Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:5312

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
18-08-2015
Datum publicatie
18-08-2015
Zaaknummer
05/821610-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte is vrijgesproken van de onder 1 primair ten laste gelegde openlijke geweldpleging tegen personen. Verdachte is wel veroordeeld voor de onder 2 subsidiair ten laste gelegde mishandeling. Hij is verder veroordeeld voor een poging tot bedreiging van zijn dochter. Hij is veroordeeld tot een werkstraf van 30 uren subsidiair 15 dagen met aftrek van de tijd die door verdachte in verzekering is doorgebracht. Daarnaast moet hij ten aanzien van feit 1 aangeefster een schadevergoeding van 100 euro betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer : 05/821610-13

Datum uitspraak : 18 augustus 2015

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1960 te [geboorteplaats] (Nieuw-Zeeland), wonende te [adres 1] ,

[woonplaats] .

raadsman: mr. P. Buikes, advocaat te Apeldoorn.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 4 augustus 2015.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na een door de rechtbank toegewezen vordering wijziging tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 15 april 2013 te Zutphen met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, Bagijnenland, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] , welk geweld bestond uit meermalen, althans eenmaal, duwen en/of slaan en/of stompen en/of krabben en/of aan de haren trekken en/of en/of schoppen en/of trappen en/of met een mes steken/snijden in het hoofd en/of (boven)lichaam van die [slachtoffer 1] ;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 15 april 2013 te Zutphen tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 1] ) meermalen, althans eenmaal, heeft geduwd en/of geslagen en/of gestompt en/of gekrabt en/of aan de haren getrokken en/of geschopt en/of getrapt, waardoor die [slachtoffer 1] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2.

hij op of omstreeks 15 april 2013 te Zutphen ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om zijn dochter [slachtoffer 2] te bedreigen met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, opzettelijk dreigend tegen de opsporingsambtena(a)r(en) [verbalisant 1] en/of [betrokkene 1] heeft gezegd: "Ze moet het maar via een advocaat regelen, anders heb ik wel een 9 millimeter", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs1

De feiten

Op maandag 15 april 2013 omstreeks 21:30 uur werden verbalisanten voor een bemiddeling gezonden naar de [adres 1] in Zutphen. [betrokkene 2] had verzocht om bemiddeling in verband met problemen met haar vader, verdachte. De bemiddeling slaagde niet.

Vervolgens kregen verbalisanten op diezelfde avond, omstreeks 22:15 uur de opdracht naar een woning, gelegen aan de [adres 2] te Zutphen te gaan, omdat er een vrouw zou zijn neergestoken. De personen die daarbij betrokken zouden zijn, waren weggereden in een auto. Nabij laatstgenoemd adres werden vervolgens verdachte en medeverdachte [medeverdachte] aangehouden in de auto van [medeverdachte] .

Aanleiding onderzoek

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde feit. De officier van justitie heeft zich ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit op het standpunt gesteld dat ook dat feit, een poging tot bedreiging, kan worden bewezen. Ter terechtzitting heeft de officier van justitie de bewijsmiddelen opgesomd en toegelicht, een en ander zoals verwoord in het door haar overgelegde schriftelijk requisitoir.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de onder 1 primair ten laste gelegde openlijke geweldpleging. Hij heeft wel aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde “schoppen” en “trappen” en “met een mes steken/snijden in het hoofd en/of (boven)lichaam van die [slachtoffer 1] ”. Ten aanzien van het mes heeft de raadsman betoogd dat niet is komen vast te staan van wie het mes is, wie het heeft vastgepakt en of ermee is gestoken. In dat verband is aangevoerd dat niet duidelijk is geworden hoe de verwondingen van aangeefster [slachtoffer 1] zijn ontstaan. In het dossier bevinden zich geen aanknopingspunten voor het oordeel dat er door verdachte is gestoken met een mes. Niemand heeft gezien dat er (opzettelijk) met een mes is gestoken.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 2 tenlastegelegde nu zich in het dossier geen aangifte van [slachtoffer 2] bevindt en het duidelijk is dat verdachte de door hem geuite bewoordingen nooit zou uitvoeren, al was het maar omdat hij niet weet hoe hij zou kunnen beschikken over een dergelijk wapen.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank gaat uit van het volgende.

