Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:5626

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
24-06-2015
Datum publicatie
07-09-2015
Zaaknummer
275121
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vraag of eiseres er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat de VOF bij het sluiten van de overeenkomst bevoegd werd vertegenwoordigd althans dat bekrachtiging van de overeenkomst door de VOF had plaatsgevonden. Aan eiseres kom een beroep toe op art 3:61 lid 2 BW en de VOF is gebonden aan de overeenkomst

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/1635
NJF 2015/476
NTHR 2015, afl. 6, p. 320
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/275121 / HA ZA 14-691

Vonnis van 24 juni 2015

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te Zoelen,

eiseres,

advocaat mr. J.W. Koekebakker te Ede,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te Wageningen,

gedaagde,

advocaat mr. H.H. Tan te Utrecht.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 11 februari 2015

  • -

    het verkort proces-verbaal van comparitie van 13 mei 2015.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] , kunstenares, heeft een persoonlijke en zakelijke relatie gehad met [naam] (hierna: [naam] ), die eveneens kunstenaar was. [gedaagde] is de jongste zoon van [naam] . [naam] is op 5 juni 2014 op 76-jarige leeftijd overleden.

2.2.

[naam] heeft zijn werk, productie en verkoop van (voornamelijk) bronzen sculpturen sinds 2 januari 2010 ondergebracht in een vennootschap onder firma met [gedaagde] , genaamd [bedrijf] (hierna: de vof). De vof-overeenkomst van 10 juli 2010 bepaalt onder artikel 6 sub j. dat de medewerking van beide vennoten wordt gevorderd voor onder meer het aangaan van rechtshandelingen waarvan – kort samengevat – het belang of de waarde een bedrag van € 1.000,00 te boven gaat.

2.3.

Een op 31 oktober 2013 gedateerde en door [naam] en [eiseres] ondertekende overeenkomst (hierna: de overeenkomst), luidt:

[bedrijf] [naam] ) en [eiseres] , hodn [bedrijf] , zijn overeengekomen dat [eiseres] met ingang van 1 november 2013 werkzaamheden gaat verrichten voor [bedrijf] .

[eiseres] krijgt voor deze werkzaamheden een jaarlijkse vergoeding van € 17.400,- wat maandelijks in termijnen van € 1.450,- (excl. 21%) wordt overgemaakt. De maandelijkse termijn dient [eiseres] in bij [bedrijf] .

De overeenkomst is voor een jaar en wordt in goed overleg jaarlijks verlengd, met een opzegtermijn van 6 maanden.

Wageningen 31 oktober 2013 Zoelen 31 oktober 2013

W.F. [naam] P.I. [eiseres]

2.4.

[eiseres] heeft vanaf 1 november 2013 tot en met mei 2014 maandelijks € 1.450,00 ex btw per maand bij [bedrijf] gedeclareerd. [gedaagde] heeft tot en met mei 2014 ten laste van de bankrekening van de vof de facturen van [eiseres] betaald.

2.5.

Naar aanleiding van een factuur van [eiseres] heeft [gedaagde] , gebruik makend van het e-mailadres van Management [bedrijf] [mailadres] , op 16 december 2013 aan [eiseres] geschreven:

Terugkomend op de afgelopen factuur die je ons hebt gestuurd heb ik voor de administratie, hetgeen ook voor jou is vereist ter verantwoording aan de belastingdienst, het volgende nodig dat dient te worden toegevoegd aan je facturen:

1. een specificatie van de geleverde diensten, m.a.w. een uren specificatie: uren maal tarief + btw. Hierin ook opnemen: data, tijden en locatie.

(…)

2.) Een aparte vermelding van de kilometervergoeding met eigen vervoer volgens de wettelijk vastgestelde € 0,19 per kilometer. (…)

(…)

Overigens is [bedrijf] niet verplicht om jou de € 0,19 per kilometer te vergoeden. (…)

We moeten dit ook hebben voor onze boekhouding en de belastingdienst. (…)

Tevens nogmaals het verzoek om met spoed de VAR WUO 2013 en VAR WUO 2014 aan te leveren.

