Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:5621

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
04-09-2015
Datum publicatie
04-09-2015
Zaaknummer
4259495
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Arbeidszaak; ontbinding o.g.v. 7:685 BW; Beroep werknemer op opzegverbod wegens ziekte slaagt. Conditio sine qua non verband tussen het verzoek en de arbeidsongeschiktheid nu werknemer zonder de longziekte niet arbeidsongeschikt was geworden voor het werk in de lakhal en hij daar had kunnen blijven werken. Ten aanzien van het disfunctioneren op de twee afdelingen waar werknemer na zijn arbeidsongeschiktheid voor de lakhal (en daarmee ook voor de afdeling/het hoofdproces isoleren) kon werken heeft werkgever voorts onvoldoende aannemelijk gemaakt dat dit geen verband houdt met de ziekte van werknemer. Dit kan gelegen zijn in de gevolgen van de blootstelling aan de chemische, toxische stoffen in de lakhal van werkgever.

Dat werknemer zich niet tot de bedrijfsarts heeft gewend, omdat hij het vertrouwen in deze (door werkgever ingeschakelde) arts heeft verloren, heeft in dit geval niet tot gevolg dat werknemer geen beroep toekomt op (de reflexwerking van) het opzegverbod, omdat hij niet heeft meegewerkt aan zijn re-integratie verplichtingen (artikel 7:670b lid3 onder a BW).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/1631
AR 2015/1632
AR-Updates.nl 2015-0835
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Nijmegen

zaakgegevens 4259495 \ HA VERZ 15-95 \ 693 \ 420

uitspraak van 4 september 2015

beschikking

in de zaak van

de besloten vennootschap Smit Draad/Draad Nijmegen B.V.

gevestigd te Nijmegen

verzoekende partij

gemachtigde mr. R.Ph. de Quay

tegen

[werknemer]

wonende te [woonplaats]

verwerende partij

gemachtigde mr. J. van de Hel

Partijen worden hierna Smit Draad en [werknemer] genoemd.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift met producties 1 tot en met 17

  • -

    het verweerschrift met producties 1 tot en met 17

  • -

    de nagekomen producties 18 tot en met 26 van Smit Draad, ingekomen ter griffie op 19 augustus 2015

  • -

    de nagekomen producties 18 tot en met 21 van [werknemer] , ingekomen ter griffie op 20 augustus 2015

  • -

    de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling van 21 augustus 2015 mede inhoudende de pleitnotities van de gemachtigde van Smit Draad en de gemachtigde van [werknemer] .

2 De feiten

2.1.

Smit Draad is een onderneming die zich toelegt op de productie van hoogwaardig wikkeldraad bestemd voor de industrie. De hoogwaardige (kabel)draad-producten worden toegepast in de bouw van transformatoren en elektriciteitscentrales. De productie is onderverdeeld in vier hoofdprocessen: blanke draad, lakken, kabelslaan (Rekab) en isoleren (papier en glas). Deze hoofdprocessen zijn gerelateerd aan de productgroepen lakdraad, glasdraad en papieren draad alsmede “Continuously Transposed Conductors” (CTC) zijnde gelakte koperdraad die getransponeerd wordt tot kabel.

2.2.

[werknemer] , geboren [dag en maand] 1978, is sinds 10 maart 2008 op uitzendbasis en vanaf 26 januari 2009 in loondienst werkzaam bij Smit Draad, laatstelijk in de functie van machinevoerder.

2.3.

Volgens artikel 1 van de arbeidsovereenkomst houdt de functie van (aankomend) machinevoerder in de assistentie aan machinevoerders en aan allround machinevoerders bij het produceren en bewerken van koperdraad en -kabel. Op 24 december 2008 sluit Smit Draad met de vakbond FNV Bondgenoten een overeenkomst waarin ten aanzien van machinevoerders afspraken zijn gemaakt over de functie-inhoud, de opleidingen en de indeling in salarisgroepen. De functie van machinevoeder wordt hierin als volgt omschreven:

“Deels inzetbaar op één hoofdproces, met bijbehorende certificaten, maar nog niet volledig zelfstandig op een hoofdproces. Elders ondersteunend.”

2.4.

[werknemer] is vanaf de aanvang van zijn dienstverband werkzaam in de “lakhal” (hoofdproces lakken). Het lakproces omvat het aanbrengen van isolatielak op koperdraad volgens de aangegeven klantspecificatie, waarbij maatvoering en isolatiewaarde kwaliteitsbepalend zijn. Er wordt gewerkt met een computergestuurde procesinstallatie waarin voorgloei-, lak-, en droogbehandelingen plaatsvinden.

