Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:5258

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
03-06-2015
Datum publicatie
13-08-2015
Zaaknummer
271532
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geslaagd beroep van curator op Actio Pauliana. Beroep van gedaagde op 6:34 BW faalt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2015/447
INS-Updates.nl 2015-0204
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/271532 / HA ZA 14-551 /892/397

Vonnis van 3 juni 2015

in de zaak van

MR. R.F. FEENSTRA

in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van RTN B.V.,

kantoorhoudende te Ede,

eiser,

advocaat mr. M.M. Kroon te Ede,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HALLER BENELUX B.V.,

gevestigd te Hedel, gemeente Maasdriel,

gedaagde,

advocaat mr. M. Mos te Nieuwegein.

Partijen zullen hierna mede de curator, Haller en Haller Benelux B.V. genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 14 januari 2015

- het proces-verbaal van comparitie van 16 april 2015.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

RTN B.V. (een afkorting voor Reinigingstechniek Nederland) (hierna ook RTN), maakte deel uit van het [naam] concern en hield zich voornamelijk bezig met het importeren van (onderdelen van) vuilniswagens. RTN is bij vonnis van 29 januari 2013 in staat van faillissement verklaard met benoeming van mr. A.M.P.T. Blokhuis tot rechter-commissaris en met aanstelling van mr. Feenstra tot curator. De curator heeft de onderneming van RTN na haar faillissement nog enige maanden voortgezet.

2.2.

Ook [naam] B.V. (hierna ook: [naam] ) maakte deel uit van het [naam] . Zij hield zich bezig met onder andere het onderhoud van het vuilniswagenpark van de gemeente Nijmegen. [naam] is eveneens op 29 januari 2013 in staat van faillissement verklaard. Op 28 maart 2013 is de eerder aangestelde curator vervangen door mr. Feenstra.

2.3.

Haller Benelux B.V. houdt zich bezig met het produceren, assembleren en distribueren van vuilniswagens, het verzorgen van onderhoud daaraan en het voeren van een beheers- en financieringsmaatschappij.

2.4.

RTN en Haller Benelux B.V. hebben in de periode tussen 14 september 2012 en 15 november 2012 onder meer per e-mail met elkaar onderhandeld over de levering van een kit containerbelading met Bammens/Geesink-armen door RTN aan Haller Benelux B.V.

Per e-mail van 15 november 2012 heeft Haller Benelux B.V. deze belading bij RTN besteld.

De kooprijs bedroeg € 12.482,-- exclusief BTW. RTN heeft op haar beurt deze containerbelading besteld bij haar leverancier, de Belgische vennootschap [naam] Cy NV/SA, hierna ook [naam] .

2.5.

Op of omstreeks 11 februari 2013 heeft [naam] de containerbelading rechtstreeks aan Haller Benelux B.V. geleverd. [naam] heeft op 22 februari 2013 aan Haller Benelux B.V. een factuur gestuurd voor de kit containerbelading. Haller Benelux B.V. heeft deze factuur terug gestuurd met de mededeling dat zij de kit containerbelading heeft besteld bij RTN en niet bij [naam] en dat zij verwacht een factuur te ontvangen van RTN.

2.6.

Bij brief van 22 mei 2013 heeft de curator de factuur met nummer 600702, gedateerd 21 november 2013, ten bedrage van € 15.103,22 voor de kit containerbelading aan Haller Benelux B.V. gestuurd. Daarbij heeft hij vermeld dat de factuur betrekking heeft op een levering na datum faillissement en dat het verschuldigde bedrag niet verrekend kan worden met posten van voor de datum van het faillissement van RTN.

Haller Benelux B.V. heeft deze factuur niet voldaan.

2.7.

Bij brief van 12 februari 2013 heeft Haller Benelux B.V. bij de curator van [naam] een vordering van € 16.542,91 op [naam] ingediend.

2.8.

Bij brief van 28 juni 2013 heeft Haller Benelux B.V. aan de curator geschreven:

“(…) De openstaande facturen zijn inderdaad onbetaald, dit om de volgende reden:

- Facturen 6000667 en 60000673 zijn beiden van hydraulische pompen. Een van deze pompen heeft nooit gefunctioneerd en hebben wij op 13 maart retour gestuurd met het verzoek om garantie beoordeling. Hier hebben wij nooit meer reactie op gekregen. Wij zullen daarom niet overgaan tot betaling. De andere factuur is wel akkoord.

- Facturen 6000356/6000367/6000405/6000437/6000578/6000579 zijn ons bekend en akkoord.

