Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:6188

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
13-10-2015
Datum publicatie
13-10-2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 4420
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2017:2314, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De woning van eiser is door hem bij de start van zijn onderneming (in 2004) als privé-vermogen aangemerkt. Hij wenst de woning met ingang van 2010 over te brengen naar zijn ondernemingsvermogen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van bijzondere omstandigheden die een keuze-herziening met betrekking tot de woning rechtvaardigden. De woning kan daarom niet in onderhavig jaar tot het ondernemingsvermogen worden gerekend.

Eiser heeft kosten in aftrek gebracht op zijn winst die betrekking hebben op werkzaamheden die de partner van eiser ten behoeve van eisers onderneming zou hebben verricht. Verweerder heeft gemotiveerd betwist dat de partner de gedeclareerde werkzaamheden daadwerkelijk heeft verricht. Verweerder heeft daarbij gewezen op een aantal onwaarschijnlijkheden in de urenverantwoording. Eiser heeft hiervoor geen nadere verklaring gegeven, noch nader bewijs bijgebracht. De rechtbank acht eiser er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat zijn partner in het betreffende jaar de gestelde werkzaamheden daadwerkelijk allemaal heeft verricht. Voor zover ze wel enige werkzaamheden heeft verricht is niet aannemelijk gemaakt dat deze de wederzijdse bijstand tussen partners te boven ging. De kostenaftrek is daarom terecht geweigerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/2194
V-N 2015/64.3.1
FutD 2015-2538
FutD 2015-2539
NTFR 2016/434 met annotatie van Daal
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummer: AWB 14/4420

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 13 oktober 2015

in de zaak tussen

[X] , te [Z] , eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Doetinchem, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2010 een aanslag (aanslagnummer [000] .H.06) inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 58.345. Tevens is bij beschikking € 306 aan heffingsrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 19 juni 2014 de aanslag en de beschikking heffingsrente verminderd overeenkomstig een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 50.707.

Eiser heeft daartegen bij brief van 3 juli 2014, ontvangen door de rechtbank op 4 juli 2014, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Eiser en verweerder hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de tegenpartij.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juli 2015. Eiser is verschenen.

Namens verweerder zijn verschenen [gemachtigde] , [A] , [B] en [C] . De onderhavige zaak is gelijktijdig behandeld met eisers zaak geregistreerd onder procedurenummer AWB 14/8860.

Overwegingen

Feiten

1. Eiser drijft sinds 1 mei 2004, in de vorm van een eenmanszaak, een onderneming. De huidige handelsnaam van deze onderneming luidt ‘ [D] ’. De netto omzet bedraagt in het jaar 2010 € 85.918.

2. In het jaar 2010 woonde eiser samen met mevrouw [Y] (hierna: [Y] ).

Zij hebben gezamenlijk vier kinderen en zijn (in 2010) woonachtig op het adres [A-straat 1] te [Q] (hierna: de woning). Eiser en [Y] zijn gezamenlijk (ieder voor de onverdeelde helft) eigenaar van de woning.

3. De woning is in het jaar 2001 in privé aangekocht. Eiser heeft de woning in het jaar 2010 overgebracht van zijn privévermogen naar zijn ondernemingsvermogen.

4. [Y] staat sinds 9 april 2010 ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van koophandel met een eenmanszaak onder de naam “ [E] ”. Onder het kopje ‘bedrijfsomschrijving’ is vermeld dat de bedrijfsactiviteiten bestaan uit het schrijven en corrigeren van teksten en het verrichten van vertalingen.

5. [D] , vertegenwoordigd door eiser, is opdrachtnemer ter zake van een op 14 oktober 2009 gesloten overeenkomst van opdracht met [F] BV (handelend onder de naam [G] ). Het gaat om het verrichten van werkzaamheden als adviseur projectbeheersing bij Rijkswaterstaat. In de overeenkomst van de opdracht is over de te verrichten werkzaamheden het volgende vermeld:

“- In samenwerking met de manager projectbeheersing opstellen van een T- rapportage (kwartaalrapportage)

- Opstellen van een maandelijkse voortgangsrapportages.

- Betrouwbaar en actueel financieel overzicht van alle financiën die het project betreffen.

