Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:5913

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
02-07-2015
Datum publicatie
18-09-2015
Zaaknummer
283457
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Erfdienstbaarheid.

Veroordeling om een aantal obstakels van een inrit te verwijderen, op straffe van een dwangsom.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/283457 / KG ZA 15-236 / 17 / 1042

Vonnis in kort geding van 2 juli 2015

in de zaak van

1 [eiser 1]

wonende te Barneveld,

2. [eiser 2],

wonende te Barneveld,

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

advocaat mr. B.M. Breedijk te Amsterdam,

tegen

[gedaagde],

wonende te Barneveld,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. Tj.P. Grünbauer te Ede.

Partijen zullen hierna [eisers] c.s. en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties 1 tot en met 12

  • -

    de brief van de zijde van [gedaagde] van 15 juni 2105 met producties 13 tot en met 17

  • -

    de brief van de zijde van [eisers] c.s. van 17 juni 2015

  • -

    de brief van de zijde van [gedaagde] van 17 juni 2015 met productie 18 en tevens inhoudende een eis in reconventie

  • -

    het e-mailbericht van de zijde van [gedaagde] 18 juni 2015, waarin makelaar G. Kap een aantal vragen van [gedaagde] beantwoordt

  • -

    de mondelinge behandeling

  • -

    de pleitnota van [eisers] c.s.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eisers] c.s. wonen aan [adres] te Barneveld. Zij hebben de woning gekocht van de erven van [naam] (hierna: de erven [naam] ), die de woning verkregen in de nalatenschap van [naam] (hierna: [naam] ).

2.2.

[gedaagde] woont aan [adres 2] te Barneveld en is eigenaar van een perceel grond dat grenst aan de [adres]

2.3.

[naam] heeft in het verleden een persoonlijk gebruiksrecht verkregen op een strook grond die in eigendom toebehoort aan [gedaagde] . Via die strook grond kon [naam] toegang verkrijgen tot zijn eigen erf. [naam] heeft de betreffende strook grond bestraat. In de overeenkomst betreffende het persoonlijk gebruiksrecht is opgenomen dat het gebruiksrecht geldig is zolang [gedaagde] en [naam] beide op hun percelen woonachtig zijn.

2.4.

Op 9 mei 2012 is [naam] overleden. Het persoonlijk gebruiksrecht is daarmee geëindigd. Om het perceel [adres] verkoopbaar te maken zijn de erven [naam] met [gedaagde] overeengekomen dat op de strook grond een recht van erfdienstbaarheid zou worden gevestigd tegen betaling van een bedrag van € 20.000,00 aan [gedaagde] . Dit bedrag werd betaald door de erven [naam] en de eigenaren van perceel [adres 3] , die op die manier eveneens toegang tot hun eigen perceel konden verkrijgen. [gedaagde] heeft overleg gehad met makelaar G. Kap over de omvang van de erfdienstbaarheid.

2.5.

In de loop van 2012 hebben [eisers] c.s. de woning aan de [adres] gekocht van de erven [naam] . De akte van levering is gepasseerd op 2 november 2012 en vermeldt ten aanzien van de door de erven [naam] gevestigde erfdienstbaarheid:

Tevens wordt te dezen nog uitdrukkelijk verwezen naar een akte van vestiging erfdienstbaarheid van uitweg, houdende kwijting voor de betaling van de geldelijke tegenprestatie, mede op heden voor mij, notaris, verleden, (…), waarin woordelijk het volgende staat vermeld, waarbij met “het hiervoor sub 2.a vermelde erf” en “het dienende erf” wordt bedoeld het perceel [adres 2] (aangeduid als Partij 2) en met “het hiervoor sub 2.b vermelde erf” en “het heersende erf” wordt bedoeld het perceel [adres] (aangeduid als Partij 1), te weten:

(…)

OMSCHRIJVING ERFDIENSTBAARHEID

Partijen verklaren bij dezen te vestigen ten behoeve van het heersende erf en ten laste van het dienende erf de erfdienstbaarheid van uitweg om te komen van en te gaan naar de openbare weg, genaamd Gelkenhorsterweg, zoals schetsmatig is aangegeven op de aan deze akte gehechte situatietekening.