Het totaal bedrag aan facturen komt hiermee op € 6.213,36.

Wij hebben echter nog meerdere facturen aan [naam] B.V. openstaan met een totaalbedrag van € 16.542,91.

Per saldo is RTN/ [naam] ons nog een bedrag verschuldigd van € 10.329,55.

Zodra wij een volledige betaling ontvangen van de vorderingen op [naam] B.V. zullen wij overgaan tot betaling van de openstaande facturen van RTN b.v. (…)”

2.9.

De curator heeft bij brief van eveneens 28 juni 2013 aan Haller Benelux B.V. geschreven:

“(…) U stelt de levering te kunnen verrekenen. Haller Benelux B.V. is crediteur van [naam] B.V. voor een bedrag van € 16.547,98. Daarnaast is Haller Benelux B.V. debiteur van RTN B.V. voor een bedrag van € 5.583,90. Dit bedrag omvat niet tevens de openstaande factuur ten aanzien van de kit containerbelading. Bijgaand (*) treft u een kopie aan van de crediteuren- en debiteurenkaart waaruit dit blijkt. Aangezien u geen crediteur bent van RTN B.V. komt u als debiteur in faillissement geen verrekeningsbevoegdheid toe. Dit wordt niet alleen bevestigd door de administratie maar ook door uzelf. U heeft immers uw vordering op [naam] B.V. officieel ter verificatie ingediend in dat faillissement.

Op grond van het bovenstaande bent u derhalve gehouden om de factuur van 22 mei 2013 ter hoogte van € 15.103,22 incl. BTW, alsmede het overige openstaande bedrag van € 5.583,90 te voldoen. (…)”

Aan het verzoek van de curator de openstaande bedragen te voldoen heeft Haller Benelux B.V. geen gevolg gegeven.

3 De vordering en het verweer

3.1.

De curator vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

primair:

Haller Benelux B.V. zal veroordelen om aan de curator te betalen:

1. het bedrag in hoofdsom van € 23.351,68

2. de wettelijke (handels)rente over de hoofdsom ex art. 6:119a BW, vanaf de afzonderlijke vervaldata tot en met 23 september 2014 een bedrag van € 2.923,12 alsmede de wettelijke handelsrente vanaf 24 september 2014 tot aan de dag der algehele voldoening dan wel voor zover de rechtbank in goede justitie zal menen te behoren;

3. de buitengerechtelijke kosten van € 1.008,52 althans een zodanig bedrag dat de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren;

4. met veroordeling van Haller Benelux B.V. in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente en met de nakosten en

subsidiair:

5. indien de rechtbank van oordeel is dat er sprake is van een rechtsgeldige, voor faillissementsdatum overeengekomen verrekeningsovereenkomst tussen RTN en Haller Benelux B.V., voor recht zal verklaren dat de verrekeningsovereenkomst tussen RTN, Haller Benelux B.V. en [naam] paulianeus is geschied op grond van artikel 42 van de Faillissementswet (Fw) en de desbetreffende rechtshandeling zal vernietigen, met veroordeling van Haller Benelux B.V. tot betaling van al hetgeen onder primair is gevorderd

3.2.

Haller Benelux B.V. heeft geconcludeerd dat de rechtbank de curator in zijn vordering niet-ontvankelijk zal verklaren, althans dat hem de vordering zal worden ontzegd, subsidiair de vordering toe zal wijzen zonder dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, althans aan de uitvoerbaarheid bij voorraad de voorwaarde zal verbinden dat de curator zekerheid stelt tot een bedrag gelijk aan hetgeen in het kader van dit vonnis aan de curator dient te worden betaald, vermeerderd met de kosten veroordeling in hoger beroep, althans tot een door de rechtbank te bepalen bedrag en de curator zal veroordelen in de kosten van het geding, te vermeerderen met de nakosten en de wettelijke rente over de (na)kosten.

3.3.

Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover van belang, nader worden ingegaan.

4. De beoordeling

4.1.

Ten aanzien van het beroep op verrekening dat Haller Benelux B.V. gedaan heeft, heeft de curator primair betwist dat er sprake is van een verrekenmogelijkheid en voorts betwist dat er een verrekeningsovereenkomst is op grond waarvan Haller Benelux B.V. tot verrekening van haar vordering op [naam] met haar schuld op RTN mocht overgaan.

4.2.

