Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:5307

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
20-05-2015
Datum publicatie
28-03-2017
Zaaknummer
269951
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzetzaak

Op naam van de eiser is een onderneming ingeschreven bij de kamer van koophandel.

Gedaagde is bij verstek veroordeeld tot betaling van naheffing van de belastingdienst aan eiser. Eiser had daartoe gesteld dat gedaagde feitelijk beleidsbepaler was en dan de onderneming allen op naam va eiser stond. In deze verstekzaak komt echt niet vast te staan dat gedaagde beleidsbepaler was van de onderneming die op naam staat van eiser.

Het verstekvonnis wordt om die reden vernietigd en de vordering van eiser alsnog afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/1600
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/269951 / HA ZA 14-492 / 167/97

Vonnis in verzet van 20 mei 2015

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

gedaagde in het verzet,

advocaat mr. J.S. Wurfbain te Ede,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

eiser in het verzet,

advocaat voorheen mr. G.J. Westerhuis, thans mr. D.H.P. Cornelese te Veenendaal.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 24 september 2014

- de brief van [eiser] aan de rechtbank d.d. 17 oktober 2014 met bijlagen

- de brief van [gedaagde] aan de rechtbank van 22 oktober 2014 met bijlagen

- het proces-verbaal van comparitie van 23 oktober 2014

- de aktes van beide partijen.

1.2.

Daarna is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde] is de stiefvader van [eiser] .

2.2.

Blijkens een “volledig uittreksel van de gegevens van een onderneming natuurlijk persoon” uit de Kruispuntbank van Ondernemingen in [buitenland] , is per 27 oktober 2008 onder de naam [bedrijf] ” ingeschreven de onderneming (eenmanszaak) van [gedaagde] , gevestigd op het adres [adres] te [woonplaats] , [buitenland] . Deze onderneming houdt zich volgens het uittreksel bezig met de verhuur van medisch en paramedisch materiaal en van “overige roerende goederen voor persoonlijk of huishoudelijk gebruik n.e.g.” en met de kleinhandel in prothesen en invalidenwagens.

2.3.

Op enig moment in (het najaar van) 2008 is in de kamer van koophandel onder de naam [bedrijf] ” ingeschreven de onderneming (eenmanszaak) van [eiser] , gevestigd op het adres [adres] te [woonplaats] . De branchecode is 6625 en betreft de handel in motorfietsen.

2.4.

In de periode van 2008 tot en met 2010 zijn door de onder 2.3 bedoelde onderneming van [eiser] kwartaalaangiften omzetbelasting gedaan, waarbij “voorbelasting” is teruggevraagd. Naar aanleiding daarvan zijn door de belastingdienst bedragen aan deze onderneming betaald van € 1.400,-- over 2008, € 13.850,-- over 2009 en € 9.550,-- over 2010. Die bedragen zijn gestort op het bankrekeningnummer [rekeningnummer] ten name van [eiser] . In totaal gaat het om een bedrag van € 24.800,--.

2.5.

In 2012 heeft de belastingdienst “Randmeren/kantoor Apeldoorn” een boekenonderzoek ingesteld bij [eiser] . Daarvan is een rapport opgemaakt dat is gedateerd 12 maart 2012. Het rapport bevindt zich bij de stukken. De conclusie daarvan is, zakelijk weergegeven, dat door (de eenmanszaak van) [eiser] tot een bedrag van in totaal € 24.800,-- ten onrechte omzetbelasting is teruggevraagd en dat daarom een naheffingsaanslag omzetbelasting aan [eiser] zal worden opgelegd.

2.6.

Op basis van de bevindingen van het boekenonderzoek heeft de belastingdienst op 27 april 2012 een naheffingsaanslag omzetbelasting (over het tijdvak 01-08-2008 t/m 31-12-2010) aan [eiser] opgelegd van in hoofdsom € 24.800,--. Vermeerderd met een tevens opgelegde boete van 50% en heffingsrente komt de aanslag uit op een totaalbedrag van € 38.514,--.

