Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:5652

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
08-09-2015
Datum publicatie
10-09-2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 8647
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2018:2906, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek om nadeelcompensatie wegens gestelde schade als gevolg van een wegaanpassingsbesluit.

Eiseres heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de commissie, en in navolging daarvan verweerder, uit de uitspraak van de Afdeling van 6 juni 2012, ECLI:NL:RVS:2010:BW7613, die in het advies van de commissie is genoemd, ten onrechte de conclusie heeft getrokken dat het verzoek moet worden beoordeeld aan de hand van de criteria die gelden voor de beoordeling van planschade. Eiseres heeft daartoe aangevoerd dat de conclusie van de commissie dat het wegaanpassingsbesluit niet leidt tot een planologisch nadelig gewijzigde situatie, omdat de wijziging ook had kunnen plaatsvinden onder het vorige planologische regime, betekent dat het wegaanpassingsbesluit in overeenstemming is met het bestemmingsplan en dat daarom nu juist geen planologische vergelijking had moeten plaatsvinden, maar het verzoek had moeten worden beoordeeld als een verzoek om nadeelcompensatie.

Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de uitspraken van de Afdeling van 6 juni 2012, ECLI:NL:RVS:2012:B7613, en van 31 maart 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BL9576, dat een verzoek om nadeelcompensatie, gelet op de aard van het wegaanpassingsbesluit, in beginsel moet worden getoetst aan de hand van de criteria die gelden voor de beoordeling van planschade, tenzij de gestelde schade niet of niet uitsluitend kan worden aangemerkt als een rechtstreeks gevolg van het wegaanpassingsbesluit maar wel van daaruit voortvloeiende besluiten of uitvoeringshandelingen als bedoeld in artikel 2 van thans de Beleidsregel nadeelcompensatie Infrastructuur en Milieu 2014. De vraag of er sprake is van een planologische verslechtering is naar het oordeel van de rechtbank geen voorvraag, maar is een vraag die moet worden beantwoord nadat, op grond van het vorenstaande, is vastgesteld dat een toetsing moet plaatsvinden aan de hand van de criteria die gelden voor planschade.

Dit betekent dat verweerder het verzoek om nadeelcompensatie slechts had kunnen behandelen als een verzoek om nadeelcompensatie als de gestelde schade niet of niet uitsluitend kan worden aangemerkt als een rechtstreeks gevolg van het wegaanpassingsbesluit maar als gevolg van daaruit voortvloeiende besluiten of uitvoeringshandelingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 14/8647

uitspraak van de meervoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres], eiseres

(gemachtigde: mr. J.C. Ellerman),

en

de Minister van Infrastructuur en Milieu te Utrecht, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 19 september 2014 (verder: het bestreden besluit) heeft verweerder een verzoek van eiseres om vergoeding van schade op grond van de Regeling Nadeelcompensatie Verkeer en Waterstaat 1999 afgewezen.

Tegen dit besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt. In het bezwaarschrift heeft zij verzocht om toepassing van artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (verder: Awb). Verweerder heeft hiermee ingestemd en het bezwaarschrift aan de rechtbank doorgezonden.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juli 2015. Eiseres heeft zich daar laten vertegenwoordigen door [naam], werkzaam bij eiseres, bijgestaan door mr. J.C. Ellerman. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.A. Drapers, mr. M.J. Monninkhof en drs. P.A.J. Hol.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

Bij besluit van 14 november 2012 heeft verweerder op grond van artikel 9, eerste lid, van de Spoedwet wegverbreding (verder: de Spoedwet) het wegaanpassingsbesluit A28 Utrecht-Amersfoort (verder: het wegaanpassingsbesluit) vastgesteld. Tegen dit besluit is, onder meer door eiseres, beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (verder: de Afdeling). Bij uitspraak van 5 juli 2013, nrs. 201300229/1/R6, 201300421/1/R6 en 201300755/1/R6, heeft de Afdeling op deze beroepen beslist, waardoor het besluit onherroepelijk is geworden.