De rechtbank stelt voorop dat voor een geslaagd beroep op verrekening tenminste, kort gezegd, sprake dient te zijn van wederkerig schuldenaarschap. Aan dat vereiste is niet voldaan, nu Haller Benelux B.V. een schuld heeft aan RTN en [naam] een schuld aan Haller Benelux B.V.

4.3.

Haller Benelux B.V. heeft aangevoerd dat er geen sprake is geweest van verrekening van haar vordering op [naam] met haar schuld op RTN, maar dat RTN bij overeenkomst van 9 oktober 2012 [naam] heeft aangewezen als betaaladres voor de vordering van RTN op Haller Benelux B.V. [naam] heeft vervolgens haar schuld aan Haller Benelux B.V. verrekend met deze betaling. Ter onderbouwing van haar stelling dat die overeenkomst is gesloten, heeft zij verwezen naar de door de curator als productie 13 in het geding gebrachte verklaring van de heer [naam] (hierna ook: [naam] ), die in oktober 2012 (middellijk) bestuurder was van zowel RTN als [naam] . [naam] schrijft in zijn verklaring:

“(…) [naam] nam onderdelen van afvalinzamelvoertuigen af van Haller en

had al enige maanden haar facturen niet voldaan. We hadden op dat moment een tekort aan liquide middelen.

Omdat ik wist dat Haller een belading van het merk VDK CBO9 besteld had en RTN importeur was van VDK producten in Nederland, heb ik aan Haller voorgesteld dat zij VDK producten af zouden nemen via RTN en de koopprijs daarvan dan zou verrekenen met hun vorderingen op [naam] . Dit scheelde ons liquiditeiten terwijl we wel de marge zouden maken op de VDK producten.

De heren Dingemans en Koop van Haller hebben met mijn voorstel ingestemd en

Haller is blijven leveren aan [naam] , hoewel verder tegen betaling direct

bij levering. Haller heeft ook de VDK belading besteld bij RTN met een waarde

die in de buurt komt van de vordering van Haller op [naam] , welke

bestellingen ik zelf heb geaccordeerd. (…)”

4.4.

De curator kan gevolgd worden in zijn stelling dat op z’n minst vragen gesteld kunnen worden bij de juistheid van deze verklaring. Zo verklaart [naam] dat hij in oktober 2012 wist dat Haller Benelux B.V. een belading van het merk VDK CB 09 had besteld, terwijl die bestelling pas op 15 november 2012 is geplaatst. Ook bevreemdt het dat [naam] per e-mail van 9 oktober 2012 te 20.39 uur nog aan Koop aanbiedt de bij offerte van 14 september 2012 genoemde prijs van de belading met een bedrag van € 750,-- te verlagen. [naam] schrijft daarbij: “Wij hopen dat wij ondanks de prijsverhoging deze belading aan jullie mogen leveren en zien graag jullie reactie tegemoet.”

Ook het feit dat Haller Benelux B.V. aanvankelijk haar vordering op [naam] bij de curator ter verificatie heeft ingediend valt moeilijk met haar latere beroep op verrekening te rijmen. Haar verklaring dat dat is gebeurd omdat op dat moment de verrekeningen nog niet in de financiële administratie waren doorgevoerd, volstaat niet nu volgens Haller Benelux B.V. al op 9 oktober 2012 was afgesproken dat de betaling door Haller Benelux B.V. aan [naam] voor de belading zou worden verrekend met de schuld die [naam] aan Haller Benelux B.V. had en de belading op of omstreeks 11 februari 2012 aan Haller Benelux B.V. is geleverd.

Dit alles leidt tot de conclusie dat hiermee onvoldoende is komen vast te staan dat een (rechtsgeldige) overeenkomst is gesloten als door Haller Benelux B.V. gesteld.

Haller Benelux B.V. heeft bewijs aangeboden van haar stelling dat een rechtsgeldige overeenkomst is gesloten als door haar gesteld, maar daar komt de rechtbank gelet op het volgende niet aan toe.

4.5.

Zou komen vast te staan dat een rechtsgeldige verrekeningsovereenkomst is gesloten, dan geldt het volgende.

Vaststaat dat de overeenkomst onverplicht is. Die overeenkomst is ook benadelend, immers met die overeenkomst is voor Haller een verrekenings- c.q. inningsmogelijkheid in het leven geroepen die zonder die overeenkomst niet zou hebben bestaan. Dat leidt tot benadeling van de andere schuldeisers van RTN nu de door Haller verschuldigde prestatie als gevolg van het beroep op verrekening c.q. op bevrijdende betaling aan een derde ( [naam] ) niet ter beschikking is gekomen van de andere schuldeisers van RTN.