2.7.

Nadat [gedaagde] op 23 augustus 2012 namens [eiser] bezwaar had gemaakt tegen de onder 2.6 bedoelde aanslag zijn er voorstellen gedaan door belastingdienst, die niet door [eiser] zijn of konden worden geaccepteerd. Uiteindelijk heeft de belastingdienst op 13 juni 2013 op grond van de Invorderingswet 1990 een dwangbevel tegen [eiser] uitgevaardigd tot een bedrag van € 41.005,-- (het onder 2.6 genoemde totaalbedrag, verminderd met een betaling/kwijtschelding van € 103,-- en vermeerderd met de kosten van het dwangbevel ad € 2.594,--).

2.8.

Op 19 december 2014 heeft P.A. van de Haar namens de belastingdienst aan de advocaat van [eiser] geschreven:

“Ik ben in beginsel bereid mijn voorstel van oktober 2012 opnieuw te doen en daar ambtshalve invulling aan te geven. (…)

Als hij ( [eiser] ; de rechtbank) wel over financiële middelen beschikt dan kan er een vaststellingsovereenkomst gemaakt worden (…). Als uw cliënt € 10.000 betaalt, verminder ik de aanslag naar dat bedrag en is daarmee de over de betreffende periode verschuldigde btw betaald”.

Tot op heden is het niet tot een vaststellingovereenkomst tussen de belastingdienst en [eiser] gekomen.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] heeft in de verstekprocedure gevorderd [gedaagde] te veroordelen aan hem te betalen een bedrag van € 41.108,--, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 21 januari 2014 en met de buitengerechtelijke kosten ad € 847,--, met veroordeling van [gedaagde] voorts in de proceskosten en in de nakosten.

3.2.

[eiser] heeft aan die vordering ten grondslag gelegd dat [gedaagde] onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld. Hij heeft daarvoor het volgende gesteld.

In 2008 heeft [gedaagde] [eiser] verzocht zijn naam en adres ter beschikking te stellen voor het oprichten van een eenmanszaak. [eiser] zou zich laten inschrijven onder de naam [bedrijf] ”. [eiser] zou [gedaagde] daarmee de gelegenheid geven om onder deze handelsnaam een bedrijf te exploiteren op het gebied van in- en verkoop van onder meer scootmobielen. [eiser] heeft dat verzoek ingewilligd. De eenmanszaak stond dus wel op zijn naam, maar [eiser] was feitelijk niet betrokken bij hetgeen in de onderneming gebeurde. [gedaagde] deed ook de boekhouding en de inkopen, [eiser] was daarbij evenmin betrokken. Uit het rapport van de belastingdienst van 12 maart 2012 blijkt ook dat [gedaagde] de feitelijke beleidsbepaler van [bedrijf] was en dat hij in de periode van 2008 t/m 2010 op naam van de eenmanszaak van [eiser] kwartaalaangiftes omzetbelasting heeft gedaan, waarbij ten onrechte voorbelasting is teruggevraagd. De bij het onderzoek aangetroffen facturen op grond waarvan de voorbelasting is teruggevraagd zijn vermoedelijk valselijk door [gedaagde] opgemaakt. Daarnaast blijkt dat de door [gedaagde] voor [bedrijf] gevoerde administratie niet aan de daaraan te stellen eisen voldoet. Als gevolg van dit onrechtmatig handelen heeft [eiser] schade geleden. De belastingdienst heeft immers aan [eiser] een naheffingsaanslag met een boete opgelegd, terwijl de door de belastingdienst op de aangiftes betaalde voorheffingen ten goede zijn gekomen aan [gedaagde] . Deze bedragen zijn weliswaar gestort op het hiervoor onder 2.4 genoemde bankrekeningnummer ten name van [eiser] , maar [eiser] heeft die bedragen van zijn rekening opgenomen en contant overhandigd aan [gedaagde] .

3.3.

