Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:5230

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
11-08-2015
Datum publicatie
11-08-2015
Zaaknummer
05/840390-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren voor het medeplegen van een mishandeling met voorbedachte raad, het voorhanden hebben van vuurwapens en munitie en het beledigen van een tweetal agenten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/840390-15

Datum zitting : 28 juli 2015

Datum uitspraak : 11 augustus 2015

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] , wonende [adres 1] , thans gedetineerd te PI [adres 2]

raadsvrouw: mr. F.L.C. Schoolderman, advocaat te 's-Hertogenbosch.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 28 juli 2015.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

Primair

hij op of omstreeks 09 april 2015, in de gemeente Zaltbommel, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon, genaamd [slachtoffer] , opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar

lichamelijk letsel toe te brengen, opzettelijk na kalm beraad en rustig overleg, althans na een (kort) tevoren genomen besluit,

- genoemde [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met de al dan niet

tot vuist gebalde hand (waarover al dan niet een handschoen werd gedragen met

knokkelbescherming) in het gezicht en/of tegen het hoofd en/of (elders) tegen

het lichaam heeft gestompt en/of geslagen, en/of

- genoemde [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met (de) geschoeide

voet(en) tegen het lichaam heeft geschopt en/of getrapt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

Subsidiair

hij op of omstreeks 09 april 2015, in de gemeente Zaltbommel, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, al dan niet met voorbedachten rade, opzettelijk mishandelend een persoon, genaamd [slachtoffer] , meermalen,

althans eenmaal, met de al dan niet tot vuist gebalde hand (waarover al dan

niet een handschoen werd gedragen met knokkelbescherming) in het gezicht en/of

tegen het hoofd en/of (elders) tegen het lichaam heeft gestompt en/of

geslagen, en/of opzettelijk mishandelend een persoon, genaamd [slachtoffer] , meermalen,

althans eenmaal, met (de) geschoeide voet(en) tegen het lichaam heeft geschopt

en/of getrapt, waardoor genoemde [slachtoffer] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft

ondervonden.

2.

hij op of omstreeks 09 april 2015 en/of 10 april 2015 en/of 12 april 2015,

althans op een of meer verschillende tijdstippen in of omstreeks de maand

april 2015, in de gemeente Zaltbommel, althans in Nederland, (een) wapen(s) van categorie III, te weten:

-een grendelgeweer (merk Mauser, serienummer [x 1] ) en/of

-een kogelgeweer (merk La Coruna, serienummer [x 2] ), en/of

-een kogelgeweer (serienummer [x 1] ), en/of

-een kogelgeweer (merk St. Etienne, serienummer [x 1] ), en/of

-een kogelgeweer (merk Jrion, serienummer [x 1] ), en/of

-een kogelgeweer (merk CI, serienummer [x 1] ), en/of

-een hagelgeweer (serienummer [x 1] ), en/of

-twee revolvers (kaliber 8 mm),

en/of munitie van categorie III, te weten:

-214, althans een hoeveelheid, (knal)patronen, voorhanden heeft gehad.

3.

hij op of omstreeks 09 april 2015, in de gemeente Zaltbommel, opzettelijk (een) ambtena(a)r(en), te weten de hoofdagent(en) van politie

Eenheid Oost-Nederland, genaamd [verbalisant 1] , en/of [verbalisant 2] , gedurende

of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/hun bediening, in zijn/hun

tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem/hen de woorden toe te voegen: "Homo's" en/of "vuile kankerlijers"

en/of "teringlijers" en/of "mierenneukers" en/of "pannenkoeken", althans

woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs1

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Ten aanzien van feit 1:

Op 9 april 2015 waren verdachte en medeverdachte [medeverdachte] op het adres van aangever [slachtoffer] te Zaltbommel. Verdachte heeft aangever toen meerdere malen geslagen.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ten aanzien van feit 1 gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan medeplegen van een poging tot zware mishandeling met voorbedachten rade. De officier van justitie heeft hiertoe aangevoerd dat door het trappen tegen het hoofd en de ribben van aangever een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel ontstaat. De voorbedachte rade blijkt volgens de officier van justitie uit de aangifte, de verklaring van verdachte dat ze verhaal gingen halen bij de aangever en de deuren die door verdachte en medeverdachte zijn ingeramd om bij aangever te komen en het feit dat zij handschoenen met knokkelbescherming droegen.


