Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:6134

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
01-10-2015
Datum publicatie
01-10-2015
Zaaknummer
05/980524-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak voor witwassen en deelneming aan een criminele organisatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/980524-12

Datum uitspraak : 1 oktober 2015

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1967 te [geboorteplaats] , wonende te [adres 1] , [woonplaats] .

Raadsman: mr. H.S. Bugter, advocaat te Bennekom.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen

van 27 november 2014, 19 maart 2015 en 17 september 2015.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 30 juli 2004

tot en met 03 oktober 2012 in de gemeente(n) Arnhem en/of Renkum en/of Overbetuwe, althans in Nederland en/of in Spanje, tezamen en in vereniging met een of meer rechtsperso(o)n(en) en/of een of meer natuurlijk(e) perso(o)n(en), althans alleen,

(telkens) van een voorwerp, te weten euro 199.000,-- en/of euro 80.691,78 en/of een of meer ander(e ) geldbedrag(en) althans een of meer geldbedrag(en), de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing, heeft verborgen en/of verhuld, althans heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op bovenomschreven

voorwerp(en) was of wie bovenomschreven voorwerp(en), voorhanden had, terwijl

hij wist dan wel redelijkerwijs moest vermoeden, dat dat/die voorwerp(en) -

onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit

- het plegen van belastingfraude en/of

- het plegen van valsheid in geschrift,

althans uit enig misdrijf;

en/of

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 30 juli 2004

tot en met 03 oktober 2012 in de gemeente(n) Arnhem en/of Renkum en/of Overbetuwe, althans in Nederland en/of in Spanje, tezamen en in vereniging met een of meer rechtsperso(o)n(en) en/of een of meer natuurlijk(e) perso(o)n(en), althans alleen, (telkens) een voorwerp, te weten euro 199.000,-- en/of euro 80.691,78 en/of een of meer ander(e ) geldbedrag(en) althans een of meer geldbedrag(en), heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of omgezet, althans van een voorwerp, te weten geld, gebruik heeft gemaakt,

terwijl hij wist dan wel redelijkerwijs moest vermoeden, dat bovenomschreven

voorwerp(en) -onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit

- het plegen van belastingfraude en/of

- het plegen van valsheid in geschrift,

althans uit enig misdrijf;

2.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 januari

2002 tot en met 03 oktober 2012 in de gemeente(n) Arnhem en/of Renkum en/of Overbetuwe, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een)

ander(en), heeft deelgenomen aan een organisatie, die gevormd werd door:

- [betrokkene] en/of

- [betrokkene] en/of

- [betrokkene] en/of

- [betrokkene] en/of

- [betrokkene] en/of

- [betrokkene] en/of

- [betrokkene]

en/of een of meer andere (rechts)perso(o)n(en), welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten

- het plegen van valsheid in geschrift en/of

- het plegen van belastingfraude en/of

- het plegen van witwassen;

2 Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Ten aanzien van feit 1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich, samen met anderen, schuldig heeft gemaakt aan het primaire feit. Daartoe heeft hij het volgende betoogd.

Het witwassen bestaat uit het voorhanden hebben van de winstopbrengst van het aan-, en verkochte pand aan de [adres 2] te Arnhem. De valsheid in geschrift (het op de nota van afrekening aan [betrokkene] vermelden van de omschrijving ‘een bedrag van € 80.691,20 kosten derden’, terwijl het in werkelijkheid een winstverdeling betrof) geldt als gronddelict voor het witwassen, omdat deze valsheid erop gericht was om te verhullen wat er werkelijk was gebeurd en zo de winst buiten hun eigen aangiften inkomstenbelasting te houden. De belastingfraude in de vorm van het aangeven van een te laag bedrag voor het successierecht vormde een wezenlijk onderdeel van het plan om het pand goedkoop in handen te krijgen om het daarna met winst te verkopen. Daarmee is een bedrag van € 156.000,-, zijnde het bedrag aan niet aangegeven en betaalde successierechten, als afkomstig uit misdrijf, witgewassen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat het eerste onderdeel van de tenlastelegging nietig is, omdat de termen ‘verhullen’ en ‘verbergen’ niet nader feitelijk zijn omschreven. Onduidelijk is om welke belastingfraude het gaat, wie er heeft gefraudeerd en wat de handelingen waren waaruit het verhullen en/of verbergen voortvloeit.

Inhoudelijk heeft de raadsman verzocht verdachte vrij te spreken van het tenlastegelegde, omdat – kort samengevat – niet bewezen kan worden dat verdachte de werkelijke herkomst, aard, vindplaats van gelden heeft verhuld, verborgen of wat dan ook.

Beoordeling door de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is het eerste onderdeel van de tenlastelegging niet nietig.

De stelling dat de termen ‘verhullen’ en ‘verbergen’ nader feitelijk omschreven dienen te worden, vindt geen steun in het recht (HR 9-9-2008, LJN BD2772).

Gelet op de tenlastelegging in samenhang bezien met de inhoud van het dossier, moet het voor verdachte voldoende duidelijk zijn geweest waartegen hij zich diende te verdedigen.

