Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:5314

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
10-06-2015
Datum publicatie
18-08-2015
Zaaknummer
272323
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geschil m.b.t. de vraag of een stamrechtovereenkomst tussentijds is gewijzigd in die zin dat deze op één en niet op twee levens betrekking had. Langstlevende echtgenoot vordert nakoming. De rechtbank oordeelt dat geen voldoende bewijs bestaat voor de gestelde wijziging in de oorspronkelijke stamrechtovereenkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/272323 / HA ZA 14-583/754

Vonnis van 10 juni 2015

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. W.A.L.D.I. van Slagmaat te Houten,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. J.J.H. van der Meijden te [woonplaats] .

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 21 januari 2015

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie met producties

  • -

    de akte inhoudende wijziging/vermeerdering van eis aan de zijde van [eiseres]

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 8 april 2015.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] is in gemeenschap van goederen gehuwd geweest met de heer [naam] (hierna: [naam] .) tot het overlijden van [naam] . op 14 januari 1996. Uit een eerder huwelijk van [naam] . is [gedaagde] geboren.

2.2.

[naam] . heeft een tandartspraktijk gedreven in [woonplaats] en [woonplaats] . De praktijk in [woonplaats] heeft hij medio 1982 verkocht en overgedragen aan een derde en de praktijk in [woonplaats] heeft hij per 1 januari 1983 overgedragen aan zijn [gedaagde] .

2.3.

Ten aanzien van de verkoop en overdracht van de tandartspraktijken hebben [naam] . en [gedaagde] advies ingewonnen bij [naam 2] , belastingadviseur te [woonplaats] (hierna: [naam 2] ). Dit heeft geresulteerd in een schriftelijk advies van 18 februari 1983, waarvan een tussen [naam] . als ‘verzekerde’ en [gedaagde] als ‘verzekeraar’ te sluiten stamrechtovereenkomst onderdeel uitmaakte.

2.4.

Tussen [naam] . en [gedaagde] is op 25 februari 1983 een stamrechtovereen-komst gesloten (hierna: de stamrechtovereenkomst uit 1983), waarin onder meer is bepaald:

Artikel 1. Lijfrente.

1. De verzekeraar verplicht zich om een halfjaarlijkse lijfrente uit te keren aan verzekerde en na diens overlijden aan zijn voornoemde echtgenote ([eiseres] , toevoeging rechtbank), zo die dan nog in leven is.

2. De lijfrente zal zijn ƒ 9.850,-- per jaar en dient achteraf betaald te worden in halfjaarlijkse termijnen groot ƒ 4.925,--.

3. De lijfrente gaat in op 1 januari 1983, vervallende dus de eerste termijn op 30 juni 1983. De lijfrente eindigt bij het overlijden van de langstlevende in lid 1 van dit artikel genoemde begunstigde, en wel op de laatste dag van de halfjaartermijn, waarin dat overlijden plaatsvindt.

4. De in dit artikel vastgelegde lijfrente is een stamrecht als bedoeld in artikel 19 Wet Inkomstenbelasting.

Artikel 2. Prijs en betaling.

1. De koopsom voor de lijfrente bedraagt eenhonderdenzeventig duizend gulden.

2. Verzekerde erkent de koopsom per heden schuldig aan verzekeraar en verklaart op zo kort mogelijke termijn tot voldoening van de schuld over te gaan.

De overeenkomst is door [naam] . en [gedaagde] ondertekend.

2.5.

Ruim een jaar later heeft [naam 2] bij brief van 14 juni 1984 aan de Inspecteur van de Belastingdienst onder meer bericht:

(…) De reden was, dat de heer [gedaagde] . op 23 februari 1983 met zijn [naam] een stamrechtovereenkomst heeft aangegaan, doch bij nader inzien de verplichting welke hij had aangegaan toch wel zwaar vond. Hij realiseerde zich, dat zijn stiefmoeder nog relatief jong is.

(…)

Op 12 juni heeft een uitgebreid beraad van alle betrokkenen plaatsgevonden ten kantore van notaris Verhoeks over deze zaak. Besloten is alles bij het oude te laten; alleen zal de stamrechtakte in die zin worden aangepast, dat de uitkering slechts aan het leven van de heer [naam] gebonden zal worden; bij zijn overlijden vervalt iedere verplichting voor de heer [gedaagde] . De overgang op de nog jonge echtgenote vervalt dus.