Bepalingen

Ter zake van deze erfdienstbaarheden gelden de volgende bepalingen.

a. De erfdienstbaarheid loopt over de bestaande asfaltweg op het perceel van Partij 2.

b. De erfdienstbaarheid eindigt vijftien (15) strekkende meter gemeten vanaf de zuidoostelijke hoek van het perceel van Partij 1. De erfdienstbaarheid eindigt derhalve vijftien (15) strekkende meter westelijk van bedoelde zuidoostelijke hoek. Eén en ander is schetsmatig aangegeven op voormelde situatietekening.

c. Partij 1 of diens rechtsopvolger zal zelf zorgdragen voor een deugdelijke aansluiting van de oprit aan de genoemde asfaltweg van Partij 2. Onder de betreffende aansluiting dient altijd een duiker te zijn/worden aangebracht in de bestaande sloot, zodat de afwatering niet wordt verstoord.

d. De huidige oprit op het perceel van Partij 1 ligt haaks op de genoemde asfaltweg. Partij 1 of diens rechtsopvolger zal voor een voldoende brede aansluiting van de oprit aan de asfaltweg zorgen, mede door aan beide zijden van deze aansluiting te werken met een afgeschuinde (diagonale) hoek van de bestrating, zodat zowel het inrijden als het uitrijden voldoende royaal kan plaatsvinden.

e. Het gebruikelijke onderhoud van het gezamenlijk te gebruiken weggedeelte komt voor rekening van Partij 1 en Partij 2, dan wel hun rechtsopvolgers, ieder voor vijftig procent (50%).

f. Schade aan het gezamenlijk te gebruiken weggedeelte, bijvoorbeeld door zwaar transport/verkeer ten behoeve van sloop- of bouwaktiviteiten etcetera, komt volledig voor rekening van de betreffende partij.

g. Uitdrukkelijk wordt bepaald dat Partij 1 of diens rechtsopvolger het gezamenlijk te gebruiken weggedeelte niet als parkeerruimte, parkeerplaats of stallingsruimte zal gebruiken. Het recht is uitsluitend bedoeld om te komen van en te gaan naar de [adres]

De hiervoor vermelde bepalingen worden bij dezen, voor zover nodig en nog toepasselijk, door Verkoper aan Koper opgelegd, die deze bepalingen aanvaardt. Verkoper neemt de uit de hiervoor omschreven bepalingen voortvloeiende verbintenissen bedongen ten behoeve van belanghebbende(n) voor deze(n) aan.

2.6.

Op het perceel van [gedaagde] is een hondenkennel gevestigd. Op enig moment hebben [eisers] c.s. aan de gemeente Barneveld een verzoek gedaan om tot handhaving over te gaan omdat zij overlast ondervonden van de kennel. De gemeente heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake was van commerciële exploitatie aan de zijde van [gedaagde] , waardoor er geen grondslag was tot handhaving. De door [eisers] c.s. in dat kader vervolgens gevraagde voorlopige voorziening is door de bestuursrechter afgewezen.

2.7.

Op 26 november 2014 heeft [gedaagde] de brievenbus van [eisers] c.s. verwijderd en trottoirbanden op de in- en uitrit van [eisers] c.s. gelegd. Ook zijn op enig moment betonblokken geplaatst aan beide zijden van de in- en uitrit van [eisers] c.s. en palen. De eerder door [eisers] c.s. gelegde rijplaten heeft [gedaagde] opgestapeld en overdwars op de in- en uitrit gelegd.

2.8.

Onder de in- en uitrit die [eisers] c.s. uit hoofde van de gevestigde erfdienstbaarheid gebruiken is een duiker gelegen. Aan deze duiker heeft [gedaagde] op 29 juni 2012 werkzaamheden laten verrichten. Daarbij is de duiker 1,5 meter in de richting van het erf van [gedaagde] geplaatst. Recentelijk hebben [eisers] c.s. andermaal werkzaamheden aan de duiker verricht. Daarbij is de duiker ongeveer 30 centimeter dieper gelegd dan voorheen het geval was.

2.9.

Aan de rechterzijde (oostzijde) en aan de voorzijde van het perceel van [eisers] c.s. is een houtwal geplaatst.

2.10.

[eisers] c.s hebben bij hun in- en uitrit camera’s geplaatst. [gedaagde] heeft meerdere malen in de richting van die camera’s en de woonkamer van [eisers] c.s. geschenen.

2.11.

Bij beschikking van 19 mei 2015 heeft de gemeente aan [gedaagde] een last onder dwangsom opgelegd. Op grond van die beschikking moeten de hondenfokkerij van [gedaagde] en alle daarmee samenhangende activiteiten vóór 1 december 2015 worden gestaakt. Deze beschikking is nog niet onherroepelijk.