- Faciliteren van de aanvraag tot bestelling (opdrachten aan de markt, incl. SAP verwerking).

- Bijdrage leveren aan PRI raming.

- Toetsen of de rechtmatigheid van niet-bouw contracten (nevencontracten) aantoonbaar is.

- Bijdrage leveren aan projectbeheersingsplan en indien nodig andere plannen.

- Op basis van gesprekken met de IPM (integraal projectmanagement systeem) rolhouders, maar ook op

verslagen en e-mails, nagaan welke acties er op projectniveau dienen te worden uitgevoerd.”

6. Verweerder heeft bij eiser een boekenonderzoek uitgevoerd, onder meer naar de aangifte IB/PVV 2010. Het rapport van dit boekenonderzoek is uitgebracht op 22 april 2013.

7. Bij het boekenonderzoek is gebleken dat [Y] in de periode april t/m december 2010 een totaal van 530 uren aan eiser heeft gefactureerd tegen een uurtarief van € 40. Volgens een door eiser opgesteld ‘recapitulerend overzicht’ betreft het in 2010 de volgende werkzaamheden:

Activiteit

Aantal bestede uren

Correspondentie/post/mail

127

Facturatie

34,5

Verzorgen agenda’s

76

Vullen plan 5

25

Aanmaken zaken

28

Reizen

41,5

Opstellen prestatieverklaringen

107,75

Archief

47

Verwerken informatie sheets

43,25

8. Naar aanleiding van het boekenonderzoek heeft verweerder de aanslag IB/PVV 2010 vastgesteld in afwijking van de ingediende aangifte. Dagtekening van de aanslag is 7 juni 2013. Ten opzichte van de aangifte van eiser heeft verweerder de volgende correcties aangebracht:

Aangegeven belastbaar inkomen uit werk en woning € 15.422

- correctie kosten uitbesteed werk + € 23.650

- correctie hypotheekrente woning + € 11.223

- correctie overige kantoorkosten + € 5.502

- correctie autokosten + € 19

- correctie algemene kosten + € 234

- correctie vergoeding algemene kosten + € 5.500

Totaal winstcorrecties € 46.128

Correctie zelfstandigenaftrek - € 2.648

Correctie MKB-winstvrijstelling + € 5.853

Vastgesteld belastbaar inkomen uit werk en woning € 58.345

9. Eiser is tijdig tegen de aanslag IB/PVV 2010 in bezwaar gekomen. In de uitspraak op bezwaar is het belastbaar inkomen van eiser als volgt vastgesteld:

Vastgesteld belastbaar inkomen uit werk en woning

€ 58.345

Bijtelling privégebruik woning

€ 2.990 -

Vergoeding algemene kosten

€ 750 -

Negatieve opbrengst eigen woning

€ 4.347 -

Minder MKB winstvrijstelling

€ 449 +

Vastgesteld belastbaar inkomen uit werk en woning na bezwaar

€ 50.707

10. Verweerder heeft in de beroepsfase het standpunt ingenomen dat het belastbaar inkomen uit werk en woning dient te worden verminderd met een bedrag van € 14 in verband met een lager eigenwoningforfait. De WOZ-waarde per 1 januari 2009 was namelijk € 5.000 (€ 455.000) lager dan waarmee verweerder in de bezwaarfase rekening heeft gehouden.

Geschil

11. In geschil is of de aanslag IB/PVV 2010 tot het juiste bedrag is opgelegd. Meer in het bijzonder is in geschil (samengevat):

- of eiser de vereiste aangifte heeft gedaan en of de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard;

- of verweerder de woning terecht niet tot het ondernemingsvermogen heeft gerekend;

- of verweerder de hypotheek op de woning terecht niet tot het ondernemingsvermogen heeft gerekend;

- of verweerder de kosten van uitbesteed werk (aan [Y] ) terecht niet in aftrek heeft toegelaten;

- of verweerder de aftrek van de overige kantoorkosten van € 5.502 terecht heeft geweigerd;

- of verweerder terecht de aftrek van een vaste kostenvergoeding ten laste van het resultaat heeft gecorrigeerd en

- of de gecorrigeerde autokosten/algemene kosten bij zakelijke etikettering van de woning tot de huisvestingskosten kunnen worden gerekend.

