Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:5861

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
30-07-2015
Datum publicatie
24-09-2015
Zaaknummer
AWB - 15 _ 1353
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak.

Evenementenvergunningen voor Aalten Dagen 2014 en het Volksfeest 2014, te Aalten.

Geluidsnormen.

Overlast.

Eisers hebben zich primair op het standpunt gesteld dat de vergunningen niet hadden mogen worden verleend en subsidiair dat ook een norm van 80 dB(A) te hoog is. Daartoe hebben eisers aangevoerd dat zij als gevolg van de vergunde evenementen op de onderhavige locatie, op enkele meters van de woning, ernstige hinder ondervinden, die onaanvaardbare aantasting van de woon- en leefsituatie in de directe omgeving tot gevolg heeft en schadelijk is voor de gezondheid van eisers. Eisers hebben ter onderbouwing van hun standpunt dat er ook bij een geluidsniveau van 80 dB(A) sprake is van onduldbare hinder, gewezen op de “Nota evenementen met een luidruchtig karakter” van de Inspectie Milieuhygiëne Limburg van januari 1996 (hierna: Nota).

Voor evenementen met een luidruchtig karakter bestaan, anders dan voor inrichtingen in de zin van artikel 1.1, vierde lid, van de Wet milieubeheer, geen landelijk geldende geluidsnormen. Wat aanvaardbaar wordt geacht is ter beoordeling van het lokale gezag, dat belast is met het verlenen van vergunningen en ontheffingen. De rechtbank kan de door het lokale gezag gemaakte afweging met betrekking tot het geluidsniveau dat aanvaardbaar wordt geacht slechts marginaal toetsen.

De rechtbank stelt voorop dat de geluidsnormen uit de Geluidsverordening als zeer ruim kunnen worden gekenschetst. Bij het maximaal toegestane geluidsniveau, volgens artikel 5 van de Geluidsverordening gemeten zonder strafcorrectie voor muziekgeluid, is in zijn algemeenheid al een behoorlijke mate van hinder te verwachten.

Hoewel aan verweerder een aanzienlijke beleidsvrijheid toekomt ten aanzien van de concrete geluidsnormen in vergunningen als de onderhavige, geldt naar het oordeel van de rechtbank niettemin voor beide evenementen de uiterste grens dat verweerder een evenementenvergunning in redelijkheid slechts kan verlenen als er geen sprake is van onduldbare hinder voor belanghebbenden die in de directe omgeving wonen.

Het is de rechtbank uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting niet gebleken dat aan het verbinden van de geluidsnormen aan de bestreden vergunningen een onderzoek ten grondslag heeft gelegen naar de vraag wat onder deze omstandigheden aan overlast voor omwonenden nog toelaatbaar is.

Onder deze omstandigheden is het voor de rechtbank niet inzichtelijk waarom met de thans aan de vergunningen verbonden maximale geluidsnormen in de gegeven omstandigheden op deze locatie geen sprake is van onduldbare hinder.

De bestreden besluiten dienen te worden vernietigd wegens strijd met het bepaalde in de artikelen 3:2, 3:4 en 7:12, eerste lid, van de Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Horeca 2015/2654
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 15/1353 en AWB 15/2618

tussenuitspraak van de meervoudige kamer van

in de zaken tussen

[eiser] en [eiseres], tezamen eisers

(gemachtigde: mr. P.J.G. Poels),

en

de Burgemeester van de gemeente Aalten te Aalten, verweerder.

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Malle Babbel v.o.f. te Aalten.

Procesverloop

Bij besluit van 17 juni 2014 (verder: het primaire besluit I) heeft verweerder aan de derde-partij vergunning verleend voor het houden van een evenement tijdens de Aalten Dagen 2014, gehouden op 31 juli, 7 augustus, 14 augustus, 21 augustus en 28 augustus 2014.

