Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:6344

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
23-09-2015
Datum publicatie
14-10-2015
Zaaknummer
4363812 HA VERZ 15-86
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht. WWZ. Ontbinding wegens verstoorde arbeidsrelatie. Verzoek toegewezen. Tegenverzoeken wedertewerkstelling, billijke vergoeding en vernietiging concurrentiebeding en relatiebeding afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/1929
AR-Updates.nl 2015-1001
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zutphen

Zaaknummer: 4363812 HA VERZ 15-86

afschrift aan: mr. E.F.M. van den Biesen en

grosse aan: mr. I. Roordink-Wester

verzonden d.d.:

beschikking van de kantonrechter d.d. 23 september 2015

in de zaak van:

[Naam B.V.] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verzoekster, hierna te noemen “ [Naam B.V.] ”

gemachtigde: mr. E.F.M. van den Biesen,

tegen:

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder, hierna te noemen “ [verweerder] ”

gemachtigde: mr. I. Roordink-Wester.

1 Het verloop van de procedure

Dit verloop blijkt uit:

- het verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 12 augustus 2015;

- het verweerschrift ex artikel 7:671b BW tevens houdende tegenverzoeken en het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv.;

- de (fax-)brieven van mr. van den Biesen van 1 september 2015 en 8 september 2015 met bijlagen (producties 13 tot en met 16);

- de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling ter zitting van 14 september 2015, waarbij door mr. van den Biesen pleitnotities zijn overgelegd.

2 De vaststaande feiten

2.1

[Naam B.V.] ontwikkelt en produceert containerstrip en palletiseer systemen. Met deze systemen is het mogelijk om zeecontainers zonder enige fysieke belasting volautomatisch te lossen. De organisatie van [Naam B.V.] bestaat uit 14 vaste medewerkers. Het bedrijf bestaat nog niet lang en verkeert nog in een opbouwfase.

2.2

[verweerder] , geboren op [geboortedatum] ( [leeftijd] ), is met ingang van [datum indiensttreding] voor de duur van een jaar in dienst getreden van [Naam B.V.] en was daar laatstelijk werkzaam in de functie van 1e monteur montage. Het salaris bedraagt momenteel € 3.806,25 bruto per maand exclusief vakantiegeld en overige emolumenten. In de arbeidsovereenkomst is de CAO Metaalbewerkingsbedrijf van toepassing verklaard.

2.3

In de schriftelijke arbeidsovereenkomst is in artikel 10 bepaald:

Artikel 10 — concurrentie- en relatiebeding

Werknemer zal tijdens de looptijd van de dienstbetrekking, alsmede gedurende een periode van twee jaren na het einde van zijn dienstbetrekking noch voor eigen rekening, noch voor rekening van derden, noch anderszins werkzaam zijn ten behoeve van relaties van de werkgever, een en ander voor zover de te verrichten werkzaamheden geacht kunnen worden te behoren tot het werkterrein van de werkgever.

2. Het is de werknemer verboden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de werkgever gedurende twee jaren na het einde van het dienstverband in een straal van 50 kilometer met als middelpunt de vestigingsplaats van filialen van werkgever (huidige standplaats is [vestigingsplaats] ), zaken, zoals de werkgever op het einde van de dienstbetrekking drijft, in welke vorm ook te drijven, direct of indirect, of daarvoor of daarbij op andere wijze rechtstreeks of zijdelings betrokken te zijn, zelfstandig of in dienstbetrekking of anderszins, hetzij tegen vergoeding, hetzij om niet.

3. Bij overtreding van een of meer der bepalingen hiervoor in dit artikel genoemd, zal werknemer ten behoeve van de werkgever een onmiddellijke opeisbare boete verbeuren van € 2.500, - (twee en een half duizend euro) per overtreding en € 500, - (zegge: vijfhonderd euro) voor iedere dag dat de overtreding voortduurt, onverminderd de rechten van de werkgever krachtens de wet tot het vorderen van schadevergoeding en/of nakoming van deze overeenkomst en/of ontbinding daarvan, alles met kosten en rente.”

2.4

Ter bevestiging van een gesprek op 31 oktober 2013 heeft de voormalige bestuurder van [Naam B.V.] , de heer [voormalig bestuurder] aan [verweerder] een officiële schriftelijke waarschuwing ter hand gesteld.

“(…) Op de avond van 30 oktober 2013 heeft u ondergetekende per telefoon en in een daarop volgend privé huisbezoek bij ondergetekende, op een dusdanige wijze lastig gevallen, dat u daar een officiële waarschuwing voor krijgt.