(…)

2.6.

Na het overlijden van [naam] op 5 juni 2014 heeft [gedaagde] de onderneming van de vof voortgezet als eenmanszaak onder handhaving van dezelfde handelsnamen: [bedrijf] en [naam] sculptor.

2.7.

Op 10 augustus 2014 heeft [eiseres] aan [gedaagde] een e-mail verzonden met als bijlagen twee facturen ‘voor verrichte werkzaamheden in juni en juli 2014’.

2.8.

Op 13 augustus 2014 heeft [eiseres] per e-mail aan [gedaagde] geschreven:

Hallo [naam] ,

Er is veel onduidelijk, ik zou volg. week graag willen langskomen om te praten… van wat er van mij verwacht wordt… en wat ik nog kan betekenen…

Heb je me nou ontslagen…want ik heb met [bedrijf] vertegenwoordigd door [naam] destijds een contract gemaakt en ondertekend, ik neem aan dat je daar ook een kopie van heb gekregen.

Ik heb daarbij een opzegtermijn van 6 maanden. Jeroen Huijbers was destijds als derde getuige en heeft dat opgesteld. Ook van dat als [naam] zou wegvallen of ziek worden, ik een vangnet van een jaar doorbetaling zou hebben, zodat ik de gelegenheid zou hebben om weer een baan te zoeken. Dat heb ik toen goed besproken, omdat ik mijn vaste dienstverband van destijds moest opzeggen. Je kan dat bij Jeroen Huijbers wel verifiëren…

(…)

2.9.

In reactie op deze e-mail van [eiseres] heeft [gedaagde] op 13 augustus 2014, aan haar geschreven:

(…) Tegen mijn vader heb ik gezegd dat de samenwerking in welke vorm dan ook gehandhaafd zou kunnen blijven. Ik heb nimmer gesproken over voorwaarden of een loondienstbetrekking, omdat daar ook geen sprake van was (en is) en ik kan daar ook niet mee instemmen. Omdat je niet in dienst bent, hoef ik je dus ook niet te ontslaan. Verder ben ik ook niet op de hoogte van een overeenkomst tussen jou en [naam] . Ook als die er zou zijn geweest, dan zou deze niet rechtsgeldig zijn omdat ik samen met mijn vader eigenaar was van [bedrijf] VOF en derhalve werd van iedere vennoot toestemming en ondertekening gevorderd. [naam] was niet autonoom bevoegd om dit te doen.

Ik vind het een heel vervelende situatie en zou je willen voorstellen om je per uur of per opdracht uit te betalen (…)

2.10.

Bij brief van 14 oktober 2014 heeft de gemachtigde (DAS) van [gedaagde] aan [eiseres] geschreven dat er nimmer sprake is geweest van een overeenkomst van opdracht tussen partijen zodat de facturen over de maanden juni en juli 2014 onterecht zijn.

2.11.

Bij brief van 31 oktober 2014 heeft de gemachtigde van [gedaagde] de overeenkomst, voor zover deze nog zou bestaan, per direct opgezegd.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

  1. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 8.772,50, vermeerderd met de wettelijke handelsrente over elke van de vijf opeenvolgende maandelijkse termijnen van € 1.754,50 vanaf de 30ste dag na het einde van elke termijn, juni 2014 tot en met oktober 2014, tot aan de volledige voldoening;

  2. voor recht te verklaren dat de overeenkomst van [eiseres] met [bedrijf] vof is voortgezet door [gedaagde] handelend onder de naam ‘ [bedrijf] ’;

  3. voor recht te verklaren dat de overeenkomst van [eiseres] met [bedrijf] door de ‘opzegging op 31 oktober 2014 per direct’ schadeplichtig tot een einde is gekomen;

  4. [gedaagde] te veroordelen om aan [eiseres] te betalen € 17.400,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding tot aan de volledige voldoening;

  5. [gedaagde] te veroordelen om aan [eiseres] te betalen € 1.036,72, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding tot aan de volledige voldoening;

met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

3.2.