3 Het geschil in conventie

3.1.

[eisers] c.s. vorderen – samengevat – dat [gedaagde] :

I. wordt veroordeeld om binnen 24 uur na betekening van het te wijzen vonnis alle zich op de inrit van [eisers] c.s. bevindende obstakels, zoals zichtbaar op de foto’s in productie 3 bij de dagvaarding en ingetekend op de tekening (productie 7 bij de dagvaarding) te verwijderen op straffe van een dwangsom van € 5.000,00 voor elke dag of dagdeel dat [gedaagde] daarmee in gebreke blijft en verwijderd te houden, met een maximum van € 100.000,00;

II. wordt veroordeeld om te gehengen en gedogen dat [eisers] c.s. de inrit naar hun woning inrichten,

primair: overeenkomstig de op productie 9 bij de dagvaarding weergegeven situatie, zodanig dat de inrit voldoende royaal is, zodanig dat deze toegang kan bieden aan een brandweerwagen;

subsidiair: overeenkomstig de op productie 4 ingetekende situatie, te weten in overeenstemming met de situatie, zoals die bestond ten tijde van vestiging van de erfdienstbaarheid;

primair en subsidiair: een en ander op straffe van een dwangsom van

€ 5.000,00 voor elke dag of dagdeel dat [gedaagde] daarmee in gebreke blijft, met een maximum van € 100.000,00;

III. wordt veroordeeld om zich te onthouden van gedragingen waardoor er vanaf de weg met een lichtbron wordt geschenen op het erf en in de woning van [eisers] c.s. op straffe van een dwangsom van € 5.000,00 voor elke keer dat [gedaagde] handelt in strijd met dit verbod, met een maximum van € 100.000,00;

IV. wordt veroordeeld in de kosten van het geding, te vermeerderen met de wettelijke rente wanneer niet binnen veertien dagen na betekening van het te wijzen vonnis is betaald, alsmede in de nakosten.

3.2.

[gedaagde] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 Het geschil in reconventie

4.1.

[gedaagde] vordert – samengevat – dat [eisers] c.s.:

I. worden veroordeeld om binnen twee maanden na betekening van het te wijzen vonnis de onder de inrit aangebrachte duiker 1,5 meter naar rechts te verplaatsen en 15 centimeter hoger aan te brengen dan thans het geval is;

II. worden veroordeeld om de beplantingen die zich binnen twee meter van de erfgrens bevinden binnen twee maanden na het te wijzen vonnis te verwijderen c.q. (voor wat betreft de wilgen) deze tweejaarlijks te onderhouden;

III. voor zover zij niet aan het onder I en/of II gevorderde voldoen, hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van een dwangsom van € 5.000,00 voor elke dag of dagdeel dat [eisers] c.s. in gebreke blijven met de naleving daarvan, met een maximum van € 100.000,00;

IV. hoofdelijk worden veroordeeld in de kosten van het geding, te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten als niet binnen veertien dagen na betekening van het te wijzen vonnis is betaald, alsmede in de nakosten.

4.2.

[eisers] c.s. voeren verweer.

4.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 De beoordeling

In conventie en in reconventie

5.1.

Het spoedeisend belang van de vorderingen over en weer volgt uit de stellingen van partijen.

In conventie

5.2.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij de beoordeling van de vordering in conventie de inhoud van de erfdienstbaarheid zoals die is opgenomen in de akte van levering van 2 november 2012 (hierna: de akte) van belang is. Bij de uitleg van die akte komt het aan op de in de akte tot uitdrukking gebrachte partijbedoeling die moet worden afgeleid uit de in deze akte gebezigde bewoordingen, uit te leggen naar objectieve maatstaven in het licht van de gehele inhoud van de akte.

5.3.

