Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:6392

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
20-10-2015
Datum publicatie
28-10-2015
Zaaknummer
AWB - 15 _ 375
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Geen samenvatting, publicatie op verzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/2330
V-N 2016/6.11 met annotatie van Redactie
FutD 2015-2660
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummer: AWB 15/375

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 20 oktober 2015

in de zaak tussen

Voetbalvereniging [X] , te [Z] , eiseres

(gemachtigde: drs. [gemachtigde] ),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Enschede, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres over het tijdvak 1 januari 2008 tot en met 31 december 2012 een naheffingsaanslag (aanslagnummer [000] .A.01.250.0) loonheffingen opgelegd van € 182.237, alsmede bij beschikking een boete van € 87.879. Tevens is bij beschikking € 16.861 aan heffingsrente en € 147 belastingrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 11 december 2014 de naheffingsaanslag, de beschikkingen heffingsrente en belastingrente en de boetebeschikking gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen bij brief van 20 januari 2015, ontvangen door de rechtbank op 21 januari 2015, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Verweerder heeft vervolgens vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan eiseres.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 september 2015.

Namens eiseres is verschenen haar gemachtigde. Namens verweerder zijn verschenen
mr. [gemachtigde] en mr. [A] .

Eiseres heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de wederpartij.

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres is als voetbalvereniging actief in het amateurvoetbal. Het bestuur wordt gevormd door zeven personen. Tot het seizoen 2011-2012 was de heer [B] voorzitter. Vanaf het moment van terugtreden van de heer [B] als voorzitter is de heer [C] benoemd als interim-voorzitter. Daarnaast is de heer [C] penningmeester van de voetbalvereniging. Hij staat tevens in dienstbetrekking tot de vereniging in verband met het verzorgen van de administratie.

2. Op 11 juni 2012 heeft verweerder een boekenonderzoek ingesteld bij eiseres. Op 17 oktober 2013 is het definitieve rapport met betrekking tot dit onderzoek opgemaakt door verweerder. Het onderzoek had onder meer betrekking op de aanvaardbaarheid van de aangiften loonheffing over de periode 1 januari 2008 tot en met 30 juni 2012.

3. Naar aanleiding van het onderzoek heeft verweerder geconcludeerd dat een aantal betalingen ten onrechte niet is opgenomen in de loonadministratie en dat eiseres betalingen aan diverse personen ten onrechte heeft aangemerkt als een vrijwilligersvergoeding die buiten de loonbelasting konden blijven. Om die reden heeft verweerder genoemde naheffingsaanslag opgelegd.

4. Eiseres is op 5 maart 2014 failliet verklaard.

Geschil

5. In geschil zijn dat deel van de naheffingsaanslag dat betrekking heeft op de correctie van de aan de spelers betaalde vergoedingen en de boete voor zover deze betrekking heeft op deze correctie, met name is in geschil of op deze vergoedingen de vrijwilligersregeling van toepassing is.

Beoordeling van het geschil


Omkering en verzwaring van de bewijslast
6.Allereerst dient de rechtbank te beoordelen of de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard in verband met het niet doen van de vereiste aangifte.

7. Verweerder stelt dat eiseres bij de aanvang van het boekenonderzoek volgens haar administratie één werknemer op parttime basis in loondienstverband had, te weten de heer [C] . Tijdens het onderzoek bleek al snel dat de loonadministratie niet volledig was en gebreken vertoonde. Bovendien heeft eiseres bij aanvang van de controle verklaard dat er een achterstand in de verwerking van de gegevens was, aldus verweerder. Zo heeft eiseres erkend dat ook nog trainer [D] en verzorger [E] in de loonadministratie opgenomen hadden moeten worden. Voorts stelt verweerder dat in de loop van het onderzoek duidelijk is geworden dat eiseres betalingen aan diverse trainers, verzorgers en artiesten ten onrechte niet in de loonadministratie heeft verwerkt en dat voor meerdere trainers, verzorgers, spelers en kantinehulpen ten onrechte de zogenaamde vrijwilligersregeling is toegepast. Gelet hierop en gelet op de omstandigheid dat eiseres van het nageheven bedrag aan loonheffingen van € 182.237 slechts een bedrag van € 128.054 betwist en zij op aangifte slechts een bedrag van ongeveer € 8.000 heeft voldaan, is verweerder van mening dat eiseres niet de vereiste aangifte heeft gedaan.

8. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de naheffingsaanslag dient te worden verminderd met dat deel dat betrekking heeft op de vergoedingen die zijn betaald aan de spelers die geen vergoeding ontvingen voor andere werkzaamheden. Zij stelt dat ten aanzien van deze spelers de vrijwilligersregeling van toepassing is en dat de grens van € 1.500 per speler niet is overschreden. Eiseres is van mening dat de belastingdienst haar stelling, dat dit wel het geval is, onvoldoende heeft onderbouwd. Aldus dient volgens eiseres de aanslag te worden verminderd met € 128.054. Omkering van de bewijslast is in dit geval volgens haar niet aan de orde nu het niet doen van de vereiste aangifte haar niet kan worden verweten. Het bestuur van de vereniging werd gevormd door goedwillende en fiscaal niet deskundige personen. Weliswaar wordt volgens eiseres een bedrag van € 54.183 (€ 182.237 -/- € 128.054) van de naheffingsaanslag niet betwist, maar dit kan niet leiden tot omkering van de bewijslast voor het in geschil zijnde bedrag van € 128.054.

9. In artikel 27e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is bepaald dat indien niet de vereiste aangifte is gedaan, de rechtbank het beroep ongegrond dient te verklaren tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is (omkering en verzwaring van de bewijslast).

10.
Naar vaste jurisprudentie geldt dat bij inhoudelijke gebreken in een aangifte slechts dan kan worden aangenomen dat de vereiste aangifte niet is gedaan, indien aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast is vastgesteld dat sprake is van een of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Tevens is vereist dat het bedrag van de belasting dat als gevolg van deze gebreken niet zou zijn geheven, op zichzelf beschouwd, aanzienlijk is.

11. Inhoudelijke gebreken in de aangifte worden slechts in aanmerking genomen indien de belastingplichtige ten tijde van het doen van aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. Ook dit moet worden vastgesteld aan de hand van de normale bewijsregels van stelplicht en bewijslast (Hoge Raad 30 oktober 2009, ECLI: NL:HR:2009:BH1083).

12. De rechtbank stelt vast dat verweerder onweersproken heeft gesteld dat bij aanvang van de controle slechts voor één werknemer loonheffingen zijn afgedragen, terwijl in ieder geval ten aanzien van ten minste drie werknemers loonheffingen moesten worden afgedragen. Voorts stelt de rechtbank vast dat van de naheffingsaanslag groot € 182.237 een bedrag van € 54.183 niet wordt betwist. Een en ander leidt tot de conclusie dat de verschillen tussen de aangegeven bedragen aan loonheffing en de gecorrigeerde bedragen zowel relatief als absoluut aanzienlijk zijn, ook als het betwiste gedeelte buiten beschouwing blijft. Hierdoor heeft eiseres voor de jaren waarop de naheffingsaanslag betrekking heeft niet de vereiste aangifte gedaan. De stelling van eiseres, dat haar geen verwijt kan worden gemaakt omdat zij wordt bestuurd door goedwillende en ter zake niet deskundige bestuurders, leidt niet tot een ander oordeel. Immers, bepalend is dat de belastingplichtige wist of zich ervan bewust moest zijn dat door het niet doen van de vereiste aangifte een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. Hiervan is naar het oordeel van de rechtbank in dit geval sprake, omdat als onweersproken is komen vast te staan dat eiseres zich er bewust van was dat in ieder geval ten aanzien van twee werknemers niet aan de administratieverplichtingen en aangifteverplichtingen werd voldaan.

13. Nu de vereiste aangifte niet is gedaan moet de onderhavige naheffingsaanslag loonbelasting door de rechtbank voor juist worden gehouden, tenzij eiseres doet blijken dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is. Dit betekent dat, anders dan eiseres stelt, op haar de bewijslast rust om overtuigend de onjuistheid van de correcties aan te tonen. Hierin is zij niet geslaagd. Eiseres heeft geen gegevens verstrekt waaruit de onjuistheid van de correcties ten aanzien van de spelers blijkt. De omstandigheid dat niet duidelijk is wat er precies is betaald aan de spelers komt dan voor risico van eiseres.

Redelijke schatting

14. De zogenoemde omkering van de bewijslast ontslaat verweerder evenwel niet van zijn verplichting de door hem aangebrachte correcties niet naar willekeur vast te stellen. De aanslagen dienen te berusten op een redelijke schatting.