Aangeefster [slachtoffer 1] heeft in haar aangifte - zakelijk weergegeven - verklaard dat zij op 15 april 2013 in haar woning aan de [adres 2] te Zutphen was. Haar zoon, [betrokkene 3] , en haar dochter, [betrokkene 2] , waren ook aanwezig in de woning. Omstreeks 22:00 uur stonden haar ex-echtgenoot, verdachte, en medeverdachte [medeverdachte] , de vriendin van verdachte, voor de portiek. Aangeefster liep de trappen van de portiek af, liep de straat op, en zag dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte] op haar af kwamen lopen. Zij zag dat ze beiden zeer opgefokt en agressief waren. Voordat zij wist wat er gebeurde, sloegen en schopten zij haar. Aangeefster viel op de grond en zij bleven toen schoppen en slaan. Dat deed enorm pijn. Zij voelde en zag dat medeverdachte [medeverdachte] haar keel dichtkneep. Verdachte bleef schoppen. Aangeefster werd over haar hele lichaam geraakt, behalve op haar hoofd. Zij hoorde verdachte roepen ‘je moet dood’.

Op dat moment zag zij dat er een mes naast haar op de grond lag, rechts van haar op de stoep

bij de perkjes. Aangeefster pakte dat mes vast en medeverdachte [medeverdachte] pakte het van aangeefster af. Aangeefster zag dat ze met het mes in haar richting stak, zij zag dat [medeverdachte] meerdere steekbewegingen maakte in haar richting, ze stak ermee met kracht in haar linkerslaap, hoofd en bovenlichaam. Op enig moment kon aangeefster loskomen. Medeverdachte [medeverdachte] en verdachte liepen vervolgens naar de auto van [medeverdachte] en reden weg. Aangeefster heeft letsel opgelopen bestaande uit twee hechtingen in haar gezicht en meerdere steekwondjes op haar lichaam.2

Medeverdachte [medeverdachte] heeft bij de politie het volgende verklaard, zakelijk weergegeven. Zij mishandelde aangeefster op 15 april 2013, maar aangeefster mishandelde haar ook.3 [betrokkene 2] kwam naar buiten, daarna aangeefster en twintig seconden later [betrokkene 3] , die een keukenmes in zijn handen had. Op een gegeven moment bloedde verdachte en het mes viel op de grond. Medeverdachte [medeverdachte] ging erop staan, schopte het mes weg en daarna pakte zij het op en liep naar het perkje, waar zij het mes in de aarde stak.4 Op enig moment kwam aangeefster naar haar toe, waarop medeverdachte [medeverdachte] haar wegduwde. Medeverdachte [medeverdachte] kreeg een behoorlijke klap van aangeefster in het gezicht. Toen ontstond er ruzie en grepen zij elkaar. Medeverdachte [medeverdachte] had aangeefster goed vast.5 Zij ging met haar nagels over het gezicht van aangeefster en trok ook aan haar haren. Medeverdachte [medeverdachte] lag bovenop aangeefster. Zij deden elkaar pijn.6 Verdachte trok hen van elkaar af. Medeverdachte [medeverdachte] pakte het mes uit de tuin en gaf het aan verdachte met de mededeling dat hij het mes in de auto moest leggen.7

Verdachte heeft bij de politie het volgende verklaard, zakelijk weergegeven. Op 15 april 2013 ging hij naar de woning van zijn ex-echtgenote, [slachtoffer 1] . [slachtoffer 1] had een mes in haar hand gericht op verdachte en zij stak hem. Verdachte werd geraakt in zijn linkerpols aan de binnenkant. Verdachte pakte de hand van aangeefster en haalde het mes uit haar hand. [slachtoffer 1] liet het mes vallen en verdachte schopte het weg. Toen heeft hij aangeefster met de vuist geslagen. Hij heeft haar met zijn linkervuist op haar hoofd geraakt. Daarna hebben aangeefster en medeverdachte [medeverdachte] gevochten. Volgens verdachte heeft [betrokkene 3] hem niet met een mes gestoken, hij heeft geen mes bij [betrokkene 3] gezien.8

[betrokkene 2] heeft bij de politie verklaard dat medeverdachte [medeverdachte] een mes vast had toen ze bovenop aangeefster lag en dat [medeverdachte] zeker wel vijf steekbewegingen maakte.9

De getuigen [getuige 1] , [getuige 2] , [getuige 3] , [getuige 4] , [getuige 5] en [getuige 6] verklaren over twee vrouwen die met elkaar in gevecht raakten. [getuige 4] verklaart dat de man die erbij stond eigenlijk niets deed toen de twee vrouwen met elkaar aan het vechten waren.

