Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:5669

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
08-09-2015
Datum publicatie
08-09-2015
Zaaknummer
05/840208-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie
-
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer : 05/840208-15

Vorderingen na voorwaardelijke veroordelingen: 05/060342-14, 05/060492-14 en 05/269577-14

Datum uitspraak : 8 september 2015

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1984 te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] aan de [adres] .

raadsvrouw : mr. C.E. [verbalisant] advocaat te Putten.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van

9 juni 2015 en 25 augustus 2015

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij

op of omstreeks 24 februari 2015

te Emst, gemeente Epe,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer]

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

meermalen, althans eenmaal (met kracht) de keel en/of de hals van die

[slachtoffer] heeft dichtgedrukt en/of dichtgedrukt gehouden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij

op of omstreeks 24 februari 2015

te Emst, gemeente Epe,

zijn moeder, [slachtoffer] , heeft mishandeld door de keel en/of de hals van

die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal (met kracht) dicht te drukken en/of

dichtgedrukt te houden;

art 304 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij

op of omstreeks 24 februari 2015

te Emst, gemeente Epe,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen

een (personen)auto (Seat Ibiza), in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte,

waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft

en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door

middel van een valse sleutel;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling leidt:

hij

te Emst, gemeente Epe,

op of omstreeks 24 februari 2015

opzettelijk wederrechtelijk een motorrijtuig, (een (personen)auto (Seat

Ibiza)), toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte, als bestuurder heeft gebruikt op de weg,

Hanendorperweg, in elk geval op een weg;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

art 11 Wegenverkeerswet 1994

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de feiten 1 primair en 2 primair. Ter terechtzitting heeft de officier van justitie de bewijsmiddelen opgesomd en toegelicht.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen ten aanzien van de poging tot zware mishandeling aangezien het opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel niet wettig en overtuigend bewezen kan worden zodat verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde feit.

Wat betreft een bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde, te weten de mishandeling, refereert de raadsvrouw zich aan het oordeel van de rechtbank.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde heeft de raadsvrouw aangevoerd dat noch sprake is van diefstal van de auto, noch van joyriding en dat verdachte van dit feit integraal dient te worden vrijgesproken. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat verdachte op het moment dat hij met de auto wegreed bij zijn moeder niet het oogmerk van wederrechtelijk toe-eigening had; verdachte had de auto van zijn moeder al eerder tot zijn beschikking en was in de veronderstelling dat hij de auto mocht blijven lenen.

Beoordeling door de rechtbank

Vrijspraak

Ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde, de poging tot zware mishandeling, is de rechtbank van oordeel dat verdachte hiervan dient te worden vrijgesproken, nu uit de wijze waarop verdachte, blijkens de aangifte, de keel van zijn moeder heeft dichtgedrukt in combinatie met het bij haar geconstateerde letsel onvoldoende opgemaakt kan worden dat een aanmerkelijke kans bestond dat aangeefster vervolgens ook zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen. De rechtbank acht de poging tot zware mishandeling om deze redenen niet bewezen. Wel acht de rechtbank de subsidiair ten laste gelegde mishandeling bewezen.

Feit 1 subsidiair en feit 2

De rechtbank is van oordeel dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 2 primair ten laste gelegde feit op de bewezenverklaarde wijze heeft begaan en baseert zich hierbij op de redengevende feiten en omstandigheden die zijn ontleend aan de volgende bewijsmiddelen.

[slachtoffer] , de moeder van verdachte, heeft – zakelijk weergegeven – hierover verklaard dat haar zoon, [verdachte] (zijnde verdachte) op 24 februari 2015 langs zou komen in haar woning gelegen aan de [adres] te Vaassen.2 Toen [verdachte] die avond binnenkwam, had aangeefster het idee dat hij onder invloed van drugs was; hij kwam erg agressief op haar over. Na een woordenwisseling over geld heeft [verdachte] haar op de grond gegooid en heeft hij haar keel dichtgeknepen. Aangeefster voelde dat ze geen lucht meer kreeg en dat ze niet meer kon praten. Ook voelde ze een hevige pijn in haar hals doordat haar keel werd dichtgeknepen. Even daarna voelde ze dat hij haar keel even losliet en dat hij zei ‘haal maar even adem’. Daarna voelde ze dat hij opnieuw haar keel dichtkneep waardoor ze weer geen lucht kreeg. Dit heeft [verdachte] een paar keer herhaald. Doordat de mobiele telefoon van [verdachte] ging heeft hij haar keel losgelaten.