[eiseres] legt aan haar vorderingen het volgende ten grondslag. De overeenkomst is door de vof aangegaan of in ieder geval heeft de vof deze overeenkomst bekrachtigd. [gedaagde] , die de onderneming [bedrijf] als eenmanszaak heeft voortgezet, is daaraan gebonden. De overeenkomst is door de ‘opzegging op 31 oktober 2014 per direct’ schadeplichtig tot een einde gekomen omdat is opgezegd tegen een eerdere datum dan waartegen contractueel mocht worden opgezegd, te weten tegen 1 november 2015. Voor zover de overeenkomst van rechtswege is geëindigd per eind oktober 2014, is [gedaagde] in ieder geval de vergoeding voor de maanden juni tot en met oktober 2014, derhalve € 8.772,50, aan Drost verschuldigd. Ook dient [gedaagde] op grond van het Besluit buitengerechtelijke kosten een bedrag van € 1.036,72 aan [eiseres] te voldoen.

3.3.

[gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

In geschil is of [naam] geacht moet worden de overeenkomst te zijn aangegaan namens de vof en zo ja, of de vof ook daadwerkelijk gebonden is aan de overeenkomst, gelet op artikel 6 van de vof-overeenkomst. Niet in geschil is dat ingevolge de vof-overeenkomst de niet nader omschreven medewerking van [gedaagde] vereist was voor het aangaan van deze overeenkomst aangezien het belang hiervan een waarde van € 1.000,00 te boven gaat. Indien komt vast te staan dat de vof gebonden is aan de overeenkomst, brengt dit mee dat de eenmanszaak van [gedaagde] thans aan die overeenkomst is gebonden. Dit laatste wordt door [gedaagde] niet betwist.

4.2.

[eiseres] stelt dat [naam] de overeenkomst voor rekening en risico van de vof is aangegaan en verwijst daarbij naar de aanhef ( [bedrijf] ) en de omstandigheid dat de facturen tot juni 2014 ten laste van de vof zijn voldaan. Hoewel [gedaagde] niet bij de ondertekening van de overeenkomst ten kantore van accountant Huibers aanwezig was, was hij middels zijn vader en/of Huibers op de hoogte van de inhoud van de overeenkomst. Als [gedaagde] niet heeft meegewerkt aan de totstandkoming van de overeenkomst, dan heeft hij deze in ieder geval bekrachtigd doordat hij tot en met mei 2014 de facturen van [eiseres] ten laste van de vof heeft betaald en heeft kunnen zien dat [eiseres] vanaf november 2013 omstreeks 18 uur per week werkte in het atelier in Wageningen. Het maandelijks gefactureerde bedrag was telkens hetzelfde zodat onaannemelijk is dat [gedaagde] heeft gedacht dat zij op freelance basis af en toe wat werkzaamheden voor [bedrijf] verrichtte. Bovendien wijst de e-mail van 16 december 2013 (zie 2.5) ook op wetenschap aan de zijde van [gedaagde] van de inhoud van de overeenkomst, aldus [eiseres] .

4.3.

[gedaagde] voert aan dat uit de toevoeging [naam] ) achter de aanduiding ‘ [bedrijf] ’ (als partij) en de ondertekening (W.F. [naam] ) blijkt dat [naam] deze overeenkomst voor eigen rekening en risico en niet voor rekening en risico van de vof wilde aangaan. [gedaagde] betwist dat hij bij de totstandkoming van de overeenkomst is betrokken en betwist dus ook dat hij daaraan de vereiste medewerking heeft verleend. Hij is door zijn vader of door Huibers nooit op de hoogte gesteld van de inhoud van de overeenkomst en heeft deze pas toen hij werd gedagvaard voor het eerst gezien. In het archief van de vof is ook geen exemplaar aanwezig. De overeenkomst was hem derhalve niet bekend zodat van een bekrachtiging van de overeenkomst geen sprake kan zijn. De vof zal op incidentele basis wel opdrachten aan [eiseres] hebben verstrekt, maar hij ging ervan uit dat zij als zzp-er factureerde voor deze losse werkzaamheden. Hij heeft de facturen van [eiseres] betaald maar hij werd hiertoe gesommeerd door zijn vader, die hem de mond snoerde en niet wilde vertellen wat [eiseres] nu precies deed voor dat geld.

