Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:5363

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
27-08-2015
Datum publicatie
31-08-2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 7732
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Leges ten onrechte geheven door B&W. Geen vormverzuim in de zin van art. 6:22 Awb. Wel herstel bevoegdheidsgebrek mogelijk bij uitspraak op bezwaar. Legesnota van € 1,50 geen buitensporig tarief. Beroep gegrond in verband met onjuist dictum uitspraak op bezwaar. Wegingsfactor 0,25.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/1877
Belastingblad 2015/439
V-N 2015/55.22.7
FutD 2015-2187
NTFR 2015/2841 met annotatie van mr. C.J.D. Warren
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummer: AWB 14/7732

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 27 augustus 2015

in de zaak tussen

[X] , te [Z] , eiseres

(gemachtigde: [gemachtigde] ),

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Rozendaal, verweerder.

Procesverloop

Het college van burgemeesters en wethouders van de gemeente Rozendaal (hierna: het college) heeft aan eiseres leges ten bedrage van € 1,50 in rekening gebracht in verband met het maken van kopieën in het kader van een verzoek op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: WOB).

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 29 oktober 2014 de legesnota gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen bij brief van 30 oktober 2014, ontvangen door de rechtbank op dezelfde datum, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft op 2 januari, 30 januari, 13 maart en 7 april 2015 nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan verweerder.

Met toestemming van partijen heeft de rechtbank bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

Feiten

1. Bij brief van 28 mei 2014 gericht aan de gemeente Rozendaal heeft eiseres in het kader van de WOB om toezending van stukken verzocht.

2. Bij brief van 15 juli 2014 heeft het college op het verzoek van eiseres gereageerd. In deze brief staat, voor zover van belang:

“Als u afschriften van alle bescheiden wilt ontvangen kost u dat € 1,50. Indien u hiermee akkoord gaat kunnen we u de door u verlangde afschriften per post doen toekomen. U kunt de stukken ook (op afspraak) kosteloos komen inzien op het gemeentehuis van Rozendaal (…).

Op grond van de Algemene wet bestuursrecht kunt u tegen dit besluit binnen zes weken na datum van verzending bezwaar aantekenen bij het college van burgemeesters en wethouders van Rozendaal.”

3. Bij brief van 15 juli 2014 heeft eiseres het college voor zover van belang als volgt geïnformeerd:

“Ik reageer op uw bovenvermelde brief en verzoek de door u bedoelde afschriften aan mij toe te zenden.”

4. Het college heeft op 17 juli 2014 de onderhavige afschriften verstrekt en eiseres leges ten bedrage van € 1,50 in rekening gebracht.

5. Bij brief van 6 augustus 2014 gericht aan het college heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen de leges.

6. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de legesnota gehandhaafd en geen proceskostenvergoeding toegekend. In de uitspraak op bezwaar staat onder meer:

“Om in de gegrondverklaring van de eerste bezwaargrond te voorzien heb ik besloten om Mw. [X] op grond van de legesverordening van de gemeente Rozendaal, € 1,50 in rekening te brengen met betrekking tot de afschriften die zij naar aanleiding van haar aanvraag heeft ontvangen.”

Geschil

7. In geschil is of verweerder het bevoegdheidsgebrek van het college ten aanzien van de op 17 juli 2014 in rekening gebrachte leges heeft hersteld met de uitspraak op bezwaar van 29 oktober 2014 en of eiseres recht heeft op een vergoeding van de kosten van het bezwaar. Tussen partijen is niet in geschil dat het primaire besluit door het college onbevoegd is genomen, noch is in geschil dat verweerder daartoe wel bevoegd is.

Beoordeling van het geschil

8. Eiseres heeft als meest verstrekkende standpunt gesteld dat legesheffing achterwege dient te blijven omdat artikel 12 van de WOB als lex specialis voorgaat op de heffing van leges. Zij heeft verwezen naar de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 22 augustus 2012, nr. 201109604/1/A3, ECLI:NL:RVS:2012:BX5240. De Afdeling heeft in genoemde uitspraak naar het oordeel van de rechtbank niet meer overwogen dan dat de WOB een grondslag biedt voor het in rekening brengen van kosten door bestuursorganen. Dat maakt nog niet dat verweerder geen kosten in rekening kan brengen op grond van een andere bepaling. De rechtbank verwijst daarvoor naar Hoge Raad 8 februari 2013, nr. 12/00529, ECLI:NL:HR:2013:BZ0693. De heffing is in dit geval gebaseerd op de Verordening op de heffing en de invordering van leges 2014 van de gemeente Rozendaal (hierna: Legesverordening Rozendaal 2014). De bevoegdheid tot vaststelling daarvan vindt zijn grond in artikel 229, eerste lid, sub b, van de Gemeentewet. De rechtbank is van oordeel dat artikel 12 van de WOB niet voorgaat op artikel 229 van de Gemeentewet zodat de heffing van leges op grond van de Legesverordening Rozendaal 2014 is toegestaan.