De akte geeft voor de bepaling van de omvang van de erfdienstbaarheid als aanknopingspunten dat het in- en uitrijden van de oprit van, thans, [eisers] c.s., voldoende royaal dient te kunnen plaatsvinden. Voorts is vermeld dat de erfdienstbaarheid eindigt vijftien strekkende meter gemeten vanuit de zuidoostelijke hoek van het perceel van [gedaagde] , derhalve vijftien meter westelijk van voornoemde zuidoostelijke hoek. De akte verwijst naar een aan die akte gehechte situatietekening. Op die tekening is zichtbaar dat de oprit naar de woning van [eisers] c.s. aan beide kanten schuin uitwaaiert in de richting van de asfaltweg die naar de woning van [gedaagde] loopt. [eisers] c.s. hebben ter terechtzitting in dit verband betoogd dat de hoek van die schuine uitwaaiering aan de zijde van [gedaagde] minder schuin is dan in de richting van de [adres] [gedaagde] heeft dit betwist en zich bovendien op het standpunt gesteld dat de hoeken aan beide kanten even schuin lopen en dat de hoek aan de zijde van zijn erf vanzelf ontstaat wanneer een afstand van vijftien meter wordt gemeten vanaf de zuidoostelijke hoek van zijn perceel. Volgens [gedaagde] volgt daaruit dat de hoeken aan beide kanten van de in- en uitrit van [eisers] c.s. even groot dienen te zijn. De voorzieningenrechter is, voorshands oordelend, enerzijds van oordeel dat in de tekst van de akte en de tekening onvoldoende aanknopingspunten gevonden kunnen worden voor het standpunt van [eisers] c.s. dat de hoek aan de zijde van [gedaagde] kleiner dient te zijn en de hoek aan de zijde van de Gelkenhorsterweg groter. De ingetekende hoeken verschillen niet dusdanig dat een dergelijke bedoeling uit de akte kan worden afgeleid. Anderzijds geldt dat ook met betrekking tot het standpunt van [gedaagde] , te weten dat de hoek van de in- en uitrit aan beide zijden gelijk is omdat een bepaalde schuinte dwingend wordt opgelegd doordat de erfdienstbaarheid dient te eindigen vijftien strekkende meter gemeten vanaf de zuidoostelijke hoek van zijn perceel. Nergens blijkt immers uit dat die afstand alleen is voorgeschreven teneinde die hoek te bepalen. En als dat al zo zou zijn dan is daarmee nog niets gezegd over de andere hoek.

5.4.

De akte vermeldt ten aanzien van de omvang van de erfdienstbaarheid wel dat deze aldus dient te zijn dat het in- en uitrijden naar perceel [adres] “voldoende royaal” kan plaatsvinden. De voorzieningenrechter gaat er vanuit dat met “voldoende royaal” wordt gedoeld op een in- en uitrit die geschikt is voor normaal gebruik van een woning als de onderhavige, zonder hinderlijke belemmeringen.

5.5.

Voorshands is vast komen te staan dat [eisers] c.s. onder het regime van gevestigde erfdienstbaarheid aanvankelijk een voldoende ruime uitgang hebben gehad. Die uitgang is op enig moment door [gedaagde] geblokkeerd door het plaatsen van betonblokken en andere obstakels, nadat [eisers] c.s. in het kader van het bestemmingsplan waren opgekomen tegen de aanwezigheid van de hondenkennel op het erf van [gedaagde] . Ter terechtzitting heeft [gedaagde] medegedeeld dat het juist is dat hij vanaf dat moment ook ‘precies’ is geworden waar het aankomt op de omvang van de erfdienstbaarheid van [eisers] c.s. De erfdienstbaarheid werd aanvankelijk uitgeoefend over een grotere breedte dan het geval was nadat [gedaagde] betonblokken en andere obstakels had geplaatst op de in- en uitrit van [eisers] c.s. Het aanvankelijke, ruimere, gebruik werd door partijen tot die tijd kennelijk gezien als normale uitoefening van de erfdienstbaarheid. Dit leidt tot de slotsom dat [gedaagde] de obstakels die hij op de in- en uitrit richting [eisers] c.s. heeft geplaatst aan de zijde van de Gelkenhorsterweg dient te verwijderen. De obstakels die op de oprit aan de zijde van de sloot, richting het erf van [gedaagde] , zijn geplaatst mogen daar blijven liggen, omdat de oprit met behoud van die obstakels normaal kan worden gebruikt. [eisers] c.s. kunnen immers een ruime bocht maken van en naar de in- en uitrit in de richting van de [adres] Het in- en uitrijden kan daarmee tevens voldoende royaal plaatsvinden. Het in conventie onder I gevorderde is in voormelde zin toewijsbaar.

5.6.