De officier van justitie heeft ten aanzien van feit 2 en 3 gesteld dat beide feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen.

Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van feit 1 heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat de verklaring van de aangever dient te worden uitgesloten van het bewijs gelet op de hierin voorkomende tegenstrijdigheden en onwaarheden. De raadsvrouw heeft voorts bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van feit 1, zowel van het primair als het subsidiair tenlastegelegde. Volgens de raadsvrouw is onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor het medeplegen van de mishandeling en voor de aanwezigheid van voorbedachte rade.
Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat de doorzoeking van de woning van verdachte op 12 april 2015 onrechtmatig was en dat derhalve bewijsuitsluiting, dan wel strafvermindering dient te volgen.

Ten aanzien van feit 3 heeft de raadsvrouw gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling door de rechtbank

Ten aanzien van feit 1

Uit de verklaring van aangever [slachtoffer] blijkt dat op 9 april 2015 ’s avonds bij hem thuis werd aangebeld. Vervolgens werd er op de deur van zijn portiek gebonsd. [slachtoffer] voelde zich bedreigd en sloot zich op in de badkamer. Vervolgens hoorde hij gebonk en glasgerinkel. Het ruitje van de badkamerdeur werd ingeslagen en de badkamerdeur werd ingetrapt. De aangever zag toen verdachte [verdachte] en een voor hem onbekende man staan. De onbekende man gaf hem met de gebalde vuist twee klappen op het hoofd. [slachtoffer] gaf aan dat hij ontzettend bang was voor verdachte [verdachte] . Hij voelde vervolgens dat beide verdachten hem tegen het hoofd en de linkerzijde van zijn lichaam trapten. Ook voelde hij een harde slag tegen zijn achterhoofd. Ten slotte geeft aangever aan dat hij van de nieuwe vriend van zijn ex-partner, zijnde de broer van medeverdachte [medeverdachte] , een sms-bericht heeft gehad waarin stond: “Ik laat [verdachte] dit wel oplossen”.3

Verdachte [verdachte] heeft verklaard dat hij [slachtoffer] klappen heeft gegeven.4
Op de in beslag genomen schoenen en handschoen van de medeverdachte [medeverdachte] werden bloedsporen aangetroffen.5 Deze goederen zijn door het NFI onderzocht met als resultaat dat hierop het DNA-profiel van een man, zijnde aangever [slachtoffer] is aangetroffen, waarbij de kans dat een ander dan [slachtoffer] donor van dit DNA is kleiner is dan 1 op 1 miljard.6

Naar het oordeel van de rechtbank hebben verdachte en de medeverdachte aangever beiden mishandeld door hem te slaan en te trappen zoals volgt uit het verhoor van de aangever. De verklaring van aangever bevat op dit punt geen inconsistentie en het betrouwbaarheidsverweer van de verdediging wordt derhalve verworpen. De verklaring van aangever wordt ondersteund door het NFI-rapport waaruit volgt dat bloed is gevonden op de schoen van de medeverdachte. De verklaring van de medeverdachte dat hij aangever en de medeverdachte enkel uit elkaar heeft gehaald acht de rechtbank daarom dan ook niet geloofwaardig.


De rechtbank is van oordeel dat de verdachten in vereniging aangever hebben mishandeld nu zij samen naar aangever zijn gegaan, daar samen de voordeur, een tussendeur en de badkamerdeur hebben geforceerd om bij aangever, die zich in de badkamer bevond, te komen en hem toen allebei hebben mishandeld. Dit wordt ondersteund door het NFI-rapport, waaruit volgt dat er bloed op de schoenen is gevonden van de medeverdachte, dat strookt met de verklaring van aangever dat hij door beiden is getrapt tegen het lichaam. Uit die verklaring van aangever, ondersteund door het kennelijk gezamenlijk trappen, leidt de rechtbank op basis van het feitelijke handelen de nauwe samenwerking tussen verdachten af. Het verweer dat de mishandeling niet in vereniging is gepleegd wordt derhalve door de rechtbank verworpen.


