Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:5951

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
10-09-2015
Datum publicatie
07-10-2015
Zaaknummer
AWB - 15 _ 2011
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CBB:2017:399, Overig
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bestuurlijke boetes wegens overschrijding van de gebruiksnorm dierlijke meststoffen en van de fosfaatgebruiksnorm voor meststoffen, welke overschrijdingen overtredingen opleveren van het verbod als bedoeld in artikel 7, gelezen in samenhang met artikel 8, onderdelen a en c, van de Meststoffenwet (hierna: Msw).

Naar het oordeel van de rechtbank moet het hobbymatig houden van paarden worden aangemerkt als “veehouderij” en dus als landbouw in de zin van artikel 1, eerste lid, aanhef en onderdeel g van de Msw.

Tevens sprake van “bedrijf” in de zin van artikel 1, eerste lid, aanhef en onderdeel i van de Msw. Uit de definitie volgt niet dat winstoogmerk een vereiste is om als bedrijf te worden aangemerkt.

Rechtbank matigt de boete met 50 %. Omstandigheden die daarbij van belang worden geacht zijn, het niet hebben van economisch voordeel, tegen de achtergrond van het hobbymatige karakter van de landbouwactiviteiten van eiser, first offender, het verlenen van alle medewerking bij de controle, zodat verweerder op eenvoudige wijze de overtreding heeft kunnen vaststellen. Eiser heeft ook nimmer de overschrijdingen van de normen betwist. Voorts heeft eiser van meet af aan aangegeven en ook nog eens ter zitting verklaard dat hij bereid is de overschrijding te compenseren door in de komende jaren in het geheel geen mest op het grasland te (doen) brengen.

Wetsverwijzingen
Meststoffenwet
Meststoffenwet 7
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2015/275 met annotatie van D. van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 15/2011

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser], eiser,

en

de staatssecretaris van Economische Zaken te Zwolle, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 26 september 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser bestuurlijke boetes van in totaal € 4.646,50 opgelegd, te weten een boete van € 2.870 wegens overschrijding van de gebruiksnorm dierlijke meststoffen en van € 1.776,50 wegens overschrijding van de fosfaatgebruiksnorm voor meststoffen, welke overschrijdingen overtredingen opleveren van het verbod als bedoeld in artikel 7, gelezen in samenhang met artikel 8, onderdelen a en c, van de Meststoffenwet (hierna: Msw).

Bij besluit van 19 maart 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 augustus 2015. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. van Essen, werkzaam bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiser heeft 4.90 hectare grasland in gebruik. De voor eiser geldende gebruiksnorm dierlijke meststoffen en fosfaatgebruiksnorm bedragen op basis hiervan respectievelijk 833 en 417 kg.

2. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat eiser in het kalenderjaar 2013 de voor hem geldende norm voor dierlijke meststoffen heeft overschreden met 410 kg stikstof en de fosfaatgebruiksnorm met 323 kg, uitgaande van een gebruik van dierlijke meststoffen van 1.243 kg en een fosfaatgebruik van 724 kg in dat jaar. Met toepassing van de artikelen 51 en 57, eerste lid, van de Msw heeft verweerder aan eiser daarom boetes van

€ 2.870 (410 x € 7) en van € 1.776,50 (323 x € 5,50) opgelegd.

3. Eiser betwist niet dat in 2013 de gebruiksnormen dierlijke meststoffen en fosfaat zijn overschreden met respectievelijk 410 en 323 kg. Eiser stelt zich echter op het standpunt dat sprake is van bijzondere omstandigheden op basis waarvan de boete zou moeten worden verlaagd. Daartoe heeft eiser aangevoerd dat hij geen agrarisch ondernemer is en dus geen bedrijf met een winstoogmerk voert, maar dat hij een particulier is die hobbymatig paarden houdt. Eiser heeft op verzoek van een varkenshouder in het kader van goed nabuurschap varkens-, waaronder zeugenmest (met een hoog fosfaatgehalte) op zijn land gebracht via een loonwerker, zonder daarvoor een vergoeding te ontvangen. Eiser had geen kennis met betrekking tot de Msw, zodat hij op de kennis en goede trouw van de leverancier en de loonwerker is afgegaan.

Verweerder heeft zich hierover op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden die een matiging van de opgelegde boetes rechtvaardigen.

4. De rechtbank stelt voorop dat ook het hobbymatig houden van paarden is aan te merken als “veehouderij” en dus als landbouw in de zin van artikel 1, eerste lid, aanhef en onderdeel g van de Msw. Het begrip “bedrijf” moet ruim worden uitgelegd, nu in artikel 1, eerste lid, aanhef en onderdeel i van de Msw is bepaald dat onder “bedrijf” wordt verstaan, het geheel van productie-eenheden bestaande uit één of meer gebouwen of afgescheiden gedeelten daarvan en de daarbij behorende landbouwgrond, uitsluitend of onder meer dienende tot de uitoefening van enige vorm van landbouw, zulks beoordeeld naar de feitelijke omstandigheden. Eiser heeft grasland en houdt paarden die mest produceren. Naar het oordeel van de rechtbank kan deze activiteit worden gezien als enige vorm van landbouw. Uit de definitie volgt niet dat winstoogmerk een vereiste is om als bedrijf te worden aangemerkt. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 14 april 2015 (ECLI:NL:RBGEL:2015:2430).

Uit het voorgaande volgt dat verweerder, nu vaststaat dat de gebruiksnormen zijn overschreden, op grond van artikel 51 van de Msw bevoegd was aan eiser een boete op te leggen.

