Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:6192

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
06-10-2015
Datum publicatie
06-10-2015
Zaaknummer
05/740309-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren voor een poging tot doodslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EeR 2015, afl. 6, p. 246
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/740309-15

Datum uitspraak : 6 oktober 2015

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1964 te distrikt [geboorteplaats] (Suriname), wonende te [adres] , [woonplaats] , thans gedetineerd te [verblijfplaats] .

Raadsman: mr. G.J. Gerrits, advocaat te Arnhem.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 22 september 2015.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 13 juni 2015 te Arnhem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, meerdere malen, althans éénmaal met een mes, althans een scherp en puntig voorwerp, in de arm(streek) en/of in de rug(streek) en/of in de buik(streek) en/of in de maag(streek), althans in het lichaam van voornoemde [slachtoffer] , heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 13 juni 2015 te Arnhem aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten:

- een perforatie en/of letsel van/aan het buikvlies en/of de maagwand en/of de lever en/of het longvlies en/of het borstvlies en/of de rugspier en/of de tussenribspier en/of overige spieren en/of spierweefsel en/of bloedvaten en/of

- een klaplong (te weten: een spanningspneumothorax) en/of longletsel en/of een verminderde longfunctie, heeft toegebracht door meerdere malen, althans éénmaal met een mes, althans een scherp en puntig voorwerp, in de arm(streek) en/of in de rug(streek) en/of in de buik(streek) en/of in de maag(streek), althans in het lichaam van voornoemde [slachtoffer] , te steken;

meer subsidiair:

hij op of omstreeks 13 juni 2015 te Arnhem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen meerdere malen, althans éénmaal opzettelijk met een mes, althans een scherp en puntig voorwerp, in/de arm(streek) en/of in de rug(streek) en/of in de buik(streek) en/of in de maag(streek), althans in het lichaam van die [slachtoffer] , heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2 Overwegingen ten aanzien van het bewijs1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt de primair tenlastegelegde poging tot doodslag.

Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van het primair tenlastegelegde heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de verdachte geen opzet heeft gehad op de dood van aangever, ook niet in voorwaardelijke zin. Verdachte is niet op [slachtoffer] afgelopen met het doel hem van het leven te beroven. Ook bestond er als gevolg van het handelen van verdachte geen aanmerkelijke kans op het intreden van de dood van aangever. Verdachte dient derhalve van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van de subsidiair ten laste gelegde zware mishandeling heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, met uitzondering van het steken in de armstreek, nu dit volgens de raadsman geen zwaar lichamelijk letsel heeft opgeleverd.

Ten slotte heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de verklaring van de getuige [getuige 1] ongeloofwaardig is.

Beoordeling door de rechtbank

Aangever [slachtoffer] heeft – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende verklaard. Op 13 juni 2015 is [slachtoffer] samen met [getuige 1] naar de woning van verdachte in Arnhem gegaan nadat verdachte [slachtoffer] had gebeld. Verdachte kwam daar vrijwel meteen op [slachtoffer] aflopen met een keukenmes in zijn hand. Verdachte haalde dit mes uit zijn jas of tas. Verdachte stak [slachtoffer] vervolgens met dit mes in zijn borst. [slachtoffer] probeerde zo snel mogelijk weg te komen. [slachtoffer] struikelde echter en kwam ten val. Terwijl [slachtoffer] op zijn rug lag, werd hij in zijn ellenboog gestoken. [slachtoffer] draaide zich vervolgens op zijn buik, waarna [slachtoffer] meerdere malen in zijn rug werd gestoken. [slachtoffer] is vervolgens weggerend richting de snackbar en heeft het alarmnummer gebeld, aldus steeds de verklaring van [slachtoffer] .2

Getuige [getuige 1] – aan wiens geloofwaardigheid de rechtbank niet twijfelt – heeft verklaard dat verdachte aan kwam lopen en uit zijn schoudertas een mes pakte en [slachtoffer] meteen in zijn buik stak. Hierop viel [slachtoffer] op de grond en terwijl hij op zijn buik lag stak de verdachte hem meermalen in zijn rug.3

Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat verdachte en [slachtoffer] vochten en dat [slachtoffer] op de grond viel. Hij zag dat verdachte toen stekende bewegingen richting [slachtoffer] maakte. [slachtoffer] lag op dat moment nog op de grond. Hij zag dat verdachte dat twee of drie keer deed.4

Verdachte zelf heeft ter terechtzitting verklaard dat hij [slachtoffer] heeft gestoken. Verdachte kan zich alleen herinneren dat hij [slachtoffer] in zijn arm heeft geraakt. Verder heeft verdachte bij de politie onder meer verklaard dat [slachtoffer] hem met een bierfles wilde slaan en dat verdachte daarom een mes uit zijn schoudertas heeft gehaald. Verdachte had de tas met daarin het mes bij zich – zo begrijpt de rechtbank de verklaring van verdachte – omdat verdachte wist waartoe [slachtoffer] in staat was, en omdat [slachtoffer] vuurwapengevaarlijk zou zijn.5

Het letsel van [slachtoffer] is door forensisch geneeskundige [deskundige] onderzocht. Uit de hieromtrent opgestelde rapportage volgt dat aan [slachtoffer] vier steekverwondingen zijn toegebracht, waarvan één in de bovenbuik, één bij de ellenboog en twee in de rug. Heutz stelt vast dat het letsel past bij een toedracht door een mes met eenzijdige snijkant en spitse punt, dat wat betreft plaatsing haaks op het lichaam heeft moeten staan. Het buikletsel bestaat uit een steekverwonding door de huid, spierlaag en buikvliezen heen en in de diepte van de buik waarbij de lever is geraakt. De verwonding loopt door de lever en daarnaast is de maagwand geraakt. De totale diepte is ongeveer 10cm. Het rugletsel aan de linkerzijde bestaat uit een doorgeprikt longvlies. Het letsel aan de ellenboog en aan de rechterzijde van de rug hebben spierverwondingen opgeleverd.6 In het aanvullend rapport wordt gesteld dat het letsel dat [slachtoffer] heeft opgelopen potentieel dodelijk is en zonder behandeling rechtstreeks levensbedreigend zou zijn geweest, waarbij de kans op overlijden tussen de 10% en 50% zou liggen.7

De rechtbank stelt op grond van de bovengenoemde bewijsmiddelen vast dat er op 13 juni 2015 in Arnhem een gewelddadige confrontatie heeft plaatsgevonden tussen verdachte en [slachtoffer] waarbij verdachte [slachtoffer] met een mes eenmaal in de maagstreek, tweemaal in de rug en eenmaal in de arm heeft gestoken en verdachte [slachtoffer] aldus potentieel dodelijk letsel heeft toegebracht. Aangezien de kans op de dood van [slachtoffer] als gevolg van dit letsel tussen de 10 en 50 procent lag, acht de rechtbank deze kans in strafrechtelijke zin zonder meer aanmerkelijk.

De vraag is of verdachte deze aanmerkelijke kans op de dood ook willens en wetens heeft aanvaard en daarmee voorwaardelijk opzet had op de dood van [slachtoffer] .

Verdachte droeg de tas met daarin het mes bewust bij zich met het oog op een mogelijke confrontatie met [slachtoffer] . Toen de confrontatie zich daadwerkelijk voordeed heeft verdachte dit mes direct uit zijn tas gehaald en heeft hij daarmee ook meteen ingestoken op [slachtoffer] . Verdachte heeft in ieder geval drie keer ín de romp van [slachtoffer] gestoken en één keer in de ríchting van de romp. Verdachte heeft ook kracht gestoken. Immers, de diepte van de verwonding in de maagstreek bedroeg ongeveer 10 centimeter en de steken in de rug hebben ertoe geleid dat het longvlies (dat onder het spierweefsel zit) is doorboord. Het is een feit van algemene bekendheid dat iemand door hem of haar op deze manier te lijf te gaan kan komen te overlijden. Verdachte heeft door in deze wetenschap op de hiervoor beschreven wijze in te steken op [slachtoffer] de aanmerkelijke kans op diens dood bewust aanvaard.

De rechtbank is daarom van oordeel dat verdachte voorwaardelijk opzet had op de dood van [slachtoffer] en dat verdachte zich daarmee schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag op die [slachtoffer] .