Bij besluit van 27 januari 2015 (verder: het bestreden besluit I) heeft verweerder, in afwijking van het advies van de Commissie bezwaarschriften van de gemeente Aalten (verder: de Commissie) van 29 oktober 2014 het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit I beroep ingesteld. Dit beroep is bij de rechtbank geregistreerd onder nummer 15/2618.

Bij besluit van 17 juli 2014 (verder: het primaire besluit II) heeft verweerder aan de derde-partij (verder: de vergunninghouder) vergunning verleend voor het houden van een evenement tijdens het Volksfeest 2014, gehouden op 18 tot en met 21 september 2014.

Bij besluit van eveneens 27 januari 2015 (verder: het bestreden besluit II) heeft verweerder het bezwaar van eisers, in overeenstemming met het advies van de Commissie van 29 oktober 2014, gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het primaire besluit II herroepen voor zover het de aan de vergunning van 17 juli 2014 verbonden geluidsnorm betreft.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit II beroep ingesteld. Dit beroep is bij de rechtbank geregistreerd onder nummer 15/1353.

Verweerder heeft met betrekking tot beide beroepen een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de behandeling van beide zaken gevoegd. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juli 2015. Van de zijde van eisers is [eiseres] verschenen, bijgestaan door mr. Poels. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door P.H.T. Ikink, werkzaam bij de gemeente Aalten. De vergunninghouder is niet verschenen.

Overwegingen

Ontvankelijkheid

1. De rechtbank ziet aanleiding ambtshalve te onderzoeken of het door eiser tegen het bestreden besluit I ingestelde beroep ontvankelijk is.

Ingevolge artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan geen beroep bij de bestuursrechter worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen bezwaar heeft gemaakt.

De rechtbank constateert dat op 30 juni 2014 een bezwaarschrift is ingediend tegen het primaire besluit I. Dit bezwaarschrift is ingediend en ondertekend door eiseres. Uit het bezwaarschrift blijkt op geen enkele wijze dat dit mede is ingediend door eiser. Dat eiseres in het bezwaarschrift in de ‘wij-vorm’ spreekt is daartoe naar het oordeel van de rechtbank niet afdoende. De rechtbank constateert dan ook dat eiser geen bezwaar heeft ingediend tegen het primaire besluit I en dat het beroep tegen het bestreden besluit I voor zover ingediend door eiser om die reden niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Inhoudelijk

2. De rechtbank gaat, voor zover hier van belang, uit van de volgende feiten.

De vergunninghouder heeft, evenals in 2013, vergunningen aangevraagd voor het organiseren van een evenement voor café Malle Babbel, gelegen in het centrum van Aalten, tijdens het Volksfeest en tijdens de Aalten Dagen. Beide evenementen zullen worden gehouden op het vóór het café gelegen terrein dat als evenemententerrein is aangewezen. De woning van eisers is direct aan de rand van dit terrein gelegen.

Aan beide vergunningen zijn de in de Geluidsverordening evenementen en horeca Aalten 2014 (hierna: Geluidsverordening) opgenomen maximaal toegestane geluidsniveaus verbonden. Met betrekking tot de verleende vergunning voor het Volksfeest hebben eisers de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft in zijn uitspraak van 5 september 2014 overwogen dat het zonder nadere motivering van verweerder niet inzichtelijk is waarom geen nadere begrenzing van het maximale geluidsniveau dat aan de vergunning is verbonden, heeft plaatsgevonden. Hij heeft evenwel de vergunning niet geschorst, daarbij rekening houdende met de omstandigheid dat het gemeentebestuur het evenement met een duur van vier dagen heeft willen faciliteren en dat aannemelijk is geworden dat de vergunninghouder in verband daarmee aanzienlijke investeringen zal hebben gedaan, maar aan de vergunning, bij wijze van ordemaatregel, ter voorkoming van onevenredige geluidsoverlast voor eisers, het voorschrift verbonden dat gedurende het gehele evenement de geluidsbelasting (LAeq) door versterkte muziek op de gevel van de woning van eisers de 80 dB(A) of 95 dB(C) niet mag overschrijden, zoals ook de voorzieningenrechter bij uitspraak van 10 september 2013 heeft gedaan met betrekking tot de verstrekte vergunning voor dit evenement van 12 tot en met 15 september 2013.

