Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:5808

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
15-09-2015
Datum publicatie
15-09-2015
Zaaknummer
05/880353-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Gelderland heeft een 30-jarige man uit Tricht veroordeeld tot drie jaren gevangenisstraf en tbs met dwangverpleging wegens het plegen van doodslag op zijn moeder. Daarbij is rekening gehouden met sterk verminderde toerekeningsvatbaarheid van de man ten tijde van het plegen van dit delict.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/880353-14

Datum uitspraak : 15 september 2015

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] , wonende te [adres 1]

thans gedetineerd te P.I. [adres 2]

raadsman : mr. M.M.J. Nuijten, advocaat te Haarlem.

raadsvrouw : mr. B. Roodveldt, advocaat te Haarlem.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 1 september 2015.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 1 tot en met 2 mei 2014 te Tricht, gemeente

Geldermalsen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer]

van het leven heeft beroofd, hierin bestaande dat verdachte en/of verdachtes

mededader(s) opzettelijk na kalm beraad en rustig overleg, althans na een

(kort) tevoren genomen besluit, die [slachtoffer] met een mes, althans met enig

scherp voorwerp, hebben/heeft gestoken en/of gesneden, ten gevolge waarvan die

[slachtoffer] is overleden;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij in of omstreeks de periode van 1 tot en met 2 mei 2014 te Tricht, gemeente

Geldermalsen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft

beroofd, hierin bestaande dat verdachte en/of verdachtes mededader(s)

opzettelijk die [slachtoffer] met een mes, althans met enig scherp voorwerp,

hebben/heeft gestoken en/of gesneden, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] is

overleden;

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 1 mei 2014 waren [vader verdachte] ( [vader verdachte] , vader van verdachte) en [slachtoffer] (roepnaam: [slachtoffer] , moeder van verdachte) aanwezig in hun woning in Tricht. [vader verdachte] is om circa 20.00 uur naar bed gegaan.2

De volgende ochtend, op 2 mei 2014, is [vader verdachte] om 7.30 uur opgestaan. Beneden aangekomen, zag hij op een gegeven moment [slachtoffer] onder het bloed in de woonkamer op de grond liggen.3 Ambulancepersoneel heeft daarna vastgesteld dat [slachtoffer] was overleden; haar lichaam voelde erg koud en lijkstijf.4 Aan de hand van pathologisch onderzoek is vastgesteld dat [slachtoffer] is overleden door massaal bloedverlies als gevolg van één van de steekverwondingen in haar romp. Vastgesteld werd dat er als gevolg van bij leven opgelopen uitwendig inwerkend scherprandig perforerend geweld drie scherprandige perforaties links in de hals en linksboven aan de romp waren: twee diepe verwondingen en één oppervlakkig letsel. Deze letsels hadden aspecten van steekverwondingen, in verband waarmee steekkanalen waren te herleiden. De steekletsels kunnen passen bij steken met een scherp snijdend voorwerp zoals een mes.5

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte van moord, hetgeen primair ten laste is gelegd, vrij te spreken. De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan doodslag, hetgeen subsidiair ten laste is gelegd.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak ten aanzien van het primair en subsidiair tenlastegelegde bepleit, nu niet kan worden bewezen dat verdachte degene is die [slachtoffer] heeft gedood. Hierbij voert de verdediging aan dat de door verdachte afgelegde verklaringen niet gebaseerd zijn op herinneringen maar achteraf getrokken conclusies zijn. Daarnaast voert de verdediging aan dat de mogelijkheid bestaat dat het slachtoffer zichzelf het letsel heeft toegebracht – bij wijze van een uit de hand gelopen uitlokking – waarbij [vader verdachte] dan wel verdachte het mes/scherp voorwerp achteraf heeft weggepakt. Tevens werpt de verdediging de mogelijkheid op dat een onbekende derde [slachtoffer] heeft gedood.

Beoordeling door de rechtbank

Tijdstip van overlijden

Er zijn meerdere rapporten uitgebracht omtrent het tijdstip van overlijden van [slachtoffer] waarbij verscheidene mogelijke tijdstippen van overlijden worden genoemd. Het NFI heeft in het onderzoek naar het tijdstip van overlijden aangegeven dat zich in de ochtend van 1 mei 2014 (de rechtbank begrijpt: 2 mei 2014) meerdere wisselingen van omgevingstemperatuur hebben voorgedaan.6 Gelet op deze constatering en het feit dat diverse metingen tot verschillende resultaten hebben geleid, is het tijdstip van overlijden moeilijk vast te stellen, waardoor niet van een exact tijdstip kan worden uitgegaan. Om die reden zal de rechtbank ook geen gebruik maken van het door de verdediging overgelegde onderzoek naar het tijdstip van overlijden, nu deze onderzoeksresultaten klaarblijkelijk zijn gebaseerd op dezelfde (te onzekere) gegevens als waar het NFI gebruik van heeft gemaakt, waardoor niet kan worden gezegd dat deze onderzoeksresultaten wel de juiste zijn. Bovendien is volstrekt onduidelijk door wie dit onderzoek is verricht en is dit ‘rapport’ onaangekondigd op een zeer laat tijdstip (bij gelegenheid van pleidooi) overgelegd waardoor de officier van justitie hierop niet adequaat heeft kunnen reageren en de rechtbank onvoldoende gelegenheid heeft gehad hiervan kennis te nemen.

Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat zij op 1 mei 2014 ‘s avonds nog heeft gebeld met het slachtoffer. Tijdens dat gesprek, juist toen verdachte het gespreksonderwerp was, kreeg getuige de indruk dat verdachte naar beneden was gekomen omdat het slachtoffer ineens van onderwerp veranderde en zei: “pak maar wat, er staat wel wat”. Dat gebeurde wel vaker.7 Dit gesprek is beëindigd om 21:45:08 uur.8 Op dat tijdstip was het slachtoffer dus nog in leven.