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de meervoudige kamer is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op of omstreeks 13 juni 2015 te Arnhem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, meerdere malen, althans éénmaal met een mes, althans een scherp en puntig voorwerp, in de arm(streek) en/of in de rug(streek) en/of in de buik(streek) en/of in de maag(streek), althans in het lichaam van voornoemde [slachtoffer] , heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1 primair:

Poging tot doodslag

5 De strafbaarheid van het feit en de strafbaarheid van de verdachte

Noodweer en noodweerexces

De raadsman heeft aangevoerd dat de verdachte [slachtoffer] heeft gestoken omdat hij zou hebben gehandeld uit noodweer, dan wel uit noodweerexces. Het verweer komt er kort gezegd op neer dat verdachte door [slachtoffer] werd aangevallen met (de hals van) een bierfles. [slachtoffer] zou verdachte met de bierfles hebben geslagen tegen zijn hoofd en, nadat deze fles op de grond was gevallen, met de kapotte flessenhals naar verdachte hebben uitgehaald en hem aan zijn arm hebben verwond. Verdachte heeft zich dan ook tegen deze aanval moeten verdedigen. Deze verdediging was mede ingegeven door de gerechtvaardigde angst dat [slachtoffer] vuurwapengevaarlijk was en misschien ook echt een vuurwapen bij zich had. Daardoor is verdachte wellicht in zijn handelen verder is gegaan dan strikt noodzakelijk was voor zijn verdediging.

De rechtbank verwerpt het beroep op zowel noodweer als noodweerexces. Het is niet aannemelijk geworden dat verdachte door [slachtoffer] met een bierfles is aangevallen. De verklaring van verdachte over een dergelijke aanval worden niet (voldoende) bevestigd. Er was geen sprake van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Het bewezenverklaarde feit en verdachte zijn daarmee strafbaar. Hierbij heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Allereerst volgt alleen al uit het feit dat verdachte zelf telefonisch contact heeft opgenomen met [slachtoffer] en op voorhand een mes heeft meegenomen, dat verdachte een confrontatie niet uit de weg ging en zich bewust in een situatie heeft begeven waarin hij de inzet van het mes kennelijk niet uitsloot.

Verder is op foto’s van verdachte die meteen na het voorval zijn gemaakt, geen letsel te zien dat duidt op recente slagen met of steken van een fles of gebroken flessenhals. Het enige wondje, op de arm, dat wel zichtbaar is op de foto, is niet een verwonding die past bij letsel veroorzaakt door kapot glas.

De politie heeft op maar één plek op straat glas van een bierflesje aangetroffen. Onder de scherven bevond(en) zich (delen van) de flessenhals. Deze bevindingen passen niet bij de verklaring van verdachte dat [slachtoffer] de flessenhals van straat oppakte nadat de bierfles op straat was gevallen tijdens hun worsteling. Getuigen De Jong en Veldstra verklaren over glasgerinkel. Dit zou voor hen aanleiding zijn geweest om te kijken of er iets aan de hand was. beiden verklaren – zakelijk weergegeven – vervolgens te hebben gezien dat een man (naar de rechtbank aanneemt verdachte) een andere man (naar de rechtbank aanneemt [slachtoffer] ) ‘naar de grond werkt’. Over stekende of slaande bewegingen van de man op de grond verklaren zij niets. Ook verklaren zij niet over een tweede moment waarop glasgerinkel hoorbaar is geweest. Verklaard wordt juist dat de man op de grond probeert weg te komen. Ook deze verklaringen passen niet in het door verdachte geschetste scenario dat verdachte werd aangevallen en zich moest verdedigen. Deze verklaringen sluiten juist aan bij het – door de rechtbank aannemelijk en bewezen geachte – scenario dat verdachte steeds de agressor is geweest.

Tot slot is niet aannemelijk geworden dat verdachte reden had om te vrezen dat [slachtoffer] vuurwapengevaarlijk was. [slachtoffer] heeft volgens de officier van justitie geen enkele antecedent met betrekking tot de Wet Wapens en Munitie, en ook overigens vindt dat beeld geen enkele steun in het dossier.

