Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:5532

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
10-09-2015
Datum publicatie
10-09-2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 3810
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

KB-Lux. De met toepassing van artikel 16, vierde lid AWR opgelegde navorderingsaanslagen zijn met voldoende voortvarendheid opgelegd. De FIOD-ECD is als belastingautoriteit aan te merken, echter in die periode is geen sprake van een onverklaarbare vertraging van meer dan zes maanden. De vertraging in de bezwaarfase kan de rechtmatigheid van de belastingaanslagen niet aantasten. De rechtbank acht het opleggen van boeten (verhogingen) passend en geboden, ook al is eiseres inmiddels onder curatele gesteld. De rechtbank ziet niet in waarom zij niet in haar vermogen zou kunnen worden getroffen. Wel vormen de persoonlijke omstandigheden van eiseres zoals de opname in het verpleeghuis en de ondercuratelestelling aanleiding om de boete te matigen. De rechtbank acht een boete van 25% van de nagevorderde bedragen passend en geboden. De overschrijding van de redelijke termijn geeft de rechtbank aanleiding deze boete vervolgens te matigen met 40%. De rechtbank onderschrijft de uitgangspunten van ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ1298, maar acht een matiging met 20% in het onderhavige geval, waarin de termijnoverschrijding 12 jaar bedraagt, niet toereikend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/1961
V-N 2015/55.22.6
FutD 2015-2248
NTFR 2015/2493
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummers: AWB 14/3810, 14/3813 t/m 14/3815, 14/3817 t/m 14/3826, 14/3828 t/m 14/3833 en 14/3835

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 10 september 2015

in de zaak tussen

[X] , te [Z] , eiseres

(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Utrecht, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres (BSN [000] ) voor de jaren 1990 tot en met 2000 navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) en voor de jaren 1991 tot en met 2000 navorderingsaanslagen vermogensbelasting (hierna: VB) opgelegd. Deze navorderingsaanslagen zijn opgelegd met een verhoging (hierna ook: boete) van 100% (IB/PVV 1990 en VB 1991) en 50% (overige navorderingsaanslagen). Ten aanzien van alle navorderingsaanslagen is bij beschikking tevens heffingsrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar van 2 juni 2014 de navorderingsaanslagen IB/PVV en VB, alsmede de daarop betrekking hebbende beschikkingen heffingsrente, verminderd. De verhogingen zijn door verweerder verminderd tot 40%.

Eiseres heeft daartegen bij brief van 10 juni 2014, ontvangen door de rechtbank op 11 juni 2014, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 augustus 2015. Namens eiseres is haar gemachtigde verschenen. Namens verweerder zijn verschenen [gemachtigde] en mr. [D] .

Eiseres heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de wederpartij. Verweerder heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen overlegging van de bij deze pleitnota behorende bijlage.

Overwegingen

Feiten

1. Op 27 oktober 2000 zijn door de Belgische autoriteiten op basis van het bepaalde in de EG-Richtlijn van 19 december 1977 (77/799/EEG, hierna: de Richtlijn) in het kader van een spontane uitwisseling van inlichtingen, gegevens inzake Nederlandse ingezetenen met een bankrekening bij de Kredietbank Luxembourg (de KB-Lux) aan het Nederlandse Ministerie van Financiën verstrekt. De gegevens bestaan uit fotokopieën van afgedrukte microfiches, die afkomstig zijn uit de interne administratie van de KB-Lux. De afdrukken bevatten gegevens van Nederlandse rekeninghouders bij de KB-Lux. Op basis van deze gegevens is door de Belastingdienst en de FIOD-ECD in de loop van 2001 een onderzoek ingesteld, het zogenoemde Rekeningenproject.

2. Op naam van eiseres en haar dochter ( [A] ) zijn twee microfiches van een KB-Luxrekening aangetroffen.

3. Op 4 oktober 2001 is in het tripartiete overleg besloten om een strafrechtelijk onderzoek tegen eiseres in te stellen. De FIOD-ECD heeft vervolgens, onder leiding van het Openbaar Ministerie (hierna: OM), op 22 oktober 2001 een gerechtelijk vooronderzoek geopend tegen eiseres. Op 30 oktober 2001 is eiseres verhoord als verdachte.

4. Op 6 november 2001 heeft de dochter van eiseres de bij haar in bezit zijnde bankafschriften met betrekking tot de bankrekeningen bij de KB-Lux overhandigd aan een medewerker van de Belastingdienst FIOD/vestiging Amsterdam. Deze gegevens zijn vervolgens op grond van artikel 81 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) in beslag genomen.