In het bestreden besluit II heeft verweerder, een aantal in het besluit genoemde omstandigheden in aanmerking nemend, gesteld dat de belangen van eisers hadden moeten prevaleren en dat aan de evenementenvergunning, conform de uitspaak van de voorzieningenrechter, op grond van artikel 1.4, eerste lid, van de Algemene plaatselijke verordening van de gemeente Aalten (hierna: APV) het voorschrift had moeten worden opgenomen dat de geluidsnorm van 80 dB(A) niet mag worden overschreden. In het bestreden besluit I heeft verweerder het advies van de Commissie om de aan de vergunning verbonden geluidsnormen tijdens de Aalten Dagen eveneens op maximaal 80 dB(A) te stellen, niet gevolgd. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het bij de Aalten Dagen, anders dan bij het Volksfeest dat vier aaneengesloten dagen betreft, gaat om één evenement per week, gedurende vijf weken. Om die reden acht verweerder de hinder voor de omgeving aanvaardbaar.

3. Eisers hebben zich primair op het standpunt gesteld dat de vergunningen niet hadden mogen worden verleend en subsidiair dat ook een norm van 80 dB(A) te hoog is. Daartoe hebben eisers aangevoerd dat zij als gevolg van de vergunde evenementen op de onderhavige locatie, op enkele meters van de woning, ernstige hinder ondervinden, die onaanvaardbare aantasting van de woon- en leefsituatie in de directe omgeving tot gevolg heeft en schadelijk is voor de gezondheid van eisers. Eisers hebben ter onderbouwing van hun standpunt dat er ook bij een geluidsniveau van 80 dB(A) sprake is van onduldbare hinder, gewezen op de “Nota evenementen met een luidruchtig karakter” van de Inspectie Milieuhygiëne Limburg van januari 1996 (hierna: Nota).

Verder hebben eisers aangevoerd dat hun woning tijdens deze evenementen nauwelijks bereikbaar is, en helemaal niet bereikbaar is voor hulpdiensten.

4. Ingevolge artikel 2.25, eerste lid, eerste volzin, van de APV, is het verboden zonder vergunning of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een grootschalig evenement te organiseren.

Ingevolge artikel 2.25, zesde lid, van de APV kunnen de evenementen als bedoeld in de leden 1, 2 en 5 plaatsvinden op:

• zondag tussen 13.00 en 24.00 uur;

• maandag tot en met donderdag tussen 08.00 en 24.00 uur;

• vrijdag en zaterdag tussen 08.00 en 01.00 uur.

Ingevolge het zevende lid van artikel 2.25, voor zover hier van belang, kan de vergunning als bedoeld in het eerste lid worden geweigerd in het belang van:

a. de openbare orde;

b. het voorkomen of beperken van overlast;

c. de verkeersveiligheid of de veiligheid van personen of goederen;

d. de zedelijkheid of gezondheid.

Ingevolge artikel 1.4, eerste lid, van de APV kunnen aan een vergunning of ontheffing voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist.

Ingevolge artikel 2.25, tiende lid, van de APV is de burgemeester bevoegd nadere regels te stellen voor het organiseren van evenementen als bedoeld in dit artikel (Evenementenbeleid). Daartoe is de Evenementennota Aalten 2013 opgesteld. In deze nota wordt voor de normering van het geluidsniveau van evenementen verwezen naar een door de gemeenteraad vastgestelde geluidsverordening. Ten tijde van de bestreden besluiten was de Geluidsverordening in werking getreden.