6 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaar met aftrek van de tijd die de verdachte heeft doorgebracht in voorarrest.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van eventuele strafoplegging geen verweren gevoerd.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

  • -

    het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 20 juli 2015;

  • -

    een voorlichtingsrapportage van Reclassering Nederland, gedateerd 31 augustus 2015.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot doodslag. Verdachte heeft aangever met veel kracht met een mes eerst in zijn buik en vervolgens – op de grond, nadat aangever tijdens zijn vlucht ten val was gekomen – in zijn arm en tweemaal in zijn rug gestoken. Aangever heeft hierdoor ernstig en potentieel dodelijk letsel opgelopen. Het feit heeft voor [slachtoffer] verstrekkende gevolgen (gehad), zoals ook blijkt uit zijn schriftelijke slachtofferverklaring. De verdachte neemt bovendien geen verantwoordelijkheid voor zijn handelen en het letsel dat hij daarmee heeft veroorzaakt. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.

De rechtbank zal gelet op het voorgaande aan de verdachte een gevangenisstraf van vier jaar, met aftrek van voorarrest, opleggen. Deze straf is lager dan door de officier van justitie geëist, omdat de rechtbank een dergelijke gevangenisstraf passender acht in relatie tot het strafbare feit.

6a. De beoordeling van de civiele vordering, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het bewezenverklaarde feit. Gevorderd wordt een bedrag van € 10.030,22.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe te wijzen tot het bedrag van € 5.000,- aan immateriële schadevergoeding en tot het geheel gevorderde bedrag van € 30,22 aan materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 juni 2015, waarbij tevens de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 60 dagen hechtenis. Voor het overige heeft de officier van justitie verzocht dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de vordering.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich ingeval van een bewezenverklaring en een strafbare dader op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] voor wat betreft de immateriële schade aanzienlijk moet worden gematigd. Ten aanzien van de materiële schade heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat deze niet voor toewijzing vatbaar zijn nu de reiskosten geen rechtstreekse schade betreffen en de telefoonkosten niet zijn onderbouwd.

Beoordeling door de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen tot een bedrag van

€ 5030,22 schade heeft geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. Dit bedrag bestaat voor € 5000,- aan immateriële schade en voor € 30,22 aan materiële schade. De vordering dient tot dit bedrag te worden toegewezen.

Ten aanzien van het meer gevorderde aan immateriële schade levert de behandeling van dat deel van de vordering naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding. De benadeelde partij kan derhalve haar vordering slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

De gevorderde en toegewezen rente/vergoeding voor proceskosten, zijn daar niet bij inbegrepen.

De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar vanaf 13 juni 2015.

7 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 24c, 27, 36f, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

8 De beslissing

De meervoudige kamer:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het stafbare feit zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren;

 beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] .

 veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer] , van een bedrag van € 5.030,22 (vijfduizend dertig euro en tweeëntwintig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 juni 2015 tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering;

 legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer] , een bedrag te betalen van € 5.030,22 (vijfduizend dertig euro en tweeëntwintig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 juni 2015 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 60 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

 bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.M.L. Tomassen (voorzitter), mr. L.C.P. Goossens en mr. D.R. Sonneveldt, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. Diebels, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 6 oktober 2015.

1 Het bewijs is terug te vinden in: - het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de politie Oost Nederland, district Gelderland-Midden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2015286271, gesloten op 15 juli 2015 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld, en - de verklaring van de verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting van 22 september 2015.

2 Proces-verbaal van aangifte d.d. 19 juni 2015 door [slachtoffer] , p. 97-98, het proces-verbaal van verhoor aangever d.d. 22 juni 2015, p. 150-151.

3 Verhoor getuige [getuige 1] d.d. 13 juni 2015, p. 153-154.

4 Verhoor getuige [getuige 2] d.d. 15 juni 2015, p. 166-168.

5 Verhoor verdachte [verdachte] d.d. 10 juli 2015, p. 261-262 en de verklaring van de verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting van 22 september 2015.

6 Voorlopige geneeskundige verklaring forensisch geneeskundige [deskundige] d.d. 22 juni 2015, p. 223-224.

7 Aanvullende geneeskundige rapportage forensisch geneeskundige [deskundige] d.d. 19 augustus 2015.