2.5.

In verslagen van functioneringsgesprekken in 2012, 2013 en 2014 komt als terugkerend verbeterpunt naar voren dat [werknemer] meer eigen initiatief moet nemen. In het verslag van 2013 wordt dit als volgt omschreven: “Als er iets aan hem gevraagd wordt, doet hij het wel maar zonder een directe opdracht zie ik hem niets anders doen dan wat hij moet doen.”

2.6.

In een “Rapportage open consult bedrijfsarts” van 6 oktober 2014 schrijft de arts, [naam bedrijfsarts] (hierna: [naam bedrijfsarts] ), het volgende:

“De heer is bekend met al langer bestaande luchtwegklachten.

Uitgebreid onderzoek naar de oorzaak hiervan heeft onlangs plaatsgevonden.

Bij deze onderzoeken zijn afwijkingen gevonden die passen bij blootstelling aan

een longtoxische stof.

De verwachting is dat de klachten van de heer werkgerelateerd zijn en de heer is verwezen naar een behandelaar die gespecialiseerd is in dergelijke problematiek.

Deze zal verder onderzoek gaan verrichten naar de exacte oorzaak van de problematiek.

De heer kan hier op korte termijn terecht.

De uitslagen van de onderzoeken die tot op heden zijn gedaan zijn in mijn bezit. Daarnaast heb ik ook contact gehad met de behandelaar van de heer.

Naar aanleiding van de uitslagen van de onderzoeken en het contact met de behandelaar van de heer is mijn advies de heer tot nader order niet in de lakhal te laten werken.

Mijns inziens zal eerst duidelijk moeten worden wat de exacte oorzaak is van de

klachten van de heer en de afwijkingen bij het onderzoek.”

2.7.

[werknemer] werkt sinds oktober 2014 niet meer in de lakhal, maar op de afdeling blanke draad. In een verslag van 25 maart 2015 naar aanleiding van een gesprek op 3 maart 2015 staat vermeld dat [werknemer] niet goed functioneert op deze afdeling omdat hij niet in staat is meerdere handelingen tegelijk te doen, zelfstandigheid mist en het hem ontbreekt aan toereikend inzicht in het proces. Vervolgens plaatst Smit Draad [werknemer] op de afdeling Rekab. Op 26 april 2015 wordt het werken op de afdeling Rekab geëvalueerd. Uit het hiervan opgemaakte gespreksverslag van 21 mei 2015 volgt dat de opleiding tot machinevoerder op de afdeling Rekab moet worden afgebroken, omdat [werknemer] geen initiatief toont en hij na herhaaldelijke uitleg simpele bewerkingen, zoals het afstellen van papierkoppen en het inhangen van de korf nog niet of niet foutloos kan uitvoeren. [werknemer] wordt vervolgens ingedeeld voor het overrollen “van SL-N” en gaat daarnaast waar nodig assistentie verlenen bij Rekab. Smit Draad merkt vervolgens in genoemd gespreksverslag op dat de mogelijkheden voor [werknemer] binnen Smit Draad in de toekomst zijn uitgeput.

In een brief van 11 juni 2015 deelt Smit Draad aan [werknemer] mee dat zij heeft besloten het dienstverband met [werknemer] te beëindigen.

2.8.

Op 20 mei 2015 en 4 juni 2015 ondergaat [werknemer] in verband met zijn klachten onderzoeken bij het “Expertise Center Environmental Medicine (ECEMed)” een topklinisch expertise centrum binnen Ziekenhuis Rijnstate in Arnhem. Uit het rapport van ECEMed van 11 juni 2015 blijkt het volgende:

Blootstelling

Dhr. [werknemer] heeft de volledige tijd dat hij bij Smit Draad in de lakhal werkte, bloot gestaan aan hoge concentraties (boven de granswaarde) van zeer schadelijke, giftige oplosmiddelen zoals vele aromaten, N-methyl- Pyrilidon en methylchoride (zie toxicologie).

De concentraties waren gemiddeld over een dag > 2x de gemiddelde MAC waarde. Bij deze concentratie zijn veel oplosmiddelen niet opgeteld. Deze concentraties van chemische stoffen in de lucht worden veroorzaakt door de vele open lakbakken, buffertanken, warme koperdraden met vloeibare lak, waar de medewerkers met hun gezicht vlakbij staan.. Ook stoffen met een hoger kookpunt verdampen, zeker op de koperdraden die op weg naar de oven heet worden.

