Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:6205

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
08-10-2015
Datum publicatie
21-10-2015
Zaaknummer
AWB - 15 _ 2325
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning voor een paardenbak met een weilandafzetting op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3o, van de Wabo.

Strijd met zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel doordat niet nader is onderbouwd dat de ontwikkeling geen significante gevolgen heeft op het Vogelrichtlijngebied “Oude IJssel”.

Voorts is de afwijking van het gemeentelijk beleid voor paardenbakken, dat is aan te merken als een vaste gedragslijn, met betrekking tot de afstand tot de woning van eisers en de ligging in Natura 2000 gebied, de EHS en het uiterwaardengebied, niet voldoende gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 15/2325

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eisers] , eisers

(gemachtigde: mr. E.R. Koster),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zevenaar, verweerder.

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [derde-partij],

(gemachtigde: mr. J. Molenaar).

Procesverloop

Bij besluit van 10 maart 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan de derde-partij een omgevingsvergunning verleend voor het legaliseren van een weilandafzetting en een paardenbak op het perceel [perceel] .

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 augustus 2015. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, mr. G.J.J. Schut. Derde-partij is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De derde-partij heeft op 6 november 2013 een aanvraag ingediend voor een weilandafzetting en een paardenbak op het perceel [perceel] .

Bij het bestreden besluit heeft verweerder hiervoor een omgevingsvergunning verleend op grond van het bepaalde in artikel 2.1, eerste lid, onder a, b en c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), in combinatie met artikel 2.12, eerste lid, sub a, onder 3o, van de Wabo.

2. Op grond van artikel 2.1, eerste lid, van de Wabo is het, voor zover hier van belang, verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk,

b. het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, in gevallen waarin dat bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit is bepaald,

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan,

(…).

In artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo is bepaald dat de omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, wordt geweigerd als de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan. In dat geval wordt ingevolge het tweede lid van dit artikel de aanvraag om een omgevingsvergunning mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, en wordt de vergunning slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 van de Wabo niet mogelijk is.

In artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3º, van de Wabo is bepaald dat, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo, de omgevingsvergunning slechts kan worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.

Ingevolge het bestemmingsplan “Ruimte voor de rivier” zijn de gronden waarop de paardenbak is gelegen bestemd voor “Dagrecreatie met landschapswaarden” en “Zone vogelrichtlijngebied”.

3. Eisers betogen dat verweerder in het bestreden besluit onvoldoende duidelijk heeft gemaakt waarom de paardenbak in het betrokken Vogelrichtlijngebied is toegestaan.

3.1.

De rechtbank stelt vast dat het perceel is gelegen in het Vogelrichtlijngebied “Uiterwaarden IJssel”.

In de ruimtelijke onderbouwing is in paragraaf 4.9.1. over de toetsing aan de Vogelrichtlijn en de Natuurbeschermingswet 1998 het volgende opgenomen:

“Het huidig gebruik leidt niet tot het realiseren van de gewenste waarden in de uiterwaarden en het behoud van de functie voor soorten uit de Vogelrichtlijn. De functie voor vogelsoorten betreft het bieden van geschikt broedbiotoop en/of het bieden van geschikt foerageergebied. Beide functies worden niet bereikt met de inrichting en het gebruik als paardenbak. De huidige gedoogde situatie van de paardenbak is zodoende in strijd met de status van het gebied als Vogelrichtlijngebied.”

In paragraaf 4.9.2. wordt geconcludeerd:

“Echter de huidige betekenis van het perceel voor het Vogelrichtlijngebied en de EHS is zodanig beperkt dat een andere invulling van inrichting, beheer en gebruik van het perceel niet leidt tot een wezenlijk negatief effect op de ecologische doelen vanuit de genoemde gebiedenbescherming.”

3.2.