De rechtbank is ook van oordeel dat de verdachten deze mishandeling hebben gepleegd met voorbedachte rade. Dit vloeit voort uit de omstandigheden dat zij samen naar aangever zijn gegaan naar aanleiding van bedreigingen met geweld, daar hun weg door zijn huis hebben gebaand door deuren en ruiten te vernielen om bij de aangever te komen, wapens op zak hadden, vervolgens ook daadwerkelijk geweld gebruikten en dat de aangever via een tekstbericht is gewaarschuwd dat ‘ [verdachte] op hem af zou worden gestuurd. Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat door de verdachten is besloten naar het slachtoffer te gaan met het voornemen geweld te gebruiken, waarbij op meerdere momenten de mogelijkheid bestond op hun schreden terug te keren, maar dat niet is gebeurd. Het verweer dat niet is gehandeld met voorbedachte rade wordt derhalve ook door de rechtbank verworpen.
De rechtbank is met de raadsvrouw en in tegenstelling tot de officier van justitie van oordeel dat geen sprake is geweest van een aannemelijke kans op zwaar lichamelijk letsel gelet op de door de rechtbank bewezen geachte handelingen (het slaan en schoppen door de verdachten tegen het lichaam) in samenhang met het letsel van de aangever. De rechtbank spreekt de verdachte derhalve van het primair tenlastegelegde vrij en is gelet op al het reeds overwogene van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van mishandeling met voorbedachten rade.

Ten aanzien van feit 2

De raadsvrouw heeft betoogd dat sprake is van onrechtmatige binnentreden op 12 april 2015 in verdachte ’s woning en dat derhalve de uit die doorzoeking vloeiende resultaten uitgesloten dienen te worden van het bewijs.

De rechtbank overweegt als volgt. Naar het oordeel van de rechtbank staat niet ter discussie dat er op 10 april 2015 voldoende aanleiding bestond om op grond van artikel 49 van de Wet wapens en munitie de woning van verdachte te doorzoeken. Tijdens die doorzoeking zijn er voorwerpen inbeslaggenomen die vallen onder categorie 3 van de Wet Wapens en Munitie.7 Het voorgaande biedt voldoende rechtvaardiging voor de tweede doorzoeking ter inbeslagneming in de woning van de verdachte op grond van artikel 49 Wet wapens en munitie op 12 april 2015.

Daarnaast heeft de verdachte toestemming voor de doorzoeking gegeven, nu uit zijn verklaring niet blijkt dat hij geen akkoord geeft. De verdachte verklaart in zijn verhoor namelijk: “Ga maar kijken. De vorige keer gaf ik geen toestemming aan de politie, maar zijn ze ook wezen kijken dus het maakt niet uit of ik nou toestemming geef of niet.. Van mij mogen jullie kijken.”8 Dat de verdachte deze verklaring niet heeft ondertekend doet daar naar oordeel van de rechtbank niet aan af. De doorzoekingen van 10 april 2015 en 12 april 2015 zijn rechtmatig.

Voorts is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 april 2015, p. 161-166;

- het proces-verbaal van bevindingen d.d. 12 april 2015, p. 167-168;

- het proces-verbaal van bevindingen d.d. 12 april 2015, p. 169-170;

- het proces-verbaal omschrijving Wet wapens en munitie, p. 227-231;

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 28 juli 2015

Ten aanzien van feit 3:

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van aangifte van [verbalisant 1] , p. 143;

- het proces-verbaal van aangifte van [verbalisant 2] , p. 148;

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 28 juli 2015.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

Subsidiair

hij op of omstreeks 09 april 2015, in de gemeente Zaltbommel, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, al dan niet met voorbedachten rade, opzettelijk mishandelend een persoon, genaamd [slachtoffer] , meermalen,

althans eenmaal, met de al dan niet tot vuist gebalde hand (waarover al dan

niet een handschoen werd gedragen met knokkelbescherming) in het gezicht en/of

tegen het hoofd en/of (elders) tegen het lichaam heeft gestompt en/of

geslagen, en/of opzettelijk mishandelend een persoon, genaamd [slachtoffer] , meermalen,

althans eenmaal, met (de) geschoeide voet(en) tegen het lichaam heeft geschopt

en/of getrapt, waardoor genoemde [slachtoffer] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft

ondervonden

2.

