Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:5368

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
25-08-2015
Datum publicatie
27-08-2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 5038
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Uit de tussenuitspraak van de rechtbank (ECLI:NL:RBGEL:2015:3595) is gebleken dat er sprake is van een schending van de inlichtingenverplichting. Tevens is daaruit duidelijk geworden dat er onvoldoende reden is geweest voor het daarop gebaseerde standpunt dat verweerder niet in staat was het recht op bijstand vast te stellen, maar dat verweerder integendeel op basis van de wel voorhanden zijn informatie schattenderwijs tot bepaling van het recht op bijstand had moeten overgaan. Het standpunt van eiser dat verweerder bij de uitvoering van hetgeen door de rechtbank inzake de herziening en terugvordering in de tussenuitspraak is overwogen een andere maatstaf had moeten aanleggen kan de rechtbank bij gebrek aan een onderbouwing van die stelling niet volgen. Wat betreft de naar aanleiding van de tussenuitspraak neerwaarts bijgestelde boete overweegt de rechtbank dat voor een verdergaande matiging dan tot een percentage van 50 op grond van door eiser gestelde financiële omstandigheden geen aanleiding bestaat, nu eiser daarvoor onvoldoende onderbouwing heeft gegeven. De enkele stelling dat eiser, na intrekking van de bijstand door verweerder, geen inkomen meer heeft genoten acht de rechtbank althans onvoldoende.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummers: 14/5038, 14/5039 en 14/5040

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. P.R.M. Noppen),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem te Arnhem, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 6 maart 2014 (het primaire besluit I), verzonden op 11 maart 2014, heeft verweerder het recht op bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (Wwb) van eiser met ingang van 1 augustus 2012 ingetrokken.

Bij besluit van 6 maart 2014 (het primaire besluit II), verzonden op 17 maart 2014, heeft verweerder aan eiser een boete opgelegd ter hoogte van € 11.930.

Bij besluit van 2 april 2014 (het primaire besluit III) heeft verweerder van eiser - wegens over de periode van 1 augustus 2012 tot 1 februari 2014 ten onrechte genoten bijstand - een bedrag van € 20.792,04 teruggevorderd.

Bij besluit van 13 juni 2014 (het bestreden besluit I), verzonden op 16 juni 2014, heeft verweerder het bezwaar van eiser gericht tegen het primaire besluit I ongegrond verklaard.

Bij besluit van 13 juni 2014 (het bestreden besluit II), verzonden op 16 juni 2014, heeft verweerder het bezwaar van eiseres gericht tegen het primaire besluit II ongegrond verklaard.

Bij besluit van 13 juni 2014 (het bestreden besluit III), verzonden op 16 juni 2014, heeft verweerder het bezwaar van eiser gericht tegen het primaire besluit III ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Het beroep van eiser tegen het bestreden besluit I is bij deze rechtbank geregistreerd onder zaaknummer 14/5038. Het beroep van eiser tegen het bestreden besluit II is geregistreerd onder zaaknummer 14/5039. Het beroep van eiser tegen het bestreden besluit III is geregistreerd onder zaaknummer 14/5040. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Voornoemde beroepen zijn gevoegd behandeld ter zitting van 13 februari 2015. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde P.T.F.A. de Boer.

Op 19 mei 2015 heeft de rechtbank op grond van artikel 8:80a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) tussenuitspraak (verder: de tussenuitspraak) gedaan en daarbij verweerder in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken na verzending van deze uitspraak, met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen, de gebreken in de besluitvorming te herstellen.

Bij brief van 17 juni 2015 heeft verweerder van deze mogelijkheid gebruik gemaakt. Eiser heeft bij brief van 9 juli 2015 zijn zienswijze naar voren gebracht. Bij brief van 3 augustus 2015 heeft de rechtbank vervolgens het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1

Eiser ontvangt vanaf 16 maart 2010 een uitkering ingevolge de Wwb naar de norm van een alleenstaande. Op 11 mei 2013 ontvangt verweerder een anonieme melding waarin wordt aangegeven dat eiser werkzaamheden zou verrichten bij [bedrijf] in [plaats]. Omdat er bij verweerder niets bekend is van werkzaamheden en/of inkomsten zijdens eiser, wordt er -naar aanleiding van de melding- een nader onderzoek gestart.