Naar het oordeel van de rechtbank kan, gelet op de passage in de ruimtelijke onderbouwing in paragraaf 4.9.1, niet zonder nader onderzoek in paragraaf 4.9.2 vervolgens worden geconcludeerd dat het gebruik van de gronden als paardenbak geen significante gevolgen heeft voor het gebied. De zinsnede dat de huidige betekenis van het perceel voor het Vogelrichtlijngebied en de EHS beperkt is, is niet nader onderbouwd. Daarom heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank gehandeld in strijd met artikel 3:2, eerste lid, van de Awb, dat bepaalt dat verweerder bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis vergaart omtrent de relevante feiten. Het betoog slaagt.

4. Eisers betogen voorts dat de paardenbak in strijd is met gemeentelijk beleid, omdat deze op 150 meter afstand van de woning van vergunninghouder wordt gerealiseerd en op 10 meter afstand van het perceel van eisers.

4.1.

Verweerder voert aan dat dit betoog niet als zienswijze naar voren is gebracht en daarom in beroep niet door de rechtbank mag worden beoordeeld.

Ingevolge artikel 6:13 van de Awb kan geen beroep bij de bestuursrechter worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht, geen bezwaar heeft gemaakt of geen administratief beroep heeft ingesteld.

De rechtbank is van oordeel dat dit artikel er niet aan in de weg staat dat in beroep nieuwe gronden en/of argumenten worden aangevoerd zolang het betrokken besluit(onderdeel) in de zienswijze maar is aangevochten. Dat laatste is het geval, zodat de rechtbank voormeld betoog van eisers zal beoordelen.

4.2

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat verweerder voor paardenbakken een specifiek beoordelingskader hanteert. Dit beoordelingskader is weliswaar niet gepubliceerd en in die zin geen beleidsregel in de zin van de Awb maar kan wel worden aangemerkt als beleid in de zin van een vaste gedragslijn.

Op grond van deze vaste gedragslijn mag, voor zover thans van belang en zakelijk gesteld, de afstand van een paardenbak tot woningen van derden niet minder dan 25 meter bedragen. Daarnaast geldt dat de afstand vanaf de bij de paardenbak behorende woning tot de paardenbak maximaal 30 meter mag zijn en dat een paardenbak niet mag zijn gelegen in Natura 2000 gebied, EHS gebied of buitendijks in de uiterwaarden.

De rechtbank is van oordeel dat aan deze voorwaarden in dit geval niet wordt voldaan. Verweerder heeft weliswaar de mogelijkheid van een vaste gedragslijn af te wijken, maar daar moeten dan wel bijzondere redenen voor zijn en dat moet uitgebreid worden gemotiveerd. Dat is naar het oordeel van de rechtbank niet gebeurd. Verweerder heeft via de ruimtelijke onderbouwing slechts onderbouwd waarom van de richtafstand uit de VNG-brochure “Bedrijven en milieuzonering” in dit geval kan worden afgeweken. Dat is echter geen motivering waarom in het voorliggende geval afgeweken moet worden van de richtafstanden welke worden gehanteerd in de voor paardenbakken gehanteerde vaste gedragslijn. Ook heeft verweerder niet genoegzaam gemotiveerd waarom deze paardenbak wel in Natura 2000 en EHS gebied in de uiterwaarden dient te worden toegestaan. Het betoog slaagt.

5. Gelet op hetgeen in rechtsoverweging 3.2 en 4.2 is overwogen, moet het beroep gegrond worden verklaard en dient het bestreden besluit te worden vernietigd.

De rechtbank ziet, gelet op de aard van het gebrek geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien of om een tussenuitspraak te doen, nu niet zonder meer kan worden aangenomen dat sprake is van herstelbare gebreken.

Gelet op het voorgaande kunnen de overige beroepsgronden van eisers onbesproken blijven.

6. Nu het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 980 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 490,- en een wegingsfactor 1)

7. Voorts bepaalt de rechtbank dat verweerder het door eisers betaalde griffierecht van € 167 vergoedt.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 980;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 167 aan eisers te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.W.P. van Gastel, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. E. Mengerink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.