Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:6027

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
29-09-2015
Datum publicatie
02-10-2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 7884
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand ingevolge de WWB; schending inlichtingenplicht; recht niet vast te stellen; onroerend goed in Turkije; taxaties; werkzaamheden garage; schulden.

Verweerder had naar het oordeel van de rechtbank in deze zaak aansluiting moeten zoeken bij de rechtspraak van de CRvB over artikel 58, eerste lid aanhef en onder a, van de Wwb, zoals deze bepaling luidde vóór 1 januari 2013, toen de terugvordering bij schending van de inlichtingenverplichting nog een discretionaire bevoegdheid van verweerder was. Zie de uitspraak van de CRvB van 21 april 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH9423, waarin de CRvB heeft overwogen dat in bepaalde gevallen terugvordering tot uitkomsten kan leiden die voor de betrokkene(n) onevenredig zijn in verhouding tot het doel dat kennelijk met dat beleid wordt beoogd, te weten: het ongedaan maken van de financiële gevolgen van inlichtingenverzuim of van het niet of niet juist verwerken van eerder wel verstrekte gegevens.

Beroep gegrond, verweerder met een nieuw besluit nemen met betrekking tot de terugvordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummers: 14/7884, 15/1937 en 15/2029

uitspraak van de meervoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser], eiser, en [eiseres], eiseres,

te Arnhem,

hierna tezamen: eisers

(gemachtigden: mr. D. Coskun en mr. E. Gürcan),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 29 juli 2014 (het primaire besluit 1) heeft verweerder het recht op bijstand van eisers ingevolge de Wet werk en bijstand (Wwb) met ingang van 1 juni 2014 beëindigd (lees: ingetrokken).

Bij besluit van 30 oktober 2014 (het bestreden besluit 1) heeft verweerder het bezwaar van eisers tegen het primaire besluit 1 ongegrond verklaard.

Bij besluit van 3 oktober 2014 (het primaire besluit 2) heeft verweerder het recht op bijstand van eisers over de periode van 19 november 2001 tot en met 31 mei 2014 ingetrokken en een bedrag van € 220.516,63 aan teveel betaalde bijstand over deze periode van eisers teruggevorderd. Verweerder heeft tevens het kwijtscheldingsbesluit van 2 november 2011 ingetrokken en het terugvorderingsbedrag verhoogd met een bedrag dat was kwijtgescholden, zijnde € 3.277,39.

Bij besluit van 26 februari 2015 (het bestreden besluit 2) heeft verweerder het bezwaar van eisers tegen het primaire besluit 2 ongegrond verklaard.

Bij besluit van 1 december 2014 (het primaire besluit 3) heeft verweerder aan eisers – onder meer onder korting van inkomsten - bijstand toegekend op grond van de Wwb met ingang van 21 augustus 2014.

Bij besluit van 26 februari 2015 (het bestreden besluit 3) heeft verweerder het bezwaar van eisers tegen de korting van de inkomsten in het primaire besluit 3 ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.

De beroepsprocedure inzake de intrekking per 1 juni 2014 is geregistreerd onder zaaknummer 14/7884, inzake de intrekking per 19 november 2001 en de terugvordering onder zaaknummer 15/1937 en inzake de toekenning per 21 augustus 2014 onder zaaknummer 15/2029.

Verweerder heeft in de zaken 15/2029 en 15/1937 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juli 2015. De beroepen zijn gevoegd behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door de gemachtigde mr. D. Coskun. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door W.A.A. van Wees.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

2. Met ingang van 1 januari 2015 is de Wwb gewijzigd in de Participatiewet (Stb. 2014, 270). Ingevolge artikel 78z, vierde lid, van de Participatiewet dient op het onderhavige geschil met toepassing van de Wwb te worden beslist.