De volgende ochtend kort na 7.30 uur is het slachtoffer levenloos aangetroffen. Hierbij heeft [vader verdachte] aangegeven dat het slachtoffer al koud aanvoelde.9 De ambulancemedewerkers hebben daarnaast geconstateerd dat sprake was van lijkstijfheid.10 Verder heeft [slachtoffer] op 1 mei 2014 om 21.44 uur nog een sms-bericht ontvangen. Hierop heeft zij niet gereageerd terwijl zij daarop volgens verzendster (getuige [getuige 2] ) meestal heel snel reageerde.11 De rechtbank gaat er daarom van uit dat het slachtoffer in ieder geval al enige tijd was overleden op het moment dat haar lichaam is gevonden en trekt de daaruit de conclusie dat [slachtoffer] op de avond van 1 mei 2014, na 21.45 uur, is overleden.

Verdachte

De vraag die de rechtbank vervolgens dient te beantwoorden is of verdachte degene is die het slachtoffer heeft gedood.

Forensische sporen

Op 1 mei 2014 is in de woning om 21.37 uur op de computer van verdachte het document “ [naam site] ” geopend en is om 21:44:51 uur getracht dit document te printen.12 Volgens verdachte maakte niemand anders gebruik van die computer dan hijzelf en was deze computer met een wachtwoord beveiligd. Verdachte heeft eveneens verklaard dat, als dat document op zijn computer gevonden is, het wel van hem zal zijn.13 Verdachte heeft op enig moment de woning met medeneming van de Citroën C5 (kenteken: [kenteken] ) van [vader verdachte] verlaten en heeft om 22.20 uur bij de ABN-bank aan het Chopinplein 3 in Culemborg geld gepind met de pinpas van [slachtoffer] .14

Verdachte is op 1 mei 2015 na 21.44 uur (het moment van de mislukte print van genoemd document) in de auto van [vader verdachte] weggereden. Door de politie is via verschillende routeplanners gekeken naar de snelste reisafstand per auto van [adres 1] naar het Chopinplein. De reistijd varieert tussen de 15 à 18 minuten. Gelet op het feit dat om 22.20 uur bij de pinautomaat op het Chopinplein door verdachte geld is opgenomen, is het aannemelijk dat verdachte uiterlijk 22.05 uur de woning heeft verlaten.15

Op 6 mei 2014 is verdachte in de auto van zijn vader in Duitsland aangehouden.16 Op basis van de camerabeelden van de pintransacties op 1 mei 2014 is onderzocht of de op die avond gedragen kleding dezelfde kleding is als de kleding die verdachte droeg tijdens zijn aanhouding en/of de kleding die op dat moment in de auto is aangetroffen. De verbalisant heeft met betrekking tot de pet, jas, trui (poloshirt), schoenen en spijkerbroek opgemerkt dat deze kledingstukken erg veel lijken op de kleding die verdachte droeg tijdens de pintransacties.17 De rechtbank ziet de overeenkomsten tussen de kleding op de beelden en de kleding die bij verdachte tijdens zijn aanhouding is aangetroffen. De rechtbank stelt op grond van het vorenstaande vast dat dit zeer waarschijnlijk dezelfde kleding betreft. Naast deze kleding is tevens een sok in de auto aangetroffen.18

De hiervoor genoemde kleding is onderzocht en bemonsterd door het NFI. Op de polo (AAHH3066NL), spijkerbroek (AAHH3065NL) en de sok is bloed aangetroffen. Deze monsters zijn onderzocht door het NFI, waarbij het volgende is gebleken:

  • -

    op het shirt AAHH3066NL#01, #02 en #03 is een DNA-profiel gevonden dat overeenkomt met het DNA-profiel van [verdachte] (waarbij de kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen persoon matcht met dit DNA-profiel kleiner is dan één op één miljard);

  • -

    op het shirt AAHH3066NL#04, #05 en #06 is een DNA-mengprofiel gevonden dat overeenkomt met het DNA-profiel van slachtoffer [slachtoffer] en [verdachte] gevonden (matchkans is niet berekend);

  • -

    op de spijkerbroek AAHH3097NL#03 is een DNA-profiel gevonden dat overeenkomt met het DNA-profiel van [verdachte] (waarbij de kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen persoon matcht met dit DNA-profiel kleiner is dan één op één miljard);

  • -

    op de spijkerbroek AAHH3097NL#04 is een DNA-mengprofiel gevonden dat overeenkomt met het DNA-profiel van slachtoffer [slachtoffer] en [verdachte] (matchkans niet berekend);

  • -

    op de spijkerbroek AA3097NL#05, #06, #08 is een DNA-profiel gevonden dat overeenkomt met het DNA-profiel van slachtoffer [slachtoffer] (waarbij de kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen persoon matcht met dit DNA-profiel kleiner is dan één op één miljard);

  • -

    op de spijkerbroek AA3097NL#07 is een DNA-profiel gevonden dat overeenkomt met het DNA-profiel van [verdachte] waarbij DNA-nevenkenmerken van [slachtoffer] , [broer verdachte] en [vader verdachte] zijn aangetroffen (waarbij de kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen persoon matcht met dit DNA-profiel kleiner is dan één op één miljard);19

- op de sok AAHH3024NL#01 en #02 en AAHH3215NL#01 en AAHH3216NL#01 is een DNA-profiel gevonden dat overeenkomt met het DNA-profiel van [verdachte] (waarbij de kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen persoon matcht met dit DNA-profiel kleiner is dan één op één miljard);20

- op de sok AAHH3214NL#01 is een DNA-profiel gevonden dat overeenkomt met het DNA-profiel van [slachtoffer] (waarbij de kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen persoon matcht met dit DNA-profiel kleiner is dan één op één miljard).