4.4.

Ter zitting heeft [gedaagde] zijn standpunt enigszins gewijzigd en gesteld dat de bedragen weliswaar ten laste van de vof zijn betaald maar de bedoeling was dat deze uiteindelijk ten laste van zijn vader zouden komen. Voor zover [gedaagde] heeft begrepen, is het ook op die manier in de boeken verwerkt. Deze constructie zou om fiscale redenen zijn gekozen, aldus [gedaagde] .

4.5.

De rechtbank overweegt het volgende. De vraag in welke hoedanigheid iemand zich tegenover een ander heeft aangediend, dient te worden beantwoord aan de hand van hetgeen betrokkenen jegens elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden. In dit geval is [bedrijf] in de overeenkomst als contractspartij opgenomen, heeft [eiseres] haar facturen aan [bedrijf] gestuurd en heeft [bedrijf] deze betaald. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat [eiseres] er gerechtvaardigd op heeft mogen vertrouwen dat zij de overeenkomst aanging met de [bedrijf] , derhalve met de vof. De toevoeging tussen haakjes verandert dit niet. Daaraan kan nog worden toegevoegd dat, hoewel [gedaagde] mogelijk niet op de hoogte was van de exacte inhoud van de overeenkomst, hij in de periode van november 2013 tot en met mei 2014 nimmer heeft betwist dat de werkzaamheden die [eiseres] verrichtte, in opdracht en voor rekening van de vof werden verricht.

4.6.

De volgende vraag is dan of deze overeenkomst met de vereiste medewerking van [gedaagde] tot stand is gekomen dan wel nadien door hem is bekrachtigd in de zin van artikel 3:69 BW. In dit geval is [naam] namens de vof opgetreden en heeft [eiseres] aangenomen dat een toereikende volmacht was verleend. Zij beroept zich derhalve op de bescherming die artikel 3:61 lid 2 BW biedt aan een derde die op de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid is afgegaan. Die schijn kan zijn gewekt door een verklaring of ander actief gedrag, maar ook door het laten voortbestaan van een bepaalde situatie of door een andersoortig niet-doen. Daarbij doet niet ter zake of een gedeelte van de schijnwekkende feiten en omstandigheden zich eerst na de totstandkoming van de overeenkomst heeft voorgedaan (HR 24-04-2015, NJ 2015/221, [naam] c.s./Gem. Dronten en HR 12-01-2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9429, NJ 2001/157, [naam] ). Daarbij is het onderscheid tussen (schijn van) bekrachtiging van de rechtshandeling en schijn van bevoegdheid tot het verrichten daarvan niet relevant. In vele gevallen kan een dergelijk scherp onderscheid in de praktijk niet worden gemaakt, hetgeen meebrengt dat dezelfde omstandigheden zowel bij de ene als bij de andere kwestie in de afweging kunnen (en moeten) worden betrokken.

4.7.