3. Eisers ontvangen sedert 16 november 2000, onderbroken door enige korte perioden, bijstand naar de norm voor gehuwden.

De intrekkingen van het recht op bijstand

4. Verweerder heeft aan de intrekkingen van het recht op bijstand bij de bestreden besluiten 1 en 2 ten grondslag gelegd dat eiser op 19 november 2001 eigenaar was van een huis in Turkije ([kadastrale aanduiding 1]) en vanaf 18 juli 2007 van twee stukken grond ([kadastrale aanduiding 2]) in Turkije die dienst doen als akker, waarvan eisers geen mededeling hebben gedaan. Eisers hebben ook geen mededeling gedaan van het feit dat er inkomsten zijn geweest uit akkerbouw. De totale waarde van de onroerende zaken heeft verweerder in maart 2014 vastgesteld op € 20.924,81 (woning € 15.082,30 en de landbouwgronden € 5.852,50). Voorts heeft verweerder aan de intrekking ten grondslag gelegd dat eisers niet aan verweerder hebben doorgegeven dat eiser vanaf 1 januari 2010 tot in ieder geval 17 juni 2014 werkzaamheden heeft verricht in de garage van zijn zoon in Duiven. Volgens verweerder kan het recht op bijstand over de periode van 19 november 2001 tot 1 juni 2014 door ontbrekende informatie niet worden vastgesteld en hebben eisers vanaf 1 juni 2014 geen recht op bijstand vanwege overschrijding van het vrij te laten vermogen dat op 1 juni 2014 € 11.700 bedroeg.

Verweerder heeft zijn besluitvorming gebaseerd op het op ambtseed opgemaakte rapport van T. Hekkers en P. van Egdom, sociaal rechercheurs, van 27 augustus 2014. Het onderzoek van de sociaal rechercheurs heeft plaatsgevonden naar aanleiding van een tweetal anonieme meldingen dat eiser werkte in de garage van zijn zoon en in het bezit is van een woning in Turkije. Het onderzoek naar de waarde van de onroerende zaken is verricht door het Internationaal Bureau Fraude-Informatie en door Gbaand fraudebestrijding buitenland te Nijmegen. De taxatierapporten van 4 en 17 maart 2014, het bijbehorende rapport van 21 maart 2014, alsmede het rapport van J. van het Hof, buitendienstmedewerker Bureau sociale zaken te Ankara van 6 mei 2014, zijn als bijlage gevoegd bij het rapport van 27 augustus 2014.

5. Eiser heeft aangevoerd dat hij door schenking eigenaar is geworden en niet wist dat hij dit moest melden. Hij stelt nooit huurinkomsten uit de onroerende zaken te hebben gehad en dat op de landbouwgronden slechts eenmaal is geoogst en de opbrengst niet opwoog tegen de gemaakte kosten. De waarde van de onroerende zaken in Turkije bedroeg volgens eiser op basis van een in opdracht van hem verrichte taxatie van 21 oktober 2014 € 11.324,04 voor de woning en € 3.484,32 voor de grond. Verweerder heeft volgens eisers niet aannemelijk gemaakt dat de waarde van de woning in de gehele periode vanaf 19 november 2001 boven de grens van het vrij te laten vermogen heeft gelegen. Voorts hebben eisers aangevoerd dat eiser in de in geding zijn periode geen werkzaamheden heeft verricht in de garage van zijn zoon en dat de zoon pas per december 2010 is begonnen met werkzaamheden in de garage. Per 1 juli 2014 is eiser wel werkzaam bij zijn zoon.

6. De rechtbank stelt voorop dat de beide intrekkingsbesluiten op elkaar aansluiten en dat daarmee de te beoordelen periode loopt van 19 november 2001, de ingangsdatum van de intrekking, tot en met 29 juli 2014 (datum van het primaire besluit 1).

7. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat eisers de inlichtingenverplichting hebben geschonden. Zij hebben geen melding gemaakt van het feit dat eiser sedert 22 juli 1999 eigenaar is van een woning met grond en, vanaf 18 juli 2007, van een tweetal stukken landbouwgrond in Turkije met opbrengst uit akkerbouw. Dat eiser, zoals hij stelt, de woning heeft gekregen door schenking neemt niet weg dat hij dit had moeten melden aan verweerder. Ook het feit dat hij, zoals hij stelt, geen winst heeft gemaakt uit de opbrengst uit akkerbouw, maakt niet dat hij de inkomsten uit akkerbouw niet hoefde te melden.