hij op of omstreeks 09 april 2015 en/of 10 april 2015 en/of 12 april 2015,

althans op een of meer verschillende tijdstippen in of omstreeks de maand

april 2015, in de gemeente Zaltbommel, althans in Nederland, (een) wapen(s) van categorie III, te weten:

-een grendelgeweer (merk Mauser, serienummer [x 1] ) en/of

-een kogelgeweer (merk La Coruna, serienummer [x 2] ), en/of

-een kogelgeweer (serienummer [x 1] ), en/of

-een kogelgeweer (merk St. Etienne, serienummer [x 1] ), en/of

-een kogelgeweer (merk Jrion, serienummer [x 1] ), en/of

-een kogelgeweer (merk CI, serienummer [x 1] ), en/of

-een hagelgeweer (serienummer [x 1] ), en/of

-twee revolvers (kaliber 8 mm),

en/of munitie van categorie III, te weten:

-214, althans een hoeveelheid, (knal)patronen, voorhanden heeft gehad.

3.

hij op of omstreeks 09 april 2015, in de gemeente Zaltbommel, opzettelijk (een) ambtena(a)r(en), te weten de hoofdagent(en) van politie

Eenheid Oost-Nederland, genaamd [verbalisant 1] , en/of [verbalisant 2] , gedurende

of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/hun bediening, in zijn/hun

tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem/hen de woorden toe te voegen: "Homo's" en/of "vuile kankerlijers"

en/of "teringlijers" en/of "mierenneukers" en/of "pannenkoeken", althans

woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Medeplegen van mishandeling gepleegd met voorbedachte rade

Ten aanzien van feit 2:

Ten aanzien van de wapens van categorie III:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd

Ten aanzien van de 214 knalpatronen:
Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie

Ten aanzien van feit 3:

Eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd

5 De strafbaarheid van het feit

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 21 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, met als bijzondere voorwaarde van een meldplicht en een gedragsinterventie, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de onder verdachte inbeslaggenomen goederen, onder nummer 2, 4 en 10 verbeurd worden verklaard en dat het inbeslaggenomen goed onder nummer 7, 11, 12, 13, 14, 17, 19, 20, 21, 22, 23, 24, 25, 26 en 27 worden onttrokken aan het verkeer en dat de onder verdachte in beslag genomen goederen, onder nummer 1, 3, 5, 6, 18 en 28 zullen worden teruggegeven aan de verdachte (de nummers corresponderen met de op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst).

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft primair vrijspraak bepleit. De raadsvrouw heeft voorts verzocht bij een strafoplegging rekening te houden met de sierdoeleinden die de wapens en munitie onder feit 2 dienden.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 19 juni 2015;

- een voorlichtingsrapportage van Reclassering Nederland, gedateerd 22 april 2015;

- een voorlichtingsrapportage van Reclassering Nederland, gedateerd 8 juli 2015.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van mishandeling met

voorbedachten rade in vereniging, het voorhanden hebben van verboden wapens en munitie en

het beledigen van twee opsporingsambtenaren. De verdachte samen met de medeverdachte

aangever doelbewust opgezocht, in zijn huis deuren en ruiten vernield en de aangever

vervolgens geslagen en getrapt. De aangever heeft door dit feit pijn en letsel opgelopen en

gevoelens van angst en onveiligheid ontwikkeld, zoals ook blijkt uit de slachtofferverklaring.

Dit is een ernstig feit en de rechtbank neemt dit de verdachte kwalijk.

De rechtbank gaat daarbij niet eraan voorbij dat gebleken is dat aangever verdachte en zijn mededader langere tijd heeft bestookt met beledigingen en dreigende berichten. Verdachte en zijn mededader hebben hierop gereageerd door het recht in eigen hand te nemen. Hoezeer de rechtbank er begrip voor heeft dat voor verdachte en zijn mededader op een gegeven moment de grens was bereikt, kan dit nooit een reden zijn tot een vorm van eigenrichting over te gaan.