De rechtbank stelt vast dat de bovengenoemde verklaringen elkaar tegenspreken over de vraag wie het mes of de messen heeft meegebracht en wie het mes of de messen heeft gebruikt. Naar het oordeel van de rechtbank passen de snijdwonden van aangeefster niet bij haar verklaring dat de medeverdachte [medeverdachte] haar met kracht in haar linkerslaap, bovenlichaam en hoofd heeft gestoken. Gelet hierop en op de hiervoor weergegeven verklaringen heeft de rechtbank niet de overtuiging dat verdachte samen met medeverdachte [medeverdachte] openlijk geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] . De rechtbank acht wel bewezen dat verdachte geweld heeft gebruikt tegen [slachtoffer 1] (zij het dat gebruik van een mes daarbij, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen niet bewezen kan worden), maar niet dat hij dit samen met medeverdachte [medeverdachte] heeft gedaan zoals primair is tenlastegelegd. Naar het oordeel van de rechtbank zijn verdachte en medeverdachte [medeverdachte] ieder afzonderlijk en op verschillende momenten de confrontatie aangegaan met aangeefster [slachtoffer 1] . Verdachte dient dan ook te worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde.

Gelet op de aangifte en de bekennende verklaring van verdachte acht de rechtbank de subsidiair ten laste gelegde mishandeling wel bewezen. Verdachte heeft verklaard dat hij [slachtoffer 1] met zijn linkervuist op haar hoofd heeft geslagen. De rechtbank zal verdachte vrijspreken van de overige ten laste gelegde geweldshandelingen nu hij dit ten stelligste heeft ontkend en de verklaringen in het dossier elkaar daarover tegenspreken en de onafhankelijke getuigen geen geweldshandelingen van verdachte hebben gezien.

Ten aanzien van de onder 2 ten laste gelegde poging tot bedreiging overweegt de rechtbank het volgende.

Verbalisanten hebben in de processen-verbaal van bevindingen gerelateerd dat verdachte op 15 april 2013 in zijn woning aan de [adres 1] in Zutphen tegen verbalisanten heeft gezegd dat zijn dochter, [betrokkene 2] , maar een advocaat moest nemen om haar spullen uit de woning te krijgen. Verbalisanten hoorden hem nog zeggen “anders heb ik wel een 9 mm”.10

Naar het oordeel van de rechtbank levert de zinsnede “anders heb ik wel een 9 mm” een begin van uitvoering op van bedreiging van [betrokkene 2] nu het naar zijn uiterlijke verschijningsvorm gericht is op voltooiing van dat misdrijf. Het verweer van de raadsman dat verdachte niet weet hoe hij over een wapen zou kunnen beschikken, slaagt niet. Of verdachte al dan niet over een wapen zou kunnen beschikken doet niets af aan de vrees die de door verdachte gedane uitlatingen zou kunnen aanjagen bij de bedreigde.

De rechtbank acht gelet op de bevindingen van de verbalisanten een poging tot bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht wettig en overtuigend bewezen.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

Subsidiair

hij op of omstreeks 15 april 2013 te Zutphen tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 1] ) meermalen, althans eenmaal, heeft geduwd en/of geslagen en/of gestompt en/of gekrabt en/of aan de haren getrokken en/of geschopt en/of getrapt, waardoor die [slachtoffer 1] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2.

hij op of omstreeks 15 april 2013 te Zutphen ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om zijn dochter [slachtoffer 2] te bedreigen met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, opzettelijk dreigend tegen de opsporingsambtena(a)r(en) [verbalisant 1] en/of [betrokkene 1] heeft gezegd: "Ze moet het maar via een advocaat regelen, anders heb ik wel een 9 millimeter", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1 primair:

Mishandeling

Ten aanzien van feit 2:

Poging tot bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

5 De strafbaarheid van het feit

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van noodweer nu verdachte heeft verklaard dat hij [slachtoffer 1] heeft geslagen nadat het mes al op de grond was gevallen.

Voor zover de raadsman een beroep heeft gedaan op noodweer overweegt de rechtbank het volgende.

