Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:5421

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
05-08-2015
Datum publicatie
07-09-2015
Zaaknummer
275241
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres in conventie heeft niet voldaan aan de haar eerder opgedragen bewijslevering, zodat gedaagde in conventie alleen aansprakelijk is jegens eiseres in conventie ex art. 2:9 BW.

Eiseres in reconventie heeft onvoldoende gesteld om tot bewijs van zijn stellingen te worden toegelaten. De rechtbank wijst zijn vorderingen daarom af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OR-Updates.nl 2015-0329
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/275241 / HA ZA 14-693

Vonnis van 5 augustus 2015

in de zaak van

de coöperatie

COÖPERATIE RAILWATCH U.A.,

gevestigd te Veenendaal,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. A.A. Bart te Veenendaal,

tegen

[gedaagde],

wonende te Heteren,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. J. Brouwer te Veenendaal.

Partijen zullen hierna Railwatch en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 29 april 2015

- de akte verduidelijking voorschot in conventie van Railwatch

- de akte – aangeduid als antwoordakte – in reconventie van [gedaagde]

- de antwoordakte in conventie van [gedaagde]

- de antwoordakte in reconventie van Railwatch.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

in conventie

2.1.

Railwatch is in de gelegenheid gesteld het door haar als voorschot op schadevergoeding gevorderde bedrag van € 3.698,52 nader te onderbouwen. Zij heeft daarop de als haar producties 2 en 9 overgelegde overzichten opnieuw toegelicht.

2.2.

In het tussenvonnis is uiteengezet waarom Railwatch het door haar gevorderde bedrag diende toe te lichten. De belangrijkste onduidelijkheden vormden de door [gedaagde] aan haar betaalde vergoedingen van € 1.000,00 en vervolgens € 4.423,88 – tezamen meer dan het gevorderde bedrag – en het gegeven dat haar schadebegroting is gemaakt aan de hand van een planningslijst (producties 2 en 9), terwijl niet duidelijk was om welke, werkelijk uitgevoerde werkzaamheden en facturering het ging.

2.3.

De toelichting die nu bij akte door Railwatch is gegeven betreft opnieuw de planningslijst terwijl aan het gegeven dat al betaald is – relevant nu het niet gaat om een verklaring voor recht over de omvang van de schade maar om de betaling van een voorschot – in het geheel geen aandacht wordt besteed.

2.4.

Het voorgaande betekent gevoegd bij wat in het tussenvonnis in conventie is overwogen, dat de vordering van Railwatch slechts toewijsbaar is voor zover zij is gericht op een verklaring voor recht dat [gedaagde] aansprakelijk is tegenover Railwatch voor de gevolgen van zijn tekortschieten in de nakoming van zijn verplichting tot een behoorlijke vervulling van zijn taak in de zin van art. 2:9 BW, zoals bedoeld in het vonnis van 29 april 2015 onder 4.7.

2.5.

Aangezien elk van partijen als op enig punt in het ongelijk gesteld is te beschouwen, zullen de proceskosten worden gecompenseerd op de hierna te vermelden wijze.

in reconventie

2.6.

[gedaagde] – ten onrechte is in het vonnis van 29 april 2015 onder 5.3 Railwatch genoemd – is in de gelegenheid gesteld toelichting te geven op een onderdeel van zijn vordering. Dit betrof het volgende. [gedaagde] heeft aangevoerd dat hij in de periode tussen 9 augustus 2014 en 11 september 2014 geplande werkzaamheden voor Safelines en Hooijer niet heeft kunnen uitvoeren. In het tussenvonnis is overwogen dat uit de stukken niet duidelijk was welk deel van de geplande activiteiten dit betrof, hoeveel [gedaagde] daaraan verdiend zou hebben en in welke mate vaststond dat hij deze geplande werkzaamheden ook werkelijk had kunnen uitvoeren zonder dat het besluit van 8 augustus 2014 genomen was.

2.7.

[gedaagde] heeft vervolgens zijn standpunt toegelicht met een verwijzing naar de planningslijsten die Railwatch als producties 2 en 9 heeft overgelegd. Over deze planningslijsten heeft [gedaagde] echter ter comparitie in conventie en in reconventie betoogd dat ze nogal eens afweken van de werkelijkheid, wat hij ook bij antwoord in conventie al aangevoerd had. Ze zijn dus volgens [gedaagde] zelf niet betrouwbaar als het om werkelijk uitgevoerde werkzaamheden gaat. Verder heeft [gedaagde] in verband met de werkzaamheden voor Hooijer uiteengezet wat volgens hem gebruikelijk was in 2013 en gesteld dat hij heeft aangegeven na augustus 2014 zijn diensten te willen hervatten.

2.8.

De rechtbank concludeert dat [gedaagde] hiermee niet heeft aangegeven welk deel van de geplande activiteiten hij daadwerkelijk uitgevoerd zou kunnen hebben. Reeds daarom is zijn reactie onvoldoende als onderbouwing van zijn betoog. De vraag in welke mate vaststond dat hij de geplande werkzaamheden werkelijk had kunnen uitvoeren zonder dat het besluit van 8 augustus 2014 genomen was, komt in zijn akte in het geheel niet aan de orde.

2.9.

Dit betekent dat [gedaagde] onvoldoende heeft gesteld om tot het bewijs van zijn stellingen te kunnen worden toegelaten. Hij heeft immers geen antwoord op de door de rechtbank gestelde vragen gegeven en dat is iets anders dan een antwoord geven dat een bewijs van zijn feitelijke onderbouwing behoeft.

2.10.

Voor wat betreft de gestelde schade die geleden zou zijn doordat [gedaagde] opdrachten van Hooijer en/of Safelines heeft gemist moet Bakkers vordering gelet op het voorgaande worden afgewezen.

2.11.

Het voorgaande gevoegd bij hetgeen in het tussenvonnis in reconventie is overwogen, leidt tot afwijzing van Bakkers vorderingen.

2.12.

Aangezien elk van partijen als op enig punt in het ongelijk gesteld is te beschouwen – Railwatch valt immers de aantastbaarheid van het besluit van 8 augustus 2014 te verwijten, waarop de reconventionele vordering uiteindelijk berustte – zullen de proceskosten worden gecompenseerd op de hierna te vermelden wijze.

3 De beslissing

De rechtbank

in conventie

3.1.

verklaart voor recht dat [gedaagde] aansprakelijk is tegenover Railwatch voor de gevolgen van zijn tekortschieten in de nakoming van zijn verplichting tot een behoorlijke vervulling van zijn taak in de zin van art. 2:9 BW, zoals bedoeld in het vonnis van 29 april 2015 onder 4.7,

3.2.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

3.3.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

3.4.

wijst de vorderingen af,

3.5.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.D.A. den Tonkelaar en in het openbaar uitgesproken op 5 augustus 2015.