Dergelijke lastering met luid geschreeuw, bedreigingen naar het leven van ondergetekende en vulgair gedrag worden niet getolereerd.

In het gesprek tussen u en ondergetekende op 31 oktober 2013 en uit de uitingen van de dag ervoor, blijkt dat u niet of nauwelijks communiceert over situaties en problemen op de werkvloer aangaande uw functie. Dien ten gevolge groeit uw onvrede tot ongekende hoogten.

Dit nog versterkt met eigen opgemaakte veronderstellingen die u voor waar aan neemt en als

persoonlijke bedreiging ziet.

Ik heb u dringend geadviseerd om minimaal een aantal dagen rust te nemen en voor u zelf orde op zaken te stellen, dan wel hulp te zoeken in uw eigen persoonlijk belang.

Dit weigert u ten stelligst. Ondergetekende is het daar per definitie niet mee eens.

Gezien uw standpunt in deze en uw functie binnen [Naam B.V.] en de daarbij horende verantwoordelijkheden en voorbeeld functie, ben ik genoodzaakt om u tijdelijk te schorsen in de functie van werkplaats chef.

Door ondergetekende is u medegedeeld dat het gebruikelijk is voor een dergelijke bedreiging

juridische stappen te ondernemen om een ontslag procedure te starten, maar dat u voor deze

bedreiging vooralsnog een officiële en formele laatste waarschuwing krijgt.

Daarbij is expliciet aangegeven dat dergelijke bedreigingen volledig onacceptabel zijn en dat dit ernstige schade heeft berokkend in het vertrouwen tussen uw functioneren als medewerker en uw werkgever.

Ik hoop dat het u heel duidelijk is dat we een dergelijke situatie niet meer tolereren. Indien vanaf heden nogmaals een dergelijke of andere overtredingen worden vastgesteld, zien wij ons genoodzaakt een procedure te starten, teneinde uw arbeidsovereenkomst op de kortst mogelijke termijn te ontbinden.”

2.5

Tijdens een gesprek op 24 maart 2014 heeft [voormalig bestuurder] in het bijzijn van de heer [naam] aan [verweerder] een schriftelijke arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd voorgelegd, met een daarbij behorende bijlage met “aanvullende voorwaarden arbeidsovereenkomst”. In die laatste voorwaarden is onder meer het volgende bepaald:

“(…) - Naar aanleiding van een aantal voorvallen in het recente verleden (bijlage “ter hand gesteld” van 31-10- 2013), behoud werkgever het recht voor om de arbeidsovereenkomst, zoals ondertekend door werknemer en werkgever op 24 maart 2014, indien daar aanleiding toe is te heroverwegen;

- Werkgever tolereert van werknemer geen negatief gedrag of negatieve uitingen in welke vorm dan ook jegens werkgever, werknemers en/of derden (bijv. leveranciers, klanten enz.);

- Wanneer blijkt dat werknemer op enigerlei wijze werkgever schade berokkent in welke vorm of hoedanigheid dan ook, zal dit aanleiding kunnen vormen tot ontslag;

- Werknemer zal de aan hem opgedragen werkzaamheden met optimale inzet uitvoeren en zal zich niet voortdurend blijven beroepen op zaken uit het verleden, aangaande zijn dienstverband met werkgever;

- Werknemer is zich ervan bewust dat het niet naleven van bovenstaande aanvullende voorwaarden direct aanleiding zou kunnen vormen voor de werkgever om een procedure te entameren, teneinde uw arbeidsovereenkomst op de kortst mogelijke termijn te ontbinden; (…)”

2.6

In een e-mail van 13 mei 2015 heeft de heer [production manager] (production manager) aan [verweerder] (cc aan [naam] ) onder meer het volgende meegedeeld:

Refererend aan ons gesprek van vanmiddag wil ik het volgende bevestigen;

In jouw rol als 1e monteur heb jij een voorbeeldfunctie binnen deze organisatie en ik zie dat jij dit helaas niet goed oppakt. Daarnaast ontvangen wij regelmatig klachten van je collega’s over jouw gedrag, je negatieve houding en weiger jij soms normaal in gesprek te gaan met je collega’s. Ik hoef niet te benadrukken dat dit gedrag totaal onacceptabel is en op zeer korte termijn drastisch zal moeten verbeteren. Daarnaast zie ik jou veel te vaak niet concreet met je werkzaamheden bezig.

Jij hebt hierop aan gegeven dat dit komt door de omgeving waarin jij zit en jij niet de tools krijgt om de werksfeer te verbeteren. Waarop ik heb aan gegeven dat als jij wilt dat dingen veranderen dat dit bij jouw zelf begint en dat ik dit van je collega’s en dus ook van jou verwacht.