Voor een geslaagd beroep op noodweer is nodig dat aannemelijk wordt dat verdachte heeft gehandeld zoals hij heeft gedaan omdat dat geboden was door de noodzakelijke verdediging van zijn lijf tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding en dat dit handelen voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. De rechtbank overweegt verder dat een beroep op noodweer niet kan worden aanvaard ingeval de gedraging van degene die zich op deze exceptie beroept, noch op grond van diens bedoeling, noch op grond van de uiterlijke verschijningsvorm van de gedraging, kan worden aangemerkt als verdedigend, maar - naar de kern bezien - als aanvallend, bijvoorbeeld gericht op een confrontatie of deelneming aan een gevecht (zie ook Hoge Raad 8 juni 2010, NJ 2010, 339).

Uit de inhoud van het procesdossier en uit het onderzoek ter terechtzitting kan worden afgeleid dat verdachte aangeefster met zijn linkervuist op het hoofd heeft geslagen/gestompt, nadat - volgens eigen zeggen - het mes op de grond was gevallen.

De rechtbank is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat verdachte zodanig in het nauw werd gedreven dat het uitgeoefende geweld richting aangeefster was gerechtvaardigd. Op het moment dat het mes op de grond was gevallen, was er geen sprake meer van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanval van [slachtoffer 1] waartegen verdediging noodzakelijk was.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat verdachte het bewezen verklaarde feit niet in een noodweersituatie heeft gepleegd.

Verdachte is strafbaar nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met als bijzondere voorwaarde een contactverbod met [slachtoffer 1] en [betrokkene 2] en voorts tot het verrichten van 100 uren werkstraf, te vervangen door 50 dagen hechtenis met aftrek van de tijd in verzekering doorgebracht.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen voorwaardelijke gevangenisstraf dient te worden opgelegd en dat de geëiste duur van werkstraf tot de helft dient te worden gematigd. De raadsman heeft in dit verband aangevoerd dat verdachte suikerziekte en hartklachten heeft.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 1 juli 2015;

- een voorlichtingsrapportage van de reclassering, gedateerd 29 januari 2015.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling van [slachtoffer 1] . Het gevoel van veiligheid van aangeefster is door verdachtes toedoen ernstig geschaad. Verdachte is samen met medeverdachte [medeverdachte] naar de woning van [slachtoffer 1] gereden waar het tot een confrontatie is gekomen tussen verdachte en [slachtoffer 1] . Het gebeurde heeft plaatsgevonden op de openbare weg, voor de woning van [slachtoffer 1] , en daarvan zijn meerdere personen getuige geweest. Het gaat om een geweldsdelict dat een voor de rechtsorde schokkend karakter heeft en dat leidt tot gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving. Daarnaast heeft verdachte een poging tot bedreiging gepleegd.

In het reclasseringsrapport is de kans op herhaling als laag ingeschat. Verdachte heeft na het incident het contact met zijn ex en kinderen verbroken. Ook heeft hij zich gemeld bij GGNet. De hele situatie was hem oven het hoofd gegroeid en hij deed een aantal suïcidepogingen. Hij werd begeleid door GGNet totdat hij werd overgedragen aan Trajectum. Sinds december 2014 wordt hij ambulant begeleid door Trajectum en dit verloopt goed. De reclassering adviseert de zaak af te doen zonder verplicht reclasseringscontact.

Alles overwegende acht de rechtbank een werkstraf voor de duur van 30 uren te vervangen door 15 dagen hechtenis, met aftrek van de tijd die door verdachte in verzekering is doorgebracht passend en geboden. De rechtbank komt daartoe mede gelet op het tijdsverloop in deze zaak, de proceshouding van verdachte, en het feit dat verdachte geen relevante justitiële documentatie heeft en sinds het ten laste gelegde feit niet opnieuw strafbare feiten heeft gepleegd. De rechtbank legt verdachte een werkstraf van kortere duur op dan medeverdachte [medeverdachte] nu er bij verdachte minder geweldshandelingen tegen [slachtoffer 1] bewezen worden verklaard dan bij medeverdachte [medeverdachte] . De rechtbank ziet geen aanleiding om een contactverbod zoals door de officier van justitie is verzocht, op leggen vanwege het tijdsverloop en omdat ter terechtzitting is gebleken dat er geen enkel contact meer is met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] .