5. Uit de Geluidsverordening volgt dat de normen van het Activiteitenbesluit milieubeheer niet van toepassing zijn op collectieve feestdagen. Volgens de artikelen 3 en 6 van de Geluidsverordening geldt er op een collectieve feestdag voor de periode tussen 12.00 uur en 20.00 uur een maximaal geluidsniveau (LAeq op 1 meter vóór de gevel van geluidsgevoelige gebouwen op 1,5 m hoogte) van 95dB(A) of 108 dB(C).

Voor de periode tussen 20.00 en 24.00 uur geldt op een collectieve feestdag een maximaal geluidsniveau (LAeq op 1 meter vóór de gevel van geluidsgevoelige gebouwen op 1,5 m hoogte) van 90dB(A) of 103 dB(C).

Voor de periode tussen 00.00 en 02.00 uur geldt op een collectieve feestdag een maximaal geluidsniveau (LAeq op 1 meter vóór de gevel van geluidsgevoelige gebouwen op 1,5 m hoogte) van 85 dB(A) of 98 dB(C).

6. Vast staat dat 31 juli, 7 augustus, 14 augustus, 21 augustus en 28 augustus 2014 en 18 tot en met 21 september 2014 in Aalten aangewezen zijn als collectieve feestdagen.

7. Met gebruikmaking van de evenementenvergunningen kan op een buitenpodium bij café Malle Babbel (live) muziek ten gehore worden gebracht op donderdag 18 september van 19.00 tot 24.00, vrijdag 19 september van 19.00 tot 01.00 uur, zaterdag 20 september van 13.00 tot 24.00 uur en zondag 21 september van 13.00 uur tot 18.00 uur en gedurende de dagen van de Aalten Dagen van 14.00 uur tot 24.00 uur.

8. De rechtbank overweegt dat de Geluidsverordening door de gemeenteraad is vastgesteld, met gebruikmaking van de bevoegdheid uit artikel 2.21, tweede lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer en met als doel om met de in de Geluidsverordening opgenomen normen de geluidsoverlast op collectieve feestdagen in te perken.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat in de gemeente Aalten, mede met het oog op het bevorderen van sociale binding, een bruisend uitgaansleven wordt nagestreefd, waarin evenementen als het onderhavige goed passen. De gemeenteraad heeft de geluidsnormen voor evenementen als het onderhavige welbewust heel ruim vastgesteld om de levendigheid en de gemeenschapszin in de gemeente te bevorderen, aldus verweerder. Om dezelfde reden heeft verweerder aan evenementenvergunningen ook telkens de maximale geluidsnormen verbonden.

9. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder bij het beoordelen van een aanvraag om een evenementenvergunning niet gehouden om steeds het in de Geluidsverordening opgenomen maximale geluidsniveau toe te staan. Het staat verweerder bij het verlenen van een evenementenvergunning vrij om met het oog op de in artikel 2.25 van de APV genoemde belangen, met toepassing van artikel 1.4, eerste lid, van de APV strengere geluidsvoorschriften aan zo’n vergunning te verbinden dan het maximum dat de Geluidsverordening toelaat. Of daartoe voor verweerder aanleiding kan bestaan is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Met name de situatie ter plaatse, de duur van het evenement en de frequentie waarmee op de betreffende locatie evenementen worden gehouden kunnen daarbij een rol spelen.

In het bestreden besluit II heeft verweerder de geluidsnorm nader vastgesteld op 80 dB(A). In het bestreden besluit I heeft verweerder zich echter op het standpunt gesteld dat daartoe, nu de Aalten Dagen anders dan het Volksfeest geen evenement van meerdere aaneengesloten dagen vormt, geen aanleiding bestaat, en deze norm gehandhaafd op de maximale normen zoals opgenomen in de Geluidsverordening. Ter zitting heeft verweerder nog aangevoerd dat hierbij in aanmerking is genomen dat omwonenden na iedere donderdag van de Aalten Dagen een week de tijd hebben om van de eventueel door het evenement veroorzaakte overlast te herstellen.