5. Het gerechtelijk vooronderzoek is afgerond op 27 december 2001. Op 5 februari 2002 is door de FIOD-ECD een overzichtsproces-verbaal opgemaakt. Bij brief van 28 mei 2002 heeft [B] namens het OM gereageerd op een brief van de toenmalige gemachtigde van eiseres. Uit deze brief kan worden opgemaakt dat er op 7 maart 2002 ook reeds een brief is gestuurd namens het OM aan deze gemachtigde. Verder wordt onder andere meegedeeld dat zal worden meegewerkt aan het verzoek van de gemachtigde tot een snelle afhandeling van de zaak.

6. Op 7 november 2002 is overleg gevoerd tussen de officier van justitie en [C] van de FIOD-ECD. Op 11 november 2002 heeft een parketsecretaris van het OM verweerder bericht dat wordt afgezien van strafrechtelijke vervolging.

7. Verweerder heeft eiseres bij brief van 6 december 2002 een (herhaald) verzoek gestuurd om inlichtingen met betrekking tot in het buitenland aangehouden bankrekeningen. Hij heeft eiseres gevraagd de gegevens en inlichtingen te verstrekken die in de bijlage “Verklaring Buitenlandse Bankrekeningen” worden gevraagd. Verweerder heeft eiseres daarbij onder meer gewezen op artikel 47, eerste lid, onderdeel a, van de AWR, artikel 49 van de AWR, artikel 25, zesde lid, onderdeel b, van de AWR en artikel 27e, onderdeel b, van de AWR, inzake de omkering van de bewijslast.

8. Bij brief van 10 december 2002 heeft de toenmalige gemachtigde van eiseres verweerder meegedeeld dat eiseres op 30 oktober 2001 bezoek heeft gehad van de FIOD en dat zij toen een verklaring heeft afgelegd. Voorts wordt aan verweerder gevraagd welke procedure gevolgd gaat worden, de fiscaalrechtelijke of de strafrechtelijke.

9. In een faxbericht van 16 december 2002 van de FIOD-ECD aan de toenmalige gemachtigde van eiseres is meegedeeld dat de officier van justitie heeft besloten af te zien van strafrechtelijke vervolging van eiseres in verband met haar leeftijd. De zaak zal administratiefrechtelijk worden afgedaan.

10. Bij brief van 17 december 2002 heeft verweerder zijn voornemen kenbaar gemaakt om navorderingsaanslagen IB/PVV 1990 en VB 1991 op te leggen en om deze belastingaanslagen te verhogen met 100% van de nagevorderde belasting. Bij deze brief is een bijlage opgenomen waarin een schatting van de verschuldigde IB/PVV en VB over de jaren 1990 tot en met 2000 alsmede van de op te leggen boetes is gemaakt. In de brief is hierover het volgende opgemerkt:

“(…)

Later nog op te leggen belastingaanslagen

Om u inzicht te geven in de omvang van alle aanslagen die ik u zal opleggen heb ik als bijlage meegestuurd een voorlopig overzicht van de op te leggen aanslagen met de daarbij te betalen bedragen aan belasting, heffingsrente en boete. De bedragen in dat overzicht zijn berekend op basis van de thans bekende feiten. Ik behoud mij dan ook het recht voor om op basis van nieuwe feiten en/of inzichten hogere belastingaanslagen op te leggen dan uit het u thans toegezonden overzicht blijken. Ook uw reactie op de thans op te leggen belastingaanslagen en/of hetgeen u naar aanleiding van de op te leggen aanslagen al dan niet meedeelt over de buitenlandse tegoeden, kan aanleiding zijn om de belastingaanslagen in afwijking van het overzicht vast te stellen.

(…)”

11. Met dagtekening 31 december 2002 zijn aan eiseres navorderingsaanslagen IB/PVV 1990 en VB 1991 opgelegd. Deze belastingaanslagen zijn opgelegd met een verhoging van 100% van de nagevorderde belasting.

12. Bij brieven van 21 januari 2003, ontvangen door verweerder op 22 januari 2003, heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen de navorderingsaanslagen IB/PVV 1990 en VB 1991.