Graag wil ik nogmaals benadrukken dat jouw houding en gedrag binnen [Naam B.V.] in negatieve zin opvallen en dat je je hiermee in een zeer lastig pakket manoeuvreert. [Naam B.V.] staat open om je altijd te helpen, maar dan zal er ook aan jouw kant welwillendheid getoond moeten worden anders vrees ik dat er andere maatregelen getroffen zullen gaan worden.”

2.7

Op 13 juli 2015 heeft [Naam B.V.] [verweerder] naar huis gestuurd en vrijgesteld van werk.

3 Het verzoek

3.1

[Naam B.V.] verzoekt dat de kantonrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking tegen de eerst mogelijke datum de arbeidsovereenkomst met [verweerder] zal ontbinden op grond van een redelijke grond van een redelijke grond, bestaande uit een verstoorde arbeidsverhouding, onder toekenning van de transitievergoeding van € 4.110,75 bruto, kosten rechtens.

3.2

[Naam B.V.] legt aan haar verzoek, tegen de achtergrond van de vaststaande feiten, onder meer de volgende stellingen ten grondslag.

[verweerder] is een prima monteur. Na het incident op 31 oktober 2013 is hij officieel schriftelijk gewaarschuwd wegens lastigvallen van de directeur. Vervolgens zijn op 24 maart 2014 bij de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd aanvullende voorwaarden afgesproken waarin, samengevat, staat dat [verweerder] zich moet onthouden van negatief gedrag. In mei 2015 is hij wederom per e-mail gewaarschuwd. Op 9 juli 2015 is er een incident tussen [verweerder] en zijn collega de heer [collega 1] . Het incident wordt bevestigd door de heer [collega 2] . Er is sprake van gedrag dat [verweerder] vaker heeft vertoond, hoewel hij daarop is aangesproken. Op 13 juli 2015 wordt het incident met [verweerder] besproken. Hij reageert met de stelling dat hij zich niet bewust was van zijn gedrag tegenover [collega 1] . Voor [Naam B.V.] is echter de maat vol, want er is weer sprake van negatief en kleinerend gedrag tegenover collega’s die hier echt last van ondervinden. Zij zegt [verweerder] daarom een ontbinding van de arbeidsovereenkomst aan en biedt hem een vaststellingsovereenkomst aan. Daarna wordt [verweerder] naar huis gestuurd en vrijgesteld van werk.

4 Het verweer en het tegenverzoek

4.1

[verweerder] heeft verzocht:

primair:

I. [Naam B.V.] in haar verzoek niet ontvankelijk te verklaren, althans het verzoek af te wijzen;

II. een voorlopige voorziening te treffen voor de duur van het geding ten aanzien van het verzoek tot wedertewerkstelling;

III. veroordeling van [Naam B.V.] in de proceskosten;

subsidiair:

voor het geval de kantonrechter tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst overgaat, dat te doen:

I onder vaststelling van een termijn waarbij rekening wordt gehouden met de fictieve opzegtermijn;

II onder toekenning van een transitievergoeding van € 4.110,75 bruto;

III onder toekenning van een billijke vergoeding van € 24.664,50 bruto ex artikel 7:671b lid 8 onder c

IV onder vernietiging van het concurrentiebeding en het relatiebeding;

met veroordeling van [Naam B.V.] in de proceskosten;

4.2

Het verweer van [verweerder] zal, voor zover van belang, hierna worden weergegeven.

4.3

[verweerder] heeft tegen de achtergrond van de vaststaande feiten, aan zijn tegenverzoeken onder meer de volgende stellingen ten grondslag gelegd.

Omdat het verzoek tot ontbinding dient te worden afgewezen heeft hij belang bij een voorlopige voorziening van directe tewerkstelling.

In geval van toewijzing van het verzoek tot ontbinding dient naast de transitievergoeding een billijke vergoeding op grond van artikel 7:671b lid 8 onder c BW te worden toegekend omdat [Naam B.V.] de arbeidsovereenkomst tracht te beëindigen op basis van een onvolledig dossier, want uit het dossier blijkt geenszins dat de arbeidsrelatie zodanig is verstoord dat van [Naam B.V.] in redelijkheid niet meer kan worden gevraagd om het dienstverband voort te zetten. Die billijke vergoeding dient minimaal € 24.664,50 bruto te bedragen hetgeen gelijk is aan zes maanden salaris.