7a. De beoordeling van de civiele vordering, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde feit. Gevorderd wordt een bedrag van € 957,84 (aan materiële schade) en € 600,- (immateriële schade), te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toe te wijzen tot het totaalbedrag van € 1.207,84 (kleding, laarzen en immateriële schade), te vermeerderen me de wettelijke rente, waarbij tevens de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 22 dagen hechtenis. Voor het overige heeft de officier van justitie verzocht dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de vordering.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering ten aanzien van de materiële schade moet worden afgewezen nu dit deel van vordering niet is onderbouwd. Ten aanzien van de immateriële schade stelt de raadsman zich op het standpunt dat de vordering voor dat deel moet worden gematigd en dat bovendien rekening moet worden gehouden met de eigen schuld van de benadeelde partij. De raadsman heeft aangevoerd dat een schuldverdeling van 50% dient plaats te vinden.

Beoordeling door de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het subsidiair bewezen verklaarde handelen tot na te melden bedrag schade heeft geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is.

Ten aanzien van de materiële schade overweegt de rechtbank het volgende. De benadeelde partij heeft de kosten van de bebloede kleding, bebloede schoenen en een bebloed sieraad opgevoerd. Deze bloedende wonden zijn niet ontstaan door de mishandeling door verdachte, maar door een mes. Nu het steken/snijden met een mes in het hoofd dan wel lichaam van de benadeelde partij door de rechtbank niet bewezen is verklaard, is er geen sprake van een causaal verband tussen de schade en het bewezenverklaarde feit. Hetzelfde geldt voor het eigen risico van de ziektekostenverzekering in verband met de kosten van vervoer van benadeelde partij per ambulance. Ook deze kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking nu van een causaal verband tussen het bewezenverklaarde en de bloedende wonden en de daarvoor vereiste behandeling in en vervoer naar het ziekenhuis niet is gebleken.

Ten aanzien van de immateriële schade overweegt de rechtbank het volgende. De door de benadeelde partij verzochte schadevergoeding dient te worden gematigd in die zin dat de benadeelde partij diezelfde dag, omstreeks het zelfde tijdstip, is mishandeld door medeverdachte [medeverdachte] die ook aansprakelijk is voor een deel van de immateriële schade. Gelet op door verdachte gepleegde geweldshandeling stelt de rechtbank het door verdachte te vergoeden bedrag aan immateriële schade vast op € 100,-. Daarbij overweegt de rechtbank dat op grond van de beschikbare bewijsmiddelen niet kan worden uitgesloten dat ook de benadeelde partij in enige mate aan het ontstaan en de escalatie van het conflict heeft bijgedragen.

Wat betreft het meer of anders gevorderde zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard worden in haar vordering, nu de behandeling van dat deel van de vordering naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van het toe te wijzen bedrag ten behoeve van genoemde benadeelde partij.

De gevorderde en toegewezen rente/vergoeding voor proceskosten, zijn daar niet bij inbegrepen.

De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar vanaf 15 april 2013.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 22c, 22d, 24c, 27, 36f, 45, 57, 285 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

9. De beslissing

De rechtbank:

 Spreekt verdachte vrij van het onder 1 primair ten laste gelegde feit;

 verklaart bewezen dat verdachte de overige tenlastegelegde feiten, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een werkstraf gedurende 30 (dertig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 15 (vijftien) dagen;

 beveelt dat voor de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van de werkstraf in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf uren in mindering worden gebracht volgens de maatstaf dat per dag in verzekering doorgebracht 2 uur in mindering wordt gebracht;

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] .

  • -

    veroordeelt verdachte ten aanzien van het subsidiaire bewezen verklaarde feit tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 1], van een bedrag van € 100,- (honderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 april 2013 tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering;

  • -

    legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 1] een bedrag te betalen van € 100,- (honderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 april 2013 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom twee dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

 bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit vonnis is gegeven door mr. Pastoors (voorzitter), mr. E.G. de Jong en mr. Van Apeldoorn rechters, in tegenwoordigheid van mr. Buitenhuis, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 18 augustus 2015.

Mr. Van Apeldoorn is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , respectievelijk hoofdagent en brigadier van de politie Oost Nederland, district Noord- en Oost Gelderland, recherche team IJsselstreek, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL2013048867 en 213048865, gesloten op 26 juni 2013 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] , p. 115 en 116.

3 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 59.

4 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 64.

5 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 65.

6 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 77.

7 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 65.

8 Proces-verbaal van verhoor va medeverdachte [verdachte] , p. 29.

9 Proces-verbaal van verhoor getuige, p. 185.

10 Proces-verbaal van bevindingen van 16 april 2013, p. 129 en proces-verbaal van bevindingen van 16 april 2013, p. 133.