10. De rechtbank acht door eisers voldoende aannemelijk gemaakt dat de in de Geluidsverordening opgenomen geluidsnormen bij hen voor forse geluidshinder zal zorgen. Daarbij is in aanmerking genomen dat de woning van eisers niet zodanig is geïsoleerd dat het geluid op de gevel daardoor binnen de woning in een meer dan gebruikelijke mate wordt gereduceerd. Eerder is waarschijnlijk dat de isolatie van de woning, die een monumentenstatus heeft, minder dan gebruikelijk is. Verder is in aanmerking genomen dat de woning van eisers direct aan de rand van het evenementengebied is gesitueerd.

Verder dient in aanmerking te worden genomen dat het hier gaat om twee evenementen, één op vier aaneengesloten dagen en één op vijf opvolgende donderdagen, waarop deze ruime geluidsnormen gelden. Beide evenementen volgen bovendien kort op elkaar. Voorts wordt in aanmerking genomen dat verweerder twaalf dagen in het jaar heeft aangewezen als collectieve feestdagen waarop de (ruime) normen uit de Geluidsverordening gelden en dat, zoals door verweerder ter zitting is aangegeven, vergunninghouder ook op de overige collectieve feestdagen, waarop de bestreden besluiten niet zien, vaak luidruchtige festiviteiten organiseert.

Dat sprake is van forse geluidshinder is tussen partijen niet in geschil. Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank het onderscheid dat verweerder maakt tussen het (aaneengesloten meerdaagse) Volksfeest en de Aalten Dagen dan ook niet houdbaar.

11. Voor evenementen met een luidruchtig karakter bestaan, anders dan voor inrichtingen in de zin van artikel 1.1, vierde lid, van de Wet milieubeheer, geen landelijk geldende geluidsnormen. Wat aanvaardbaar wordt geacht is ter beoordeling van het lokale gezag, dat belast is met het verlenen van vergunningen en ontheffingen. De rechtbank kan de door het lokale gezag gemaakte afweging met betrekking tot het geluidsniveau dat aanvaardbaar wordt geacht slechts marginaal toetsen.

De rechtbank stelt voorop dat de geluidsnormen uit de Geluidsverordening als zeer ruim kunnen worden gekenschetst. Bij het maximaal toegestane geluidsniveau, volgens artikel 5 van de Geluidsverordening gemeten zonder strafcorrectie voor muziekgeluid, is in zijn algemeenheid al een behoorlijke mate van hinder te verwachten.

Hoewel aan verweerder een aanzienlijke beleidsvrijheid toekomt ten aanzien van de concrete geluidsnormen in vergunningen als de onderhavige, geldt naar het oordeel van de rechtbank niettemin voor beide evenementen de uiterste grens dat verweerder een evenementenvergunning in redelijkheid slechts kan verlenen als er geen sprake is van onduldbare hinder voor belanghebbenden die in de directe omgeving wonen.

12. Eisers hebben in beroep gewezen op de Nota. De Nota beoogt criteria te geven die bestuursorganen kunnen gebruiken bij de belangenafweging met betrekking tot aanvragen voor evenementenvergunningen.

In de Nota is aangegeven dat, rekening houdend met een gemiddelde gevelisolatie van 20 à 25 dB(A), om de grens van het optreden van “onduldbare hinder” niet te overschrijden, moet worden uitgegaan van een maximaal equivalent geluidsniveau (LAeq) op de gevel van woningen overdag en ’s avonds van 70 à 75 dB(A) en ’s nachts van 65 à 70 dB(A). Indien ook getoetst wordt aan slaapverstoring dient volgens de Nota voor de nachtperiode een lagere norm voor onduldbare hinder te worden aangehouden. Deze normen moeten, bij betere of mindere isolatie, naar boven c.q. naar beneden worden bijgesteld.