Ten aanzien van de hoogte van de opgelegde boete overweegt de rechtbank dat verweerder deze heeft bepaald met toepassing van de boetenormen van artikel 57 van de Msw. Beoordeeld moet worden of de boete in het concrete geval evenredig is, gelet op de aard en ernst van de geconstateerde overtreding, de mate waarin deze aan de overtreder worden verweten en, zonodig, de omstandigheden waaronder de overtreding is begaan. De omstandigheden die daarbij een rol kunnen spelen, zijn die omstandigheden waarmee de wetgever niet reeds bij de vaststelling van het boetebedrag rekening heeft gehouden (zie onder meer de uitspraak van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven (CBB) van 10 april 2015, ECLI:NL:CBB:2015:129).

5. De rechtbank is van oordeel dat eiser bij de afname van mest die op of in de bodem wordt gebracht een eigen verantwoordelijkheid heeft. Niet met vrucht kan worden gezegd dat het niet op de hoogte zijn van de bepalingen van de Msw een reden zou moeten zijn om geen of een gematigde boete op te leggen. Van eiser had verwacht mogen worden dat hij zich ervan had vergewist wat de gevolgen zouden kunnen zijn van het (doen) brengen van de mest op zijn grasland. Nu eiser dat niet heeft gedaan, kan niet worden gezegd dat eiser in het geheel geen verwijt kan worden gemaakt. Dat eiser, naar hij stelt te goeder trouw is geweest, doet aan het voorgaande niet af. Dat geldt evenzeer voor het betoog van eiser dat hij niet opzettelijk de Msw heeft overtreden, omdat opzet geen bestanddeel is van de overtreden voorschriften. De rechtbank verwijst naar de uitspraken van het CBB van 29 oktober 2014, ECLI:NL:CBB:2014:395 en van 10 april 2015, ECLI:NL:CBB:2015:129.

6. Eiser heeft in het kader van zijn beroep tot matiging van de boete verder betoogd dat hij geen economisch voordeel heeft gehad van het op het land (doen) brengen van de mest. Eiser heeft in 2013 twee vrachten mest ontvangen, afkomstig van een buurman (varkenshouder), die door een loonwerker in het kader van goed nabuurschap op het grasland is gebracht.

Hoewel het niet hebben van economisch voordeel op zichzelf geen grond is tot matiging van de boete (zie onder meer de uitspraak van het CBB van 29 oktober 2014, ECLI:NL:CBB:2014:391), ziet de rechtbank in die omstandigheid, bezien in samenhang met de overige omstandigheden waaronder de overtredingen zijn begaan, aanleiding de opgelegde boete te matigen.

Daartoe wordt overwogen dat verweerder niet betwist dat eiser geen vergoeding heeft gekregen voor het afnemen van de mest en dat de gemachtigde van verweerder ter zitting desgevraagd heeft toegelicht dat het enige economisch voordeel dat zou kunnen zijn genoten, zou kunnen bestaan uit een hogere grasopbrengst van het land.

Naar het oordeel van de rechtbank is dit, zeker tegen de achtergrond van het hobbymatige karakter van de landbouwactiviteiten van eiser, onvoldoende te rijmen met het in het bestreden besluit door verweerder ingenomen standpunt dat de situatie van eiser op één lijn is te stellen met die van andere afnemers, zoals akkerbouwbedrijven, die tegen vergoeding mest van andere bedrijven afnemen, omdat die hun mest “kwijt” moeten. Dit laat onverlet, de gedachte van de wetgever bij de vaststelling van de hoogte van de boetes, namelijk dat deze een afschrikwekkende werking moeten hebben, gericht op enerzijds het voorkomen dat leveranciers hun mestoverschot op onverantwoorde wijze afzetten en anderzijds het voorkomen van milieuschade door overschrijding van de gebruiksnormen door mestafnemers/-gebruikers en dat hiertussen geen onderscheid wordt gemaakt.

Daarnaast acht de rechtbank van belang dat eiser voor de eerste keer de bepalingen van de Msw heeft overtreden en bij de controle alle medewerking heeft verleend, zodat verweerder op eenvoudige wijze de overtreding heeft kunnen vaststellen. Eiser heeft ook nimmer de overschrijdingen van de normen betwist.

Voorts heeft eiser van meet af aan aangegeven en ook nog eens ter zitting verklaard dat hij bereid is de overschrijding te compenseren door in de komende jaren in het geheel geen mest op het grasland te (doen) brengen.

Tegen de achtergrond van het gegeven dat eiser alleen paarden houdt voor zijn hobby, en de meeste paardenmest wordt afgevoerd, hetgeen verweerder niet heeft bestreden, maken de genoemde omstandigheden in onderlinge samenhang bezien naar het oordeel van de rechtbank dat de opgelegde boetes van in totaal € 4.646,50 niet in verhouding staan tot de ernst en verwijtbaarheid van de overtreding. De rechtbank acht een matiging van 50 % van de boete passend en geboden.

Een verdergaande matiging acht de rechtbank niet geboden, gelet op hetgeen is overwogen bij rechtsoverweging 5.

7. Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat het bestreden besluit moet worden vernietigd wegens strijdigheid met artikel 5:46, tweede lid, van de Awb.

Het beroep is gegrond.

Gelet op het bepaalde in artikel 8:72a van de Awb stelt de rechtbank de hoogte van de boete vast op € 2.323,25. De rechtbank zal bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats zal treden van het te vernietigen besluit.

8. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

9. Door eiser zijn geen proceskosten gevorderd, de rechtbank is hiervan ook niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    herroept het primaire besluit, voor zover verweerder daarin aan eiser boetes van in totaal € 4.646,50 heeft opgelegd;

  • -

    stelt de door eiser aan verweerder verschuldigde boetes vast op een totaalbedrag van € 2.323,25;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

  • -

    gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht groot € 167 aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. M.W. Bolzoni, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.