Bij het verstekvonnis van deze rechtbank van 6 augustus 2014 zijn de vorderingen van [eiser] integraal toegewezen en is [gedaagde] veroordeeld in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot de dag van de uitspraak begroot op in totaal € 1.066,77.

3.4.

[gedaagde] vordert in het verzet dat het verstekvonnis wordt vernietigd en dat de vorderingen van [eiser] alsnog worden afgewezen. Hij heeft opgeworpen dat hij zich nooit met de onderneming van [eiser] heeft beziggehouden. [eiser] dreef zijn eenmanszaak volledig zelfstandig en [eiser] heeft ook zelf de aangiftes omzetbelasting gedaan. [gedaagde] heeft alleen, op het moment dat het boekenonderzoek bij [eiser] speelde, op diens verzoek de communicatie met de belastingdienst gevoerd. [gedaagde] had zijn eigen eenmanszaak, [bedrijf] [buitenland] . Omdat [eiser] zag dat deze zaak goed liep, is hij zelf (in Nederland) een eigen gelijksoortige zaak begonnen.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

Het verzet is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat [gedaagde] in zoverre in zijn verzet kan worden ontvangen.

4.2.

[eiser] heeft, ter staving van zijn stellingen, in hoofdzaak verwezen naar het hiervoor onder 2.5. genoemde rapport van de belastingdienst van 12 maart 2012 (hierna te noemen: het rapport). Daarover wordt het volgende overwogen.

4.3.

Dat [gedaagde] de feitelijke beleidsbepaler was binnen de onderneming van [eiser] valt in het rapport niet te lezen. Hooguit zou daaruit kunnen worden afgeleid dat de administratie van de eenmanszaak van [eiser] bij [gedaagde] lag, maar dat betekent nog niet dat hij ook het beleid van de onderneming bepaalde. In het rapport staat verder dat er op 30 november 2011 een reactie bij de belastingdienst is binnengekomen van [eiser] naar aanleiding van het voornemen van de belastingdienst een boekenonderzoek in te stellen. Dat die reactie is opgesteld door een ander dan [eiser] is gesteld noch gebleken. Bij die reactie waren een aantal bijlagen (facturen) gevoegd. Over de overgelegde inkoopfacturen (hoofdzakelijk van ROC Eindhoven) staat in het rapport het volgende:

“Volgens bovenstaand overzicht is door ROC Eindhoven zes keer een factuur uitgereikt aan [bedrijf] . Ik heb bij ROC Eindhoven een derdenonderzoek ingesteld. Ik heb een aantal vragen gesteld en ik heb de facturen opgevraagd die zijn uitgereikt aan belastingplichtige. Tijdens dit onderzoek heb ik het volgende vastgesteld:

ROC Eindhoven is een onderdeel van Welzorg.

ROC heeft nooit contact gehad met de heer [eiser] .

In de administratie zitten wel vervoerverklaringen op naam van [bedrijf] . Deze [bedrijf] heeft een [buitenlands] btw-nummer. Contactpersoon was de heer [gedaagde] . Dit is de vader van [eiser] .

De facturen met de factuur-/ordernummers 5634, 6565, 5965, 5434, 5424 en 5234 die in de administratie van ROC zitten betreffen facturen die niet gericht zijn aan [bedrijf] maar aan derde. In de administratie van ROC zitten dan ook geen facturen die zijn uitgereikt aan [bedrijf] te [woonplaats] .

(…)

De door de belastingplichtige overgelegde facturen zijn dan ook vermoedelijk valselijk opgemaakt”.