Gesteld noch gebleken is dat RTN van Haller enige tegenprestatie heeft ontvangen voor haar medewerking aan de verrekeningsovereenkomst. Enig voordeel voor RTN valt niet te ontwaren; dat [naam] aldus weer beleverd werd door Haller is geen voordeel voor RTN. Evenmin is gebleken dat RTN de opdracht van Haller alleen maar heeft gekregen omdat zij de verrekeningsovereenkomst had gesloten. Integendeel, RTN was immers, zo is bevestigd ter comparitie, de exclusieve importeur van VDK producten. Van concernfinanciering als gevolg waarvan andere vennootschappen (waaronder RTN) zouden kunnen profiteren van het (feitelijk) aan [naam] verstrekte leverancierskrediet op het moment dat zij kampte met liquiditeitstekorten, is niet gebleken. Gesteld noch gebleken is verder dat RTN krachtens de verrekeningsovereenkomst ook het recht had om harerzijds schulden aan Haller met vorderingen op Haller te verrekenen. De rechtbank is daarmee van oordeel dat de verrekeningsovereenkomst niet alleen onverplicht was, maar ook om niet.
De curator heeft met een beroep op de actio pauliana de verrekeningsovereenkomst vernietigd (waarmee hij indirect ook het beroep op verrekening heeft bestreden). In dit geval is de verrekeningsovereenkomst in oktober 2012, dus ruim drie maanden voor het faillissement van KTC tot stand gekomen. Het vermoeden van artikel 45 Fw brengt met zich dat RTN vermoed wordt te hebben geweten of te hebben behoren te weten dat door haar medewerking aan de verrekeningsovereenkomst haar latere schuldeisers zouden worden benadeeld.

Haller heeft weliswaar tegenbewijs aangeboden tegen het wettelijk vermoeden aangaande de wetenschap van RTN, maar zij heeft in het geheel geen feiten en omstandigheden gesteld die haar betwisting van dit wettelijk vermoeden ondersteunen. Zij wijst immers enkel naar de faillissementsverslagen. Bij gebreke van een voldoende gemotiveerd verweer tegen de vermoede wetenschap is er voor (tegen)bewijsvoering daarom geen plaats.

4.6.

Haller Benelux B.V. heeft nog aangevoerd dat indien de stelling van de curator dat er geen rechtsgeldige overeenkomst is gesloten mocht slagen, de vordering afgewezen dient te worden op grond van het bepaalde in artikel 6:34 van het Burgerlijk Wetboek (BW) omdat [naam] als betaaladres heeft aangewezen, zodat Haller Benelux B.V. op redelijke gronden heeft mogen aannemen dat aan [naam] betaald diende te worden.

De vraag dient beantwoord te worden of Haller Benelux B.V. de curator kan tegenwerpen dat zij op redelijke gronden mocht aannemen dat [naam] als schuldeiser tot de betaling gerechtigd was dan wel dat uit andere hoofde aan [naam] moest worden betaald. De rechtbank is van oordeel dat dat voor de belading niet het geval is. Immers, nadat [naam] de factuur voor de belading aan Haller Benelux B.V. had gestuurd, heeft Haller Benelux B.V. daarop in reactie uitdrukkelijk om een factuur van RTN gevraagd. In de vervolgens door de curator bij brief van 22 mei 2013 verstuurde factuur is expliciet opgenomen dat het verschuldigde bedrag niet verrekend kan worden met posten van voor de datum van het faillissement van RTN. In het licht hiervan kan Haller Benelux B.V. redelijkerwijs niet menen dat [naam] op enigerlei wijze tot ontvangst van de betaling gerechtigd was.

Het beroep op het bepaalde in artikel 6:34 BW derhalve niet op.

Maar zou Haller Benelux B.V. wel betaald hebben aan [naam] op grond van de aanwijzing door [naam] , zoals zij stelt, dan geldt dat zij heeft betaald aan iemand die bevoegd was de betaling te ontvangen zodat artikel 6:34 BW niet van toepassing is.

4.7.

Haller Benelux B.V. heeft aangevoerd dat zij niet gehouden is de factuur nr. 6000673 ad € 1.332,28 voor een geleverde hydraulische pomp te betalen, omdat de pomp niet goed werkte en door haar is teruggestuurd.