8. Voorts is de rechtbank van oordeel dat uit het rapport van 27 augustus 2014, in het bijzonder de verklaringen van eisers, de waarnemingen in de periode van 7 januari 2013 tot en met 27 februari 2014 en de overige verklaringen in het rapport, genoegzaam blijkt dat eiser in de loop van 2010 op geld waardeerbare werkzaamheden is gaan verrichten in de garage van zijn zoon in Duiven. Verweerder heeft in zijn verweerschrift en ter zitting toegelicht dat als ingangsdatum niet van 1 januari 2010 maar van 1 juni 2010 uitgegaan dient te worden, zijnde de datum van inschrijving van het bedrijf van de zoon in het handelsregister van de Kamer van Koophandel. De rechtbank zal bij de beoordeling van dit onderdeel van het beroep van deze datum uitgaan. Genoemde werkzaamheden zijn van belang voor de beoordeling van het recht op bijstand. Eisers hadden die dan ook moeten melden, ongeacht de intentie waarmee deze zijn verricht en ongeacht of daaruit daadwerkelijk inkomsten zijn genoten, aangezien niet alleen van belang is het inkomen waarover de betrokkene daadwerkelijk de beschikking krijgt, maar ook het inkomen waarover hij redelijkerwijs zou kunnen beschikken. Zie ook de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 8 mei 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW5646.

9. Nu eisers de inlichtingenverplichting hebben geschonden, was verweerder op grond van artikel 54, derde lid, van de Wwb in beginsel gehouden het recht op bijstand in te trekken. Volgens vaste rechtspraak van de CRvB, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 17 juni 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2144, is het dan aan de betrokkene om te stellen en te onderbouwen dat, indien de inlichtingenverplichting wel was nagekomen, toch recht op (aanvullende) bijstand zou hebben bestaan. Eisers zijn in die bewijslast niet geslaagd. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

10. De rechtbank stelt vast dat, ook indien wordt uitgegaan van de taxaties van eisers, de waarde van de onroerende zaken ten tijde van deze taxaties boven de grens van het vrij te laten vermogen ligt. Naar het oordeel van de rechtbank is ook op basis van de taxatierapporten van eisers aannemelijk dat de waarde van de onroerende zaken op 4 en 17 maart 2014, ten tijde van de taxatierapporten van verweerder, al boven de grens van het vrij te laten vermogen lag. Het vorenstaande brengt overigens met zich dat het recht op bijstand van eisers wel is vast te stellen, namelijk dat eisers vanaf 4 maart 2014, in plaats van 1 juni 2014, geen recht op bijstand hadden wegens overschrijding van de grens van het vrij te laten vermogen, genoemd in artikel 34, derde lid, aanhef en onder c van de Wwb dat in maart 2014 € 11.700 bedroeg. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat verweerder ter zitting heeft toegelicht dat het vermogen van eisers ten tijde van 19 november 2001 op nihil was vastgesteld en dat daarna geen mutaties in de vermogensvaststelling hebben plaatsgevonden.

11 Wat de waarde van de woning op 19 november 2001 en de ontwikkeling van de waarde daarna tot aan de taxaties in 2014 was, is vanwege ontbrekende informatie ter zake, onbekend. De verrichte taxaties hebben hierop geen betrekking. Gelet op het onder 9 weergegeven beoordelingskader ligt het op de weg van eisers om met gegevens te komen aan de hand waarvan (de ontwikkeling van) de waarde van de woning vanaf 19 november 2001 kan worden bepaald. Deze gegevens hebben eisers niet verstrekt.

12. Ook zijn de inkomsten uit de opbrengst uit akkerbouw onduidelijk gebleven nu eiser hierover ter hoorzitting alleen heeft verklaard dat hij de akkers slechts één keer heeft ingezaaid, dat hem dat € 700 heeft gekost en dat de uiteindelijke opbrengst € 500 was. Volgens de rechtbank heeft verweerder zich op basis van de informatie uit de taxatierapporten op het standpunt mogen stellen dat van voortdurende akkerbouw kan worden uitgegaan nu daarin is opgenomen dat sprake is van droge akkers waarop niet geïrrigeerde landbouw bedreven wordt en gerst en tarwe worden gezaaid.

13. Ook onbekend is gebleven met welke inkomsten rekening zou moeten worden gehouden vanwege de werkzaamheden van eiser in de garage van zijn zoon, aangezien geen inzicht is verschaft in de omvang van de gewerkte uren en de mogelijke verdiensten daaruit.

