Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:5401

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
25-08-2015
Datum publicatie
27-08-2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 7067
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser is op hoog niveau internationaal actief als kickbokser. Hij heeft hiervan en van eventuele inkomsten uit zijn activiteiten als kickbokser geen melding gemaakt. Deze activiteiten moeten naar het oordeel van de rechtbank - bezien uit een oogpunt van de Wwb - worden aangemerkt als op geld waardeerbare activiteiten dan wel activiteiten waarvoor in het economisch verkeer normaliter een beloning wordt ontvangen of kan worden bedongen. Betrokkene had zijn activiteiten dus moeten melden bij de gemeente. Sprake van schending van de op eiser rustende inlichtingenplicht. Het recht op bijstand is niet vast te stellen. Voorts is eiser er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat hij wel recht had gehad op (aanvullende) bijstand indien hij wel had voldaan aan de inlichtingenplicht. Terecht ingetrokken over de perioden van 10 maart 2012 tot 1 december 2013 en 14 januari 2014 tot met 30 april 2014. Verweerder is gehouden tot terugvordering. Niet is gebleken van dringende redenen om daar geheel of gedeeltelijk vanaf te zien.

Voorts heeft verweerder in het besluit op bezwaar onterecht geen vergoeding toegekend van eisers kosten in bezwaar, nu in dat besluit de periode van intrekking, als vastgesteld in het primaire besluit, heeft herzien. Beroep gegrond voor zover het de periode van de intrekking en de vaststelling van de kosten in bezwaar betreft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2015/181
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: 14/7067

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. drs. R.J.H. van der Wal),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen te Nijmegen, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 19 juni 2014 (het primaire besluit) is de uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (Wwb) van eiser met ingang van 10 maart 2012 ingetrokken. Voorts wordt van hem een bedrag van € 23.551,36 teruggevorderd wegens over de periode van 10 maart 2012 tot en met 30 april 2014 ten onrechte genoten bijstand.

Bij besluit van 27 augustus 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft beroep ingesteld.

Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 mei 2015. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden mr. G.L.M. Verstegen en mr. F. Grootveld.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiser ontvangt vanaf 19 september 2011 een Wwb-uitkering naar de norm van een alleenstaande met een toeslag van 10%. Uit een interne melding bij verweerder blijkt dat eiser al jaren op hoog niveau actief is als kickbokser. Uit informatie van de site [sitenaam] blijkt dat eiser vanaf 2012 heeft deelgenomen aan verschillende toernooien in het buitenland en in zijn klasse zelfs om de wereldtitel heeft gebokst. Uit controle door verweerder van alle door eiser ingeleverde statusformulieren blijkt dat eiser nooit melding gemaakt van enige reis naar het buitenland dan wel het verwerven van inkomsten (prijzengeld). Naar aanleiding van voorgaande wordt de uitbetaling van de uitkering aan eiser met ingang van 1 mei 2014 geblokkeerd.

Eiser wordt uitgenodigd voor een gesprek op 21 mei 2014 en wordt verzocht om de volgende gegevens mee te nemen: bankafschriften van alle rekeningen vanaf 1 februari 2012, bewijsstukken van verblijf in het buitenland in de jaren 2012, 2013 en 2014 en bewijsstukken van gewonnen prijzengeld over genoemde jaren. Eiser verschijnt en levert slechts een gedeelte van de gevraagde informatie. Voorts verklaart hij dat hij vanaf 1 februari 2012 (weer) actief is als professioneel kickbokser en diverse partijen op hoog niveau heeft gebokst, onder meer in het buitenland, maar dat hij met deze partijen nooit iets verdiend heeft. Hij maakt gebruik van het netwerk van zijn Russische manager, [naam 1] (verder: [naam 1]), bij wie hij onder contract staat en die hem bemiddelt naar grote internationale toernooien. Vanaf zijn wedstrijd in Milaan, op 20 april 2013, wordt hij voor internationale toernooien uitgenodigd door [bedrijf] (verder: [bedrijf]). Alle kosten die hij maakt (onder meer van de reizen naar en het verblijf in het buitenland) worden voldaan door zijn management.