Beoordeling van het geschil

Vermogensetikettering van de woning

12. Op grond van vaste jurisprudentie is voor de vermogensetikettering van vermogensbestanddelen in het algemeen de wil van belanghebbende zoals die in zijn boekhouding of op andere wijze tot uiting is gekomen beslissend, tenzij daardoor de grenzen der redelijkheid worden overschreden (vgl. HR 20 juni 1962, nr. 14819, BNB 1962/272).

13. Partijen verschillen van opvatting ten aanzien van de etikettering van de woning. Vast staat dat in de woning een werkruimte van 49 vierkante meter ten behoeve van de onderneming wordt gebruikt. Daarmee staat vast dat sprake is van gemengd gebruik van de onroerende zaak. De woning behoort daarmee naar het oordeel van de rechtbank tot het keuzevermogen. Bij de start van de onderneming in 2004 heeft eiser de woning volledig tot zijn privé-vermogen gerekend. Indien een belastingplichtige er voor heeft gekozen een vermogensbestanddeel tot zijn privé-vermogen te rekenen, kan hij - behoudens bijzondere omstandigheden - op die keuze niet terugkomen, indien omtrent de aanslag over enig jaar waarop de keuze betrekking had onherroepelijk is beslist (Hoge Raad 26 november 1986, ECLI:NL:HR:1986:AW7822, BNB 1987/26). Eiser heeft gesteld dat sprake is van bijzondere omstandigheden, omdat zijn onderneming sinds 2010 echte levensvatbaarheid heeft gekregen en hij zich er sindsdien dagelijks mee bezighoudt. Volgens eiser rechtvaardigen deze omstandigheden een herziening van de gemaakte keuze. Verweerder heeft de feitelijke juistheid van de gestelde omstandigheden betwist. Volgens verweerder is sprake van een normale groei van de onderneming en was eiser ook voor 2010 hoofdzakelijk met de onderneming bezig. De rechtbank overweegt dat ook vóór 2010 sprake was van een gemengd gebruik van de onroerende zaak. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van zodanig bijzondere omstandigheden dat deze een keuzeherziening kunnen rechtvaardigen. Het voorgaande brengt mee dat eiser de woning in 2010 ten onrechte tot zijn ondernemingsvermogen heeft gerekend en dat verweerder dit terecht heeft gecorrigeerd.

14. Het voorgaande brengt mee dat verweerder terecht de kantoorkosten van € 5.502, de kosten voor de gazonmaaier van € 19 en de algemene kosten van € 234 niet in aftrek heeft toegelaten. Eiser heeft desgevraagd ter zitting verklaard dat de betreffende kosten allemaal samenhangen met uitgaven ten behoeve van de woning. Eiser heeft erkend dat deze kosten niet ten laste van de winst kunnen worden gebracht in het geval de rechtbank van oordeel is dat de woning tot het privévermogen behoort.

15. Nu de woning tot het privévermogen behoort, heeft hetzelfde te gelden voor de daarmee samenhangende financiering. Dit brengt mee dat verweerder de hypotheekrente ad

€ 11.223 terecht niet als ondernemingslast heeft geaccepteerd. Verweerder heeft de helft van de hypoheekrente (€ 5.612) in aanmerking genomen als eigenwoningrente. Eiser heeft gesteld dat, indien de woning tot zijn privé-vermogen moet worden gerekend, hij recht heeft op een aftrek van eigenwoningrente tot een bedrag van € 11.223. De rechtbank overweegt dat de belastbare inkomsten uit eigen woning een gemeenschappelijk inkomensbestanddeel vormen als bedoeld in artikel 2.17, vijfde lid, onder a van de Wet IB 2001. Op grond van het derde lid van dit artikel wordt een gemeenschappelijk inkomensbestanddeel geacht bij eiser en zijn partner elk voor de helft op te komen. In zoverre heeft verweerder terecht de helft van de negatieve inkomsten uit eigen woning bij eiser in aanmerking genomen. Op grond van artikel 2.17, vierde lid, van de Wet IB 2001 kunnen eiser en zijn partner gezamenlijk er voor kiezen deze verhouding te wijzigen. Ondanks het feit dat verweerder hier in het verweerschrift op heeft gewezen is er in het dossier geen gezamenlijk verzoek van eiser en [Y] aanwezig om 100% van de negatieve inkomsten uit eigen woning aan eiser toe te rekenen. In zoverre bestaat er thans geen aanleiding om bij eiser een groter deel van de negatieve inkomsten uit eigen woning in aanmerking te nemen dan bij uitspraak op bezwaar is gedaan. De rechtbank wijst eiser er op dat hij tot het moment waarop deze aanslag onherroepelijk vaststaat alsnog bij verweerder een dergelijk verzoek kan indienen.