13. Uit correspondentie tussen verweerder en de toenmalige gemachtigde volgt dat eiseres aanvullende informatie zou vergaren bij de KB-Lux. Er behoort geen aanvullende informatie van de KB-Lux tot de gedingstukken, wel een door eiseres en haar dochter ondertekende verklaring van 24 september 2003 dat zij vanaf de openingsdatum (12 juni 1989) beiden konden beschikken over de tegoeden. Tussen verweerder en de toenmalige gemachtigde is overleg gevoerd over de hoogte van de over latere jaren na te vorderen bedragen en zijn de mogelijkheden voor een vaststellingsovereenkomst beproefd.

14. Met dagtekening 30 november 2003 zijn aan eiseres navorderingsaanslagen IB/PVV 1991 tot en met 2000 en VB 1992 tot en met 2000 met verhogingen van 50% opgelegd. Bij brief van 9 januari 2004, ontvangen door verweerder op dezelfde datum, heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen voormelde navorderingsaanslagen.

15. Verweerder heeft eiseres gedurende de bezwaarfase een aantal keren verzocht om toestemming om de behandeling van de bezwaren aan te houden in afwachting van de zogeheten Nauta Dutilh procedure. Eiseres heeft daar niet expliciet op gereageerd. Verweerder heeft in zijn brief van 30 april 2014 een motivering gegeven voor zijn onder het kopje procesverloop genoemde uitspraken op bezwaar. Voorts heeft verweerder daarin een vergoeding voor immateriële schade toegekend en een kostenvergoeding voor de bezwaarfase.

16. Bij beschikking van 30 maart 2015 van de rechtbank Amsterdam is eiseres onder curatele gesteld wegens haar geestelijke/lichamelijke toestand.

Geschil

17. In geschil is:

- of de navorderingsaanslagen, die met toepassing van artikel 16, vierde lid, van de AWR zijn opgelegd, dienen te worden vernietigd omdat verweerder niet met de vereiste redelijke voortvarendheid heeft gehandeld;

- of de verhogingen terecht en tot de juiste bedragen zijn vastgesteld.

Niet in geschil zijn de hoogte van de nagevorderde bedragen en de door verweerder toegekende immateriële schadevergoeding.

Beoordeling van het geschil

Verlengde navorderingstermijn

18. Ten aanzien van navorderingsaanslagen die met toepassing van de verlengde navorderingstermijn van artikel 16, vierde lid, van de AWR zijn opgelegd, is van belang dat de Hoge Raad in zijn arresten van 26 februari 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BJ9092 en ECLI:NL:HR:2010:BJ9120) uit het arrest van het Hof van Justitie van 11 juni 2009 (X en E.H.A. Passenheim-van Schoot, zaken C-155/08 en C-157/08, ECLI:NL:XX:2009:BI8987) de regels heeft afgeleid die in acht moeten worden genomen bij het opleggen van een navorderingsaanslag met toepassing van de verlengde navorderingstermijn teneinde te voorkomen dat wordt gehandeld in strijd met de artikelen 49 en 56 EG-Verdrag (thans: artikelen 56 en 63 VWEU). Deze regels komen erop neer dat, indien een lidstaat beschikt over aanwijzingen van het bestaan van spaartegoeden die worden aangehouden in een andere lidstaat en naar aanleiding daarvan een navorderingsaanslag wordt opgelegd na afloop van de navorderingstermijn die zou gelden voor in de eigen staat aangehouden banktegoeden, de navorderingsaanslag dient te worden opgelegd met inachtneming van het tijdsverloop dat na het opkomen van de bedoelde aanwijzingen noodzakelijkerwijs is gemoeid met (i) het verkrijgen van de inlichtingen die nodig zijn voor het bepalen van de verschuldigde belasting, en tevens (ii) het met redelijke voortvarendheid voorbereiden en vaststellen van een aanslag aan de hand van de gegevens die de inspecteur ter beschikking staan.

19. Eiseres stelt dat verweerder ten aanzien van de opgelegde navorderingsaanslagen niet met de vereiste voortvarendheid heeft gehandeld, zodat het gebruik maken van de verlengde navorderingstermijn van artikel 16, vierde lid, van de AWR in strijd is met het Unierecht. Ter zitting heeft eiseres nader geconcretiseerd dat zij verweerder verwijt dat hij in de periode van 6 november 2001 tot 6 december 2002 het dossier niet adequaat ter hand heeft genomen. Eiseres heeft daartoe aangevoerd dat zij in ieder geval in oktober 2001 al was geïdentificeerd als rekeninghouder van de KB-Luxrekening en dat de FIOD-ECD haar hierover heeft verhoord op 30 oktober 2001. Op 6 november 2001 zijn bankafschriften overgelegd. Pas op 6 december 2002 heeft verweerder eiseres hierover aangeschreven. Eiseres wijst erop dat de FIOD-ECD is aan te merken als belastingautoriteit. Het (niet) handelen van de FIOD-ECD moet aan verweerder worden toegerekend. Gelet op het ontbreken van de vereiste voortvarendheid in de periode van 6 november 2001 tot 6 december 2002 concludeert eiseres tot vernietiging van de navorderingsaanslagen.