Familieverhoudingen

Uit het dossier en de verklaring van verdachte ter terechtzitting komt naar voren dat sprake was van een problematische thuissituatie.

De vader van verdachte verklaart hierover dat verdachte eerder uit huis is gezet omdat de situatie onhoudbaar was, hierna is behandeld in een verslavingskliniek en vervolgens weer thuis is komen wonen.21 De periode waarin verdachte weer thuis woonde beschreef zijn vader als een hel waarbij hij en zijn vrouw alles verkeerd deden in de ogen van verdachte. Zijn vrouw heeft in januari 2014 aangifte gedaan tegen verdachte. Tevens zijn meerdere meldingen bij de politie gemaakt omtrent incidenten in het huis.22 Verder verklaart vader dat verdachte verbaal agressief tegen [slachtoffer] was en dat zij niet meer kon slapen van de stress.23

In de computer van verdachte is een brief d.d. 3 april 2014 van [slachtoffer] gericht aan verdachte gevonden. Hierin beschrijft zij de driftbuien van verdachte waarbij twee keer een deur is kapot geslagen, de ruzies en eindeloze argumenten om gelijk te krijgen. De spanningen liepen volgens [slachtoffer] hoog op. Zij schrijft tevens ‘Het breekpunt kwam bij mij afgelopen februari, toen je mij een duw gaf en mijn voorste kruisband afscheurde. Voor die tijd had je ook een paar keer dreigend voor me gestaan maar kon je nog beheersen’.24 Gedurende enige periode voorafgaand aan de dood van het slachtoffer werd tussen hen voornamelijk gecommuniceerd per e-mail. Verdachte was erg teruggetrokken en was voornamelijk op zijn kamer.25

Verdachtes broer [broer verdachte] heeft verklaard dat verdachte niet naar school wilde, niet wilde werken, de hele dag blowde. De ouders hebben honderden gesprekken gevoerd, maar verdachte accepteerde op het laatst geen enkele hulp meer. Pogingen om hem uit huis te krijgen waren alle mislukt. Het was een kwestie van tijd dat de situatie tussen verdachte en zijn ouders escaleerde; verdachte was dreigend richting de ouders.26

Een vriendin van het slachtoffer, [vriendin slachtoffer] , verklaarde dat zij op 1 mei 2014 omstreeks 20.00 uur nog heeft gebeld met het slachtoffer. Deze vertelde haar dat zij een brief had geschreven aan [verdachte] dat hij binnen 10 dagen de woning moest verlaten en dat ze anders een civiele procedure zou beginnen. Toen verdachte die brief zag, zou hij heel agressief zijn geweest.27

De thuissituatie was zodanig verstoord dat de ouders van verdachte bezig waren hem via een civiele procedure uit huis te krijgen. Hierover hebben zij reeds contact opgenomen met Meldpunt Bijzondere Zorg.28

Verdachte geeft ter terechtzitting tevens aan dat de thuissituatie slecht was, waarbij de rechtbank opmerkt dat verdachte ten aanzien van de redenen waarom deze situatie slecht is anders verklaart dan zijn vader. Verdachte geeft aan te weten dat zijn ouders hem het huis uit wilden hebben.29 Ondanks deze kennis is verdachte in huis blijven wonen. Verdachte verklaart hierover niet de mogelijkheid te hebben gehad uit huis te gaan.30 In een verhoor verklaarde verdachte dat als hij het huis uit moest hij dan helemaal geen kans had (de rechtbank begrijpt: geen kans om te overleven).31

De rechtbank begrijpt op basis van het voorstaande dat er veel spanningen waren in de thuissituatie die zo hoog opliepen dat de ouders van verdachte hem – zo nodig langs juridische weg – het huis uit wilden, terwijl verdachte hieraan niet wilde meewerken en erg angstig was het huis te moeten verlaten.

Verklaringen en uitlatingen verdachte

Na de overlevering door de Duitse politie is verdachte op 4 juni 2014 in Nederland aangehouden en gewezen op zijn rechten als verdachte en is hem medegedeeld dat hij geen antwoord hoeft te geven op vragen die worden gesteld. Als tijdens het vervoer naar de plaats van verhoor aan verdachte wordt gevraagd of hij een eigen advocaat heeft, zegt verdachte dat hij niets heeft en dat hij haar dan wel heeft gedood maar dat zij hem meer moesten zien als politieke gevangene.32 In een later gesprek over het ontstaan van de mens – waaraan voorafgaand tegen hem is gezegd dat niet over de zaak zal worden gesproken en hem nogmaals de cautie is gegeven – maakt verdachte de opmerking “het kan ook niet anders. Ik heb enorm veel sporen achter gelaten en ik heb zelfs nog gebeld naar de politie. Maar die namen mij niet serieus. Ze snapte mijn energie niet” en “ik heb haar gedood. Tenminste niet de persoon maar het lichaam”.33

Tijdens de overlevering van Duitsland naar Nederland op 4 juni 2014 had verdachte een tasje met diverse met de hand beschreven vellen papier bij zich.34 Op 11 juni worden in de cel van verdachte nog meer handgeschreven vellen gevonden (doorgenummerd van 33 t/m 44).35 Verdachte verklaart later in een verhoor dat hij de geschreven stukken wat had aangevuld (de rechtbank begrijpt de bij de aanhouding aangetroffen vellen papier). Hij had eerst circa 31, 32 pagina’s geschreven en nu meer dan 40 pagina’s.36 Gelet op de verklaring van verdachte en het aantal aangetroffen handgeschreven vellen, gaat de rechtbank ervan uit dat verdachte degene is die deze stukken heeft geschreven.