Aangeefster is daarop van angst naar buiten gelopen, maar is even daarna weer naar binnen gegaan. Binnen aangekomen, hoorde ze [verdachte] om haar autosleutels vragen omdat er nog spullen van hem in de auto van aangeefster zouden liggen. Aangeefster is de sleutels gaan zoeken. Op een gegeven moment zag ze echter [verdachte] al wegrijden in haar auto, een Seat Ibiza met kenteken [kenteken] . Aangeefster had [verdachte] geen toestemming gegeven om haar auto mee te nemen.3

Verdachte zelf heeft over de mishandeling bij de politie en ter terechtzitting – zakelijk weergegeven – verklaard dat hij die dag flink onder invloed was van GHB en van speed en dat hij zich niet alles meer kan herinneren, maar dat hij die avond instinctief heeft gehandeld. Nadat aangeefster, zijn moeder, op de grond is beland, heeft verdachte aangeefster eerst met zijn hand tegen haar hals tegen de grond gehouden en daarna heeft hij haar met zijn onderarm tegen haar borstkast, onder haar keel, gedrukt. Het zou best kunnen dat ze daardoor even benauwd is geweest; ik ben best sterk in mijn armen, aldus verdachte.4

Ten aanzien van het wegnemen van de auto heeft verdachte bij de politie – zakelijk

weergegeven – verklaard dat zijn moeder, aangeefster, eerder al tegen verdachte had gezegd dat ze niets meer van hem wilde en dat zij hem wel naar huis zou brengen. Daarbij heeft ze de autosleutels op het aanrecht gelegd.5 Ter terechtzitting heeft verdachte – zakelijk weergegeven – daarover nog verklaard dat aangeefster die avond boos op hem was en dat ze hem heeft verteld dat hij de auto niet meer mocht meenemen. Verdachte heeft ter terechtzitting aldus erkend dat hij op het moment dat hij de auto wegnam dus geen toestemming had.

In het proces-verbaal van bevindingen heeft verbalisant gerelateerd over het letsel van aangeefster. De GGD-arts heeft aan verbalisant verklaard dat hij de volgende verwondingen had geconstateerd:

- oppervlakkige verwondingen en irritatie van de huid aan de voorzijde van de hals en hoger in

de hals;

- een blauwe plek/roodheid op het rechterschouderblad;

- een blauwe plek aan de achterzijde van de linkerbovenarm;

- rode buitenkant van de, hij meende, rechteroorschelp.

De GGD-arts heeft verbalisant nog meegedeeld dat aangeefster, gezien het geconstateerde letsel, fors bij de keel was gegrepen.6

Gelet op voornoemde bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat de onder 1 subsidiair ten laste gelegde mishandeling en de onder 2 primair ten laste gelegde diefstal van de auto wettig en overtuigend is bewezen.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1 subsidiair en feit 2 primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1. subsidiair

hij op 24 februari 2015 te Emst, gemeente Epe, zijn moeder, [slachtoffer] , heeft mishandeld door de keel en de hals van die [slachtoffer] meermalen met kracht dicht te drukken en dichtgedrukt te houden;

2. primair

hij op 24 februari 2015 te Emst, gemeente Epe, met het oogmerk van wederrechtelijke toe‑eigening heeft weggenomen een (personen)auto (Seat Ibiza), toebehorende aan [slachtoffer] , waarbij verdachte het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 1 subsidiair

Mishandeling, begaan tegen zijn moeder ;

Feit 2 primair

Diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels .

5 De strafbaarheid van het feit

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Op 7 augustus 2015 is door Dr. [deskundige] , psychiater, rapport opgemaakt omtrent de persoon van verdachte. De psychiater concludeert dat bij verdachte sprake is van afhankelijkheid van GHB, nicotine en amfetamines, misbruik van alcohol, een middelen gerelateerde psychose en dat er aanwijzingen zijn voor een of meerdere bijkomende psychiatrische en/of persoonlijkheidsstoornissen, die nader onderzocht dienen te worden.

Bovengenoemde stoornissen waren ook aanwezig ten tijde van het ten laste gelegde. Daarnaast was verdachte onder invloed van GHB en mogelijk amfetamines.

Al de stoornissen ten tijde van het ten laste gelegde overziende, wordt in overweging gegeven om verdachte voor het gedeelte van het ten laste gelegde dat hij zich kan herinneren, verminderd toerekeningsvatbaar te achten. Ten aanzien van het gedeelte van het ten laste gelegde dat verdachte zich niet kan herinneren kan geen uitspraak gedaan worden over de toerekenbaarheid.