Tevens is hij blootgesteld aan zeer schadelijke cresolen, fenolen en koperstof. Dit alles zonder de vereiste persoonlijke beschermingsmiddelen (zie het hoofdstuk Toxicologie en kleding).

Tevens heeft hij bij werkzaamheden in de toren zondere de vereiste persoonlijke

beschermingsmiddelen zoals een perslucht gelaatsmasker en beschermende kleding bloot gestaan aan de zeer giftige en kankerverwekkende stof van de polymeren, monomeer en oligomeren (stukjes polymeer) en andere schadelijke afbraakprodukten en verbrandingsprodukten. Ook werd hij blootgesteld via de huid, aangezien hij niet de voorgeschreven handschoenen kreeg van zijn werkgever, de huidige handschoenen lossen op in de K 13. Naast de continue blootstelling ondervonden de medewerkers piekblootstellingen. Pas de laatste paar jaar zijn betere handschoenen verkrijgbaar, echter deze worden niet door alle medewerkers gebruikt. Over het gebruik van de handschoeenen zijn geen voorschriften. (…)

Conclusie

1. Recidiverende rugklachten

2. a) Sarcoidose stadium III met bronchiale hyperreactiviteit op de toxische stoffen waaraan hij tijdens zijn werkzaamheden wordt blootgesteld

b) sarcoidose like syndroom op basis van blootstelling aan toxische stoffen (epoxyverbindingen?) tijdens zijn werkzaamheden

3. Chronische toxische encefalopathie (CIE) met perifere neuropathie op basis van blootstelling aan organische oplosmiddelen

4. Leverfunctie stoornissen op basis van langdurige, hoge blootstelling aan organische oplosmiddelen.

Advies

Volledig mijden van blootstelling aan toxische stoffen. (…)”

2.9.

[werknemer] meldt zich op 12 juni 2015 ziek bij Smit Draad. In een e-mail van 13 juni 2015 schrijft [werknemer] aan zijn leidinggevende:

“Ik ( [voornaam] [werknemer] ) meld me ziek vanaf 12-6-2015. (…)”

En in een volgende e-mail:

“Ik ben het niet eens met jouw weergave van het gesprek van vanochtend. Ik heb mij ziek gemeld. (…) Het betreft hier geen verzoek om ziekteverlof doch om een ziekmelding.”

2.10.

Smit Draad heeft de ziekmelding van [werknemer] niet geaccepteerd en aangegeven dat hij ongeoorloofd afwezig is. Vervolgens wordt [werknemer] opgeroepen voor het spreekuur van de bedrijfsarts, [naam bedrijfsarts] , op 18 juni 2015. In een brief van 16 juni 2015 bericht de gemachtigde van [werknemer] aan “De Bedrijfspoli” en aan [naam bedrijfsarts] dat [werknemer] het vertrouwen in [naam bedrijfsarts] en alle aan de Bedrijfspoli verbonden bedrijfsartsen opzegt en dat hij zich terzake zijn ziekmelding tot een arts zal wenden in wie hij vertrouwen heeft. [werknemer] wendt zich vervolgens tot bedrijfsarts [naam bedrijfsarts 2] voor verzuimbegeleiding. [naam bedrijfsarts 2] concludeert vervolgens op 18 juni 2015 als volgt:

“Betrokkene is voor zijn klachten bij een tweetal specialisten geweest.

In zijn werk blijkt sprake van relevante blootstelling aan organische oplosmiddelen en andere chemische stoffen (N-methyl-pyrilidon, cresolen, fenolen, formaldehyde,

epoxyverbindingen, fijnstof en koperstof);

Betrokkene heeft een longaandoening waardoor hij arbeidsongeschikt is voor zijn eigen functie als machinevoerder in de lakhal. Sinds zijn herplaatsing naar de Rekap ervaart betrokkene minder longklachten. Maar ook daar wordt hij blootgesteld aan toxische stoffen.

Naast de longklachten ervaart betrokkene in de afgelopen jaren in toenemende mate mentale klachten. Specialistisch onderzoek wijst uit dat betrokkene zeer waarschijnlijk blijvende mentale beperkingen en gedragsveranderingen heeft. Deze mentale beperkingen zijn volgens de behandelend specialist zeer waarschijnlijk het gevolg van de langdurige blootstelling aan oplosmiddelen in zijn werk.