[verweerder] is gebonden aan een concurrentiebeding en een relatiebeding. [verweerder] verzoekt vernietiging van de beide bedingen op grond van artikel 7:653 BW vanwege de handelwijze van [Naam B.V.] en het feit dat zij een einde wenst te maken aan de arbeidsovereenkomst en [verweerder] ernstig wordt belemmerd in het vinden van ander werk indien beide bedingen in stand blijven.

5 Het verweer van [Naam B.V.] op het tegenverzoek

[Naam B.V.] heeft ter zitting verweer gevoerd en verzocht de verzoeken van [verweerder] af te wijzen. Het verweer van [Naam B.V.] zal, voor zover van belang, hierna worden weergegeven.

6 De beoordeling

Het verzoek van [Naam B.V.]

6.1

Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden.

Vooropgesteld wordt dat uit het bepaalde in artikel 7: 671b en 7:669 lid 1 BW volgt dat de arbeidsovereenkomst kan worden ontbonden indien daar een redelijke grond voor is en herplaatsing binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. In artikel 7:669 lid 3 onder c. tot en met h. BW is nader bepaald wat als een redelijke grond voor ontbinding moet worden verstaan.

6.2

Uit artikel 7:671b lid 2 BW volgt voorts dat een verzoek tot ontbinding slechts kan worden ingewilligd indien er geen opzegverbod geldt als bedoeld in artikel 7:670 BW of met deze opzegverboden naar aard en strekking vergelijkbare in een ander wettelijk voorschrift gelden. De kantonrechter constateert dat niet is gesteld of komen vast te staan dat er sprake is van een opzegverbod.

6.3

[Naam B.V.] heeft haar verzoek gebaseerd op een verstoorde arbeidsverhouding, zodanig dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren, als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 onder g. BW;

6.4

De kantonrechter overweegt daarover het volgende. Er is sprake van een relatief kort dienstverband. Na dertien maanden heeft een incident plaatsgevonden waarvoor [verweerder] een schriftelijke waarschuwing heeft gekregen. Per 1 april 2014 is een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd aangegaan met afzonderlijk geformuleerde aanvullende voorwaarden. Vanaf dat moment was [verweerder] een dubbel gewaarschuwd man. In een e-mail van 13 mei 2015 is [verweerder] mondeling en schriftelijk weer gewezen op geconstateerd onacceptabel en negatief gedrag jegens leidinggevenden en collega’s en gewaarschuwd dit achterwege te laten. Voor zover [verweerder] meent dat [Naam B.V.] een verbetertraject had moeten inzetten, stuit dit af op de bedoelde aanvullende voorwaarden en waarschuwingen. Telkens is aan [verweerder] uitdrukkelijk meegedeeld dat herhaling kan leiden tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst.

De door [Naam B.V.] genoemde incidenten van begin juli 2015 zijn, tegenover de gemotiveerde betwisting door [verweerder] , door [Naam B.V.] voldoende gestaafd aan de hand van de door haar overgelegde ondertekende schriftelijke verklaringen van medewerkers. Het gaat daarbij onder meer om het verbaal en non-verbaal kleineren van een ondergeschikte collega, het achterhouden van belangrijke informatie zodat een collega niet verder kan met zijn werk, onderdelen voor collega’s onvindbaar opbergen en het zonder overleg meenemen van de vorkheftruck waardoor het werk vertraging oploopt. Uit de heldere inhoud van die verklaringen en de daarop ter zitting gegeven toelichting komt ook naar voren dat er ondanks de waarschuwingen sprake is van een patroon van regelmatig terugkerend onaanvaardbaar gedrag op de werkvloer, dat bij in elk geval één medewerker lichamelijke en psychische klachten veroorzaakt. Ook komt uit de verklaringen naar voren dat [verweerder] zowel de waarschuwingen als eventuele opmerkingen over zijn gedrag als hij daarop wordt aangesproken niet serieus neemt en daarop zelfs heftig kan reageren.

Deze omstandigheden tegen het licht van de achtereenvolgende waarschuwingen en het feit dat [verweerder] niet inziet dat dergelijk gedrag van een werknemer niet kan worden getolereerd brengen mee dat er sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding, zodanig dat van [Naam B.V.] als werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren, als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 onder g. BW.

6.5

Omdat er sprake is van een redelijke grond voor de ontbinding van de arbeidsovereenkomst, herplaatsing van [verweerder] binnen een redelijke termijn in een andere passende functie in de kleine organisatie van [Naam B.V.] niet in de rede ligt en evenmin mogelijk is en is voldaan aan de voorwaarden van artikel 7:671b onder a en lid 2 BW, zal de kantonrechter het verzoek van [Naam B.V.] toewijzen en de arbeidsovereenkomst ontbinden.