In de beroepsfase heeft verweerder naar voren gebracht dat dat hij het eigenwoningforfait tot een te hoog bedrag in aanmerking heeft genomen. Dit leidt volgens verweerder tot een vermindering van het belastbaar inkomen uit werk en woning van € 14. Eiser heeft dit niet weersproken, zodat de rechtbank het belastbaar inkomen met € 14 zal verminderen.

Kosten uitbesteed werk

16. Eiser heeft in 2010 een bedrag van € 23.650 als kosten van uitbesteed werk ten laste van zijn winst gebracht. Het is aan eiser, die dit bedrag ten laste van zijn winst brengt, om bij betwisting door verweerder aannemelijk te maken dat hij in 2010 tot dat bedrag kosten heeft gemaakt. Eiser heeft gesteld dat het kosten betreft voor aan [Y] uitbestede werkzaamheden. Als bewijs heeft eiser diverse facturen van [Y] aan verweerder overgelegd.

17. Verweerder heeft gemotiveerd betwist dat [Y] werkzaamheden voor eiser heeft uitgevoerd. Verweerder heeft daarbij onder meer gewezen op het feit dat [Y] 34,5 uren heeft gedeclareerd voor facturatie, terwijl slechts 15 facturen zijn verstuurd. Dit is niet in verhouding tot het beeld over 2012 waarin 43 uren zijn gedeclareerd voor 120 tot 130 facturen. Bovendien heeft [Y] over 2010 uren voor facturatie gedeclareerd over maanden waarin er geen facturen zijn uitgegaan. Verweerder wijst voorts op een ‘scheve’ verhouding tussen enerzijds het aantal uren dat [Y] bij eiser declareert en anderzijds het aantal uren dat eiser zelf (via [G] ) declareert bij Rijkswaterstaat (RWS), bijvoorbeeld in september 2010. Van de 135,5 uren die eiser bij RWS heeft gedeclareerd zou hij er 100 hebben uitbesteed aan [Y] . Verweerder acht dit niet waarschijnlijk. Bovendien heeft verweerder betwist dat [Y] voldoende kennis van danwel inzicht in de organisatie van RWS heeft om bepaalde werkzaamheden te kunnen doen, zoals de 127 uren die zijn gedeclareerd voor correspondentie/post/mail en 76 uren voor het verzorgen van agenda’s. Verder heeft verweerder er op gewezen dat het onwaarschijnlijk is dat [Y] voor archiveringswerkzaamheden naar de RWS locatie in [R] zou zijn gereisd. Naar het oordeel van de rechtbank ligt het op eisers weg om voor de genoemde onwaarschijnlijkheden een afdoende verklaring te geven. Eiser is hier naar het oordeel van de rechtbank niet in geslaagd. Bovendien heeft eiser geen nader bewijs bijgebracht waaruit zou kunnen worden afgeleid dat [Y] de door haar gedeclareerde werkzaamheden ook daadwerkelijk (allemaal) heeft verricht. Gelet op het voorgaande heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat [Y] in onderhavig jaar het door eiser gestelde aantal uren heeft besteed aan werkzaamheden voor eisers onderneming. Voor zover zou er door [Y] wel enige werkzaamheden zijn verricht, heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat deze de wederzijdse bijstand tussen partners te boven gingen. In dat geval is geen sprake van werkzaamheden in het economisch verkeer. Verweerder heeft daarom naar het oordeel van de rechtbank de kosten voor uitbesteed werk ad € 23.650 terecht niet in aftrek toegelaten.