20. Verweerder is van mening dat de verlengde navorderingstermijn niet verder is overschreden dan noodzakelijk en dat de navorderingsaanslagen, gegeven de feitelijke situatie, met redelijke voortvarendheid zijn opgelegd. In dat kader wijst verweerder erop dat, nadat eiseres op 30 oktober 2001 is verhoord, er diverse malen contact is geweest tussen de (voormalige) gemachtigde van eiseres en het OM. Zo is in maart 2002 gecorrespondeerd over de toepassing van de inkeerregel en in mei 2002 over de afdoening van de zaak. Van stilzitten van de inspecteur is volgens verweerder geen sprake.

21. Bij de beoordeling van de vraag of de navorderingsaanslagen met redelijke voortvarendheid zijn opgelegd is, op grond van voormelde rechtspraak van het Hof van Justitie, van belang het tijdsverloop nadat de belastingautoriteiten van een lidstaat de beschikking hebben gekregen over aanwijzingen met betrekking tot in een andere lidstaat ondergebrachte belastbare bestanddelen op basis waarvan zij een onderzoek kunnen instellen. Ten aanzien van het onderzoek is vervolgens van belang dat de belastingautoriteiten over voldoende tijd moeten kunnen beschikken om met voldoende mate van zekerheid vast te stellen om welke individuele belastingplichtigen het gaat en vervolgens ten aanzien van de betrokken belastingplichtigen te beoordelen of, en zo ja, voor welk bedrag belasting van hen kan worden nagevorderd. De belastingautoriteiten hebben beoordelingsvrijheid bij de organisatie en inrichting van al deze werkzaamheden. Die vrijheid is echter niet onbegrensd. Gelet op de eisen die voortvloeien uit het recht van de Europese Unie mogen de werkzaamheden niet worden georganiseerd en ingericht op een zodanige wijze dat een voortvarende behandeling onvoldoende gewaarborgd is (HR 28 maart 2014, nr. 13/03554, ECLI:NL:HR:2014:689). Deze begrenzing gaat echter niet zo ver dat de belastingautoriteiten moeten kiezen voor de meest efficiënte aanpak van de te verrichten werkzaamheden (HR 1 mei 2015, nr. 14/02874, ECLI:NL:HR:2015:1105). De vereiste voortvarendheid is in ieder geval niet betracht indien bij de werkzaamheden een onverklaarbare vertraging is opgetreden van meer dan zes maanden (HR 27 september 2013, nr. 12/00738, ECLI:NL:HR:2013:717).

22. De FIOD-ECD is aan te merken als Nederlandse belastingautoriteit in de zin van de hiervoor genoemde rechtspraak van het Hof van Justitie. Vanaf het moment van ontvangst van de gegevens van de Belgische autoriteiten door de FIOD-ECD konden de Nederlandse belastingautoriteiten een onderzoek instellen met het oog op de (eventuele) vaststelling van navorderingsaanslagen. Daaraan kan niet afdoen dat de FIOD-ECD niet bevoegd is tot het vaststellen van navorderingsaanslagen. Evenmin kan daaraan afdoen dat de FIOD-ECD mede een opsporingstaak heeft die hij onder het gezag van het OM vervult (HR 28 maart 2014, nr. 13/03554, ECLI:NL:HR:2014:689). De rechtbank wijst in dit verband eveneens op HR 10 april 2015, nr. 14/00528, ECLI:NL:HR:2015:913.