Een concept van de gewijzigde stamrechtakte is bijgevoegd. Zoals u ziet wordt de jaarlijkse uitkering – uiteraard – hoger.

Nu deze wijziging aan de (…) IB-claim geen enkele afbreuk doet (…), vertrouw ik erop dat U tegen deze wijziging in de stamrechtakte geen bezwaar hebt. Zoudt U zo vriendelijk willen zijn zulks te bevestigen?

(…)

Bijlage: - de op 25 febr. gesloten stamrechtovk.;

- de thans voorgestelde, gewijzigde stamrechtovk.

2.6.

De heer [naam 6] , oud commies van de Belastingdienst en bevriend met [gedaagde] en [naam] . (hierna: [naam 6] ), heeft bij brief van 1 oktober 1984 aan de Inspecteur van de Belastingdienst onder meer bericht:

Overeenkomstig Uw verzoek bij de bespreking i.z. nevenstaand onderwerp (liquidatie [naam] [gedaagde] , de rechtbank) op heden 1 oktober 1984 geef ik U namens de heren [gedaagde] de neerslag dier besprekingen weer.

De stamrechtovereenkomst dd. 25 febr. 1983 wordt ongewijzigd gevolgd. (…) Aan notaris Mr. H.G. Verhoeks zal verzocht worden een akte van schuldbekentenis op te maken, waarbij [naam] overeenkomstig de stamrechtovereenkomst erkent op 25 februari 1983 schuldig te zijn geworden aan [gedaagde] de som van f. 170.000,= (…)

(…)

Een afschrift dezes is gezonden aan de heren [gedaagde] , boekhouder en notaris.

2.7.

Bij brief van 1 november 1984 heeft notaris mr. H.G. Verhoeks (hierna: notaris Verhoeks) ‘conform het verzoek van de heer [naam 6] ’, onder meer een conceptschuldbekentenis aan de heren [gedaagde] doen toekomen, waarna deze akte op 22 november 1984 notarieel is verleden. In deze akte is onder meer vermeld:

De schuldenaar verklaarde als gevolg van novatie ener verplichting tot betaling van koopsom voor een overeengekomen stamrecht, in een schuld wegens geldlening op vijf en twintig februari negentienhonderd drie en tachtig ter leen te hebben ontvangen van en deswege schuldig te zijn aan de schuldeiser, , die verklaarde ter leen te hebben verstrekt aan en derhalve te vorderen te hebben van de schuldenaar de som van eenhonderd zeventig duizend gulden (f. 170.000,--); (…).

2.8.

De heer [naam 3] van AdBelCo B.V., destijds boekhouder van [naam] . (hierna: [naam 3] ), heeft bij brief van 20 december 1985 aan de heer [naam 4] , adviseur van [gedaagde] , onder meer bericht:

Op 25 februari 1983 werd door beide heren ( [gedaagde] , de rechtbank) een stamrechtovereenkomst ondertekend terzake van de realisatie van boekwinst bij de beëindiging van de praktijk van [naam] . (…)

Op 12 juni 1984 werd echter, op verzoek overigens van [gedaagde] , deze akte gewijzigd en het stamrecht alleen op het leven van [naam] . gezet in verband met de veel jongere leeftijd van zijn echtgenote.

2.9.

Bij brief van 23 januari 1996 heeft de heer A. van Suydam, inspecteur van de Belastingdienst (hierna: Van Suydam) aan [gedaagde] geschreven:

Op verzoek van [naam 4] zend ik u een kopie van de in 1984 gewijzigde stamrechtovereenkomst. Uit deze akte blijkt duidelijk dat de uitkering alleen aan het leven van [naam] is gebonden.

2.10.

[gedaagde] heeft de periodieke lijfrente betaald tot het moment van overlijden van zijn [naam] , [naam] ., op [datum] . Hierna is [gedaagde] met de betaling van lijfrente gestopt, stellende dat de uitkering alleen aan het leven van [naam] . was gebonden.

2.11.

De heer [naam 5] , die krachtens een machtiging van 26 april 1996 de financiële en stoffelijke belangen van [eiseres] behartigt, heeft naar aanleiding van een tussen partijen gerezen discussie over de vraag of de uitkering alleen aan het leven van [naam] . is gebonden of ook aan het leven van [eiseres] , op 27 september 1996 een gesprek gehad met Van Suydam.