Ten aanzien van de vordering onder II primair hebben [eisers] c.s. betoogd dat [gedaagde] dient te gehengen en gedogen dat [eisers] c.s. hun oprit inrichten overeenkomstig de op productie 9 weergegeven situatie, zodanig dat de inrit “voldoende royaal” is en deze laatste term ingevuld dient te worden aan de hand van de publiekrechtelijke norm uit artikel 6.37 van het Bouwbesluit. [gedaagde] heeft als verweer aangevoerd dat het Bouwbesluit niet van toepassing is en dat, als de voorzieningenrechter oordeelt dat het Bouwbesluit wel van toepassing is, artikel 6.37 lid 1 op grond van artikel 6.37 lid 2 niet van toepassing is, omdat het perceel van [eisers] c.s. kleiner is dan 1.000 m².

5.7.

Artikel 6.37 van het Bouwbesluit 2012 bepaalt:

1. Tussen de openbare weg en ten minste een toegang van een bouwwerk voor het verblijven van personen ligt een verbindingsweg die geschikt is voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.

2. Het eerste lid is niet van toepassing:

- op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m² en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m², bepaald volgens NEN 6090;

- op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m²;

- op een lichte industriefunctie uitsluitend voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m², bepaald volgens NEN 6090;

- indien de toegang tot het bouwwerk op ten hoogste 10 meter van een openbare weg ligt, of

- indien de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk naar het oordeel van het bevoegd gezag geen verbindingsweg als bedoeld in het eerste lid vereist.

5.8.

[eisers] c.s. hebben niet betwist dat hun perceel kleiner is dan 1.000 m². Reeds daarom kunnen zij geen aanspraak maken op een uitrit die voldoet aan artikel 6.37 van het Bouwbesluit. Overigens brengt ook de term “voldoende royaal” dat niet mee. De vordering van [eisers] c.s. wordt in zoverre dan ook afgewezen.

5.9.

Wat betreft de vordering onder II subsidiair van [eisers] c.s., inhoudende dat [gedaagde] dient te gehengen en gedogen dat [eisers] c.s. hun in- en uitrit inrichten overeenkomstig de tekening die als productie 4 is overgelegd, geldt het volgende. In de akte is niet opgenomen dat partijen beogen om met de vestiging van de erfdienstbaarheid de bestaande situatie in te perken ten opzichte van de toentertijd bestaande feitelijke situatie en het voordien bestaande feitelijk gebruik. [gedaagde] heeft bovendien onvoldoende betwist dat de situatie zoals die bestond ten tijde van de vestiging van de erfdienstbaarheid afwijkt van de situatie zoals die is weergegeven op de tekening die is opgenomen in productie 4. De vordering van [eisers] c.s. is in zoverre toewijsbaar. Nu hiervóór is geoordeeld dat de obstakels op de in- en uitrit van [eisers] c.s. niet hoeven te worden verwijderd aan de zijde van de sloot die loopt in de richting van het perceel van [gedaagde] , wordt de vordering van [eisers] c.s. slechts toegewezen voor zover het betreft de in- en uitrit aan de zijde van de Gelkenhorsterweg en niet aan de zijde die grenst aan het perceel van [gedaagde] . Dit brengt met zich dat [eisers] c.s. hun in- en uitrit conform de tekening die als productie 4 is overgelegd mogen inrichten voor zover het de in- en uitrit betreft aan de zijde van de [adres]

5.10.

Aan voornoemde veroordelingen zal een dwangsom worden verbonden. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om de door [eisers] c.s. gevorderde dwangsom te beperken tot een bedrag van € 500,00 per dag(deel) dat [gedaagde] niet aan de hiervoor genoemde veroordelingen voldoet, met een maximum van € 10.000,00.

5.11.

Ten aanzien van het in conventie onder III gevorderde geldt dat [gedaagde] ter terechtzitting heeft toegezegd dat hij niet meer met een (zak)lamp in de richting van het erf van [eisers] c.s. zal schijnen wanneer dat niet absoluut noodzakelijk is. Daarmee is, voorshands geoordeeld, geen sprake meer van een reële dreiging van het gestelde onrechtmatige handelen, zodat die vordering dient te worden afgewezen.

5.12.

Nu partijen in conventie over en weer in het ongelijk zijn gesteld zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

In reconventie

5.13.

[gedaagde] heeft zich ten aanzien van zijn vordering in reconventie op het standpunt gesteld dat [eisers] c.s. de duiker zodanig naar beneden hebben verplaatst dat de duiker op dit moment te laag ligt en de sloot dichtslibt. [eisers] c.s. hebben betwist dat dit het geval is en onderbouwd waarom zij de duiker op de huidige diepte hebben geplaatst. Voorshands is niet zonder meer gebleken dat de sloot dichtslibt en dat dit het gevolg is van het op onjuiste wijze verplaatsen van de duiker door [eisers] c.s.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat een deskundigenbericht daarin eventueel klaarheid zou kunnen brengen. De procedure in kort geding leent zich echter niet voor het verrichten van een dergelijk onderzoek zodat de vordering van [gedaagde] in zoverre niet toewijsbaar is.