23. Naar het oordeel van de rechtbank is een periode van november 2001 tot en met november 2002, waarin het OM danwel de FIOD-ECD bezig was met het strafrechtelijk onderzoek en een beoordeling van de bevindingen daaruit, niet onredelijk lang. Uit de onder 5. genoemde feiten blijkt dat aan de zijde van het OM dan wel de FIOD-ECD geen sprake is geweest van een onverklaarbare vertraging van meer dan zes maanden. Dat de contacten vanuit het OM steeds volgden op initiatieven van eiseres kan hieraan niet afdoen. Nadat besloten was eiseres niet strafrechtelijk te vervolgen, is eiseres binnen korte tijd daarna aangeschreven door verweerder. De rechtbank is van oordeel dat de gang van zaken in de periode van 6 november 2001 tot 6 december 2002 niet de conclusie kan rechtvaardigen dat de verlengde navorderingstermijn als bedoeld in artikel 16, vierde lid, van de AWR verder is overschreden dan noodzakelijk.

24. Eiseres heeft voorts gesteld dat het gebrek aan voortvarendheid in de bezwaarfase eveneens een schending van de (Europeesrechtelijke) rechten van eiseres oplevert, die zou moeten leiden tot een vernietiging van de onderhavige navorderingsaanslagen. De rechtbank is van oordeel dat een schending van recht in de bezwaarfase de rechtmatigheid van de belastingaanslagen niet kan aantasten. Voor de schending van de rechten van eiseres in de bezwaarfase is een passende compensatie geboden in de vorm van een immateriële schadevergoeding. Ten aanzien van de gevolgen van de termijnoverschrijding voor de opgelegde verhogingen verwijst de rechtbank naar de hierna volgende rechtsoverwegingen.

Verhogingen

25. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiseres er bewust voor heeft gekozen om een bankrekening te openen in een land met een bankgeheim met als doel het tegoed en de inkomsten daaruit op een listige wijze voor de inspecteur verborgen te houden. Gelet op de hoogte van de correcties (in totaal is € 52.438 nagevorderd) is volgens verweerder sprake van omvangrijke bedragen aan aanvankelijk te weinig geheven belasting. Op grond hiervan is verweerder van mening dat sprake is van strafverzwarende omstandigheden en dat een verhoging van - in beginsel - 100% passend en geboden is. Omdat eiseres volledig heeft meegewerkt zijn de verhogingen, overeenkomstig het daarvoor geldende beleid, gematigd tot 50%. Vanwege de overschrijding van de redelijke termijn zijn de verhogingen bij uitspraak op bezwaar uiteindelijk verminderd tot 40%.

26. Primair stelt eiseres zich op het standpunt dat de opgelegde boetes (verhogingen) moeten worden vernietigd, omdat er onvoldoende bewijs is voor de beboetbare feiten. Eiseres stelt dat haar op 30 oktober 2001 afgelegde verklaring hiertoe niet kan worden gebruikt, omdat zij voorafgaand aan het verhoor niet in de gelegenheid is gesteld om een advocaat te raadplegen. De rechtbank verwerpt dit zogenoemde Salduz-verweer. Uit het overzichtsprocesverbaal van 5 februari 2002 blijkt onder het kopje dwangmiddelen uitsluitend van de inbeslagname van stukken, niet van een aanhouding van eiseres. Het Salduz-verweer gaat aldus niet op (zie HR 28 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:63). Met de bekennende verklaring van eiseres, de door haar dochter overgelegde bankafschriften (welk bewijsmateriaal bestaat onafhankelijk van de wil van eiseres) en de door eiseres ondertekende verklaring van 24 september 2003 (zie onder 13.) is voor elk van de onderhavige jaren afdoende bewijs voor de beboetbare feiten geleverd, zodat voor een vernietiging van de boetes op deze grond geen aanleiding bestaat.

27. Eiseres stelt voorts dat op grond van haar persoonlijke omstandigheden, te weten haar hoge leeftijd, de opname in een verpleeghuis en de ondercuratelestelling bij beschikking van 30 maart 2015, een boete niet langer passend en geboden is. Dit geldt volgens eiseres temeer nu de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM ruimschoots is overschreden. Subsidiair stelt eiseres dat haar persoonlijke omstandigheden en de termijnoverschrijding tot verdergaande matiging van de boetes moeten leiden.