14. Eisers hebben in de procedure tegen het bestreden besluit 3 overzichten ingediend, één van 3 december 2014 en twee van 9 oktober 2014 waaruit volgens hun blijkt dat zij schulden bij hun kinderen hebben. Ter zitting is toegelicht dat deze schulden ook betrokken zouden moeten worden bij de vermogensvaststelling die bij de intrekkingsbesluiten heeft plaatsgevonden. Het gaat om bijschrijvingen op de bankrekening van eiser van 8 april 2008 tot en met 18 januari 2013 en van 14 juli 2014 tot en met 26 september 2014, en enkele contante betalingen van 6 januari 2014 tot en met 12 juni 2014. Deze bedragen stelt eiser van zijn kinderen te hebben geleend. Voor zover de bedragen betrekking hebben op betalingen vanaf 29 juli 2014 vallen deze buiten de hier te beoordelen periode. De rechtbank volgt eisers niet in hun standpunt dat de bedragen op de overzichten alsnog als schulden op de waarde van de bezittingen in mindering zouden moeten worden gebracht. Uit de staffelmethode van artikel 34 van de Wwb volgt dat bij aanvang van de bijstand het vrij te laten vermogen wordt vastgesteld en dat op dat moment de bezittingen worden gesaldeerd met de schulden. Nadien kan tijdens een ononderbroken periode van bijstandsverlening het vrij te laten vermogen alleen afnemen bij toename van de bezittingen. Zie ook de uitspraak van de CRvB van 4 mei 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BM5530. Het gaat hier dus niet om schulden die bij de aanvang van de bijstand in aanmerking hadden kunnen worden genomen en uit de systematiek van artikel 34 van de Wwb volgt niet dat tijdens de periode van bijstandsverlening aangegane schulden nog bij het vrij te laten vermogen in aanmerking kunnen worden genomen. Overigens is de rechtbank met verweerder van oordeel dat het feitelijk bestaan van de schulden niet aannemelijk is gemaakt, noch dat gebleken is dat er sprake is van een daadwerkelijke verplichting tot terugbetaling. Zie ook de vaste rechtspraak van de CRvB hierover (CRvB 23 mei 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW6792)

15. Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat verweerder het recht op bijstand gedurende de hier te beoordelen periode op grond van artikel 54, derde lid, van de Wwb terecht heeft ingetrokken. Wel dient de motivering in die zin te worden aangepast dat tot 4 maart 2014 dit is gebeurd omdat het recht op bijstand van eisers door ontbrekende inlichtingen niet is vast te stellen en vanaf 4 maart 2014 (in plaats vanaf 1 juni 2014) eisers geen recht op bijstand hebben vanwege overschrijding van het vermogen. Dit motiveringsgebrek in het bestreden besluit 2 kan met toepassing van artikel 6:22 van de Awb worden gepasseerd nu aannemelijk is dat eisers hierdoor niet zijn benadeeld.

De terugvordering van € 220.516,63

16. Uit het voorgaande volgt dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, van de Wwb wordt voldaan en verweerder gehouden is de teveel betaalde bijstand van eisers terug te vorderen. Verweerder heeft bij de terugvordering van de over de periode van 19 november 2001 tot en met 31 mei 2014 teveel betaalde bijstand geen reden gezien te matigen. Ter zitting heeft verweerder verklaard geen beleid te hebben dat noopt tot matiging.

17. De rechtbank is met eisers van oordeel dat verweerder in dit geval aanleiding had moeten zien om de terugvordering te matigen en overweegt daartoe als volgt.