Bij de beoordeling van [eiseres] ’ gerechtvaardigde vertrouwen is relevant dat gesteld noch gebleken is dat [eiseres] op de hoogte was van de in de vof-overeenkomst opgenomen bevoegdheidsbeperkingen. Voorts is relevant dat [gedaagde] van november 2013 tot en met mei 2014 de op naam van de vof gestelde facturen van [eiseres] ten laste van de vof heeft betaald en dat dit telkens exact hetzelfde bedrag betrof. Hoewel er op het moment dat deze facturen werden ontvangen alle reden was voor [gedaagde] om te informeren naar de grondslag voor deze facturen en [eiseres] mede te delen dat [naam] die overeenkomst onbevoegdelijk was aangegaan, heeft hij jegens [eiseres] gezwegen en heeft hij de facturen telkens betaald. Hieraan heeft [eiseres] het vertrouwen kunnen ontlenen dat ‘het goed zat’ en dat ook [gedaagde] de vof gebonden achtte. Gesteld noch gebleken is dat [eiseres] op de hoogte was van de onder 4.4 gestelde omstandigheden, van de door [gedaagde] gestelde zwijgzaamheid van [naam] omtrent de overeenkomst of van de druk die door [naam] zou zijn uitgeoefend op [gedaagde] om aan de uitvoering van de (of een) overeenkomst met [eiseres] zijn medewerking te verlenen. Deze omstandigheden kunnen, voor zover al bewezen, niet meespelen in de verhouding tussen [eiseres] en de vof. Kortom, door deze voor risico van [gedaagde] komende stand van zaken, kan moeilijk een andere gerechtvaardigde indruk zijn ontstaan dan dat [naam] bevoegd was de vof te vertegenwoordigen bij het aangaan van de overeenkomst, althans dat de bekrachtiging van de overeenkomst door de vof had plaatsgevonden. Nu voor de vereiste medewerking van [gedaagde] ingevolge de vof-overeenkomst niet een bepaalde vorm is vereist, geldt voor de bekrachtiging evenmin een bepaald vormvoorschrift.

4.8.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat aan [eiseres] een beroep toekomt op artikel 3:61 lid 2 BW en de vof gebonden is geworden aan de overeenkomst.

4.9.

Dan komt de vraag aan de orde of de overeenkomst van rechtswege is geëindigd op 31 oktober 2014 aangezien niet in goed overleg is verlengd, zoals [gedaagde] stelt, dan wel of de overeenkomst stilzwijgend met een jaar is verlengd doordat niet tegen 31 oktober 2014 is opgezegd met inachtneming van een opzegtermijn van zes maanden, zoals [eiseres] stelt.

4.10.

De letterlijke tekst van de overeenkomst luidt: ‘De overeenkomst is voor een jaar en wordt in goed overleg jaarlijks verlengd, met een opzegtermijn van 6 maanden’. De rechtbank leest in deze bepaling dat de overeenkomst in ieder geval voor een jaar geldt. Anders dan [eiseres] stelt, is niet vermeld dat bij verlenging zal worden verlengd voor een jaar en dus voor bepaalde tijd. Zo bezien is het niet onlogisch dat de toevoeging ‘met inachtneming van een opzegtermijn van zes maanden’ ziet op de verlengingsperiode. Nu uitdrukkelijk wordt bepaald dat verlenging ‘in goed overleg’ plaatsvindt, kan niet worden aangenomen dat partijen hebben bedoeld de overeenkomst na het verstrijken van het eerste jaar stilzwijgend te laten doorlopen. Uit de correspondentie tussen [eiseres] en [gedaagde] na het overlijden van [naam] , en met name uit de onder 2.9 geciteerde brief van [gedaagde] aan [eiseres] van 13 augustus 2014, is duidelijk dat verlenging in goed overleg niet heeft plaatsgevonden waardoor de overeenkomst is geëindigd op 31 oktober 2014.

4.11.

[eiseres] stelt dat iets anders is overeengekomen en voert hiertoe het volgende aan. Op aandringen van [naam] heeft zij haar toenmalige vaste dienstbetrekking opgezegd omdat het de bedoeling was dat zij voor langere tijd werkzaamheden voor de vof zou gaan verrichten. Ook als [naam] zou overlijden of de relatie zou eindigen, moest zij nog enige tijd verzekerd zijn van inkomsten en daarom is met [naam] besproken dat de overeenkomst telkens in goed overleg zou worden verlengd, tenzij deze met inachtneming van een opzegtermijn werd opgezegd. Volgens [eiseres] is zelfs afgesproken dat de overeenkomst in een dergelijk geval nog een jaar zou doorlopen. Zij heeft ter zitting verklaard dat Huibers, die de overeenkomst heeft opgesteld, hierover wellicht nog iets kan verklaren en heeft bewijs aangeboden van de inhoud van de overeenkomst. De rechtbank zal dit bewijsaanbod passeren, aangezien [eiseres] geen concrete feiten of omstandigheden heeft gesteld en (voldoende specifiek) te bewijzen heeft aangeboden, die tot een andere uitkomst kunnen leiden.