De rechtbank zal deze conclusie overnemen en tot de hare maken.

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 39 weken waarvan 24 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden als gesteld in het reclasseringsrapport d.d. 13 augustus 2015, met uitzondering van de verplichting tot een klinische behandeling. De officier van justitie vordert daarbij de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft zich in het algemeen op het standpunt gesteld dat bij de strafoplegging rekening moet worden gehouden met het gegeven dat verdachte inmiddels drie en een halve maand in voorarrest heeft gezeten. De raadsvrouw heeft aangevoerd dat als alleen de mishandeling van verdachtes moeder bewezen wordt, de richtlijnen, mede gelet op de verminderde toerekeningsvatbaarheid, hooguit een gevangenisstraf voor de duur van een paar dagen voorschrijven.

Subsidiair heeft de raadsvrouw opgemerkt dat, mocht de rechtbank toch tot een bewezenverklaring van de poging tot zware mishandeling komen, hooguit een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden passend zal zijn en dat daarbij geen ruimte zal overblijven voor oplegging van een voorwaardelijk strafdeel.

Indien de rechtbank wel ruimte aanwezig acht voor een voorwaardelijk strafdeel, heeft de raadsvrouw bepleit om het voorwaardelijk deel in duur aanzienlijk te beperken. Voorts heeft zij in dat kader opgemerkt dat verdachte zich, met uitzondering van de verplichting tot een klinische behandeling en met uitzondering van het contactverbod, kan vinden in de bijzondere voorwaarden zoals deze zijn geformuleerd in het reclasseringsadvies.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het de verdachte betreffende uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 16 juli 2015;

- een rapport van Dr. [deskundige] , psychiater, gedateerd 7 augustus 2015;

- een voorlichtingsrapportage van Tactus Verslavingszorg, gedateerd 13 augustus 2015.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een ernstige mishandeling van zijn moeder in nota bene haar eigen vertrouwde woning. Verdachte heeft, gedurende een woordenwisseling met zijn moeder, geweld tegen haar gebruikt, waarbij hij onder andere met kracht haar keel heeft dichtgedrukt.

Verdachte heeft door zijn handelen de lichamelijke integriteit van het slachtoffer aangetast. Zonder een noemenswaardige aanleiding heeft verdachte geweld gebruikt, waarbij hij zijn moeder letsel heeft toegebracht en schrik heeft aangejaagd.

Daarnaast heeft verdachte zich vervolgens schuldig gemaakt aan diefstal van de auto van zijn moeder.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmaat ten nadele van verdachte meegewogen dat uit het strafblad van verdachte7 is gebleken dat hij al meermalen met politie en justitie in aanraking is gekomen voor strafbare feiten en zelfs – laatstelijk – door de politierechter in de rechtbank Gelderland op 28 januari 2015 is veroordeeld, hetgeen hem er niet van heeft weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Verdachte liep bovendien in drie proeftijden. Het recidivegedrag van verdachte is hardnekkig.

De rechtbank heeft verder in ogenschouw genomen voornoemd rapport van psychiater De Haan, waarin onder meer staat aangegeven dat uit overwegingen van recidivepreventie een behandeling bij verdachte van zijn verslavingsproblematiek, maar ook van zijn co‑morbide psychiatrische en persoonlijkheidsproblematiek, van belang is om de kans op recidive te reduceren. Geadviseerd wordt te starten met een opname in een dubbeldiagnose‑afdeling. Hierop aansluitend wordt een ambulante vervolgbehandeling in een forensische verslaving en/of forensische psychiatrische polikliniek geadviseerd, gericht op de eerder genoemde probleemgebieden, gecombineerd met een resocialisatieprogramma gericht op wonen, dagbesteding en werken.

De rechtbank heeft tevens kennis genomen van het voorlichtingsrapport van Tactus Verslavingszorg, waarin onder meer is opgenomen dat Tactus zich kan vinden in het advies gegeven door het NIFP.

De rechtbank heeft tot slot gelet op de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte en op de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het LOVS inzake feiten, soortgelijk aan de bewezenverklaarde feiten.

Alles overwegende, als ook gelet op de omstandigheid dat de rechtbank met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde tot een andere bewezenverklaring komt dan de officier van justitie, is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest, passend en geboden is.