Voor zowel de longproblematiek als de mentale problematiek adviseren de behandelend specialisten volledige vermijding van blootstelling aan toxische stoffen.

Betrokkene heeft structurele beperkingen en is in ieder geval blijvend ongeschikt voor zijn eigen functie in de lakhal. Een ziekmelding is in dit geval dan ook de enige juiste optie.

Gezien de structurele beperkingen is opvallend dat (in het kader van de wet poortwachter) nog geen arbeidsdeskundig onderzoek heeft plaatsgevonden om de herplaatsingsmogelijkheden bij het eigen bedrijf te onderzoeken.

Gezien de beschikbare blootstellingsgegevens en de geobjectiveerde gezondheidsproblemen mag worden geconcludeerd dat hier zeer waarschijnlijk sprake is van een tweetal beroepsziekten.”

2.11.

Omdat [werknemer] zich aan de verzuimcontrole van de door Smit Draad ingeschakelde bedrijfsarts onttrekt, schort zij bij brief van 25 juni 2015 de loonbetaling met onmiddellijke ingang op.

2.12.

Op 21 juli 2015 heft Smit Draad de sanctie tot opschorting van het loon op.

3 Het verzoek en het verweer

3.1.

Smit Draad verzoekt de kantonrechter de arbeidsovereenkomst met [werknemer] te ontbinden wegens gewichtige redenen, bestaande uit een verandering in de omstandigheden onder toekenning van een vergoeding ad € 7.500,00 bruto.

3.2.

Smit Draad onderbouwt het verzoek, kort samengevat, als volgt.

Nadat [werknemer] vanwege gezondheidsproblemen niet langer in de lakhal kon werken, is hij herplaatst naar andere afdelingen binnen het bedrijf. Door omstandigheden die, aldus Smit Draad, in de risicosfeer van [werknemer] liggen, is het hem niet gelukt om zich de vereiste vaardigheden en competenties eigen te maken. Binnen Smit Draad zijn voor [werknemer] geen herplaatsingsmogelijkheden en geen passende functies beschikbaar gebleken en deze kunnen evenmin gecreëerd worden. Gelet hierop wenst Smit Draad tot een einde te komen van het dienstverband met [werknemer] . Daar komt bij dat [werknemer] door niet te verschijnen op het spreekuur van de bedrijfsarts de controlevoorschriften niet naleeft, hetgeen op zichzelf voldoende grond oplevert voor een rechtsgeldig ontslag. Smit Draad heeft geen vertrouwen meer in een vruchtbare voortzetting van de arbeidsovereenkomst.

3.3.

[werknemer] voert gemotiveerd verweer en verzoekt Smit Draad niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek dan wel het verzoek van Smit Draad af te wijzen met veroordeling van Smit Draad in de kosten van deze procedure.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt, voor zover relevant voor de beoordeling, in het navolgende ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Vooropgesteld wordt dat een procedure als deze zich niet leent voor uitgebreide bewijslevering. Dat brengt mee dat de kantonrechter haar beslissing moet nemen aan de hand van onbetwiste stukken en onweersproken gelaten stellingen en wat haar aannemelijk voorkomt.

4.2.

Aangezien het onderhavige verzoek op 30 juni 2015 ter griffie is ingediend, valt het niet onder de werking van de delen van de Wet werk en zekerheid (Wwz) die per 1 juli 2015 in werking zijn getreden. Het verzoek is gegrond op artikel 7:685 BW. In lid 1 van deze wetsbepaling is bepaald dat de kantonrechter zich ervan dient te vergewissen of het verzoek (van Smit Draad) verband houdt met het bestaan van een wettelijk opzegverbod.

4.3.

[werknemer] heeft, zo begrijpt de kantonrechter, aangevoerd dat het verzoek moet worden afgewezen, omdat het ontbindingsverzoek direct verband houdt met zijn ziekte (en daarmee met het opzegverbod (art. 7:670 BW). [werknemer] heeft zich op 12 juni 2015 ziek gemeld bij Smit Draad. Volgens Smit Draad is dit een ziekmelding in verband met of gerelateerd aan het werken in de lakhal, maar dat is niet aannemelijk, omdat de door [werknemer] in zijn mailbericht van 13 juni 2015 gedane ziekmelding (r.o. 2.9.) in algemene bewoordingen is gedaan. In het kader van deze procedure – waarin nadere informatie niet bekend is omdat tussen partijen discussie bestaat over de inschakeling van de bedrijfsarts – moet worden aangenomen dat, zoals [werknemer] stelt, deze ziekmelding mede verband houdt met de in het ECEMed rapport beschreven gezondheidsklachten.