Omdat bepaalde transacties op de bankafschriften van eiser vragen oproepen (regelmatige kasstortingen, overboekingen naar creditcard, boetes van het Centraal Justitieel Incassobureau) en hij geen informatie overlegt met betrekking tot eventuele inkomsten en verblijf in het buitenland, wordt het recht op bijstand met ingang van 1 mei 2014 opgeschort en wordt eiser opnieuw uitgenodigd voor een gesprek op 5 juni 2014.

Op 5 juni 2014 verklaart eiser onder meer dat hij contact gehad heeft met [naam 1], maar dat hij geen bewijzen kan overleggen van gewonnen prijzengeld. Voor zover er prijzengeld aan wedstrijden verbonden was, heeft hij daar zelf nooit iets van gezien. Vermoedelijk is dat dan rechtstreeks naar [naam 1] gegaan. [naam 1] heeft in het gesprek aangegeven dat eiser hem tot op heden meer heeft gekost dan heeft opgeleverd. Voorts erkent eiser dat hij geen van zijn verblijven in het buitenland vanaf 2012 heeft gemeld bij verweerder. De geldstortingen hangen samen met leningen die hij bij vrienden heeft afgesloten. Blijkens de rapportage van [naam 2] van 4 juni 2014 heeft eiser vanaf 1 december 2013 tot en met 14 januari 2014 geen uitkering ontvangen in verband met vertrek naar de gemeente Ridderkerk.

2. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd, zo is door gemachtigden van verweerder ter zitting bevestigd, dat eiser zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen dan wel onvoldoende informatie te verstrekken over zijn activiteiten en/of inkomsten als professioneel kickbokser en door stortingen van diverse geldbedragen op zijn bankrekening te verzwijgen. Als gevolg hiervan is het recht op bijstand over de periode van 10 maart 2012 tot en met 30 april 2014 niet vast te stellen, zo stelt verweerder.

3. Eiser erkent dat hij geen volledige opgaaf gedaan heeft van de kickbokswedstrijden in het buitenland en zijn verblijf aldaar, maar hij heeft dit niet bewust verzwegen. Eiser heeft nooit enig inkomen verworven met zijn sportcarrière. Daarom was het hem ook niet duidelijk dat het omstandigheden betrof die hij had moeten melden. Eiser heeft naar zijn mening voldoende aannemelijk gemaakt dat, mocht hij al prijzengeld hebben gewonnen, hij hier nimmer zelf over heeft kunnen beschikken. Aangezien professionele organisaties als [bedrijf] uitsluitend giraal betalen, is dit voor verweerder ook eenvoudig te verifiëren aan de hand van de bankafschriften die eiser heeft overgelegd. De kosten die hij heeft moeten maken in verband met zijn sport, zijn rechtstreeks voldaan door investeerders en met name door [naam 1]. Om door te kunnen breken in deze vechtsport moest eiser wel samenwerken met dergelijke tussenpersonen. Eiser heeft slechts geleefd van zijn Wwb-uitkering. Eiser had geen andere keus dan akkoord te gaan met de voorwaarden van [bedrijf] en [naam 1]. Hij moest accepteren dat er een periode zou zijn van investeren waarin anderen de eventuele winstpremies zouden opstrijken. De stortingen op zijn bankrekeningen tenslotte, betreffen incidentele betalingen wegens van vrienden geleende geldbedragen. Deze hebben geen periodiek karakter en kunnen derhalve niet als middelen in de zin van de Wwb worden gezien.

Ten aanzien van de proceskosten in bezwaar

4. De rechtbank stelt allereerst vast dat verweerder bij het bestreden besluit heeft geweigerd de proceskosten in bezwaar te vergoeden. De rechtbank kan verweerder hierin niet volgen. Bij het primaire besluit heeft verweerder de bijstand (zonder einddatum) ingetrokken met ingang van 10 maart 2012. In het bestreden besluit is verweerder hierop teruggekomen door de periode waarop de intrekking betrekking heeft vast te stellen op 10 maart 2012 tot en met 30 april 2014. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hiermee te kennen gegeven dat het primaire besluit voor wat betreft de intrekking niet juist was en dit besluit in zoverre herroepen. Niet gebleken is dat deze herroeping niet aan onrechtmatigheid van de zijde van verweerder is te wijten. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank voldaan aan het in artikel 7:15 van de Algemene wet bestuursrecht opgenomen vereiste voor vergoeding van de proceskosten in bezwaar. De rechtbank ziet daarom aanleiding dit onderdeel van het bestreden besluit te vernietigen en zelf in de zaak te voorzien door verweerder op hierna te melden wijze in de proceskosten in bezwaar te veroordelen.