9. Voorts heeft eiseres gesteld dat verweerder het bezwaar weliswaar gegrond heeft verklaard voor zover het het bevoegdheidsgebrek betreft, maar daarbij heeft verzuimd het besluit van het college te vernietigen waardoor sprake is van dubbele heffing nu de heffingsambtenaar (ook) leges heft. In haar nadere stuk van 2 januari 2015 heeft eiseres daaraan toegevoegd dat van bekrachtiging door de heffingsambtenaar van het besluit van het college geen sprake is. De gedeeltelijke gegrondverklaring van het bezwaar moet volgens eiseres leiden tot een proceskostenvergoeding. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

10. In artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) staat dat een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist in stand kan worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.

11. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 24 december 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BO0396), onder rechtsoverwegingen 3.3.1. en 3.3.2. bepaald dat een bevoegdheidsgebrek in een besluit niet kan worden gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van de Awb, maar dat dit kan worden hersteld wanneer het bevoegde orgaan het bestreden besluit op de voet van artikel 7:11 van de Awb aan een inhoudelijke beoordeling heeft onderworpen en uitspraak op bezwaar heeft gedaan.

12. De rechtbank is van oordeel dat uit de uitspraak op bezwaar door verweerder voldoende blijkt dat hij de beslissing van het college aan een inhoudelijke beoordeling heeft onderworpen. De rechtbank leest de hiervoor in punt 6. geciteerde passage uit de uitspraak op bezwaar aldus dat het besluit van verweerder in de plaats treedt van het besluit van het college. Daarmee is voldaan aan het criterium dat de Hoge Raad in het arrest van 24 december 2010 heeft gegeven en is het onderhavige bevoegdheidsgebrek hersteld. Wel is de rechtbank van oordeel dat verweerder, nu hij beoogd heeft de beslissing van het college te bekrachtigen, het bezwaar ongegrond had moeten verklaren en niet (gedeeltelijk) gegrond. Er is sprake van een onjuist dictum en in zoverre is het beroep van eiseres gegrond. Dit leidt echter niet tot toekenning van een kostenvergoeding voor de bezwaarfase. Ingevolge artikel 7:15, eerste lid, van de Awb worden kosten in verband met de behandeling van het bezwaar uitsluitend vergoed voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Daarvan is in dit geval geen sprake.

13. Voorts kan van een legesnota van € 1,50, anders dan eiseres heeft gesteld in haar nadere stuk van 2 januari 2015, niet worden gezegd dat sprake is van een buitensporig tarief.

14. Van dubbele heffing van leges ten slotte is evenmin sprake. Mede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen bestaat geen onduidelijkheid over de status van de legesnota opgelegd door het college, zodat deze niet vernietigd hoeft te worden om zijn rechtsgevolgen ongedaan te maken.

15. Gelet op het voorgaande dient het beroep gegrond te worden verklaard. Reeds om die reden is er geen sprake van onredelijk gebruik van procesrecht, zoals verweerder heeft aangevoerd.

16. De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 122,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 490 en een wegingsfactor 0,25). Ten aanzien van de wegingsfactor overweegt de rechtbank dat zij de zaak als zeer licht bestempelt nu het beroep uitsluitend gegrond is verklaard omdat verweerder een onjuist dictum heeft opgenomen. De rechtbank heeft voor de brief van eiseres van 2 januari 2015, door eiseres aangeduid als “repliek” geen vergoeding toegekend. Nu de rechtbank eiseres niet in de gelegenheid heeft gesteld te repliceren, als bedoeld in artikel 8:43 van de Awb, heeft de rechtbank de brief van 2 januari 2015 aangemerkt als nader stuk. Daarvoor kent het Bpb geen vergoeding toe. Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- verklaart het bezwaar ongegrond;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 122,50;

- gelast dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 45 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A. Eskes, rechter, in tegenwoordigheid van mr. R.W.H. van Brandenburg, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 27 augustus 2015

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.