4.4.

De kantonrechter is van oordeel dat sprake is van een direct verband tussen het ontbindingsverzoek en de ziekte van [werknemer] . Er is ten eerste een zogeheten conditio sine qua non verband tussen het verzoek en de arbeidsongeschiktheid van [werknemer] . Indien [werknemer] geen longziekte had gekregen, was hij niet arbeidsongeschikt geworden voor het werk in de lakhal en had hij daar kunnen blijven werken. Tussen partijen staat immers vast dat hij in dat werk goed dan wel voldoende functioneerde.

4.5.

Het verband tussen het verzoek en arbeidsongeschiktheid is ook anderszins aanwezig. Het verzoek is gebaseerd op de stelling dat [werknemer] niet goed functioneerde op de twee afdelingen waar hij, na zijn arbeidsongeschiktheid voor de lakhal (en daarmee ook voor de afdeling/het hoofdproces isoleren), kon werken.

Wat betreft de afdeling blanke draad heeft Smit Draad aangegeven dat [werknemer] niet goed functioneert op deze afdeling, omdat hij niet in staat is meerdere handelingen tegelijk te doen, zelfstandigheid mist en het hem ontbreekt aan toereikend inzicht in het proces. De opleiding tot machinevoerder op de afdeling Rekab moest worden afgebroken, omdat – aldus Smit Draad - [werknemer] na herhaaldelijke uitleg simpele bewerkingen, zoals het afstellen van papierkoppen en het inhangen van de korf nog niet of niet foutloos kan uitvoeren.

Voor het werk op beide afdelingen/hoofdprocessen geldt volgens Smit Draad voorts dat [werknemer] geen of (veel) te weinig initiatief toonde en zich zeer passief opstelde.

4.6.

Na deze door Smit Draad getrokken conclusies, maar voor het indienen van onderhavig verzoek, is op 11 juni 2015 het rapport van ECEMed (r.o. 2.8.) verschenen. Daarin is verslag gedaan van een uitgebreid onderzoek bij Smit Draad en een (medisch) onderzoek bij [werknemer] naar de mogelijke schade die hij heeft opgelopen door het werken met (blootstelling aan) chemische, toxische stoffen in de lakhal. Aanleiding voor dit onderzoek, zo is voldoende aannemelijk, zijn aanhoudende gezondheidsklachten bij [werknemer] . Uit genoemde onderzoeken blijkt onder meer dat [werknemer] te kampen heeft met chronische toxische encefalopathie (CTE) met perifere neuropathie (wegens de blootstelling aan organische oplosmiddelen) en bij hem sprake is van leverfunctiestoornissen op basis van langdurige, hoge blootstelling aan organische oplosmiddelen.

In het licht van deze conclusies heeft Smit Draad onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het gestelde “disfunctioneren” op de afdelingen Rekab en blanke draad geen verband houden met de ziekte van [werknemer] . Immers stelt Smit Draad dat [werknemer] na herhaaldelijke uitleg simpele bewerkingen, zoals het afstellen van papierkoppen en het inhangen van de korf nog niet of niet foutloos kan uitvoeren. Dit kan, gelet op het rapport van ECEMed, gelegen zijn in de gevolgen van de blootstelling aan de chemische, toxische stoffen in de lakhal. Immers blijkt uit de in het ECEMed rapport vermelde anamnese dat [werknemer] last heeft met de fijne motoriek van zijn vingers, dat zijn korte termijn geheugen de laatste anderhalf tot twee jaar is verminderd en dat hij sinds die tijd snel is geïrriteerd. Dit strookt met de diagnose CTE welke is te omschrijven als een hersenziekte veroorzaakt door giftige stoffen.

4.7.

Smit Draad heeft betoogd dat [werknemer] geen beroep toekomt op (de reflexwerking van) het opzegverbod, omdat hij niet heeft meegewerkt aan zijn re-integratie verplichtingen. Smit Draad beroept zich hierbij op het bepaalde in artikel 7:670b lid 3 sub a en c BW. In dit artikel(lid) is, kort samengevat, bepaald dat het opzegverbod wegens ziekte in artikel 7:670 lid 1 onder a BW niet van toepassing is als de werknemer die wegens ziekte verhinderd is de bedongen arbeid te verrichten, zonder deugdelijk grond weigert gevolg te geven aan door de werkgever gegeven redelijke voorschriften en mee te werken aan door de werkgever getroffen maatregelen om hem in staat te stellen de eigen of passende arbeid te verrichten. Het bepaalde in artikel 7:670b lid 3 sub c BW noemt het zonder deugdelijke grond weigeren medewerking te verlenen aan het opstellen, evalueren en bijstellen van een plan van aanpak ten behoeve van de re-integratie.