Ten aanzien van de intrekking

5. De rechtbank stelt voorts vast dat niet in geschil is dat eiser over de periode van 1 december 2013 tot en met 14 januari 2014 in verband met vertrek naar de gemeente Ridderkerk, geen domicilie had in de gemeente Nijmegen. Aangezien eiser reeds hierom over deze periode geen recht had op bijstand jegens verweerder, is de intrekking, voor zover die ziet op deze periode, gebaseerd op een onjuiste grondslag. Het is immers vaste rechtspraak van de CRvB dat, indien het recht op bijstand kan worden vastgesteld, ook al is dit nihil, het bijstandverlenend orgaan daartoe dient over te gaan en dat er dan geen plaats is voor het oordeel dat de bijstand wordt ingetrokken op de grond dat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 20 september 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BB6243). Dit betekent dat het bestreden besluit ook in zoverre niet in stand kan blijven. Het beroep is gegrond en rechtbank zal het bestreden besluit in zoverre vernietigen wegens strijd met artikel 7:12 van de Awb.

6. De rechtbank kan verweerder wel volgen in zijn standpunt dat het recht op bijstand over de periode van 10 maart 2012 tot 1 december 2013 en 14 januari 2014 tot en met 30 april 2014 niet is vast te stellen vanwege eisers activiteiten als kickbokser en de daarmee samenhangende geldstortingen op zijn bankrekening. De rechtbank overweegt als volgt.

7. Een besluit tot intrekking van de bijstand is een voor betrokkene belastend besluit. Dit betekent naar vaste rechtspraak dat de bewijslast op verweerder rust voor zover het gaat om het aannemelijk maken van zijn stelling dat eiser gedurende de gehele beoordelingsperiode de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van zijn activiteiten als vechtsporter.

8. Voor zover eiser heeft betoogd dat hij in verband met zijn activiteiten als kickbokser nooit inkomsten heeft genoten waarover hij daadwerkelijk heeft kunnen beschikken en daarom niet de inlichtingenverplichting heeft geschonden, faalt dit betoog. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser in de beoordelingsperiode actief geweest is als professioneel kickbokser, dat hij deelgenomen heeft aan verschillende internationale wedstrijden/toernooien, dat deelnemers van zijn statuur doorgaans aanspraak kunnen maken op startgeld en/of prijzengeld, dat hij voor wedstrijden en trainingskampen verschillende periodes in het buitenland heeft verbleven (uit het door eiser in bezwaar overgelegde overzicht “verblijf in het buitenland” blijkt dat hij in de beoordelingsperiode in verband met zijn activiteiten als kickbokser veertien periodes van in totaal 111 dagen in het buitenland heeft verbleven) en dat hij onder contract stond bij [naam 1] die tevens als tussenpersoon optrad richting [bedrijf]. Gezien voornoemde feiten en omstandigheden had het op de weg van eiser gelegen om op zijn minst duidelijkheid te verschaffen over de contractuele verhoudingen tussen hem en [naam 1] en tussen hem en [bedrijf]. Eiser heeft ter zitting erkend dat hij niet getracht heeft de contracten rechtstreeks via [bedrijf] te verkrijgen. Wel is hij in contact getreden met [naam 1] teneinde de contracten bij hem op te vragen. Eiser stelt dat dat echter niet gelukt is, omdat de verhouding met [naam 1] verslechterd is na een verloren partij in Denver. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat eiser de contracten met [naam 1] en/of [bedrijf], waarvan niet betwist wordt dat deze bestaan en waarbij hij nota bene zelf partij is, niet zou kunnen overleggen. Voor zover dat wel zo zou zijn, ligt het risico van de hierdoor ontstane bewijsnood naar het oordeel van de rechtbank bij eiser. Hoe dan ook is eiser er naar het oordeel van de rechtbank niet in geslaagd om duidelijkheid te verschaffen aan de hand van voor verweerder controleerbare en verifieerbare bewijsstukken. Het niet (kunnen) verschaffen van bewijsstukken over de met [naam 1] en/of [bedrijf] gemaakte afspraken met betrekking tot onder meer de aanspraak op startgeld en/of prijzengeld en de vergoeding van kosten (van onder meer reizen naar en verblijf in het buitenland, van zijn begeleidingsteam/trainer(s), van de huur van de trainingsaccommodatie(s), van sportvoeding) blijft voor rekening en risico van eiser. Gezien de in het voorgaande geschetste feiten en omstandigheden valt naar het oordeel van de rechtbank geenszins uit te sluiten dat er gelden zijn uitgekeerd aan eiser zelf dan wel aan derden in verband met zijn activiteiten als kickbokser. Deze activiteiten moeten naar het oordeel van de rechtbank - bezien uit een oogpunt van de Wwb - worden aangemerkt als meldingsplichtige, op geld waardeerbare activiteiten dan wel activiteiten waarvoor in het economisch verkeer normaliter een beloning wordt ontvangen of kan worden bedongen (zie de uitspraak van de CRvB van 25 augustus 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ7254). De enkele ontkenning van eiser dat hij ooit iets verdiend heeft met zijn kickboksactiviteiten kan, bij gebrek aan verifieerbare en controleerbare bewijsstukken, niet tot een ander oordeel leiden. Gelet hierop behoeft het standpunt van eiser dat de stortingen op zijn bankrekening moeten worden aangemerkt als geldleningen en daarom niet als middelen in aanmerking kunnen worden genomen, niet meer te worden besproken.