18. Eiser heeft er op gewezen dat de aanslag IB/PVV van [Y] over het jaar 2010 inmiddels is verminderd. De hierop betrekking hebbende procedure is bij de rechtbank bekend onder nummer AWB 14/1477. Verweerder heeft verklaard dat de vermindering van de aanslag van [Y] om proceseconomische redenen heeft plaatsgevonden. Nog daargelaten dat het handelen van verweerder jegens de ene belastingplichtige niet een te beschermen vertrouwen kan wekken bij een andere belastingplichtige is de rechtbank van oordeel dat het handelen van verweerder ten aanzien van de aanslag IB/PVV 2010 van [Y] niet een uitdrukkelijke standpuntbepaling van verweerder inhoudt dat [Y] als ondernemer aangemerkt kan worden. De rechtbank is van oordeel dat zelfs indien dit wel het geval zou zijn, dit niet aan het hiervoor onder 17. gegeven oordeel kan afdoen.

Vergoeding voor algemene kosten

19. Verweerder heeft een bedrag van € 5.500 niet in aftrek toegelaten omdat hieraan geen bonnen en bescheiden ten grondslag liggen en niet aannemelijk is gemaakt dat het gaat om kosten met een zakelijk karakter. Tegenover de gemotiveerde betwisting door verweerder heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat de genoemde kosten ten laste van zijn winst kunnen worden gebracht. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat het gaat om kosten met het oog op de zakelijke belangen van zijn onderneming en deze bovendien niet met bewijsstukken gestaafd. Bonnen met betrekking tot het jaar 2013 kunnen niet als zodanig dienen.

20. De rechtbank overweegt dat reeds naar normale bewijslastverdelingsregels is vastgesteld dat verweerder terecht correcties heeft aangebracht op het aangegeven belastbaar inkomen uit werk en woning. De rechtbank oordeelt dan ook dat in het midden kan blijven of sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast als bedoeld in artikel 25, zesde lid en artikel 27e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

21. Nu eiser geen afzonderlijke gronden tegen de beschikking heffingsrente heeft aangevoerd, zal de in rekening gebrachte heffingsrente dienen te worden verminderd overeenkomstig de vermindering van de belastingaanslag.

22. Gelet op het overwogene onder 15. dient het beroep gegrond te worden verklaard.

Proceskostenvergoeding

23. Gelet op de omstandigheid dat het beroep slechts vanwege een door verweerder zelf opgemerkte vergissing met betrekking tot het eigenwoningforfait gegrond dient te worden verklaard heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiser geen recht heeft op een proceskostenvergoeding. Als hoofdregel geldt dat, indien een belanghebbende bij de rechtbank in beroep is gekomen, en het bestreden besluit niet in stand kan blijven, het bestuursorgaan in de kosten van het geding voor de rechtbank wordt veroordeeld (vgl. Hoge Raad 20 december 1995, nr. 30 728, ECLI:NL:HR:1995:AA3148). Dit ongeacht of het bestuursorgaan een verwijt kan worden gemaakt (vgl. Hoge Raad 24 augustus 1995, nr. 30 416, ECLI:NL:HR:1995:AA1670). De rechtbank ziet geen aanleiding in het voorliggende geval van die hoofdregel af te wijken. Eiser heeft verzocht om een vergoeding van zijn verletkosten ten bedrage van € 240 (3 uren maal € 80). Verweerder heeft gesteld dit fors te vinden, omdat het uurtarief in 2010 nog € 60 bedroeg. Eiser heeft verklaard dat zijn uurtarief is gestegen en in 2015 boven de € 80 ligt. Verweerder heeft dit niet weersproken, zodat de rechtbank van € 80 zal uitgaan. Gelet op het feit dat eiser in [Z] woonachtig is en gelet op de duur van de zitting beperkt de rechtbank de verletkosten tot € 160 (2 uren maal € 80). Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de belastingaanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 50.693;

- vermindert de beschikking heffingsrente dienovereenkomstig;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 160;

- gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 45 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F. Germs-de Goede, voorzitter, mr. G.H.W. Bodt en mr. J.J. Westerbaan, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S. Kranenbarg, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 13 oktober 2015

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.