De verdachte had voorts verschillende soorten vuurwapens en een grote hoeveelheid munitie in

zijn bezit. Van deze vuurwapens waren er enkele niet juist onklaar gemaakt. Daarnaast zijn ook

onklaar gemaakte wapens geschikt voor afschrikking. Ook dit is naar het oordeel van de

rechtbank een kwalijk feit. Ten slotte heeft de verdachte zich schuldig gemaakt een het

beledigen van twee agenten, waarmee hij blijk heeft gegeven van een gebrek aan respect.

Uit de voorlichtingsrapportages van Reclassering Nederland blijkt dat de verdachte open staat

voor reclasseringscontact waarbinnen hij een gedragstraining volgt om in de toekomst op een

meer constructieve manier om te gaan met uitdagingen.

De rechtbank is van oordeel dat de ernst en aard van de drie feiten ertoe leiden dat aan de

verdachte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd. De rechtbank zal aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden opleggen, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd 3 jaren en met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De rechtbank zal aan de verdachte voorts de bijzondere voorwaarden opleggen van een meldplicht en een gedragsinterventie in de vorm van een communicatievaardighedentraining. De rechtbank wijkt af van de eis van de officier van justitie omdat de rechtbank de verdachte van het primair onder 1. tenlastegelegde vrijspreekt. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de duur van de onvoorwaardelijke gevangenisstraf zoals geëist te hoog is. De rechtbank legt aan de verdachte de genoemde bijzondere voorwaarden op zodat de verdachte kan werken aan het omgaan met uitdagingen in de toekomst.

Ten aanzien van het beslag overweegt de rechtbank als volgt.

De onder nummer 7, 11, 12, 13, 14, 17, 19, 20, 21, 22, 23, 24, 25, 26 en 27 in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, dienen te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien het van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belangde en de wet en kan dienen tot het begaan van soortgelijke feiten (de nummers corresponderen met de op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst).

Ten aanzien van de onder nummer 1, 2, 3, 4, 5, 6, 10, 18 en 28 in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen zal de teruggave worden gelast van de voorwerpen aan de veroordeelde nu zich geen strafvorderlijk belang daartegen verzet (de nummers corresponderen met de op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst).

7a. De beoordeling van de civiele vordering(en), alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde feit. Gevorderd wordt een bedrag van €4.543,30.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe te wijzen tot het bedrag van €3.624,95, te vermeerderen met de wettelijke rente, waarbij tevens de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 46 dagen hechtenis Ten aanzien van de posten die inhouden de iPhones en het telefoonhoesje heeft de officier van justitie verzocht dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de vordering nu deze posten niet zien op het tenlastegelegde.

De officier van justitie heeft ten slotte verzocht dat de verplichting om de schade te betalen vervalt wanneer deze is voldaan door de mededader.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft primair vrijspraak bepleit en derhalve verzocht de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren. De raadsvrouw heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat wordt gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de posten die zien op de braakschade en het t-shirt. De posten die zien op de iPhones en het telefoonhoesje dienen volgens de raadsvrouw niet-ontvankelijk te worden verklaard, dan wel te worden afgewezen omdat ze niet voortvloeien uit het tenlastegelegde dan wel onvoldoende onderbouwd zijn. De post die ziet op de immateriële schade dient volgens de raadsvrouw ook niet-ontvankelijk te worden verklaard, dan wel te worden afgewezen omdat deze onvoldoende is onderbouwd.

Beoordeling door de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1. bewezen verklaarde handelen tot een bedrag van € 1.125,45 schade heeft geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. Dit bedrag ziet op de posten ten aanzien van de braakschade en het t-shirt. De vordering dient tot dit bedrag te worden toegewezen.