Op de vellen papier die bij en/of na de aanhouding van verdachte zijn aangetroffen is onder andere het volgende geschreven:

” ‘We’ zouden de persoon lichaam [slachtoffer] helemaal niet hoeven doden in dit universum, maar sinds ‘we’ hier zijn vanwege het systeem/maatschappij energie en natuur moesten ‘we’ het doen anders moesten ‘we’ energie en natuur negeren en daar hadden we het al over dat we dat nooit doen. We hadden in principe kunnen wachten om de persoon ziel totaal te kunnen doden, maar we moesten het doen vanwege de onvoorwaardelijke liefde voor het leven, dit verhaal ons bestaan om naar deze rechtzaak te komen.

Jullie denken dat IK me moeder vermoord. Mijn enigste ‘Moeder’ is Natuur en me ‘Vader’ is energie vanwege mijn leven en dood in zijn totaliteit kunnen maken/creëren en 1 vrouwelijke persoon die kan maar voor haar eigen ras kinderen maken wanneer ‘wij’ samen met Energie en natuur leven en dood kunnen maken/creëren in z’n totaliteit de geadvanceerde rassen (waar de mens 1 van is) en dood (vernietiging van de ziel). Als je dit lichaam opsluit negeer je het hele systeem wat leven en dood maakt/creëert. Dit lichaam/persoon heeft zijn hele leven ‘niks’ gedaan en gewerkt naar dit specifieke moment.” 37

“Als wij iemand dood willen maken, zoals MAO, Stalin, Hitler, als VB wachten we tot het Eens het lichaam dood maakt en dan beslissen of dat de ziel nog verder mag leven, met de 1st genoemde 3 hebben we besloten van niet, dat ze mogen doorleven, daarom heeft eigenlijk geen zin om voor on ‘iemand hier te ‘doden’ wegens we weten dat we de desbetreffende persoon niet echt dood maken, maar ‘wij’ moesten het doen om ‘ons’ gehoord te laten worden wegens je het EnNsysteem negeerd en wij zijn daar 1 mee”. 38

“Waarom de persoon [slachtoffer] gestraft moest worden voor Energie en Natuur is vanwege ten 1ste dit hele verhaal dat wij aan de mens nu die hebben verteld.

Ten tweede voor het leven in zijn geheel voor de aarde willen behouden. Ten derde was het kiezen tussen ons en [slachtoffer] en sinds [slachtoffer] ook alle basisregels had overtreden waardoor ze meer had doodgemaakt dan leven had gecreëerd waardoor ze de doodstraf krijgt voor alleen dit leven want haar ziel leeft weer verder door en start weer een nieuw leven. Ten 4de negeerde ze personen op haar eigen wil, dat betekent dat ze ons dood maakte in haar eigen wereld, dus leven en ziel van ons, wat ergere straf is dan de doodstraf. Ten 5e ze besliste haar eigen regels, brak haar eigen regels. Ten 6de ze beperkte veel vrijheden van ons leven, waaronder slaap, eten, drinken, Internet als VB. Maar de echte reden is dat we nu hier zijn voor dit verhaal en dat wij onvoorwaardelijke liefde hebben voor leven een leven willen behouden en we willen het leven blijven behouden (…)”. 39

De rechtbank stelt op grond van het voorstaande het volgende vast.

Verdachte was op de avond 1 mei 2014 tot in elk geval 21.44 uur aanwezig in de ouderlijke woning in [adres 1] , nu op dat tijdstip nog is getracht een document vanaf de alleen door hem gebruikte computer te printen en verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat zijn computer is beveiligd met een wachtwoord. [slachtoffer] heeft tot 21.45 uur gebeld en was op dat tijdstip nog in leven. Verdachte was daarmee nog in de woning toen [slachtoffer] in leven was. Kort daarna is verdachte plotseling met de auto vertrokken en naar een pinautomaat gereden waar hij met de pinpas van [slachtoffer] geld heeft opgenomen. Hierna is verdachte naar Duitsland vertrokken, waar hij op 6 mei 2014 is aangehouden.

Bij onderzoek naar de kleding die verdachte droeg op de avond van 1 mei 2014 is op zijn broek bloed gevonden van het slachtoffer [slachtoffer] . Ook op een sok van verdachte is haar bloed aangetroffen.

Verdachte was heel erg teruggetrokken en verbleef voornamelijk op zijn kamer. Verdachte was bang, wanhopig zelfs, om het huis te moeten verlaten en om op zichzelf te moeten wonen. Daarnaast waren er veel hoog oplopende spanningen in huis. Juist op de avond van 1 mei 2014 – kort nadat voor het laatst een teken van leven van [slachtoffer] is waargenomen – heeft verdachte toch de woning verlaten en is hij vertrokken naar Duitsland.

Op het moment dat verdachte van Duitsland naar Nederland wordt vervoerd, worden brieven van verdachte aangetroffen die toespelingen bevatten op het doden van zijn moeder. Tevens vertelt verdachte tijdens dit vervoer ineens dat hij zijn moeder heeft gedood en veel sporen heeft achtergelaten. De rechtbank ziet dit als een spontane verklaring die niet door verdachte kan zijn afgelegd op basis van invulling met gebruikmaking van informatie van de politie, aangezien de verhoren door de Nederlandse politie toen nog niet hadden plaatsgevonden.

Dit alles bijeengenomen levert naar oordeel van de rechtbank bewijs en de overtuiging op dat verdachte degene is die [slachtoffer] om het leven heeft gebracht.