4.8.

Smit Draad stelt daartoe dat [werknemer] ten onrechte heeft geweigerd zich na zijn ziekmelding te laten beoordelen c.q. controleren door haar bedrijfsarts. [werknemer] heeft dit geweigerd omdat hij ieder vertrouwen in de bedrijfsarts en de bedrijfspoli was verloren. Uit raadpleging van het BIG-register bleek hem dat [naam bedrijfsarts] niet als bedrijfsarts staat geregistreerd en kennelijk nog in opleiding was. Hij voert aan dat hij het recht heeft het vertrouwen in de bedrijfspoli en de daar werkzame bedrijfsartsen op te zeggen.

4.9.

Naar het oordeel van de kantonrechter gaat de stelling van Smit Draad niet op. Dat de door Smit Draad geconsulteerde bedrijfsarts niet in het BIG-register is opgenomen, is door haar niet betwist. Daarmee had [werknemer] een deugdelijke grond om zich door een andere bedrijfsarts te laten onderzoeken. Bovendien heeft [werknemer] , anders dan Smit Draad stelt, niet geweigerd zich door een bedrijfsarts te laten beoordelen. Immers [werknemer] heeft zich gewend tot drs. [naam bedrijfsarts 2] . Ten slotte is niet zonder betekenis dat Smit Draad de aanvankelijk instelde opschorting van het loon heeft opgeheven ‘omdat bij Smit Draad het vermoeden rees dat bij [werknemer] mogelijkerwijs de vrees bestond dat hij zou lijden aan OPS/CTE’. Voorts is van belang dat Smit Draad besloten heeft de bedrijfsarts te vervangen en dat [werknemer] bereid is zich te laten controleren door de nieuwe, nog bekend te maken bedrijfsarts van Smit Draad.

4.10.

Smit Draad stelt in dit verband, zo begrijpt de kantonrechter, tevens dat [werknemer] ten onrechte heeft geweigerd om zich, zoals Smit Draad hem op 21 juli 2015 heeft voorgesteld, te laten onderzoeken door het SolventTeam (een multidisciplinair samengesteld team van bedrijfsartsen, neurologen, neuropsychologen, arbeidsdeskundigen en arbeidshygiënisten). De kantonrechter stelt voorop dat Smit Draad slechts een voorstel aan [werknemer] heeft gedaan om zich door het SolventTeam te laten onderzoeken en dat niet (voldoende duidelijk) sprake is van een voorschrift in de zin van artikel 7:670b lid 3 sub a BW. Voor zover moet worden aangenomen dat wel sprake is van een voorschrift dient [werknemer] hier inderdaad in beginsel gehoor aan te geven, maar nu het verzoek is gedaan op een moment dat Smit Draad de kantonrechter reeds had verzocht om de arbeidsovereenkomst te ontbinden kan de weigering om hieraan te voldoen niet worden beschouwd als het zonder deugdelijke grond weigeren gevolg te geven aan door de werkgever gegeven redelijke voorschriften. Voorts is door Smit Draad de relatie met de re-integratie onvoldoende duidelijk gemaakt, gelet op het feit dat het SolventTeam zich alleen uitlaat over de vraag of sprake is van een beroepsziekte.

Het geen medewerking verlenen aan het opstellen van een plan van aanpak (artikel 7:670b lid 3 onder c) is niet aan de orde, vanwege de patstelling over de arbeidsongeschiktheid, zodat deze verplichting niet is geschonden.

4.11.

Voorgaande leidt de kantonrechter tot de conclusie is dat het verzoek van Smit Draad tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [werknemer] wordt afgewezen wegens het hiervoor beschreven verband met het opzegverbod van art. 7:670 BW.

4.12.

De vraag wat de bedongen of overeengekomen arbeid was, behoeft daarom geen bespreking meer.

4.13.

Smit Draad wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten dragen.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

wijst het verzoek af;

5.2.

veroordeelt Smit Draad in de proceskosten, tot deze uitspraak aan de kant van [werknemer] begroot op € 500,00 aan salaris voor de gemachtigde.

Deze beschikking is gegeven door de kantonrechter mr. B.J. Engberts en in het openbaar uitgesproken op 4 september 2015.