2.12.

Van Suydam heeft, mede naar aanleiding van het gesprek met [naam 5] op 27 september 1996, in een (ongedateerd) schrijven aan [gedaagde] geschreven:

3 Afwikkeling stamrecht

Belastingplichtige ([gedaagde] , toevoeging rechtbank) heeft in 1983 de praktijk overgenomen van zijn [naam] (…) Volgens de op 25 februari 1983 opgemaakt en ondertekende stamrechtovereenkomst bedraagt de koopsom (…) Daarna is een uitgebreide correspondentie tussen betrokkenen (en ook de fiscus) op gang gekomen. Toen is onduidelijk gebleven of de verplichting die de heer [gedaagde] heeft aangegaan met zijn [naam] inzake de stamrechtovereenkomst nu op beide levens staat of uitsluitend op het leven van de [naam] .

De werkelijke problemen ontstaan in 1996. [naam] is op [datum] overleden. Belastingplichtige heeft toen de betaling (…) stopgezet, (...). Gevolg onenigheid in de familie.

Om uit de impasse te komen werd om het oordeel van de fiscus gevraagd. Dit Salomonsoordeel was ook na informatie van belastingplichtige en derden niet te geven. Wel bleek uit de jaarstukken, dat jaarlijks aan lijfrente is uitgekeerd f 9.850 zijnde het bedrag genoemd in de akte van 25 februari 1983 en gebaseerd op twee levens.

Uiteindelijk heeft de belastingplichtige zelf aangegeven, dat hij uitgaat van een stamrecht gebaseerd op twee levens. De in de jaarstukken t/m 1995 gevolgde gedragslijn ondergaat geen wijziging. De stamrechtverplichting valt dus niet vrij in 1996.

(…)

2.13.

Medio 1997 heeft [gedaagde] de betaling van lijfrente hervat tot juni 2012. Vanaf juni 2012 heeft, ondanks herhaalde verzoeken daartoe van [eiseres] , geen betaling van lijfrente door [gedaagde] aan [eiseres] meer plaatsgevonden.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[eiseres] vordert, na vermeerdering van eis, samengevat, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te verklaren voor recht dat de stamrechtovereenkomst van 25 februari 1983 rechtsgeldig is en [gedaagde] op grond van die overeenkomst gehouden is tot nakoming van diens periodieke betalingsverplichting aan [eiseres] zo lang [eiseres] in leven is, en voorts veroordeling van [gedaagde] tot betaling aan [eiseres] van de tot en met 30 juni 2014 onbetaald gelaten termijnen, zijnde € 9.359,25, alsmede de onbetaald gelaten termijn van 1 juli 2014 tot en met 31 december 2014, zijnde € 2.246,22, alsmede bij leven van [eiseres] de toekomstige periodieke termijnen, vermeerderd met wettelijke rente, buitengerechtelijke kosten, proceskosten en nakosten. Het bedrag van € 9.359,25 bestaat uit een bedrag van € 374,37 voor juni 2012 en vier maal € 2.246,22 voor de periode van 1 juli 2012 tot en met 30 juni 2014.

3.2.

[gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.3.

[gedaagde] vordert, samengevat, voor recht te verklaren dat:

primair

de (betalings-)verplichtingen uit de stamrechtovereenkomst zijn geëindigd met het overlijden van [naam] . per [datum] ,

subsidiair

de (betalings-)verplichtingen uit de stamrechtovereenkomst per 1 juni 2012, althans een door de rechtbank te bepalen datum, zijn geëindigd,

met veroordeling van [eiseres] tot betaling van de kosten van deze procedure.

3.4.

[eiseres] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie

4.1.

[gedaagde] voert allereerst aan dat alleen al vanwege de schending van artikel 21 Rv de vorderingen van [eiseres] zouden moeten worden afgewezen. Het is de rechtbank echter niet gebleken dat [eiseres] de in artikel 21 Rv neergelegde waarheidsplicht heeft geschonden. Voorts is uit de dagvaarding en de daarbij gevoegde producties het verweer van [gedaagde] voldoende duidelijk af te leiden en was het vervolgens aan [gedaagde] om dit verweer in de conclusie van antwoord nader toe te lichten en aan te vullen. De rechtbank deelt dan ook niet het standpunt van [gedaagde] dat [eiseres] de substantiëringsplicht van artikel 111 Rv heeft geschonden. Ten aanzien van het inhoudelijke verweer van [gedaagde] heeft het volgende te gelden.