1.2

Uit gegevens van de Kamer van Koophandel blijkt dat de onderneming [bedrijf] met ingang van 13 augustus 2012 staat ingeschreven in het handelsregister. De heer [naam], de vader van eiser, staat geregistreerd als beherend vennoot/directeur. Over de periode van 24 oktober 2013 tot en met 31 januari 2014 verricht verweerder waarnemingen in en nabij [bedrijf], gevestigd op het adres [adres]. Eiser wordt in genoemde periode verschillende keren aangetroffen in het winkelpand. Eiser wordt uitgenodigd voor een gesprek op 4 februari 2014. Hij reageert, zonder tegenbericht, niet op de uitnodiging. Eiser wordt opnieuw uitgenodigd voor een gesprek op 11 februari 2014. Eiser verschijnt op het gesprek en verklaart desgevraagd onder meer dat [bedrijf] de zaak van zijn vader is, maar dat hij er zelf sinds ongeveer anderhalf jaar zo goed als dagelijks aanwezig is en dat zijn zoon er stage loopt. Het is de bedoeling dat zijn zoon de zaak overneemt als hij klaar is met zijn school. De winkel is drie dagen per week open van 11.00 uur tot 16.00 uur. Eiser is dan aanwezig in de zaak.

1.3

Eiser wordt in de gelegenheid gesteld om uiterlijk op 17 februari 2014 middels een deugdelijke boekhouding zijn gewerkte uren bij [bedrijf] aantoonbaar te maken. Hij levert een “bonnenboekje” aan waarin dagelijks de verkochte goederen worden bijgehouden. Omdat verweerder dit niet aanmerkt als een deugdelijke boekhouding, wordt het recht op bijstand van eiser met ingang van 18 februari 2014 opgeschort. De uitbetaling van de bijstand wordt per 1 februari 2014 geblokkeerd. Eiser krijgt tot uiterlijk 27 februari 2014 de gelegenheid om het verzuim te herstellen door alsnog een deugdelijke boekhouding aan te leveren. Op 6 maart 2014 levert eiser de volgende stukken aan: saldi grootboekrekeningen 2013 over de perioden 0 tot en met 5, (handgeschreven) kwitanties van de maandelijkse huurbetaling van het winkelpand over de periode van 1 januari 2012 tot en met 31 december 2013 en een (handgeschreven) huurcontract van het winkelpand.

Met betrekking tot de intrekking (het bestreden besluit I) en de terugvordering (het bestreden besluit III)

2. Uit de tussenuitspraak volgt dat eiser met ingang van 18 februari 2014 de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens en/of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt. Verweerder mocht de bijstand van eiser dan ook intrekken met ingang van 18 februari 2014.

3. Voorts stelt de rechtbank - onder verwijzing naar rechtsoverwegingen 4. tot en met 6. uit de tussenuitspraak - vast dat eiser over de periode van 1 augustus 2012 tot en met 17 februari 2014 de op hem rustende inlichtingenplicht geschonden heeft door verweerder niet van zijn (op geld waardeerbare) werkzaamheden bij de kringloopzaak [bedrijf] op de hoogte te stellen. De conclusie van verweerder dat het recht op bijstand over genoemde periode - als gevolg van de schending van de inlichtingenplicht - niet kan worden vastgesteld, kan de rechtbank echter niet volgen. Gezien vaste rechtspraak ter zake (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 27 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT5852) had het op de weg van verweerder gelegen om het recht op bijstand schattenderwijs vast te stellen. Verweerder had het recht op aanvullende bijstand van eiser kunnen en moeten vaststellen op basis van het voor hem geldende normbedrag aan bijstand minus het voor hem destijds geldende minimumloon per maand, gebaseerd op een arbeidsduur van 15 uren per week.

4. Gezien voorgaande was verweerder over bovengenoemde periode naar het oordeel van de rechtbank niet bevoegd tot intrekking en terugvordering van de volledige door eiser genoten bijstand. De rechtbank heeft bij de tussenuitspraak overwogen dat de bestreden besluiten I en III voor zover deze zien op de intrekking en terugvordering over de periode van 1 augustus 2012 tot en met 17 februari 2014 in rechte geen stand kunnen houden. De beroepen gericht tegen de bestreden besluiten I en III zijn dan ook gegrond. De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld om, met inachtneming van hetgeen in deze tussenuitspraak is overwogen, de gebreken te herstellen.

5. Verweerder heeft gebruik gemaakt van deze gelegenheid. Met zijn herstelpoging en nadere motivering heeft verweerder over de periode in geding een fictief inkomen in aanmerking genomen gebaseerd op het voor eiser geldende minimumloon afgezet tegen een werkweek van 15 uren en het bedrag van de terugvordering opnieuw berekend. Verweerder komt naar aanleiding van deze berekening uit op een terug te vorderen bedrag van € 11.131,53.

6. Eiser kan zich ook met deze herberekening niet verenigen. Hij stelt zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte uitgegaan is van het minimumloon gebaseerd op een 36-urige werkweek, omdat de wet nog steeds uitgaat van een werkweek van 40 uur en dat niet gebleken is dat eiser onder een CAO zou vallen die daarvan afwijkt.