13. Het is de rechtbank uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting niet gebleken dat aan het verbinden van de geluidsnormen aan de bestreden vergunningen een onderzoek ten grondslag heeft gelegen naar de vraag wat onder deze omstandigheden aan overlast voor omwonenden nog toelaatbaar is.

De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat namens verweerder ter zitting weliswaar is toegelicht dat de normen in de Geluidsverordening zijn opgenomen nadat de gemeenteraad advies had ingewonnen bij de GGD, maar dat dit advies, als dat al schriftelijk is uitgebracht, niet als gedingstuk is ingebracht en dat evenmin duidelijk is geworden wat de GGD heeft geadviseerd. Voorts is ter zitting namens verweerder medegedeeld dat de Nota hem bekend is, maar dat de gemeenteraad daar bij het vaststellen van de Geluidsverordening niet mee uit de voeten kon. Verder is niet gebleken dat verweerder bij het verlenen van de vergunningen en het nemen van de bestreden besluiten zelf onderzoek heeft verricht of heeft laten verrichten naar de vraag welke geluidsnormen in deze concrete gevallen nog kunnen worden opgelegd zonder dat dit in de woning van eisers tot onduldbare hinder leidt. De rechtbank merkt daarbij nog op dat verweerder zich bij de aanpassing van de geluidsnorm voor het Volksfeest in besluit II kennelijk alleen heeft gericht op de geluidsnorm die de voorzieningenrechter, bij wijze van ordemaatregel, aan zijn uitspraak van 5 september 2014 heeft verbonden. Ook is, blijkens het verhandelde ter zitting, geen gebruik gemaakt van het aanbod van de zijde van eiseres om tijdens het (de) evenement(en) in de woning te komen meten en te ervaren aan welke geluidsniveaus men in de woning wordt blootgesteld.

Onder deze omstandigheden is het voor de rechtbank niet inzichtelijk waarom met de thans aan de vergunningen verbonden maximale geluidsnormen in de gegeven omstandigheden op deze locatie geen sprake is van onduldbare hinder.

De bestreden besluiten dienen te worden vernietigd wegens strijd met het bepaalde in de artikelen 3:2, 3:4 en 7:12, eerste lid, van de Awb.

Conclusies

14. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering, hetzij, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit. Om het gebrek te herstellen moet verweerder in dit geval door een onafhankelijk ter zake kundig bureau onderzoek laten verrichten naar de vraag tot welke geluidsnorm bij evenementen op deze locatie, en gegeven de specifieke omstandigheden van het geval, zoals de ligging van de woning van eisers aan het evenemententerrein, de mate van isolatie van die woning, de inrichting van het terrein, het gegeven dat beide evenementen relatief kort na elkaar plaatsvinden en het feit dat ter plaatse op twaalf collectieve feestdagen evenementen kunnen plaatsvinden, de overlast voor eisers nog duldbaar kan worden geacht.

De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen verweerder het gebrek kan herstellen op zes weken na verzending van deze tussenuitspraak.

15. Als verweerder geen gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen, moet hij dat op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb èn om nodeloze vertraging te voorkomen binnen een week na verzending van de uitspraak meedelen aan de rechtbank. Als verweerder wel gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eisers en derde-partij in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van verweerder. In beide gevallen en in de situatie dat verweerder de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank in beginsel zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.

Maakt verweerder geen gebruik van de gelegenheid het gebrek te herstellen of antwoordt hij niet binnen de hierboven gestelde termijn van een week, dan zal de rechtbank het geschil zo veel mogelijk definitief beslechten.

16. Eisers hebben ook beroepsgronden aangevoerd die zien op de bereikbaarheid van hun woning tijdens de evenementen, maar de rechtbank zal deze, gelet op het bovenstaande, thans niet bespreken.

17. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    heropent het onderzoek;

  • -

    stelt verweerder in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;

  • -

    houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van der Linde, voorzitter, mr. R.J. Jue en mr. R.J.B. Schutgens, rechters, in tegenwoordigheid van R. van Diest, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de einduitspraak in deze zaak.