4.2.

[gedaagde] stelt zich primair op het standpunt dat hij uit hoofde van een gewijzigde stamrechtovereenkomst van 12 juni 1984 geen betalingsverplichting meer jegens [eiseres] heeft na het overlijden van [naam]

4.3.

In de ondertekende stamrechtovereenkomst van 1983 is bepaald dat de lijfrente, na overlijden van [naam] ., dient te worden uitgekeerd aan zijn echtgenote, [eiseres] . Deze overeenkomst houdt derhalve een verplichting in van [gedaagde] jegens zijn [naam] maar ook jegens [eiseres] . [eiseres] betwist niet dat er een concept van een gewijzigde stamrechtovereenkomst bestaat maar aangenomen moet worden dat dit stuk nimmer door partijen is ondertekend, nu dit door [eiseres] stellig wordt betwist en [gedaagde] ter zitting desgevraagd heeft verklaard zich dit niet meer te kunnen herinneren. Uit de stukken blijkt genoegzaam dat het wijzigingsvoorstel afkomstig was van [gedaagde] die zich achteraf realiseerde dat hij een zware verplichting was aangegaan (zie 2.5). Volgens [eiseres] is haar echtgenoot nimmer akkoord gegaan met dit wijzigingsvoorstel en ontbreekt om die reden een ondertekende versie. Volgens [gedaagde] heeft zijn [naam] hier wel mee ingestemd.

4.4.

Conform de hoofdregel van artikel 150 Rv rust op [gedaagde] de bewijslast van zijn stelling dat op 12 juni 1984 een stamrechtovereenkomst tot stand is gekomen, waarbij de verplichtingen voortvloeiende uit de stamrechtovereenkomst uit 1983 zijn gewijzigd in die zin dat de stamrechtverplichting alleen nog zou gelden voor de duur van het leven van [naam] [gedaagde] beroept zich immers op het rechtsgevolg dat hij uit hoofde van die gewijzigde overeenkomst niet meer gehouden is tot betaling aan [eiseres] .

4.5.

Ter onderbouwing van zijn stelling heeft [gedaagde] zich beroepen op drie schriftelijke stukken.

  • -

    de brief van [naam 2] aan de Belastingdienst, gedateerd 14 juni 1984 (zie 2.5.);

  • -

    de brief van [naam 3] van 20 december 1985 aan de heer [naam 4] (zie 2.8.);

  • -

    de brief van de Belastingdienst (Suydam) aan [gedaagde] , gedateerd 23 januari 1996 (zie 2.12).

De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde] met de bovengenoemde stukken niet het vereiste bewijs van de instemming van [naam] . heeft geleverd. Uit de brief van 14 juni 1984 waarin [naam 2] aan de Inspecteur vraagt of hij bezwaar heeft tegen de voorgestelde wijziging, kan niet worden afgeleid dat hierover reeds definitief overeenstemming bestond. Voorts wijst de door [naam 6] op 1 oktober 1984 namens de heren [gedaagde] aan de Belastingdienst verzonden brief er juist op dat de slotsom van de besprekingen tussen de heren [gedaagde] is geweest dat de stamrechtovereenkomst uit 1983 ongewijzigd werd gevolgd. Gesteld noch gebleken is dat [gedaagde] , die een afschrift van deze brief heeft ontvangen, deze weergave van de bespreking van 1 oktober 1984 heeft betwist. Conform hetgeen volgens [naam 6] op 1 oktober 1984 is afgesproken, is vervolgens de verplichting tot betaling van de koopsom voor de lijfrente omgezet in een geldlening (zie 2.7).

4.6.

Hoewel Suydam er in januari 1996 kennelijk vanuit ging dat de concept-overeenkomst die aan hem was toegezonden definitief was geworden, heeft hij zijn standpunt nadien gecorrigeerd en volstaan met de constatering dat telkens in lijn met de stamrechtovereenkomst van 1983 was gehandeld (zie 2.12). De instemming van [gedaagde] sr. met wijzing van de stamrechtovereenkomst van 1983 kan evenmin worden afgeleid uit de brief van [naam 3] van 20 december 1985, nu deze brief niet van [naam] . afkomstig is en de boekhouder zijn mededeling, net als Suydam, kan hebben gebaseerd op de niet-ondertekende conceptstamrechtovereenkomst van 1984.