Alternatieve scenario’s

De verdediging heeft twee alternatieve scenario’s naar voren gebracht.

Als eerste voert de verdediging de mogelijkheid aan dat het slachtoffer zichzelf zou hebben verwond. De rechtbank merkt allereerst op dat in de prullenbak onder de tafel in de keuken een bebloede theedoek met het bloed van slachtoffer is gevonden.40 Indien het slachtoffer zichzelf zou hebben verwond, zou zij zelf haar wonden moeten hebben gedept met een theedoek en deze theedoek in de prullenbak onder de tafel hebben weggegooid. In de woning is gedurende vier dagen forensisch sporenonderzoek verricht. Daarbij zijn in de diverse ruimtes bloedsporen en andere sporen gevonden. Melding wordt gemaakt van bloedsporen in de keuken aan de keukenlade en de oven, op het aanrechtblad, de kraan. Ook na een uitgebreid luminol-onderzoek zijn geen verdere bloedsporen in de keuken aangetroffen, die duiden op het deponeren van een theedoek door het slachtoffer in de prullenbak, hetgeen dan wel voor de hand zou hebben gelegen.41 Bovendien zou, indien het slachtoffer zichzelf zou hebben gestoken, het voor de hand liggen dat zich een mes of een ander scherp voorwerp in haar buurt zou hebben bevonden. Het mes/voorwerp waarmee zij is gestoken is echter niet gevonden. De in de keuken achtergebleven messen zijn onderzocht en bleken geen (bloed)sporen te bevatten42 of konden niet in verband worden gebracht met de geconstateerde steekverwondingen.43 De rechtbank acht het niet waarschijnlijk dat het slachtoffer het mes/steekvoorwerp dan zelf heeft kwijtgemaakt (sporen die daarop wijzen ontbreken ten enenmale) of zeer grondig – volledig vrij van (bloed)sporen – heeft schoongemaakt (naar de algemene ervaring leert, is dit namelijk niet eenvoudig).

De verdediging voert ten aanzien van het ontbreken van het mes/scherp voorwerp nog aan dat mogelijk de vader van verdachte of verdachte zelf dit – na het ontdekken van het lichaam – heeft kwijtgemaakt. Echter, noch [vader verdachte] , noch verdachte heeft hierover verklaard. Er zijn ook geen andere aanwijzingen die deze louter theoretische mogelijkheid ondersteunen. Wat [vader verdachte] betreft valt ook niet te bedenken welk belang hij hierbij zou kunnen hebben gehad.

Op grond van al het voorgaande verwerpt de rechtbank dit scenario dan ook als onaannemelijk.

Als tweede alternatieve scenario voert de verdediging aan dat een onbekende derde [slachtoffer] heeft gedood. Als reden daarvoor noemt zij een latent (oud) bloedspoor met DNA van een onbekende man dat in de kantoorruimte van de woning is gevonden (zie blz. 6431 dossier). Verdere aanwijzingen voor dit scenario – laat staan concrete – zijn echter niet gevonden. Het slachtoffer had geen vijanden. Motieven bij anderen om haar te doden zijn niet bekend geworden. In de woning is – behalve de pinpas van het slachtoffer en de autosleutels – verder niets weggenomen, volgens [vader verdachte] en er zijn ook geen andere aanwijzingen voor een woninginbraak of beroving.44

De rechtbank acht daarom ook het scenario dat een onbekende derde [slachtoffer] heeft gedood onaannemelijk.

Moord

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat uit de bewijsmiddelen niet is komen vast te staan dat verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het primair tenlastegelegde.

Doodslag

Wel heeft de rechtbank op grond van de eerder genoemde bewijsmiddelen de overtuiging dat verdachte zijn moeder opzettelijk om het leven heeft gebracht door haar met een mes of scherp voorwerp te steken.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij in of omstreeks de periode van 1 tot en met 2 mei 2014 te Tricht, gemeente Geldermalsen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, hierin bestaande dat verdachte en/of verdachtes mededader(s) opzettelijk die [slachtoffer] met een mes, althans met enig scherp voorwerp, hebben/heeft gestoken en/of gesneden, ten gevolge waarvan die [slachtoffer] is

overleden;

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Doodslag

5 De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Toerekeningsvatbaarheid

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte ten tijde van het plegen van het feit ontoerekeningsvatbaar was. Hierbij voert de verdediging aan dat bij verdachte sprake was van angst en hij zich bevond in een bedreigende situatie door de langslepende problematiek thuis. Na het ontvangen van de brief waarin is gezegd dat verdachte de woning moest verlaten, zag verdachte geen andere uitweg dan handelen zoals verdachte heeft gedaan.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van ontoerekeningsvatbaarheid nu verdachte enige vrijheid had om zijn wil te bepalen.

De rechtbank overweegt ten aanzien van de toerekeningsvatbaarheid van verdachte het volgende.

Met betrekking tot verdachte is een Pro Justitia rapportage opgemaakt door dr. [psychiater] , psychiater, drs. [psycholoog] , psycholoog en [rapporteur] , forensisch milieurapporteur, gedateerd 16 december 2014. Hierin concluderen de psychiater en psycholoog dat sprake is van tenminste sterk verminderde toerekeningsvatbaarheid. Omdat geen volledig beeld van zijn handelen ten aanzien van het tenlastegelegde bestaat (volgens de deskundigen “claimt” verdachte weinig tot geen herinneren te hebben aan de gebeurtenissen die avond) en omdat de mogelijkheid bestaat dat nog een uiterst beperkte keuzevrijheid bij verdachte aanwezig was, kan niet worden vastgesteld dat sprake is van ontoerekeningsvatbaarheid.