Bij formulier van 3 februari 2013 heeft eiseres een verzoek om schadevergoeding op grond van de Regeling Nadeelcompensatie Verkeer en Waterstaat 1999 ingediend. Eiseres heeft daarin gesteld schade te lijden door het wegaanpassingsbesluit en meer in het bijzonder de afsluiting van de afrit Hoevelaken voor het verkeer vanuit de richting Amsterdam en voor het verkeer uit de richting Zwolle, ten gevolge waarvan, naar eiseres stelt, haar bedrijfspand in Hoevelaken slechter bereikbaar en daardoor minder waard is geworden, welke waardevermindering zij heeft getaxeerd op € 2.000.000.

Verweerder heeft een enkelvoudige adviescommissie benoemd om hem te adviseren met betrekking tot het verzoek om schadevergoeding. Nadat partijen hebben kunnen reageren op het conceptadvies van de commissie, heeft de adviescommissie verweerder bij haar rapport van 2 juli 2014 geadviseerd. Daarin heeft de commissie, toetsend aan de hand van de criteria die gelden voor de beoordeling van planschade, gesteld dat het wegaanpassingsbesluit niet leidt tot een planologisch nadelig gewijzigde situatie, omdat de wijziging ook had kunnen plaatsvinden onder het vorige planologische regime. De commissie heeft in haar rapport ook bezien of het verzoek van eiseres, als dat wordt beoordeeld als een verzoek om nadeelcompensatie, voor toekenning in aanmerking zou komen, welke vraag de commissie ontkennend heeft beantwoord omdat, voor zover hier van belang, er sprake is van een tijdelijke afsluiting en daarmee van een tijdelijke waardevermindering.

Verweerder heeft het verzoek van eiseres beoordeeld als een verzoek om planschade en heeft het overeenkomstig het advies afgewezen.

2. Eiseres heeft zich in beroep op het standpunt gesteld dat verweerder ten onrechte een planologische vergelijking heeft gemaakt, omdat dit niet in overeenstemming is met de jurisprudentie ter zake. Verder zien de beroepsgronden van eiseres op de tijdelijkheid van de maatregelen en daarmee op de tijdelijkheid van de waardevermindering die zij stelt te ondervinden.

3. In artikel 17, eerste lid, van de Spoedwet is, voor zover van belang, bepaald dat verweerder voor zover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge van een onherroepelijk wegaanpassingsbesluit of een onherroepelijk besluit ter uitvoering van een wegaanpassingsbesluit als bedoeld in artikel 7, eerste lid, schade lijdt of zal lijden, die redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven, en ten aanzien waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of op andere wijze is verzekerd, hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toekent.

Ingevolge artikel 17, tweede lid, van de Spoedwet blijft afdeling 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening buiten toepassing voor zover de belanghebbende met betrekking tot de schade een beroep doet of kan doen op een schadevergoeding als bedoeld in het eerste lid.

In artikel 17, derde lid, van de Spoedwet is bepaald dat verweerder nadere regels kan geven omtrent de indiening en afhandeling van een verzoek om schadevergoeding.

In het wegaanpassingsbesluit is de Regeling nadeelcompensatie Verkeer en Waterstaat 1999 van toepassing verklaard, met ingang van 17 juni 2014 Beleidsregel nadeelcompensatie Infrastructuur en Milieu 2014 genoemd.

4. Eiseres heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de commissie, en in navolging daarvan verweerder, uit de uitspraak van de Afdeling van 6 juni 2012, ECLI:NL:RVS:2010:BW7613, die in het advies van de commissie is genoemd, ten onrechte de conclusie heeft getrokken dat het verzoek moet worden beoordeeld aan de hand van de criteria die gelden voor de beoordeling van planschade. Eiseres heeft daartoe aangevoerd dat de conclusie van de commissie dat het wegaanpassingsbesluit niet leidt tot een planologisch nadelig gewijzigde situatie, omdat de wijziging ook had kunnen plaatsvinden onder het vorige planologische regime, betekent dat het wegaanpassingsbesluit in overeenstemming is met het bestemmingsplan en dat daarom nu juist geen planologische vergelijking had moeten plaatsvinden, maar het verzoek had moeten worden beoordeeld als een verzoek om nadeelcompensatie.

5. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de uitspraken van de Afdeling van 6 juni 2012, ECLI:NL:RVS:2012:B7613, en van 31 maart 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BL9576, dat een verzoek om nadeelcompensatie, gelet op de aard van het wegaanpassingsbesluit, in beginsel moet worden getoetst aan de hand van de criteria die gelden voor de beoordeling van planschade, tenzij de gestelde schade niet of niet uitsluitend kan worden aangemerkt als een rechtstreeks gevolg van het wegaanpassingsbesluit maar wel van daaruit voortvloeiende besluiten of uitvoeringshandelingen als bedoeld in artikel 2 van thans de Beleidsregel nadeelcompensatie Infrastructuur en Milieu 2014. De vraag of er sprake is van een planologische verslechtering is naar het oordeel van de rechtbank geen voorvraag, maar is een vraag die moet worden beantwoord nadat, op grond van het vorenstaande, is vastgesteld dat een toetsing moet plaatsvinden aan de hand van de criteria die gelden voor planschade.

6. Dit betekent dat verweerder het verzoek om nadeelcompensatie slechts had kunnen behandelen als een verzoek om nadeelcompensatie als de gestelde schade niet of niet uitsluitend kan worden aangemerkt als een rechtstreeks gevolg van het wegaanpassingsbesluit maar als gevolg van daaruit voortvloeiende besluiten of uitvoeringshandelingen.

Eiser heeft zich ter zitting subsidiair op het standpunt gesteld dat de afsluiting van de afrit geen rechtstreeks gevolg is van het wegaanpassingsbesluit, maar van een uitvoeringshandeling, namelijk de plaatsing van zogenaamde barriers.

7. In het wegaanpassingsbesluit is op bladzijde 13 het volgende gesteld:

“b) Parallelrijbaan

Tussen km 44,25 en km 44,94 wordt de parallelrijbaan aangepast. De

verhardingsbreedte wordt gehandhaafd maar de strookindeling wijzigt. Tussen km

44,85 en km 44,94 wordt de tussenberm tussen de bestaande hoofdrijbaan en

parallelrijbaan voorzien van een verharding. Tussen km 44,94 en km 44,99 wordt

de bestaande parallelrijbaan opgeheven. Dit betekent dat verkeer uit de richtingen

Amsterdam (A1) en Zwolle (A28) geen gebruik meer kan maken van de afrit

Hoevelaken.”

In de toelichting (op bladzijde 31) is daaromtrent nog gesteld:

“In het kader van het project A28 Utrecht-Amersfoort wordt de verbindingsboog

vanuit de richting Utrecht naar de richting Apeldoorn verdubbeld omdat richting

Apeldoorn veel autoverkeer wordt voorzien. Het verkeer dat vanuit de richtingen

Amsterdam en Zwolle komt en de afrit Hoevelaken wil nemen, moet dan 3 rijstroken

wisselen om de afrit te bereiken. Voor deze weefbewegingen is maar weinig

weglengte beschikbaar, omdat de aansluiting Hoevelaken op korte afstand van het

knooppunt ligt. Deze weefbewegingen in combinatie met een dergelijke korte lengte

tussen het knooppunt en de afrit zal leiden tot een verkeersonveilige situatie die ook

gevoelig is voor congestie. Daarom wordt het gebruik van de afrit Hoevelaken voor

dit verkeer afgesloten.”

8. Anders dan eiseres stelt, volgt hieruit dat de afsluiting van de afrit een rechtstreeks gevolg is van het wegaanpassingsbesluit. Het plaatsen van de zogenaamde barriers is slechts een gevolg daarvan, en strekt ertoe dat het voor verkeer uit de richting Amsterdam en uit de richting Zwolle ook daadwerkelijk onmogelijk wordt gemaakt deze afrit nog langer te kunnen gebruiken.

9. Nu de afsluiting van de afrit een rechtstreeks gevolg is van het wegaanpassingsbesluit, niet in geschil is dat dit besluit niet leidt tot een planologisch nadelig gewijzigde situatie en de overige beroepsgronden slechts betrekking hebben op dat deel van het advies van de commissie dat verweerder buiten beschouwing heeft gelaten, is het beroep ongegrond.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Penning, voorzitter, mr. M. van der Linde en mr. R.J.B. Schutgens, rechters, in tegenwoordigheid van R. van Diest, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: .

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.