4.7.

Naast de eerdergenoemde brief van [naam 6] , zijn er meer aanwijzingen die het standpunt van [eiseres] dat de stamrechtovereenkomst van 1983 ongewijzigd van kracht is gebleven, ondersteunen. Een door [naam] . ondertekende gewijzigde overeenkomst ontbreekt, terwijl uit de stukken blijkt dat partijen zich door adviseurs lieten bijstaan en zij de weg naar notaris Verhoeks goed wisten te vinden. Blijkens de onder 2.7 genoemde notariële akte zijn partijen op 22 november 1984 wederom bij de notaris geweest in verband met de stamrechtovereenkomst maar in deze, door [gedaagde] , [naam] . en notaris Verhoeks ondertekende akte wordt geen melding gemaakt van een wijziging van de stamrechtovereenkomst in de periode tussen 25 februari 1983 en 22 november 1984. Nu de door [gedaagde] gestelde wijziging op het kantoor van notaris Verhoeks zou zijn besproken en overeengekomen op 12 juni 1983, had vermelding hiervan in de akte voor de hand gelegen.

4.8.

Ook is opvallend dat het jaarlijks uitbetaalde bedrag telkens het bedrag is gebleven dat is vermeld in de stamrechtovereenkomst van 1983, gebaseerd op twee levens, terwijl bij doorvoering van de door [gedaagde] voorgestelde wijziging een verhoging van de jaarlijkse uitkering aangewezen was geweest. [gedaagde] stelt dat de wijziging van de overeenkomst niet noodzakelijkerwijs een verhoging van de jaarlijkse uitkering had hoeven meebrengen maar blijkens de brief van [naam 2] van 14 juni 1984 (‘Zoals u ziet wordt de jaarlijkse uitkering – uiteraard – hoger‘), volgde uit de door [gedaagde] voorgestelde gewijzigde stamrechtovereenkomst in ieder geval wel een verhoging van de jaarlijkse uitkering.

4.9.

Van groot belang acht de rechtbank tenslotte dat ook de handelwijze van [gedaagde] na medio 1997 niet in overeenstemming is met zijn stelling dat de overeenkomst in 1984 zou zijn gewijzigd. Nadat [gedaagde] na het overlijden van zijn [naam] enige tijd was gestopt met betalen en hij hierop werd aangesproken door [eiseres] , heeft hij de betalingen hervat en gedurende 15 jaar gecontinueerd. Pas toen [gedaagde] als gevolg van zijn echtscheiding minder financiële armslag had, is hij gestopt met betalen en is de discussie weer begonnen. Doordat [gedaagde] de stamrechtovereenkomst van 1983 gedurende de periode tussen 1997 en mei 2012 feitelijk heeft uitgevoerd, heeft [eiseres] in beginsel hieruit kunnen en mogen afleiden dat [gedaagde] de betalingsverplichting aan [eiseres] erkende en erin berustte dat hij de stamrechtovereenkomst uit 1983 diende na te komen, behoudens in het geval uit zijn verklaringen het tegendeel moest worden afgeleid. Dit laatste is gesteld noch gebleken.

4.10.

Zoals uit het onder 2.12 genoemde schrijven van Suydam kan worden afgeleid, heeft [gedaagde] zelf aangegeven dat hij uit bleef gaan van een stamrecht gebaseerd op twee levens. [gedaagde] heeft ter zitting verklaard dat hij een einde wilde maken aan de ontstane discussie en omwille van de rust de betalingen heeft hervat, maar hij heeft niet gesteld en ook is niet gebleken dat hij zijn rechten uit de door hem gestelde gewijzigde overeenkomst heeft voorbehouden of heeft medegedeeld dat hij niet kon worden geacht te hebben erkend dat hij nog betalingsverplichtingen had jegens [eiseres] . Dat hij onder invloed van dwang van de zijde van [naam 5] en/of het kerkgenootschap waarvan zowel [eiseres] , [naam 5] als [gedaagde] lid van zijn (geweest) heeft gehandeld, is door [naam 5] ter zitting stellig betwist en door [gedaagde] niet, althans onvoldoende, onderbouwd. Er bestaat dan ook geen aanleiding om [gedaagde] toe te laten tot het leveren van bewijs van die gestelde dwang. Uit het voorgaande volgt dat [eiseres] door de hervatting van de betalingen en de continuering hiervan gedurende een periode van 15 jaar, gerechtvaardigd erop heeft mogen vertrouwen dat de discussie was gesloten en [gedaagde] erkende dat hij de ongewijzigde stamrechtovereenkomst van 1983 diende na te komen.