De rechtbank is met de deskundigen van oordeel dat er onvoldoende aanwijzingen zijn waaruit blijkt dat verdachte op geen enkele wijze zijn wil meer kon bepalen. Dit houdt mede verband met het gegeven dat door verdachte geen volledig inzicht wordt gegeven (of kan worden gegeven) met betrekking tot zijn denken en handelen rondom het plegen van het delict. De rechtbank verwerpt om die reden het verweer.

Psychische overmacht

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van psychische overmacht. Hierbij voert de verdediging aan dat sprake was van jarenlange opbouw van het gevoel verstoten te zijn uit het gezin terwijl verdachte op zoek was naar liefde en aandacht waardoor hij – na het aanzeggen van de civiele procedure om hem het huis uit te krijgen – door paniek is overvallen waardoor enig rationeel handelen door verdachte onmogelijk was.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van psychische overmacht, omdat verdachte de mogelijkheid had de confrontatie met zijn moeder uit de weg te gaan, zoals in het verleden ook vaak gebeurde.

De rechtbank overweegt ten aanzien van het beroep op psychische overmacht allereerst dat de feitelijke onderbouwing van dit verweer veeleer ziet op de toerekenbaarheid; het ziet immers vooral op interne, psychische processen in het hoofd van verdachte waardoor hij niet anders kon handelen dan hij deed.

Van psychische overmacht wordt gesproken als sprake is van een van buiten komende drang waaraan verdachte redelijkerwijs geen weerstand kon en behoefde te bieden. Psychische overmacht in het geval waarbij sprake is van het doden van een ander kan gelet op de voor psychische overmacht geldende maatstaven alleen in zeer uitzonderlijke gevallen worden aanvaard. De druk moet immers zodanig zijn niet anders kon worden gehandeld dan het doden van die ander.

Indien sprake is van een langdurige druk – zoals wordt betoogd door de verdediging – dan bestaat meestal de mogelijkheid andere uitwegen te zoeken. De rechtbank meent dat ook verdachte deze mogelijkheden had, nu verdachte al enige tijd thuis woonde en wist dat zijn ouders hem weg wilden hebben en dus de aankondiging van de civiele procedure geen wezenlijk nieuwe informatie voor hem was. De rechtbank is van oordeel dat de druk van de door verdachte gestelde geestelijke mishandeling in combinatie met de overhandigde brief niet een zodanige druk is dat verdachte daardoor niet anders kon handelen dan hij heeft gedaan. De rechtbank is van oordeel dat ook daarom geen sprake is van psychische overmacht.

De rechtbank merkt hierbij nog ten overvloede op dat de lezing van verdachte en de verdediging over de thuissituatie waarbij wordt gesproken over geestelijke mishandeling van verdachte door zijn moeder, op geen enkele wijze is onderbouwd en ook anderszins op geen enkele wijze aannemelijk is geworden.

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het subsidiair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaar en de terbeschikkingstelling van verdachte, met verpleging van overheidswege.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging bepleit een korte onvoorwaardelijke gevangenisstraf en de terbeschikkingstelling van verdachte met voorwaarden.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 27 juli 2015;

- een voorlichtingsrapportage van Reclassering Nederland, gedateerd 13 april 2014;

- een triple rapportage van [rapporteur] , milieuonderzoeker, drs. [psycholoog] , psycholoog en van dr. [psychiater] , psychiater, gedateerd 16 december 2014.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende.

Verdachte heeft zijn moeder, een 66-jarige vrouw, op een gewelddadige wijze om het leven gebracht. Verdachte heeft zijn moeder meermalen gestoken en heeft vervolgens haar pinpas meegenomen, de woning verlaten en is naar Duitsland gevlucht.

Doodslag behoort tot de meest ernstige misdrijven in ons strafrechtsstelsel. Niet alleen heeft verdachte een einde gemaakt aan het leven van een ander mens, maar bovendien heeft hij daarmee onherstelbaar leed toebracht aan de nabestaanden. In dit geval is dat des te schrijnender, nu het slachtoffer zijn eigen moeder betrof en de nabestaanden dus verdachtes eigen gezins- en familieleden zijn. Waar doodslag de rechtsorde in het algemeen al zeer schokt en in de samenleving gevoelens van angst en onveiligheid teweeg brengt, geldt dit te meer wanneer iemand door zijn eigen, nog inwonende kind om het leven wordt gebracht, zoals hier. Het nemen van het leven van een ander is een zo ernstig strafbaar feit, ook in dit concrete geval, dat dit in beginsel de oplegging van een langdurige gevangenisstraf rechtvaardigt.

Verdachte is blijkens zijn strafblad niet eerder veroordeeld voor geweldsmisdrijven.

In het deskundigenrapport van [psycholoog] en [psychiater] is het volgende opgenomen.

Verdachte is lijdend aan ziekelijke stoornissen in de zin van een schizofrene stoornis van het paranoïde type en afhankelijkheid van cannabis, ten tijde van het onderzoek in detentie in gedwongen remissie. In de maanden voorafgaand aan het ten laste gelegde steeg de spanning bij verdachte fors. De relatie met zijn ouders was ernstig verstoord. Herhaaldelijk werd hem medegedeeld dat zijn ouders wilden dat hij het huis zou verlaten. De realiteitstoetsing was bij verdachte ernstig verstoord en door de aankondiging van zijn ouders dat hij daadwerkelijk uit huis gezet zou worden, nam het angstniveau in zeer sterke mate toe. Aannemelijk is dat verdachte zeer ernstig ontregeld was ten tijde van het tenlastegelegde door de combinatie van situatieve druk (de door hem ervaren afwijzing van zijn moeder en de dreiging dat hij op straat kwam te staan) met ernstige stoornissen van de psychische functies op basis van een schizofrene stoornis in de zin van een gestoorde realiteitstoetsing en daarmee samenhangend een hoog angstniveau en een vertraagde informatieverwerkingssnelheid. Deze combinatie van factoren leidde er toe dat verdachte ten tijde van het tenlastegelegde zeer sterk in zijn handelen werd beïnvloed. De deskundigen adviseren verdachte tenminste sterk verminderd toerekeningsvatbaar te achten.