18. Verweerder had naar het oordeel van de rechtbank in deze zaak aansluiting moeten zoeken bij de rechtspraak van de CRvB over artikel 58, eerste lid aanhef en onder a, van de Wwb, zoals deze bepaling luidde van 1 januari 2004 tot 1 januari 2013, toen de terugvordering bij schending van de inlichtingenverplichting nog een discretionaire bevoegdheid van verweerder was. Zie de uitspraak van de CRvB van 21 april 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH9423, waarin de CRvB heeft overwogen dat in bepaalde gevallen terugvordering tot uitkomsten kan leiden die voor de betrokkene(n) onevenredig zijn in verhouding tot het doel dat kennelijk met dat beleid wordt beoogd, te weten: het ongedaan maken van de financiële gevolgen van inlichtingenverzuim of van het niet of niet juist verwerken van eerder wel verstrekte gegevens. Daarvan zal in situaties van inlichtingenverzuim sprake zijn indien de betrokkene aannemelijk maakt dat over (een gedeelte van) de periode van de terugvordering wel bijstand zou zijn verleend wanneer de door hem voor het verlenen of voortzetten van de bijstand van belang zijnde inlichtingen juist en volledig waren geweest. Uit de temporele werking van wetgeving volgt dat deze rechtspraak in ieder geval ook van belang is als de terugvorderingsperiode (deels) samenvalt met een periode waarvoor voornoemde rechtspraak is ontwikkeld. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 21 april 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AT4358. De rechtbank overweegt voorts dat terugvordering van de ten onrechte verleende bijstand tot doel heeft de voor verweerder nadelige financiële gevolgen van het ten onrechte verstrekken van de uitkering ongedaan te maken. Met dit (reparatoire) uitgangspunt is naar het oordeel van de rechtbank onverenigbaar wanneer verweerder een hoger bedrag aan bijstand terugvordert dan naar alle waarschijnlijkheid ten onrechte aan bijstand is verstrekt. Genoemd uitgangspunt brengt mee dat matiging van de terugvordering ook aan de orde kan zijn indien, zoals hier, sprake is van een verplichte terugvordering bedoeld in artikel 58, eerste lid, Wwb. Hierbij neemt de rechtbank tevens in aanmerking dat de kans op een onevenredigheid is vergroot door de wijziging van de verjaringstermijn voor een situatie als de onderhavige met de invoering van de Wet boeten, maatregelen, terug- en invordering sociale zekerheid (Stb. 1996, 248) op 1 juli 1997 (Stb. 1996, 661), waardoor in plaats van een vervaltermijn van vijf jaar op grond van artikel 87 van de Algemene bijstandswet, een verjaringstermijn van 20 jaar is gaan gelden. Zie voor die wijziging ook CRvB 15 juni 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN0228.

19. In het onderhavige geval ligt aan de terugvordering wegens teveel betaalde bijstand over de periode van 19 november 2001 tot 18 juli 2007 alleen het inlichtingenverzuim ten aanzien van het bezit van de woning in Turkije ten grondslag. De waarde daarvan is door verweerder in maart 2014 vastgesteld op € 15.082,30. Voor de periode van 19 november 2001 tot 18 juli 2007 is niet bekend wat de waarde van de woning is, maar verweerder gaat er niet van uit dat er op enig moment in de periode van terugvordering een hogere marktwaarde is geweest dan de genoemde € 15.082,30. Nu er geen aanknopingspunten zijn om in deze periode van een hoger bedrag aan vermogen uit te gaan dan de genoemde € 15.082,30, waarop nog het vrij te laten vermogen in mindering dient te worden gebracht dat in juli 2007 € 10.490 bedroeg, kon weliswaar het recht op bijstand niet worden vastgesteld, maar kan wel worden vastgesteld dat de financiële gevolgen van het inlichtingenverzuim over deze periode in ieder geval niet meer dan € 4.592,30 bedragen. Verweerder had daar bij de berekening van de terugvordering rekening mee moeten houden.

20. De rechtbank is van oordeel dat er geen reden is voor matiging van de terugvordering voor zover deze betrekking heeft op de periode van 18 juli 2007 tot en met 31 mei 2014. Bepalend daarvoor acht de rechtbank dat eisers geen inzicht hebben gegeven in de (omvang van de) inkomsten uit akkerbouw en ook niet in de omvang en inkomsten uit werkzaamheden die eiser sinds juni 2010 in de garage van zijn zoon verricht zodat ook niet kan worden vastgesteld of de hoogte van de terugvordering in verhouding staat tot de financiële gevolgen van het inlichtingenverzuim.

De intrekking van het kwijtscheldingsbesluit en de terugvordering van € 3.277,39

21. Verweerder heeft aan de intrekking van het kwijtscheldingsbesluit ten grondslag gelegd dat eisers hun inlichtingenverplichting hebben geschonden. In het besluit van 2 november 2011 staat vermeld dat de verleende kwijtschelding vervalt als (later) wordt geconstateerd dat eisers onjuiste inlichtingen hebben verstrekt en dat zij in dat geval het kwijtgescholden bedrag alsnog dienen te voldoen. Verweerder heeft derhalve in redelijkheid het kwijtscheldingsbesluit kunnen intrekken. Dit brengt met zich dat de vorderingen herleven en de terugvordering van het bedrag van € 3.277,39 in stand kan blijven.