4.11.

De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat niet is komen vast te staan dat de stamrechtovereenkomst van 1983 in juni 1984 is gewijzigd in de door [gedaagde] gestelde zin. Weliswaar heeft er overleg tussen partijen plaatsgevonden over een wijziging maar dit is gevolgd door het door [gedaagde] gewekte vertrouwen dat hij zich neerlegde bij de ongewijzigde stamrechtovereenkomst van 1983. Feiten of omstandigheden die, indien bewezen, tot een andere uitkomst leiden, zijn gesteld noch gebleken noch (voldoende specifiek) te bewijzen aangeboden, zodat de rechtbank aan het bewijsaanbod van [gedaagde] voorbij gaat.

4.12.

Dan komt de rechtbank toe aan het verweer van [gedaagde] dat (voortzetting van) de stamrechtverplichting naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is en aldus op grond van artikel 6:248 BW althans artikel 6:2 BW, een en ander in het licht van artikel 3:12 BW geacht moet worden te zijn of worden beëindigd, althans het bedrag van de uitkering dient te worden gematigd.

4.13.

Uitgangspunt in het overeenkomstenrecht is dat overeenkomsten moeten worden nagekomen. De hiervoor genoemde artikelen maken het mogelijk de rechtsgevolgen van een overeenkomst te verruimen dan wel te beperken, indien en voor zover de rechtsgevolgen van de overeenkomst naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn. Volgens vaste jurisprudentie dient de rechter daarbij terughoudendheid te betrachten.

4.14.

Al met al rechtvaardigen de door [gedaagde] aangevoerde omstandigheden niet dat de rechtsgevolgen van de overeenkomst worden beperkt zoals [gedaagde] heeft gevorderd. Mede gelet op de hiervoor genoemde strenge maatstaf, is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde] hiertoe onvoldoende heeft gesteld. Zoals onder 4.11 reeds is overwogen, gaat de rechtbank er niet van uit dat [gedaagde] onder invloed van dwang van de zijde van [naam 5] en/of het kerkgenootschap heeft gehandeld. De omstandigheid dat het bedrag dat door [gedaagde] inmiddels in totaal aan lijfrente is betaald de koopsom voor de lijfrente overstijgt, is een omstandigheid die niet aan [eiseres] kan worden tegengeworpen. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting is voldoende komen vast te staan dat [gedaagde] en [naam] . zich bij de keuze van de onderhavige constructie van lijfrente door professionals hebben laten adviseren en bijstaan. De mogelijkheid om de belastingheffing over de winst bij de beëindiging van de tandartspraktijk door [naam] . te vermijden en het verminderen van betaling van successierecht door [gedaagde] bij overlijden van [naam] . hebben tot de keuze voor de onderhavige constructie van lijfrente geleid. Dat deze constructie er tevens toe kon leiden dat [gedaagde] nog geruime tijd gehouden zou zijn tot betaling van het overeengekomen bedrag, had [gedaagde] kunnen en moeten voorzien. Tenslotte kunnen ook de gestelde persoonlijke omstandigheden, waaronder de echtscheiding van [gedaagde] in 2011 en de daarmee gepaard gaande financiële consequenties, geen beroep op artikel 6:248 BW rechtvaardigen zodat ook dit verweer van [gedaagde] faalt.

4.15.

Op grond van het voorgaande zal de gevorderde verklaring voor recht dat de stamrechtovereenkomst d.d. 25 februari 1983 rechtsgeldig is en [gedaagde] op grond van die overeenkomst gehouden is tot nakoming van diens periodieke betalingsverplichting aan [eiseres] , worden toegewezen, evenals de gevorderde betaling van onbetaald gelaten termijnen van in totaal € 11.605,47 (€ 9.359,25 + € 2.246,22). De toekomstige periodieke termijnen bij leven van [eiseres] zullen niet worden toegewezen bij gebreke van belang omdat de verschuldigdheid hiervan volgt uit de toe te wijzen verklaring voor recht.

4.16.