Het recidiverisico wordt als hoog ingeschat door de deskundigen. Zonder behandeling zal verdachte naar verwachting paranoïde blijven, zal hij terugvallen in drugsgebruik waardoor de realiteitstoetsing verder verslechtert en zal hij zich in maatschappelijk opzicht niet kunnen handhaven. Er bestaat dan het risico dat verdachte opnieuw de oorzaak van zijn problemen legt bij de buitenwereld en dat dit uiteindelijk weer leidt tot een recidief agressief incident. De psychosomatische symptomatologie zal behandeld moeten worden met antipsychotische medicatie. Hiervoor zal een voortdurende druk op verdachte nodig zijn, gezien het nagenoeg ontbreken van probleembesef. Daarnaast zal de verslavingsproblematiek behandeld moeten worden. De behandeling zal in eerste instantie in een sterk gestructureerd behandelmilieu plaats dienen te vinden om voldoende behandeldruk bij verdachte te kunnen leggen.

De deskundigen adviseren terbeschikkingstelling met voorwaarden nu verdachte enige mate van bereidheid heeft getoond tot het nemen van de medicatie en instemt met het behandeltraject.

De rechtbank is het eens met de bevindingen en conclusies van de deskundigen, voor zover die zien op de geconstateerde stoornissen, de wijze waarop verdachte mede onder invloed daarvan tot zijn delict is gekomen en de wijze waarop – in een sterk gestructureerd behandelmilieu met voldoende behandeldruk– de behandeling van de problematiek dient te worden aangepakt.

De rechtbank stelt vast dat het bewezen verklaarde een misdrijf als bedoeld in artikel 37a, eerste lid onder 1 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) betreft waarvoor terbeschikkingstelling mogelijk is en voorts ook een misdrijf betreft dat is gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van een ander als bedoeld in artikel 38e Sr. De rechtbank is voorts van oordeel dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling eist.

De rechtbank is vervolgens – in tegenstelling tot de deskundigen – van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen vereisen dat verdachte van overheidswege zal worden verpleegd. Onder omstandigheden kan worden volstaan met terbeschikkingstelling met voorwaarden, indien er voldoende vertrouwen is dat verdachte zich aan die voorwaarden zal houden en dat op die wijze het van verdachte uitgaande gevaar voor de samenleving op aanvaardbare wijze kan worden beteugeld. Die overtuiging heeft de rechtbank niet, op grond van het volgende.

De deskundigen benadrukken het belang van behandeldruk waarbij Hummelen ter terechtzitting aangeeft dat indien verdachte zijn medicatie niet neemt, het recidiverisico hoogt blijft.

Blijkens het Pro Justitia-rapport heeft verdachte eerder steeds hulp afgeslagen en werkte hij onvoldoende mee aan behandelmogelijkheden. Blijkens een ter zitting overgelegd uittreksel uit de medische gegevens van de PI Grave, accepteerde verdachte aanvankelijk antipsychotica maar stopte daar al snel mee, omdat hij de bijwerkingen vervelend vond. Verder blijkt daaruit dat verdachte kort vóór de inhoudelijke behandeling van zijn strafzaak om medicatie heeft gevraagd in verband met zijn psychische stoornis, zonder met de arts te willen bespreken waarom en waarbij verdachte heeft aangegeven dat het belangrijk voor zijn zaak is, omdat de psychiater heeft gezegd dat hij medicatie moet gebruiken. Verdachtes houding ten aanzien van medicatie is naar het oordeel van de rechtbank berekenend. (Alleen) als het écht niet anders kan óf als het hem goed uitkomt, zal hij medicatie innemen. Verdachte laat ter terechtzitting niet ondubbelzinnig blijken bereid te zijn zich aan de voorwaarden uit het door de reclassering opgestelde maatregelrapport te houden. Waar mogelijk gaat hij daarover in discussie. Verdachte accepteert moeizaam hulp en heeft zich tot nog toe zeer passief opgesteld ten opzichte van de hulpverlening. Bovendien is bij verdachte nauwelijks sprake van probleembesef, waardoor de intrinsieke motivatie om mee te werken aan behandelingen ontbreekt en daarmee de stoornissen moeilijk te behandelen zullen zijn, terwijl juist de eigen motivatie van verdachte van belang is voor een succesvolle behandeling. Verdachte heeft er voorts blijk van gegeven, eigenlijk al vanaf zijn vroege jeugd volgens de milieuonderzoeker, eigenzinnig te zijn en de dingen op zijn manier te willen. De rechtbank heeft tijdens de behandeling van de zaak ter terechtzitting bij verdachte geen enkel (zichtbaar) verdriet om het overlijden van zijn moeder, noch enige empathie met de (andere) nabestaanden bespeurd.

De rechtbank heeft er, gelet op de uit het voorgaande blijkende aard en/of houding van verdachte, onvoldoende vertrouwen in dat hij zich daadwerkelijk zal schikken naar de aanwijzingen die de diverse betrokken instanties hem zullen geven en oprecht aan zijn behandeling zal meewerken. Mede gelet op de conclusie van de deskundigen Labrijn en Hummelen dat verdachte in staat is, ondanks zijn schizofrene stoornis, kortdurend een façade op te houden alsof hem niets mankeert, bestaat bij de rechtbank vrees voor schijnaanpassing bij verdachte in het kader van het relatief korte klinische behandeltraject zoals de deskundigen dat voor ogen staat. Naar verwachting is zwaardere en langduriger behandeldruk bij verdachte noodzakelijk dan uit gaat van de geformuleerde voorwaarden.