Wat betreft het de iPhones en het telefoonhoesje ontbreekt het causaal verband met het tenlastegelegde. De rechtbank zal de benadeelde partij ten aanzien van deze posten daarom niet-ontvankelijk verklaren. Ten aanzien van de immateriële schade valt naar oordeel van de rechtbank niet vast te stellen wat het aandeel van de benadeelde partij in de situatie die verband houdt met de gebeurtenis niet worden vastgesteld. De rechtbank zal de benadeelde partij ten aanzien van deze kosten ook niet-ontvankelijk verklaren in diens vordering, nu de behandeling van dat deel van de vordering naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van het toe te wijzen bedrag ten behoeve van genoemde benadeelde partij.

De gevorderde en toegewezen rente/vergoeding voor proceskosten, zijn daar niet bij inbegrepen.

De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar vanaf 9 april 2015.

De verdachte is niet meer tot vergoeding gehouden indien en voor zover het gevorderde door zijn mededader is of wordt voldaan.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 36b, 36c, 36d, 36f, 47, 57, 91, 266, 267 en 301 van het Wetboek van Strafrecht en op de artikelen 26, 55 en 56 van de Wet wapens en munitie.

9 De beslissing

De rechtbank:

 Spreekt verdachte vrij van het onder 1 primair tenlastegelegde feit.

 verklaart bewezen dat verdachte de overige tenlastegelegde feiten, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

   veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot gevangenisstraf van 12 (twaalf) maanden.

bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf groot 4 (vier) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van na te melden voorwaarden voor het einde van de proeftijd die op 3 (drie) jaren wordt bepaald;

de algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde daarvan niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

- zijn medewerking zal verlenen aan het door de Reclassering Nederland te houden toezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

de bijzondere voorwaarde(n) dat de veroordeelde:

- zich uiterlijk binnen drie dagen na het onherroepelijk worden van dit vonnis zal melden bij de Reclassering Nederland en gedurende de proeftijd zich zal blijven melden bij deze instelling, zo frequent en zolang de instelling dat noodzakelijk acht;

- gedurende de proeftijd zal deelnemen aan een gedragsinterventie, bestaande uit een training cognitieve vaardigheden aangeboden door Reclassering Nederland, waarbij de veroordeelde zich dient te houden aan de aanwijzingen zoals die gedurende deze gedragsinterventie door of namens voornoemde instelling aan de veroordeelde zullen worden gegeven.

Geeft opdracht aan de Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde(n) en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden (artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht).

beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

Ten aanzien van het beslag:

 beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen onder nummer:

- 7, 11, 12, 13, 14, 17, 19, 20, 21, 22, 23, 24, 25, 26 en 27 (de nummers corresponderen met de op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst).

 gelast de teruggave van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen aan veroordeelde onder nummer:

- 1, 2, 3, 4, 5, 6, 10, 18 en 28 (de nummers corresponderen met de op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst).

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] :

veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 1 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer], van een bedrag van € 1.125,45 (eenduizend honderdenvijfentwintig euro en vijfenveertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 april 2015 tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk in diens vordering;

verstaat dat indien en voor zover door de mededader en/of mededaders het betreffende schadebedrag is betaald, veroordeelde daarvan zal zijn bevrijd;

legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer] , een bedrag te betalen van € 1.125,45 (eenduizend honderdenvijfentwintig euro en vijfenveertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 april 2015 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 21 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit vonnis is gegeven door mr. S. Brinkhoff (voorzitter), mr. L.C.P. Goossens en mr. C. van Linschoten rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. Diebels, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 11 augustus 2015.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant 3] van de politie Oost Nederland, district Gelderland-Zuid, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2015173335, gesloten op 20 mei 2015 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Aangifte [slachtoffer] , p. 31-32, verhoor aangever [slachtoffer] , p. 45-47, de verklaring zoals afgelegd ter terechtzitting van 28 juli 2015 door de verdachte ..

3 Proces-verbaal verhoor van aangever, p. 45-47.

4 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] , p.53.

5 Proces-verbaal onderzoek stuk van overtuiging, p. 131-133.

6 Rapport NFI onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek

7 Proces-verbaal doorzoeking, p. 159-160 en proces-verbaal omschrijving wapens en munitie, p. 227-232.

8 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 224.