek heeft gebracht in de aangifte omzetbelasting 2010. Gezien het feit dat voorbelasting niet tweemaal in aftrek kan worden gebracht zal de ten onrechte in aftrek gebrachte voorbelasting op de volgend. wijze worden nageheven.

Voorbelasting volgens aangifte 2011 € 1 038

Juiste voorbelasting 2011 € 159

Na te heffen € 879

3.5.3

Jaar 2012

(…)

De overig in aftrek gebrachte voorbelasting heeft betrekking op advocaatkosten die reeds in eerdere

aangiften door de adviseur in aftrek zijn gebracht

Voorbelasting volgens aangifte 2012 € 2313

Juiste voorbelasting 2012 € 386

Na te heffen € 1.947

3.5.4

Jaar 2013

(…)

De overig in aftrek gebrachte voorbelasting heeft betrekking op kosten die reeds in eerdere aangiften door de adviseur in aftrek zijn gebracht

Voorbelasting volgens aangifte 2012 € 3 956

Juiste voorbelasting 2013 € 678

Na te heffen € 3.278

3.5.5.

Jaar 2014

Inzake het jaar 2014 zijn in het geheel geen facturen overlegd.

Voorbelasting volgens aangifte € 402

Juiste voorbelasting 2014 € 0

Na te heffen € 402.”

Geschil

8. In geschil is of de naheffingsaanslagen omzetbelasting terecht en tot de juiste bedragen aan eiser zijn opgelegd.

9. Voorts is in geschil of de vergrijpboetes terecht en tot juiste bedragen aan eiser zijn opgelegd.

Beoordeling van het geschil

10. Ingevolge artikel 15, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet op de omzetbelasting 1968 kan een ondernemer de aan hem door een ondernemer in het tijdvak van aangifte op een op de voorgeschreven wijze opgemaakte factuur in rekening gebrachte omzetbelasting in aftrek brengen. Op de ondernemer rust de last om aannemelijk te maken dat hij terecht en tot het juiste bedrag omzetbelasting in aftrek heeft gebracht.

11. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de naheffingsaanslagen terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd omdat eiser niet voor het volledige bedrag van de door hem in aftrek gebrachte voorbelasting, facturen heeft overgelegd.

12. De rechtbank is van oordeel dat eiser tegenover de gemotiveerde betwisting van verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat de naheffingsaanslagen ten onrechte en tot te hoge bedragen zijn opgelegd. Eiser heeft geen verifieerbare gegevens, zoals facturen, overgelegd, die tot een ander oordeel kunnen leiden. Bovendien kan de omzetbelasting die in de jaren tot en met 2010 in rekening is gebracht, slechts in die jaren in aftrek worden gebracht.

13. Eiser stelt zich voorts op het standspunt dat verweerder in strijd heeft gehandeld met het motiverings- en het zorgvuldigheidsbeginsel. De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat de uitspraken op bezwaar onzorgvuldig tot stand zijn gekomen en onvoldoende zijn gemotiveerd. Uit het dossier blijkt dat verweerder zijn standpunten telkens opnieuw heeft heroverwogen op basis van hetgeen door of namens eiser is ingebracht. Verweerder heeft eiser ook uitgebreid en voldoende geïnformeerd over zijn (herijkte) zienswijze. Anders dan eiser meent, is derhalve geen sprake van een schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

Vergrijpboetes

14. De opgelegde vergrijpboetes van 25% zijn gebaseerd op artikel 67f van de Algemene wet inzake rijksbelastingen in combinatie met paragraaf 25 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst. Verweerder stelt zich op het standpunt dat sprake is van grove schuld nu eiser op de hoogte was van het feit dat de voorbelasting al in eerdere jaren in aftrek is gebracht en dat bekend mag worden geacht dat voorbelasting op privéuitgaven niet voor aftrek in aanmerking komt. Verweerder heeft gezien de persoonlijke en financiële omstandigheden van eiser de vergrijpboetes gematigd tot 10%.

15. Van grove schuld is alleen dan sprake – en verweerder heeft op dit punt de bewijslast – indien in rechte komt vast te staan dat het verwijt dat de betrokkene kan worden gemaakt dermate groot is dat het in laakbaarheid aan opzet grenst. Verwijtbaar slordig handelen is derhalve niet voldoende voor het oordeel dat sprake is van grove schuld.

16. De rechtbank is van oordeel dat het aan grove schuld van eiser te wijten is dat te veel voorbelasting in aftrek is gebracht, zodat de vergrijpboetes terecht aan eiser zijn opgelegd. Eiser had zich ervan moeten vergewissen of de voorbelasting al in eerdere jaren door zijn adviseur in aftrek was gebracht, maar heeft dit nagelaten. Voorts wist eiser of had hij moeten weten dat voorbelasting op privéuitgaven niet voor aftrek in aanmerking komt. Hierdoor is sprake van aan opzet grenzende verwijtbaarheid. De rechtbank acht de boetes passend en geboden. De rechtbank neemt daarbij mede in aanmerking dat de boetes reeds zijn gematigd tot 10%.

17. Gelet op het voorgaande dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.

18. Nu eiser geen afzonderlijke beroepsgronden tegen de in rekening gebrachte heffingsrente en belastingrente heeft aangevoerd, dienen ook de beroepen inzake de beschikkingen heffingsrente en belastingrente ongegrond te worden verklaard.

19. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Tikken, rechter, in tegenwoordigheid van
mr. M. van Leeuwen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 20 oktober 2015

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.