4.12.

Het voorgaande brengt mee dat de vordering tot betaling van de facturen voor de maanden juni tot en met oktober 2014, in totaal een bedrag van € 8.772,50, in beginsel toewijsbaar is. De advocaat van [gedaagde] heeft ter zitting nog gesteld dat, mede in het licht van het feit dat [eiseres] zzp’er is en geen werkneemster, dit bedrag mogelijk niet geheel verschuldigd is door de vof vanwege het feit dat door het overlijden van [naam] het atelier op slot zat en er niet gewerkt kon worden. De rechtbank stelt vast dat in de overeenkomst niet is voorzien in deze situatie. In de overeenkomst is slechts bepaald dat [eiseres] recht heeft op een jaarlijkse vergoeding van € 17.400,00 die maandelijks in termijnen van € 1.450,00 (ex btw) wordt overgemaakt. Voor zover [gedaagde] bedoeld heeft met zijn hiervoor genoemde stelling een beroep te doen op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid, is dit verweer onvoldoende onderbouwd. Ook het verweer dat de facturen niet betaald hoeven te worden aangezien een deugdelijke specificatie van de werkzaamheden ontbreekt, faalt. Niet gebleken is immers dat dit ingevolge de overeenkomst vereist is of dat bij de door [gedaagde] betaalde facturen een uitgebreidere specificatie van de werkzaamheden was gevoegd. [gedaagde] zal de verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst dan ook onverkort moeten nakomen.

4.13.

De wettelijke handelsrente over het bedrag van € 8.772,50 is niet afzonderlijk bestreden en is eveneens toewijsbaar.

4.14.

[eiseres] vordert voorts nog een bedrag van € 1.036,72 aan buitengerechtelijke kosten. De rechtbank stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is nu het verzuim op of na 1 juli 2012 is ingetreden.

[eiseres] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaam-heden zijn verricht maar aangezien [gedaagde] niet een hoofdsom van € 26.172,50 maar van € 8.772,50 verschuldigd is, komt het gevorderde bedrag niet overeen met het ingevolge het Besluit verschuldigde tarief. De gevorderde vergoeding wegens buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zal dan ook ambtshalve worden gematigd tot een bedrag van € 813,63. Ook de gevorderde wettelijke rente over de buitengerechtelijke kosten met ingang van de dag der dagvaarding is toewijsbaar.

4.15.

De vorderingen die gebaseerd zijn op de veronderstelling dat de overeenkomst schadeplichtig tot een einde is gekomen en [gedaagde] schadevergoeding van € 17.400,00 verschuldigd is, zullen worden afgewezen.

4.16.

[gedaagde] zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:

- dagvaarding € 95,77

- griffierecht 868,00

- salaris advocaat 768,00 (2,0 punten × tarief € 384,00)

Totaal € 1.731,77

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

verklaart voor recht dat de overeenkomst van [eiseres] met [bedrijf] vof is voortgezet door [gedaagde] handelend onder de naam ‘ [bedrijf] ’,

5.2.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 8.772,50 (achtduizendzevenhonderdtweeënzeventig euro en vijftig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119a BW over elke van de vijf opeenvolgende maandelijkse termijnen van € 1.754,50, vanaf de 30ste dag na het einde van elke termijn (juni tot en met oktober 2014) tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt [gedaagde] in de buitengerechtelijke kosten van € 813,63, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 4 december 2014 tot aan de dag van volledige betaling,

5.4.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 1.731,77,

5.5.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.S.T. Belt en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2015.