Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:5285

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
18-08-2015
Datum publicatie
19-08-2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 199
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Woningbouwproject Nimmer Dor te Laag Soeren. Het plangebied is verdeeld in een zuidelijk en een noordelijk deel. Woningbouw gesitueerd op het zuidelijke deel. In verband daarmee wordt dit deel sinds 2011 in opdracht van de gemeente Rheden geploegd en gefreesd. Direct buiten dit zuidelijke deel nestelen twee steenuilpaartjes.

Verzoek om in verband daarmee handhavend tegen ploegen en frezen op te treden. Tegen het besluit tot gegrondverklaring van de afwijzing van het verzoek en herroeping van dit besluit, heeft het college van b. en w. van Rheden beroep ingesteld.

Nadien is aan de gemeente Rheden, bij besluit van 31 januari 2014, ten behoeve van graaf-, bouw- en natuurbouwwerkzaamheden ontheffing verleend van de verbodsbepalingen genoemd in artikel 11 van de Ffw, voor exemplaren van de steenuil.

Geen procesbelang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 14/199

uitspraak van de meervoudige kamer van

in de zaak tussen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rheden, te De Steeg, eiser

(gemachtigde: mr. M.J. Tunnissen),

en

de Staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder.

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen:

Stichting NimmerdorNee, te Laag-Soeren,

(gemachtigde: mr. B.J. Meruma).

Procesverloop

Bij besluit van 12 november 2013, zoals gewijzigd op 14 november 2013, (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van IVN Vereniging voor Natuur- en Milieueducatie te Amsterdam (hierna: IVN), gericht tegen het besluit van verweerder van 22 april 2013 (hierna: het primaire besluit), waarbij een verzoek om handhaving van de vereniging is afgewezen, gegrond verklaard en het primaire besluit herroepen.

Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 juni 2015. Namens eiser is verschenen T.J. Portegijs, werkzaam bij de gemeente Rheden, bijgestaan door mr. V.A. Textor, kantoorgenoot van mr. M.J. Thunnissen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. den Haan en C.F.T. van Aalst. Derde-partij is vertegenwoordigd door [naam 1] en [naam 2], voorzitter onderscheidenlijk secretaris van de Stichting NimmerdorNee, bijgestaan door mr. B.J. Meruma.

Eiser heeft als deskundige meegebracht J.H. Beekman, werkzaam bij Arcadis. Derde-partij heeft als deskundigen meegebracht L. van den Bremer en P. Verburg, beiden werkzaam bij SOVON.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van het volgende .

Sinds 2011 wordt een deel van het plangebied “Nimmer Dor” te Laag Soeren met enige regelmaat geploegd en gefreesd, in opdracht van eiser. Dit gebeurt in verband met het realiseren van woningbouw op dit (zuidelijke) deel van het plangebied.

Op 25 februari 2013 heeft IVN verzocht om handhavend op te treden tegen dit periodiek ploegen en frezen. Bij het primaire besluit heeft verweerder dit verzoek afgewezen. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het hiertegen door IVN gemaakte bezwaar gegrond verklaard en het primaire besluit herroepen. In dit besluit heeft verweerder geconcludeerd dat uit de onderzoeken onvoldoende blijkt dat er door het ploegen en frezen geen overtreding van artikel 11 van de Flora- en faunawet (hierna: Ffw) plaatsvindt. De gemeente Rheden wordt opgedragen nadere gegevens te verstrekken. Pas wanneer op basis van aanvullende gegevens kan worden vastgesteld dat het zuidelijke gedeelte van het plangebied geen essentieel onderdeel uitmaakt van het functionele leefgebied van de steenuil, mag dit gedeelte van het plangebied opnieuw worden geploegd en gefreesd. Eiser heeft bij brief van 19 december 2013 tegen dit besluit beroep ingesteld.

Op 12 juli 2013 heeft eiser ten behoeve van graaf-, bouw- en natuurbouwwerkzaamheden verzocht om ontheffing van de verbodsbepalingen genoemd in artikel 11 van de Ffw, voor exemplaren van de steenuil. Bij het besluit van 31 januari 2014 heeft verweerder de verzochte ontheffing voor het tijdvak 15 juli 2014 tot en met 14 juli 2019 verleend. In het besluit is onder meer overwogen dat het zuidelijke gedeelte van het plangebied is geploegd en dat dit deel dan ook geen essentieel onderdeel van het foerageergebied van de steenuilen vormt; het is marginaal geschikt foerageergebied. Verder wordt opgemerkt dat het ploegen en/of frezen van het zuidelijke gedeelte geen invloed hebben op de status van het gebied als foerageergebied, het blijft marginaal geschikt.

Tegen het besluit van 31 januari 2014 heeft de derde partij bezwaar gemaakt. Tegen de ongegrondverklaring daarvan bij besluit van verweerder van 20 november 2014 heeft derde-partij beroep ingesteld (AWB 14/9074).

2. In het bestreden besluit heeft verweerder gesteld dat eerst wanneer op basis van aanvullende, door eiser aan te leveren, gegevens kan worden vastgesteld dat het zuidelijke gedeelte van het plangebied geen essentieel onderdeel uitmaakt van het functionele leefgebied van de steenuil, dit gedeelte van het plangebied opnieuw mag worden geploegd en gefreesd.

Een dergelijke vaststelling zou dus het rechtsgevolg hebben dat weer geploegd en gefreesd kon worden.

In het besluit van 31 januari 2014 is vastgesteld dat het zuidelijke gedeelte van het plangebied geen essentieel onderdeel uitmaakt van het functionele leefgebied van de steenuil. Nu niet is gebleken dat verweerder dit al eerder had vastgesteld, houdt de rechtbank het ervoor dat dit besluit ook het rechtsgevolg heeft dat vanaf de datum van bekendmaking van dit besluit weer geploegd en gefreesd mag worden nu hiermee voldaan is aan de hierboven genoemde voorwaarde zoals opgenomen in het bestreden besluit.

3. Naar het oordeel van de rechtbank is hiermee aan het onderhavige beroep het procesbelang komen te ontvallen. Ter zitting heeft eiser ook geen belang kunnen stellen.

4. Het vorenstaande betekent dat het beroep niet-ontvankelijk is.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Penning, voorzitter, mr. M. van der Linde en mr. R.J.B. Schutgens, rechters, in tegenwoordigheid van R. van Diest, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: .

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.