Uit de door haar in het geding gebrachte stukken blijkt echter dat zij de pomp naar [naam] heeft gestuurd met het verzoek deze voor garantie te beoordelen. Naar Haller Benelux B.V. stelt heeft zij de pomp niet teruggekregen en gebruikt ze inmiddels een andere pomp.

Het feit dat Haller Benelux B.V. de pomp naar [naam] heeft gestuurd en niet meer heeft teruggekregen regardeert RTN/de curator niet, nu onvoldoende is komen vast te staan dat Haller Benelux B.V. op aanwijzing van RTN de pomp naar [naam] heeft gestuurd, zoals Haller Benelux B.V. heeft gesteld.

Niet valt in te zien waarom [naam] aan de curator een creditnota zou moeten sturen voor de pomp, zoals Haller Benelux B.V. heeft gesteld. RTN/de curator heeft de pomp van [naam] afgenomen en aan haar betaald en vervolgens door geleverd aan Haller Benelux B.V.

Haller Benelux B.V. heeft ter zitting de ontbinding van de overeenkomst met betrekking tot deze hydraulische pomp ingeroepen, maar dat kan haar niet baten. Ingevolge het bepaalde in artikel 6:267 BW dient de ontbinding door een schriftelijke verklaring te worden ingeroepen en kan zij op vordering door de rechter worden uitgesproken. Haller Benelux B.V. heeft de ontbinding mondeling ingeroepen en geen vordering tot ontbinding ingesteld. Voorts geldt dat gesteld noch gebleken is dat Haller Benelux B.V. RTN/de curator in gebreke heeft gesteld, zodat RTN/de curator niet in verzuim is geraakt.

Haller Benelux B.V. dient derhalve de factuur voor de pomp aan RTN/de curator te betalen.

4.8.

De curator heeft niet (voldoende) weersproken dat bij de berekening van de wettelijke handelsrente is uitgegaan van een onjuist rentepercentage en van onjuiste vervaldata. Uit de door de curator in het geding gebrachte debiteurenkaart blijkt dat als vervaldatum van de facturen de factuurdatum is aangehouden, terwijl een betaaltermijn van 14 dagen gold. De wettelijke rente zal daarom als na te noemen worden toegewezen.

4.9.

Nadat Haller Benelux B.V. heeft betwist dat de curator buitengerechtelijke incassowerkzaamheden heeft verricht, heeft de curator zijn vordering tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten niet nader onderbouwd. Deze vordering zal daarom worden afgewezen.

4.10.

Haller Benelux B.V. zal als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld worden in de proceskosten. De tot aan deze uitspraak aan de zijde van de curator gevallen kosten worden begroot als volgt:

- dagvaarding € 77,52

- betaald griffierecht 868,--

- salaris advocaat 1.158,-- (2 punten × factor 1 × tarief € 579,--)

Totaal € 2.103,52

4.11.

Haller Benelux B.V. heeft verzocht het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Zij heeft aangevoerd dat zij tegen een toewijzend vonnis zeker in hoger beroep zal komen. Blijkens het laatste faillissementsverslag zal het faillissement worden afgewikkeld wanneer deze kwestie is afgehandeld. Wanneer de curator in het gelijk wordt gesteld en hij direct tot incasso overgaat, zal hij het faillissement direct na betaling kunnen afwikkelen. De kans is groot dat het faillissement al is afgewikkeld voordat in appel arrest is gewezen. Zou zij in appel alsnog gelijk krijgen, dan is door de afwikkeling van het faillissement terugbetaling niet meer mogelijk, aldus Haller Benelux B.V.

Nu de curator dit niet heeft weersproken en ook geen zekerheid heeft gesteld, dient het belang van Haller Benelux B.V. te prevaleren boven dat van de curator bij een spoedige afwikkeling van het faillissement.

Het vonnis zal daarom niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard worden.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt Haller Benelux B.V. aan de curator te betalen een bedrag van € 23.351,68, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119 BW vanaf 14 dagen na de afzonderlijke factuurdata tot aan de dag der algehele voldoening;

5.2.

veroordeelt Haller Benelux B.V. in de kosten van deze procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de curator begroot op € 2.103,52,--, te betalen binnen veertien dagen na het wijzen van dit vonnis en voor het geval voldoening niet binnen die termijn plaatsvindt te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf veertien dagen na het wijzen van dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening, en te vermeerderen met de nakosten ad € 131,-- dan wel, indien betekening van dit vonnis plaatsvindt, € 199,--;

5.3.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.M.Th. Quaadvliet en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2015.

ap/fq