[gedaagde] heeft voorts betoogd dat de duiker eerder al, vóór [eisers] c.s. eigenaren waren van het perceel aan [adres] , te weten op 29 juni 2012, 1,5 meter is verplaatst in de richting van de sloot. De duiker zou door de loonwerker nog worden teruggeplaatst, maar dat is nooit gebeurd en daarom dienen [eisers] c.s. dat te doen, aldus [gedaagde] . De voorzieningenrechter ziet niet in waarom een dergelijke verplichting nu op [eisers] c.s. zou rusten. Een rechtsgrondslag wordt daarvoor niet gegeven. Vordering I is in zoverre dus ook niet toewijsbaar.

5.14.

Ten aanzien van de vordering van [gedaagde] onder II, inhoudende dat de houtwal verwijderd dient te worden omdat er in strijd met artikel 5:42 lid 1 BW bomen te dicht bij de erfgrens staan, is onvoldoende duidelijk gesteld welke boom of bomen zich binnen twee meter van zijn erfgrens bevinden en verwijderd dienen te worden. [eisers] c.s. hebben in dit verband bovendien als verweer aangevoerd dat sprake is van een plaatselijke gewoonte als bedoeld in artikel 5:42 lid 2 BW om bomen binnen twee meter van de erfgrens te planten. [gedaagde] heeft betwist dat van een dergelijke plaatselijke gewoonte sprake is. Gelet daarop is op dat punt nadere bewijslevering nodig. De procedure in kort geding leent zich daarvoor echter niet, zodat de vordering van [gedaagde] in zoverre niet toewijsbaar is.

Voor zover de vordering onder II erop ziet dat [eisers] c.s. de in de sloot staande wilgen tweejaarlijks dienen te onderhouden geldt dat een wettelijke grondslag voor die vordering ontbreekt. Bovendien is ter terechtzitting gebleken dat de betreffende wilgen buiten de afrastering van [eisers] c.s. staan en in de sloot waarvan [gedaagde] heeft gesteld dat deze geheel zijn eigendom is. Voorshands geoordeeld valt ook daarom niet in te zien waarom [gedaagde] in dat geval niet zelf het onderhoud aan de wilgen kan uitvoeren en [eisers] c.s. tot het verrichten van dat onderhoud zouden moeten veroordeeld. De vordering onder II van [gedaagde] is in dat verband om die reden evenmin voor toewijzing vatbaar.

5.15.

[gedaagde] zal als de in reconventie in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eisers] c.s. worden begroot op:

- salaris advocaat € 408,00 (factor 0,5 × tarief € 816,00)

Totaal € 408,00

6 De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie

6.1.

gebiedt [gedaagde] om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis de zich op de inrit van [eisers] bevindende obstakels, zoals zichtbaar op de foto’s (productie 3) en ingetekend op de tekening (productie 7) te verwijderen, met dien verstande dat dit uitsluitend de zijde van die inrit betreft die is gelegen aan de kant van de Gelkenhorsterweg en niet de zijde in de richting van het erf van [gedaagde] ,

6.2.

gebiedt [gedaagde] om te gehengen en te gedogen dat [eisers] c.s. de inrit naar hun woning inrichten overeenkomstig de op productie 4 ingetekende situatie, te weten in overeenstemming met de situatie zoals die bestond ten tijde van vestiging van de erfdienstbaarheid, met dien verstande dat dit uitsluitend de zijde van die inrit betreft die is gelegen aan de kant van de Gelkenhorsterweg en niet de zijde van de inrit in de richting van het erf van [gedaagde] ,

6.3.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eisers] c.s. een dwangsom te betalen van € 500,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij niet aan de in 6.1. en 6.2. uitgesproken veroordelingen voldoet, tot een maximum van € 10.000,00 is bereikt,

6.4.

verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

6.5.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

6.6.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

6.7.

wijst de vorderingen af,

6.8.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eisers] c.s. tot op heden begroot op € 408,00,

6.9.

verklaart dit vonnis in reconventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.J. van Acht en in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2015.

Coll: LV