7. Over de wijze waarop verweerder de inkomsten van eiser heeft berekend, overweegt de rechtbank het volgende. Dat verweerder is uitgegaan van het wettelijk minimumloon gebaseerd op een werkweek van 36 komt de rechtbank niet onredelijk voor. Eisers betoog dat verweerder bij de herberekening had moeten uitgaan van het minimumloon gebaseerd op een werkweek van 40 uur, slaagt - bij gebrek aan een nadere onderbouwing - niet. Ook overigens is de rechtbank niet gebleken dat verweerder met de thans overgelegde herberekening niet op een juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan de tussenuitspraak.

8. De rechtbank zal de bestreden besluiten I en III vernietigen voor zover het de intrekking en (te hoge) terugvordering over de periode van 1 augustus 2012 tot en met 17 februari 2014 betreft, uitgaande van de door verweerder na de herberekening vastgestelde bedragen aan inkomsten zelf in de zaak voorzien en het bedrag van de terugvordering vaststellen op € 11.131,53.

Met betrekking tot de boete (het bestreden besluit II)

9. Verweerder heeft in zijn reactie naar aanleiding van de tussenuitspraak laten weten zich te kunnen vinden in een boete van € 2.468,91, zijnde 50 procent van het netto benadelingsbedrag over de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 januari 2014. Omdat eiser geen inzicht gegeven heeft in zijn financiële situatie, ziet verweerder, gelet op hetgeen in de tussenuitspraak onder 16. wordt overwogen, geen aanleiding om de boete verder te matigen.

10. Eiser kan zich hier niet mee verenigen en heeft in zijn nadere zienswijze van 9 juli 2015, mede onder verwijzing naar zijn brief aan verweerder van 10 juni 2015, aangegeven dat eiser geen financiële middelen had, heeft en zal hebben, zolang hem geen bijstand wordt verstrekt door verweerder. Daarbij wordt nog naar voren gebracht dat, hoewel eiser weliswaar heeft gewerkt in [bedrijf], hij nooit enig inkomen verworven heeft met deze werkzaamheden. Eiser stelt kortom dat er geen grond is voor het opleggen van een boete, laat staan van een boete ter hoogte van 50 procent van het benadelingsbedrag.

11. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog. Uit de tussenuitspraak volgt reeds dat verweerder niet aannemelijk gemaakt heeft dat er ten aanzien van het verzwijgen van de werkzaamheden door eiser sprake is van opzet, dan wel grove schuld, zodat 50 procent van het benadelingsbedrag een passend uitgangspunt is bij de afstemming op het aspect verwijtbaarheid. Eisers in dit verband naar voren gebrachte stelling dat zijn slechte financiële positie aanleiding zou moeten vormen voor verdergaande matiging van de boete, volgt de rechtbank niet, reeds omdat hij deze stelling niet nader heeft onderbouwd aan de hand van objectieve bewijsstukken (vergelijk de uitspraak van de CRvB van 12 december 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY5961). De enkele stelling dat eiser, na intrekking van de bijstand door verweerder, geen inkomen meer heeft genoten, acht de rechtbank een onvoldoende onderbouwing. Ook overigens ziet de rechtbank geen aanleiding om de boete vast te stellen op een bedrag lager dan 50 procent van het benadelingsbedrag.

12. De rechtbank zal het bestreden besluit II vernietigen, het primaire besluit II herroepen en zelf in de zaak voorzien door de boete vast te stellen op € 2.468,91.

13. Omdat de beroepen gegrond zijn, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

14. De rechtbank ziet daarbij aanleiding om verweerder in de door eiser in beroep gemaakte proceskosten te veroordelen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de procedures met nummers 14/5038 en 14/5040 vast op € 1.225 (1 punt voor het indienen van twee beroepschriften, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor het indienen van een nadere zienswijze met een waarde per punt van € 490 en een wegingsfactor 1), daarbij in aanmerking genomen dat er sprake is van samenhangende zaken als bedoeld in het Besluit proceskosten (zoals dat luidt per 1 januari 2015).

In de procedure met nummer 14/5039 stelt de rechtbank de proceskosten in beroep vast op € 1.225 (1 punt voor het indienen van een beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor het indienen van een nadere zienswijze met een waarde per punt van € 490 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen tegen de bestreden besluiten I, II en III gegrond;

  • -

    vernietigt de bestreden besluiten I en III voor zover daarbij de gehele periode is ingetrokken en de terugvordering is gehandhaafd op € 20.792,04;

  • -

    herroept het primaire besluiten I en III op diezelfde punten, bepaalt het bedrag van de terugvordering op € 11.131,53 en de herziening dienovereenkomstig en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit voor zover dat is vernietigd;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit II voor zover daarbij de boete is gehandhaafd op € 11.930;.

  • -

    herroept het primaire besluit II en bepaalt het bedrag van de boete op € 2.468,91;

  • -

    bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 135 vergoedt;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser in beroep tot een bedrag van € 2.450.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W.C.A. Bruggeman, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. N.C. Vlaskamp, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.