9. Uit het overwogene onder 8. volgt dat eiser de op hem rustende inlichtingenplicht heeft geschonden. Eiser is er - ondanks herhaaldelijke verzoeken - niet in geslaagd om aan de hand van objectieve bewijsstukken voldoende inzicht te verschaffen in de omvang van zijn activiteiten als vechtsporter en/of de in verband daarmee (al dan niet door derden) ontvangen vergoedingen. Een schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand, indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in hoeverre, de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat in het geval wel aan de inlichtingenverplichting zou zijn voldaan over de betreffende periode recht op (aanvullende) bijstand bestond.

10. De rechtbank is van oordeel dat eiser er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat hij bij nakoming van de inlichtingenverplichting nog recht op aanvullende bijstand zou hebben gehad, omdat hij ten tijde in geding en ook nadien op geen enkele wijze concreet en verifieerbaar inzicht heeft verschaft in de precieze omvang van de activiteiten en daarmee verworven dan wel te verwerven middelen. Het voorgaande brengt mee dat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting over de periode van 10 maart 2012 tot 1 december 2013 en 14 januari 2014 tot met 30 april 2014 het recht op bijstand van eiser niet is vast te stellen. Hetgeen overigens naar voren is gebracht heeft de rechtbank niet tot een ander oordeel kunnen brengen. Het vorenstaande betekent dat verweerder gehouden was om met toepassing van artikel 54, derde lid, van de Wwb, de over voornoemde periode aan eiser verleende bijstand in te trekken.

Ten aanzien van de terugvordering

11. Ingevolge artikel 58, eerste lid, van de Wwb, is verweerder verplicht de kosten van bijstand terug te vorderen voor zover te bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting. Gezien hetgeen is overwogen onder 11. was verweerder gehouden om de door eiser over deze periodes ten onrechte genoten bijstand van hem terug te vorderen. De rechtbank is daarbij niet gebleken van de aanwezigheid van dringende redenen als bedoeld in artikel 58, achtste lid, van de Wwb, op grond waarvan verweerder van gehele of gedeeltelijke terugvordering had moeten afzien.

Ten aanzien van griffierecht en proceskosten

12. Omdat het beroep gegrond is, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

13. De in rechtsoverweging 4. genoemde kosten worden met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 490 (1 punt voor het indienen van een bezwaarschrift met een waarde per punt van € 490 en een wegingsfactor 1).

De rechtbank ziet voorts aanleiding om verweerder in de door eiser in beroep gemaakte proceskosten te veroordelen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 980 (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 490 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit voor zover verweerder geweigerd heeft de proceskosten in bezwaar aan eiser te vergoeden;

- voorziet zelf in de zaak door toekenning van een vergoeding van de kosten in de bezwaarfase ter hoogte van € 490;

- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat betrekking heeft op de intrekking van de bijstand over de periode van 1 december 2013 tot 14 januari 2014;

- gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 45 aan hem vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten in beroep van eiser ten bedrage van € 980.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Klein Egelink, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. N.C. Vlaskamp, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.