De arbeidsovereenkomst zal met ingang van 1 november 2015 worden ontbonden, waarbij is gelet op het bepaalde in artikel 7:671b, lid 8, aanhef en onder a en 672 lid 1 BW.

6.6

Partijen zijn het eens over de hoogte van de transitievergoeding, zodat [Naam B.V.] zal worden veroordeeld tot betaling daarvan aan [verweerder] .

De tegenverzoeken

6.7

Gelet op de toewijzing van het ontbindingsverzoek, waardoor de arbeidsovereenkomst op korte termijn zal eindigen is er geen grondslag meer voor de verzochte voorlopige voorziening in de zin van artikel 223 Rv. tot wedertewerkstelling, zodat deze zal worden afgewezen.

6.8

Met betrekking tot de door [verweerder] verzochte billijke vergoeding naast de transitievergoeding overweegt de kantonrechter het volgende. Uit de wetsgeschiedenis met betrekking tot het bedoelde artikel 7:671, lid 8, aanhef en onder c BW volgt dat ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van een werkgever zich slechts zal voordoen in uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld als een werkgever grovelijk de verplichtingen niet nakomt die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst en er als gevolg daarvan een verstoorde arbeidsverhouding ontstaat of als een werkgever een valse grond voor ontslag aanvoert met als enig oogmerk een onwerkbare situatie te creëren (zie Kamerstukken II, 2013-2014, 33 818, nr. 3, pag. 34). Er zijn in dit geval onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit zou kunnen volgen dat een dergelijke situatie zich in dit geval voordoet. Gelet op het voorgaande is geen sprake van een valse ontslagreden of een ongegrond of voorbarig verzoek tot ontbinding, terwijl de gedragslijn van [Naam B.V.] gelet op haar terechte aanmerkingen op het gedrag van [verweerder] alleszins is te billijken en daarmee niet te kwalificeren is als ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Andere omstandigheden zijn door [verweerder] niet gesteld.

6.9

Ter zake van het verzoek tot vernietiging van het concurrentiebeding en het relatiebeding oordeelt de kantonrechter als volgt. [verweerder] heeft tegenover de gemotiveerde betwisting door [Naam B.V.] niet, althans onvoldoende, nader onderbouwd dat hij als zeer ervaren metaalbewerker bij het vinden van ander werk een reële belemmering zou ondervinden van het concurrentiebeding en relatiebeding. [Naam B.V.] is immers onbestreden een aanbieder van uiterst specialistische apparatuur en kennis in een kleine markt. Het overstappen of anderszins werkzaam zijn van [verweerder] , met al zijn specifieke technische know how op dit gebied en kennis van de bedrijfsvoering, naar een rechtstreekse concurrent of het hebben van zakelijk contact met een relatie van [Naam B.V.] kan zeker leiden tot oneerlijke concurrentie en schade toebrengen aan het bedrijfsdebiet van [Naam B.V.] . Voor [verweerder] zijn er met inachtneming van de bedingen voldoende mogelijkheden voor het vinden van ander werk. Gelet op het voorgaande kan niet worden gezegd dat in verhouding tot het te beschermen belang van [Naam B.V.] , [verweerder] door het concurrentiebeding en het relatiebeding onbillijk wordt benadeeld in de zin van artikel 7:653 lid 3 onder b BW. Het verzoek zal daarom worden afgewezen.

Ter zake van het verzoek en de tegenverzoeken

6.10

De door partijen aangevoerde argumenten die in het voorgaande niet aan de orde zijn gekomen, behoeven geen bespreking, nu deze, in het licht van hetgeen is vastgesteld en overwogen, niet tot een andere beslissing kunnen leiden.

6.11

Gezien de uitkomst van de zaak is het redelijk dat partijen ieder hun eigen proceskosten dragen. De beschikking zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard als hierna vermeld.

Hetgeen meer of anders is verzocht zal worden afgewezen.

7 De beslissing

De kantonrechter beslist op het verzoek:

7.1

ontbindt, de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst met ingang van 1 november 2015;

7.2

veroordeelt [Naam B.V.] om aan [verweerder] een transitievergoeding te betalen van € 4.110,75 bruto;

7.3

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

7.4

wijst af hetgeen meer of anders is verzocht;

de kantonrechter beslist op de tegenverzoeken:

7.5

wijst het verzochte af;

de kantonrechter beslist op de verzoeken en tegenverzoeken voorts:

7.6

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.C.J. Heessels, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 september 2015 in aanwezigheid van de griffier.

conc: mh