15. De rechtbank is van oordeel dat de correctie ter zake van de spelers berust op een redelijke schatting. Deze correctie bestaat uit het niet onder de vrijwilligersregeling vallend bedrag van € 1.500 per speler per jaar, vermeerderd met reiskosten. Ter onderbouwing van zijn schatting verwijst verweerder onder meer naar de door hem overgelegde overeenkomsten met de spelers waaruit blijkt dat er per jaar een bedrag van € 1.498 per speler werd verstrekt. Voorts heeft verweerder producties A1 tot en met A3 overgelegd waaruit valt op te maken dat naast de vergoeding van € 1.498 voor de seizoenen 2008-2009, 2009-2010 en 2010-2011 separaat vergoeding van reiskosten werd verstrekt.

Boete

16. Verweerder heeft een vergrijpboete opgelegd van € 87.879, omdat het volgens verweerder aan opzet van eiseres is te wijten dat te weinig belasting is geheven.

17. In zijn verweerschrift stelt verweerder evenwel dat sprake is van grove schuld. Eiseres had volgens verweerder redelijkerwijs moeten of kunnen begrijpen dat de uitbetaalde bedragen en verstrekkingen, gelet op de omvang daarvan, niet onder de vrijwilligersregeling vielen en dat dit tot gevolg zou kunnen hebben dat er te weinig loonheffing zou worden afgedragen.

18. Nadat verweerder ter zitting op bovenstaand onderscheid in gradatie van de boete is gewezen heeft hij gesteld dat de boete moet worden verminderd tot 25% van de nageheven belasting en zich op het standpunt gesteld dat met betrekking tot de boete uit dient te worden gegaan van grove schuld, zoals gesteld in het verweerschrift. Hij heeft zijn stelling dat sprake is van opzet ingetrokken.

19. Eiseres stelt primair dat de boete dient te worden gematigd tot nihil. Het betreft hier volgens haar werkzaamheden van een groep goedwillende amateurs waarbij een boete niet past. Subsidiair is eiseres van mening dat in ieder geval tot medio 2010 geen boete kan worden opgelegd, omdat de bestuurders pas in die periode naar een voorlichtingsbijeenkomst over de vrijwilligersregeling zijn geweest van de belastingdienst. Het gebrek aan kennis voor medio 2010 kan haar dan ook niet worden aangerekend, aldus eiseres.

20. De rechtbank is oordeel dat verweerder, op wie in deze de bewijslast rust, aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is geweest van grove schuld, op te vatten als een in laakbaarheid aan opzet grenzende mate van verwijtbaarheid, waaronder tevens te begrijpen grove onachtzaamheid. De administratie van eiseres vertoonde ernstige gebreken. Daarnaast was er een achterstand in de verwerking van de gegevens. Als gevolg hiervan kon geen juiste aangifte loonheffingen worden gedaan. Bovendien is de vrijwilligersregeling niet juist toegepast, terwijl eiseres dit had moeten weten. De stelling dat het haar niet kan worden verweten, omdat het hier om goedwillende bestuurders gaat, snijdt geen hout. De bestuurders hadden er voor moeten zorgen dat de administratie op orde was en ook had het op de weg van de bestuurders gelegen om, indien zij zelf niet over voldoende kennis beschikten, zich adequaat te laten informeren door een ter zake deskundige. Om diezelfde reden faalt het betoog dat voor medio 2010 geen boete kan worden opgelegd omdat de bestuurders toen pas naar een voorlichtingsbijeenkomst zijn geweest. De inspecteur heeft dan ook terecht de boete in overeenstemming met paragraaf 25 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 vastgesteld op 25% van de nageheven belasting. De rechtbank acht deze boete passend en geboden.

Gelet op het voorgaande kan de boete zoals opgenomen in de naheffingsaanslag niet in stand blijven, nu deze is gebaseerd op een bij opzet behorend percentage van 50%. Aldus dient de boete te worden verminderd naar een bedrag van € 43.940 (€ 87.879 x 25/50).

Heffingsrente en belastingrente

21. Nu eiseres geen afzonderlijke gronden tegen de beschikking heffingsrente en belastingrente heeft aangevoerd, dienen de beroepen inzake de in rekening gebrachte heffingsrente en belastingrente ongegrond te worden verklaard.

Conclusie

22. Gelet op het voorgaande dient het beroep inzake de naheffingsaanslag loonheffingen ongegrond te worden verklaard. Het beroep inzake de boete dient gegrond te worden verklaard.

Proceskosten

23. De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 980 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 490 en een wegingsfactor 1). Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep inzake de boetebeschikking gegrond;
- verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover deze de boetebeschikking betreft;

- vermindert de boete tot € 43.940;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op
bezwaar;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 980;

- gelast dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 331 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P. Vaatstra, voorzitter, mr. F.M. Smit en mr. P.J. Tikken , rechters, in tegenwoordigheid van mr. T.H. Hesselman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 20 oktober 2015

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.