28. De rechtbank zal eerst beoordelen of het opleggen van een boete in het onderhavige geval in beginsel passend en geboden is. Vaststaat dat eiseres in de onderhavige jaren beschikte over een KB-Luxrekening en dat eiseres deze bankrekening niet heeft aangegeven in haar aangiften IB/PVV en VB over de betreffende jaren. De rechtbank acht aannemelijk dat eiseres ten tijde van het doen van aangifte wetenschap had van de aanmerkelijke kans dat daardoor te weinig belasting zou worden geheven en dat eiseres die kans toen bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen) (vgl. Hoge Raad 29 februari 2008, nr. 43 274, ECLI:NL:HR:2008:BC5346). In dat verband acht de rechtbank mede van belang dat eiseres er bewust voor heeft gekozen om een banktegoed aan te houden in een land waar een bankgeheim bestaat. Gelet op de hoogte van de correcties – die niet in geschil zijn – is sprake van omvangrijke bedragen aan aanvankelijk te weinig geheven belasting. De rechtbank is van oordeel dat daarmee sprake is van strafverzwarende omstandigheden en dat een verhoging van – in beginsel – 100% een juist uitgangspunt vormt. Omdat eiseres volledig heeft meegewerkt zijn de verhogingen, overeenkomstig het daarvoor geldende beleid, door verweerder gematigd tot 50%. Ook dit uitgangspunt acht de rechtbank juist. Voor een verdergaande matiging vanwege het meewerken ziet de rechtbank geen aanleiding.

29. Vervolgens dient de rechtbank te toetsen of de persoonlijke omstandigheden van eiseres aanleiding geven de boete te vernietigen of te matigen. De rechtbank is van oordeel dat de persoonlijke omstandigheden geen aanleiding geven de boete volledig te vernietigen. Vanuit een oogpunt van generale preventie is een strafoplegging passend en geboden. De gemachtigde van eiseres stelt dat vergelding niet meer aan de orde kan zijn en omschrijft in zijn pleitnota de boete slechts als een inkomstenbron voor de Staat. De rechtbank overweegt echter dat juist eiseres gedurende vele jaren inkomsten aan de Staat heeft onthouden en ziet geen reden waarom eiseres niet in haar vermogen zou kunnen worden getroffen. De persoonlijke omstandigheden van eiseres zoals de opname in het verpleeghuis en de ondercuratelestelling geven de rechtbank wel aanleiding de boete verdergaand te matigen. De rechtbank acht een boete van 25% van de nagevorderde bedragen passend en geboden. Dit betreft een bedrag van in totaal € 13.109,71 voor alle beboetbare feiten tezamen. (De op de uitspraken op bezwaar vermelde verhogingen bedragen voor de IB/PVV en VB tezamen

ƒ 46.224. Dit is 40% van de nagevorderde bedragen; 50% is dan ƒ 57.780, oftewel € 26.219,42.)

30. Vervolgens komt aan de orde in hoeverre de boete dient te worden verminderd in verband met de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM, welke - naar tussen partijen niet in geschil is - in dit geval ruimschoots is overschreden. Verweerder staat een vermindering voor conform de richtlijnen van de hoven zoals opgenomen in de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 2 juli 2009, ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ1298, inhoudende dat bij een overschrijding van de termijn met meer dan twee jaren een matiging van 20%, of maximaal € 20.000 wordt toegepast. Ofschoon de rechtbank deze uitgangspunten onderschrijft, acht de rechtbank deze in onderhavig geval, waarin de criminal charge dateert van oktober 2001 en de termijnoverschrijding inmiddels bijna 12 jaar bedraagt, niet toereikend. De rechtbank zal het onder 29. bedoelde boetebedrag matigen met 40% (oftewel € 5.244) zodat in totaal een bedrag van € 7.866 resteert voor alle beboetbare feiten tezamen.

Heffingsrente

31. De beroepen worden geacht mede betrekking te hebben op de heffingsrente. Nu eiseres geen afzonderlijke beroepsgronden tegen de in rekening gebrachte heffingsrente heeft aangevoerd, dienen de beroepen inzake de beschikkingen heffingsrente in zoverre ongegrond te worden verklaard.

Slotsom

32. Gelet op het voorgaande dienen de beroepen gegrond te worden verklaard.

Proceskosten

33. De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van de bezwaren en de beroepen redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 2.202 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 244, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 490 en een van wegingsfactor 1,5 wegens het aantal samenhangende zaken). De in de bezwaarfase toegekende vergoeding komt hierop in mindering voor zover deze reeds aan eiseres is uitbetaald.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar uitsluitend voor zover het de opgelegde verhogingen betreft;

- vermindert de verhogingen tot een bedrag van in totaal € 7.866;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraken op bezwaar;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 2.202;

- gelast dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 45 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F. Germs-de Goede, voorzitter, mr. F.M. Smit en mr. R.A. Eskes, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P.P.J. Leenders, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 10 september 2015

Griffier

Voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.