Gelet op het voorstaande is de rechtbank van oordeel dat de veiligheid van de samenleving niet voldoende kan worden gegarandeerd bij een terbeschikkingstelling met voorwaarden.

Het bewezenverklaarde is een misdrijf dat een gevaar oplevert voor de lichamelijke integriteit van een of meer personen.

Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, is naar het oordeel van de rechtbank ter afdoening van de onderhavige zaak, naast de terbeschikkingstelling van verdachte met verpleging van overheidswege, een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren passend en geboden. Nu verdachte sterk verminderd toerekeningsvatbaar was ten tijde van het gepleegde delict en hem ook de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege zal worden opgelegd, zal de rechtbank een lagere gevangenisstraf opleggen dan doorgaans voor doodslag wordt opgelegd.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 27, 37a, 37b en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

 spreekt verdachte vrij van het primair tenlastegelegde feit;

 verklaart bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaren.

Beveelt overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht dat de tijd, door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht.

Gelast dat veroordeelde ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

Dit vonnis is gegeven door mr. C.M.E. Lagarde (voorzitter), mr. F.J.H. Hovens en mr. J.H.D. van Onna, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.G.A. Luijckx, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 15 september 2015.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant van de politie Oost Nederland, district Gelderland-Zuid, opgemaakte proces-verbaal, BVH-nummer 2014042413 (Team Gerst), gesloten op 12 januari 2015 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal van verhoor van getuige [vader verdachte] , p. 1037, 1038.

3 Proces-verbaal van verhoor van getuige [vader verdachte] , p 1038.

4 Proces-verbaal van bevindingen, p. 1007; proces-verbaal van verhoor van ambulancemedewerker [ambulancemedewerker] , p. 1048

5 NFI-rapport inhoudende pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood, p. 6404, 6405, 6406.

6 NFI rapport inhoudende onderzoek naar oorzaak van letsels en tijdstip van overlijden, p. 6453, 6454.

7 Proces-verbaal van verhoor van [getuige 1] , p. 1298.

8 Rapportage histo’s, p. 1414, 1415.

9 Proces-verbaal van verhoor van getuige [vader verdachte] , p. 1038.

10 Proces-verbaal van bevindingen, p. 1007; proces-verbaal van verhoor van ambulancemedewerker [ambulancemedewerker] , p. 1048

11 Proces-verbaal van verhoor van [getuige 2] , p. 1303; Rapportage histo’s, p. 1414.

12 Proces-verbaal inhoudende onderzoek document “ [naam site] ”, p. 1445, 1446.

13 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 1 september 2015.

14 Proces-verbaal van verhoor van getuige [vader verdachte] , p. 1038; proces-verbaal beelden Texaco, p. 1143; proces-verbaal monitoring bankrekening, p. 1086; proces-verbaal van bevindingen beelden ABN-Amro, p. 1129, 1130.

15 Proces-verbaal van bevindingen, p. 49.

16 Rechtshulpverzoek, Erstmeldung/Lagemeldung.

17 Proces-verbaal van bevindingen kledingvergelijking, p. 1603 – 1606.

18 Los in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 januari 2015 van verbalisant [verbalisant 1] .

19 NFI-rapport inhoudende bloedspoorpatroon onderzoek, onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek, p. 6509.

20 Los proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 januari 2015 van verbalisant [verbalisant 1] ; NFI-rapport inhoudende onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek d.d. 29 januari 2015, p. 1,2.

21 Proces-verbaal van verhoor van getuige [vader verdachte] , p 1226, 1227.

22 Proces-verbaal van bevindingen, p. 1044 – 1047.

23 Proces-verbaal van verhoor van getuige [vader verdachte] , p, 1227.

24 Proces-verbaal van bevindingen tactisch onderzoek computer AAGI5070NL, p. 1495; proces-verbaal van bevindingen, p. 1429.

25 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 3] , p. 1381

26 Proces-verbaal van verhoor van [broer verdachte] , p.1040.

27 Proces-verbaal van verhoor van [vriendin slachtoffer] , p. 1294.

28 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 3] , p. 1381, 1382.

29 Verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 1 september 2015.

30 Verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 1 september 2015.

31 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 5218.

32 Proces-verbaal overbrengen [verdachte] , p. 5025, 5026.

33 Proces-verbaal overbrengen [verdachte] , p. 5026.

34 Proces-verbaal van bevindingen, p. 1545. Taalkundige oneffenheden zijn gehandhaafd.

35 Proces-verbaal van bevindingen, p. 1592.

36 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 5087.

37 Proces-verbaal van bevindingen, p. 1553 (B.01.06).

38 Proces-verbaal van bevindingen, p. 1561 (B.01.14).

39 Proces-verbaal van bevindingen, p. 1565 (B.01.18).

40 Stamproces-verbaal van sporenonderzoek, p. 6004.

41 Stamproces-verbaal van sporenonderzoek, p. 6007-6009.

42 Los proces-verbaal van bevindingen d.d. 2 juni 2015 van verbalisant [verbalisant 2] .

43 Stamproces-verbaal van sporenonderzoek, p. 6012, NFI-rapport d.d. 29 september 2014, p. 6442 (p.6451).

44 Proces-verbaal van verhoor van [vader verdachte] , p. 1244.