[eiseres] vordert aan wettelijke rente een bedrag van € 430,24 voor de periode tot 1 oktober 2014, alsmede de na datum dagvaarding (13 oktober 2014) vervallen wettelijke rente over de hoofdsom. Deze rente zal worden toegewezen. Anders dan [gedaagde] heeft bepleit, was een ingebrekestelling niet nodig nu [gedaagde] bij niet tijdige betaling van de halfjaarlijkse termijnen op grond van artikel 6:83 aanhef en onder a BW van rechtswege in verzuim was.

4.17.

[gedaagde] heeft verweer gevoerd tegen de gevorderde betaling van buitengerechte-lijke kosten van € 997,33, stellende dat de gevoerde correspondentie niet door een professionele partij is gevoerd en niet zodanig veel kosten met zich heeft gebracht dat deze voor vergoeding in aanmerking komen. Wat hier ook van zij, de gevorderde kosten komen reeds niet voor vergoeding in aanmerking omdat gesteld noch gebleken is dat de in artikel 6:96 lid 6 BW voorgeschreven aanmaning, onder vermelding van de gevolgen van het uitblijven van betaling, is verstuurd aan [gedaagde] , die in deze niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf. Ondanks een aankondiging in de dagvaarding, zijn de gestelde aanmaningen van de raadsman van [eiseres] niet in het geding gebracht.

4.18.

[eiseres] heeft betaling van beslagkosten gevorderd. Deze vordering wordt als onvoldoende onderbouwd afgewezen aangezien [gedaagde] heeft betwist dat beslag is gelegd en [eiseres] geen beslagstukken heeft overgelegd. Ook het onder f. van het petitum gevorderde bedrag van € 84,00, te betalen binnen 14 dagen na datum vonnis, wordt afgewezen nu een grondslag voor dit bedrag ontbreekt. De gevorderde nakosten worden toegewezen op de wijze zoals hierna in het dictum wordt vermeld.

4.19.

[gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:

- dagvaarding € 95,77

- griffierecht 77,00

- salaris advocaat 904,00 (2,0 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 1.076,77

in reconventie

4.20.

[gedaagde] heeft gevorderd voor recht te verklaren dat de (betalings-)verplichtingen uit de stamrechtovereenkomst zijn geëindigd met het overlijden van [naam] ., dan wel per 1 juni 2012, met veroordeling van [eiseres] in de kosten van deze procedure.

4.21.

Gelet op de beslissing in conventie dat de stamrechtovereenkomst van 1983 ongewijzigd is gebleven (r.o. 4.11), alsmede de beslissing dat de gestelde omstandigheden onvoldoende aanleiding vormen om deze overeenkomst te beëindigen dan wel aan te passen (r.o. 4.14), zal deze reconventionele vordering worden afgewezen.

4.22.

De rechtbank zal [gedaagde] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van [eiseres] . De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op

€ 452,00 voor salaris advocaat (2 punten x factor 0,5 x tarief € 452,00) .

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

verklaart voor recht dat de stamrechtovereenkomst d.d. 25 februari 1983 rechtsgeldig is en dat [gedaagde] op grond van die overeenkomst is gehouden tot nakoming van diens periodieke betalingsverplichting aan [eiseres] , zo lang [eiseres] in leven is;

5.2.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiseres] van een bedrag van € 12.035,66 (twaalfduizendvijfendertig euro en zesenzestig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente over € 9.359,25 vanaf 13 oktober 2014, tot de dag van volledige voldoening, alsmede te vermeerderen met de wettelijke rente over € 22.46,22 vanaf 1 januari 2015 tot aan de dag van algehele voldoening;

5.3.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van [eiseres] , tot op heden begroot op € 1.076,77 en bepaalt dat [gedaagde] van dit bedrag het door [eiseres] betaalde griffierecht van € 77,00 en het salaris advocaat van € 904,00 moet betalen aan de advocaat van [eiseres] , en de explootkosten van € 95,77 aan de griffier van de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, door voldoening van de nota die het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak zal toesturen;

5.4.

veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagde] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak;

5.5.

verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af;

in reconventie

5.7.

wijst het gevorderde af;

5.8.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 452,00 en bepaalt dat [gedaagde] dit bedrag moet betalen aan de advocaat van [eiseres] ;

5.9.

verklaart dit vonnis in reconventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.S.T. Belt en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2015.