Voor een bewezenverklaring van dit feit is, ten eerste, nodig dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat een geldbedrag van € 199.000,- en/of van € 80.691,78 dan wel een ander geldbedrag, afkomstig was van het plegen van belastingfraude en/of valsheid in geschrift dan wel van enig ander misdrijf.

Het bedrag van € 199.000,- ziet op de winstopbrengst van [betrokkene] . Hij had de woning destijds immers zelf gekocht voor € 140.000,- en heeft deze later doorverkocht voor

€ 339.000,-. Het bedrag van € 80.691,78 is het bedrag dat op de nota van afrekening aan [betrokkene] vermeld is onder ‘kosten derden’. [betrokkene] had met [betrokkene] de afspraak gemaakt dat [betrokkene] voor de helft zou delen in de winstopbrengst van de verkoop van de woning. Daarmee waren dit kosten die [betrokkene] aan een derde moest betalen. Naar het oordeel van de rechtbank kan de omschrijving ‘kosten derden’ daarmee niet als vals worden bestempeld en is geen sprake van valsheid in geschrift.

Het betoog van de officier van justitie berust op de aanname dat verdachte, samen met anderen, in ieder geval [betrokkene] en [betrokkene] , reeds omstreeks de periode dat de woning voor

€ 75.000,- werd verkocht aan [betrokkene] het plan had opgevat om de woning met winst te kunnen verkopen en deze winst onderling te verdelen. Vlak daarna heeft [betrokkene] immers makelaar [betrokkene] op [betrokkene] afgestuurd en heeft [betrokkene] namens [betrokkene] een bod van € 150.000,- op de woning uitgebracht, waarna [betrokkene] met [betrokkene] en [verdachte] georganiseerd heeft dat het pand voor € 140.000,- van [betrokkene] / [betrokkene] kon worden gekocht. Dit plan kon niet slagen zonder de belastingfraude met het successierecht, want als de juiste waarde vermeld zou zijn in de aangifte, zou volgens de officier van justitie [betrokkene] niet akkoord zijn gegaan en zou de aankoop van het pand voor de veel lagere waarde niet mogelijk zijn geweest.

Hoewel op grond van het dossier vraagtekens gezet kunnen worden bij de rol die verdachte in het geheel gespeeld heeft, vindt de aanname van de officier van justitie dat er reeds in een vroeg stadium bij verdachte en anderen sprake was van een plan om de woning voor een prijs die ver onder de werkelijke waarde lag in handen te krijgen en vervolgens met veel winst te kunnen verkopen en de uiteindelijke winst te kunnen verdelen, naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende steun in het dossier.

Gelet op het voorgaande kan niet wettig en overtuigend bewezen worden dat de in de tenlastelegging genoemde geldbedragen, dan wel een ander geldbedrag, afkomstig zijn van enig misdrijf.

De rechtbank zal verdachte dan ook van dit feit vrijspreken.

Ten aanzien van feit 2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich, samen met anderen, schuldig heeft gemaakt aan dit feit. Volgens de officier van justitie kan bewezen worden dat [betrokkene] samen met [betrokkene] geprobeerd heeft [betrokkene] ervan af te brengen het pand niet voor € 75.000,- aan [betrokkene] te verkopen. Daarna heeft [betrokkene] met [betrokkene] en verdachte georganiseerd dat het pand voor

€ 140.000,- van [betrokkene] / [betrokkene] kon worden gekocht. De winst is weggesluisd via de rekeningen van K. [betrokkene] en de zwager van [betrokkene] . Toen daarna de Belastingdienst belasting hierover wilde gaan heffen, is op het kantoor van verdachte een vals verhaal verzonnen om die aanslagen van tafel te krijgen. Daarmee is sprake van een gerichtheid op het plegen van valsheid in geschrifte, belastingfraude en witwassen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht verdachte van dit feit vrij te spreken nu, - kort samengevat - niet gebleken is van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband tot het plegen van strafbare feiten.

Beoordeling door de rechtbank

Om bewezen te kunnen verklaren dat sprake is van deelneming aan een criminele organisatie, is nodig dat sprake is van een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur, dat tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Uit het dossier volgt geenbetrokkenheid van verdachte bij het door [betrokkene] opzettelijk vermelden van een te lage waarde van de woning in de aangifte voor recht van successie.

Ten aanzien van de bijeenkomst op het kantoor van [verdachte] , waar afspraken zijn gemaakt over het participatie ‘verhaal’ dat naar aanleiding van belastingaanslagen richting de Belastingdienst verteld zou worden en waar ook verdachte en anderen bij aanwezig zijn geweest, geldt dat deze ene bijeenkomst niet gekwalificeerd kan worden als een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank verdachte ook van dit feit vrijspreken.

3 De beslissing

De meervoudige kamer:

 Spreekt verdachte vrij van de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J.H. van Laethem (voorzitter), mr. J.M. Klep en mr. F.M.A. 't Hart, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N. ter Horst, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 1 oktober 2015.