De rechtbank acht daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Daarbij zullen de bijzondere voorwaarden worden gesteld als door Tactus Verslavingszorg geadviseerd, met uitzondering van de verplichte klinische behandeling en het contactverbod. Een klinische behandeling lijkt aangewezen om verdachtes levensstijl te veranderen, maar zal toch niet worden opgelegd omdat de ernst van de feiten dit niet rechtvaardigt. De proeftijd zal worden gesteld op twee jaar.

7a. Vorderingen na voorwaardelijke veroordelingen

De rechtbank is van oordeel dat, nu is bewezen dat verdachte zich binnen de proeftijd opnieuw heeft schuldig gemaakt aan strafbare feiten, de tenuitvoerlegging van de bij parketnummer 05/060342-14 voorwaardelijk opgelegde straf (een werkstraf voor de duur van 30 uren) kan worden gelast.

De rechtbank is van oordeel dat, nu is bewezen dat verdachte zich binnen de proeftijd opnieuw heeft schuldig gemaakt aan strafbare feiten, de tenuitvoerlegging van de bij parketnummer 05/269577-14 voorwaardelijk opgelegde straf (een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken) kan worden gelast.

Echter op grond van hetgeen omtrent de veroordeelde ter terechtzitting is gebleken zal de rechtbank in plaats daarvan een taakstraf gelasten, gedurende het hierna te vermelden aantal uren.

Er bestaat geen aanleiding de proeftijd van deze twee vorderingen tot tenuitvoerlegging te verlengen, zoals betoogd door de officier van justitie en de raadsvrouw.

De rechtbank is ten aanzien van de vordering van de officier van justitie van 23 april 2015 tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van 28 november 2014 te Zutphen van parketnummer 05/060492-14 voorwaardelijk opgelegde werkstraf voor de duur van 100 uren subsidiair 50 dagen hechtenis van oordeel, dat – gelet op de persoon en de omstandigheden van de veroordeelde – de bij vonnis vastgestelde proeftijd met één (1) jaar moet worden verlengd. Verdachte dient zich goede rekenschap te geven van het feit dat hij dus, na deze veroordeling, wederom in (twee) proeftijden loopt.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 27, 57, 300, 304, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 200 (tweehonderd) dagen;

 bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf groot 96 (zes en negentig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van na te melden algemene en bijzondere voorwaarden voor het einde van de proeftijd die op twee jaren wordt bepaald;

 legt als algemene voorwaarden op dat de veroordeelde:

- zich voor het einde daarvan niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van haar identiteit haar medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

  • -

    haar medewerking zal verlenen aan het door Tactus Verslavingszorg te houden toezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

 legt als bijzondere voorwaarden op dat de veroordeelde:

  • -

    zich zal houden aan de aanwijzingen die Tactus Verslavingszorg hem geeft, voor zover deze niet reeds zijn opgenomen in een andere bijzondere voorwaarde. Daartoe moet betrokkene respons geven wanneer hij een uitnodiging krijgt van Tactus Verslavingszorg. Hierna moet hij zich gedurende de door Tactus Verslavingszorg bepaalde perioden blijven melden zo frequent als Tactus Verslavingszorg dit gedurende deze periode nodig acht;

  • -

    een traject zal volgen die de behandelaren van Tactus Verslavingszorg nodig of wenselijk achten op het gebied van wonen, werken, financiën, ambulante (forensische) behandeling en vrije tijd;

 geeft opdracht aan Tactus Verslavingszorg tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

 beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter te Zutphen van 12 augustus 2014, te weten van: een werkstraf voor de duur van 30 uren subsidiair 15 dagen hechtenis;

gelast in plaats van de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter te Zutphen van 28 januari 2015 –: een taakstraf, te weten een werkstraf gedurende 60 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 30 dagen;

verlengt de proeftijd als vermeld in het vonnis van de politierechter te Zutphen van 28 november 2014 met een termijn van 1 jaar;

heft op het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gegeven door mr. N.C. van Lookeren Campagne, mr. M.J. Ouweneel en C.H.M. Pastoors, in tegenwoordigheid van E.T. Vriezekolk-Velner, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 8 september 2015.

Mr. Pastoors is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisanten van de politie Oost Nederland, district Noord- en Oost Gelderland, Basisteam Veluwe Noord, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600 2015095783, gesloten op 3 maart 2015 te Epe en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] , pag. 10

3 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] , pag. 11

4 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, pag. 31

5 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, pag. 31

6 Proces-verbaal van bevindingen door verbalisant [verbalisant] , pag. 33

7 Uittreksel Justitiële Documentatie van 16 juli 2015