Conclusie intrekkingen en terugvordering

22. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep tegen het bestreden besluit 1 ongegrond is. Het beroep tegen het bestreden besluit 2 is gegrond, dat besluit komt voor vernietiging in aanmerking voor zover het de terugvordering van € 220.516,63 betreft. De rechtbank ziet geen mogelijkheden om zelf in de zaak te voorzien, omdat een nieuwe berekening van het terugvorderingsbedrag nodig is. Voorts is er geen aanleiding voor het doen van een tussenuitspraak. Hierbij is van belang dat verweerder in rechtsoverweging 19 voldoende aanwijzingen heeft gekregen voor het nemen van een nieuwe beslissing op bezwaar en eisers met deze uitspraak voldoende duidelijkheid krijgen. Wel zal de rechtbank een termijn stellen waarbinnen verweerder de nieuwe beslissing op bezwaar dient te nemen en deze termijn vaststellen op zes weken na verzending van deze uitspraak.

De toekenning van de bijstand onder korting van inkomsten

23. Verweerder heeft aan het bestreden besluit 3 ten grondslag gelegd dat de bijstand wordt verstrekt met ingang van 21 augustus 2014, zijnde de dag dat eisers zich hebben gemeld voor het doen van een aanvraag, dat de overboekingen van de kinderen als inkomsten worden aangemerkt en dat de bijstand daarmee wordt gekort. Blijkens de bij 14 genoemde stukken gaat het voor de periode vanaf 21 augustus 2014 om een drietal bedragen: € 700 (op 31 augustus 2014 overgemaakt door de jongste zoon [naam zoon]), € 170 (op 26 september 2014 overgemaakt door de jongste zoon) en € 75 (op 26 september 2014 overgemaakt door de dochter [naam dochter]). Dat het daarbij zou gaan om leningen is niet aannemelijk geworden, aldus verweerder.

24. Eiser heeft aangevoerd dat de overboekingen van [naam zoon] leningen betreffen, waarvoor deze een studentenkrediet heeft moeten afsluiten en dat verweerder deze stortingen ten onrechte als inkomsten heeft aangemerkt. De leningen heeft eiser moeten afsluiten omdat hij (aanvankelijk) geen bijstand kreeg en deze voor zijn levensonderhoud nodig had.

25. De rechtbank is van oordeel dat de betalingen door de kinderen dienen te worden aangemerkt als middelen als bedoeld in artikel 31, eerste lid, van de Wwb. Voorts is geen sprake van niet in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in artikel 31, tweede lid, van de Wwb. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat de middelen moeten worden aangemerkt als inkomen als bedoeld in artikel 32 van de Wwb. Uit de door eisers overgelegde overzichten blijkt het periodieke karakter van de betalingen. Voorts hebben eisers verklaard de gelden te gebruiken voor hun levensonderhoud. De omstandigheid dat eisers stellen dat zij de bij 24 genoemde bedragen hebben geleend in afwachting van de toekenning van de bijstand, zou van belang kunnen zijn in het geval daadwerkelijk sprake zou zijn van een geldlening met dat doel. Daarvan is niet gebleken. Onder verwijzing naar de bij 14 aangehaalde vaste rechtspraak van de CRvB overweegt de rechtbank dat ook bij de onderhavige bedragen het feitelijk bestaan van een schuld niet aannemelijk is gemaakt. Ter zitting heeft eiser verklaard dat de bedragen ook (nog) niet zijn terugbetaald ook al is inmiddels de bijstand tot uitbetaling gekomen.

26. Uit het voorgaande volgt dat het beroep tegen het bestreden besluit 3 ongegrond is.

Proceskosten

27. De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de door eisers in beroep tegen het bestreden besluit 2 gemaakte proceskosten ten bedrage van € 980 (één punt voor het beroepschrift en één punt voor de zitting, € 490 per punt en wegingsfactor 1) aan kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken. Tevens dient verweerder het betaalde griffierecht te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit 2 gegrond,

- vernietigt het bestreden besluit 2, voor zover dat ziet op de terugvordering van de bijstand tot een bedrag van € 220.516,63;

- bepaalt dat verweerder binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten ten bedrage van € 980;

- bepaalt dat verweerder het door eisers betaalde griffierecht ten bedrage van € 45 aan hen vergoedt;

- verklaart de beroepen tegen de bestreden besluiten 1 en 3 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.W. van Osch - Leysma, voorzitter, mr. H.J. Klein Egelink en mr. T. A. Willems-Dijkstra, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.W.M. Litjens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

Griffier

Voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.