Voor zover [eiser] heeft bedoeld te stellen dat daaruit volgt dat [gedaagde] de feitelijke beleidsbepaler was kan dat zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet worden aangenomen. Daarbij speelt mee dat [gedaagde] tijdens de comparitie onweersproken heeft gesteld dat hij een eigen eenmanszaak drijft (of in die periode dreef) onder de naam [bedrijf] in [buitenland] . Dat dat zo is blijkt uit het door [gedaagde] overgelegde, hiervoor onder 2.2. genoemde uittreksel uit de Kruispuntbank en ook uit de door [gedaagde] (als productie 8) overgelegde onweersproken “kasfacturen” van Welzorg van 2 september 2010. Uit de door [eiser] (als productie 6) overgelegde brief van Welzorg aan de belastingdienst d.d. 17 februari 2012, geschreven naar aanleiding van een informatieverzoek van de belastingdienst, volgt bovendien dat de verkopen van ROC Eindhoven/Welzorg aan [bedrijf] “allemaal kasverkopen zijn geweest en alle aan de Belgische onderneming”. Aangenomen moet dus worden dat de hiervoor bedoelde facturen van ROC Eindhoven betrekking hebben op de Belgische onderneming van [gedaagde] en niet op de eenmanszaak van [eiser] . Dat [gedaagde] bij ROC Eindhoven/Welzorg zaken heeft gedaan namens de eenmanszaak van [eiser] volgt uit het rapport dus niet.

De in het rapport genoemde facturen met de nummers 5634, 6565, 5965, 5434, 5424 en 5234, heeft [eiser] niet in het geding gebracht. Dat deze (en de eerder bedoelde) facturen valselijk door [gedaagde] zijn opgemaakt volgt uit het rapport niet, mede in aanmerking genomen hetgeen daarover hiervoor is overwogen.

4.4.

Uit het rapport van de belastingdienst kan al met al niet worden afgeleid (a) dat [gedaagde] de feitelijke beleidsbepaler van de eenmanszaak van [eiser] was, (b) dat [gedaagde] namens de eenmanszaak van [eiser] de aangiftes omzetbelasting over de jaren 2008 t/m 2010 heeft gedaan - welke aangiftes overigens niet door [eiser] in het geding zijn gebracht -, (c) dat [gedaagde] in dat kader valse facturen namens de eenmanszaak van [eiser] heeft opgemaakt en (d) dat [gedaagde] namens de eenmanszaak van [eiser] met derden zaken heeft gedaan. Voor het overige heeft [eiser] geen feiten of omstandigheden gesteld die, indien bewezen, tot het oordeel zouden kunnen leiden dat [gedaagde] jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld. Voor een bewijsopdracht is daarom geen plaats. [eiser] heeft nog wel gesteld dat de door [gedaagde] voor zijn eenmanszaak gevoerde administratie niet “aan de daaraan te stellen eisen voldoet”, maar [eiser] heeft dat in het geheel niet nader toegelicht, zodat aan die stelling reeds daarom, nog afgezien van het feit dat [gedaagde] heeft betwist de administratie te hebben gevoerd, moet worden voorbijgegaan.

4.5.

De slotsom is dat het tussen partijen op 6 augustus 2014 gewezen verstekvonnis moet worden vernietigd en dat de vordering van [eiser] alsnog moet worden afgewezen.

4.6.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal [eiser] in de kosten van de procedure worden veroordeeld. Deze kosten worden aan de zijde van [gedaagde] begroot op:

- explootkosten € 95,77 (in debet)

- griffierecht € 77,00

- salaris advocaat € 2.235,00 (2,5 punten tarief IV)

Totaal € 2.407,77,

waarvan het bedrag van € 95,77 aan de griffier van de rechtbank dient te worden voldaan, en waarvoor een nota aan [eiser] wordt toegestuurd.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

vernietigt het tussen partijen op 6 augustus 2014 onder zaak/rolnummer […] bij verstek gewezen vonnis en opnieuw rechtdoende:

5.2.

wijst het gevorderde af,

5.3.

veroordeelt [eiser] in de kosten van de procedure, aan de zijde van [gedaagde] tot aan deze uitspraak begroot op: € 2.407,77, waarvan een bedrag van € 95,77 aan de griffier van de rechtbank dient te worden voldaan, en waarvoor een nota aan [eiser] wordt toegestuurd,

5.4.

verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. K. van Vlimmeren-van Ommen en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2015.

Coll.: ED