Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:5211

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
04-08-2015
Datum publicatie
07-08-2015
Zaaknummer
05/881824-14 tul 21/003153-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Gelderland heeft een 21-jarige man uit Almelo een celstraf van 18 maanden opgelegd voor afpersing en diefstal. Daarvan zijn 9 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar. De man had nog een oude voorwaardelijke straf ‘open staan’, die 5 maanden moet hij nu alsnog uitzitten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer : 05/881824-14

Vordering na voorwaardelijke veroordeling: 21/003153-12

Datum uitspraak : 4 augustus 2015

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] ,

ingeschreven te [adres 1] ,

thans verblijvende te [adres 2] .

raadsvrouw : mr. A.A.G. Hiddink, advocaat te Almelo.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van

14 april 2015, 2 juni 2015 en 21 juli 2015.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na een wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.

Primair

hij op of omstreeks 08 december 2014 te Apeldoorn tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen

door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van twee/een enveloppe(n)(inhoudende geldbedragen van respectievelijk ongeveer 750 Euro en ongeveer 454 Euro), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan van [naam bedrijf] en/of aan [benadeelde] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn

mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij,

verdachte en/of zijn mededader(s)

- die [slachtoffer] heeft/hebben gevolgd en/of onverhoeds- mogelijk verzet brekend-

die [slachtoffer] heeft/hebben geduwd en/of

- pepperspray, althans een bijtende stof in het gezicht van die [slachtoffer] heeft/hebben gespoten en/of (daarbij)

- tegen die [slachtoffer] heeft/hebben geroepen/gezegd dat hij/zij geld wilde(n) hebben en/of (meermalen) heeft/hebben geroepen dat hij/zij geld wilde(n) hebben en anders die [slachtoffer] zou(den) slaan, althans aan die [slachtoffer] woorden van gelijke dreigende aard of strekking heeft/hebben toegevoegd;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

Subsidiair

[medeverdachte 1] op of omstreeks 08 december 2014 te Apeldoorn tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van

twee/een enveloppe(n)(inhoudende geldbedragen van respectievelijk ongeveer 750 Euro en ongeveer 454 Euro), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan van [naam bedrijf] en/of aan [benadeelde] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan die [medeverdachte 1] en/of diens mededader(s) en/of aan verdachte, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat die [medeverdachte 1] en/of diens mededader(s)

- die [slachtoffer] heeft/hebben gevolgd en/of onverhoeds- mogelijk verzet brekend- die [slachtoffer] heeft/hebben geduwd en/of

- pepperspray, althans een bijtende stof in het gezicht van die [slachtoffer] heeft/hebben gespoten en/of (daarbij) tegen die [slachtoffer] heeft/hebben geroepen/gezegd dat hij/zij geld wilde(n) hebben en/of (meermalen) heeft/hebben geroepen dat hij/zij geld wilde(n) hebben en anders die

[slachtoffer] zou(den) slaan, althans aan die [slachtoffer] woorden van gelijke dreigende aard of strekking

heeft/hebben toegevoegd, tot en/of bij het plegen van welk misdrijf hij, verdachte in of omstreeks de

periode van 01 december 2014 tot en met 08 december 2014 te Apeldoorn en/of elders in Nederland tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door toen daar opzettelijk

- aan die [medeverdachte 1] gedetailleerde informatie te verschaffen over de door die van [naam bedrijf] en/of die [benadeelde] gehanteerde afstortprocedure van de omzet(ten) en/of

- aan die [medeverdachte 1] een broek/kleding en/of pepperspray en/of handschoenen en/of een muts te verstrekken en/of

- die [medeverdachte 1] te vervoeren naar het pand waar die van [naam bedrijf] gevestigd is en/of

- in de nabije omgeving (in een auto) te gaan en/of te blijven staan teneinde die [medeverdachte 1] (verder) te vervoeren ;

2.

Primair

hij op of omstreeks 08 december 2014 te Apeldoorn tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van (een) scootersleutel(s), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld onder meer hierin bestond(en) dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s)

onverhoeds- mogelijk verzet brekend- die [slachtoffer] heeft/hebben geduwd en/of (meermalen) pepperspray, althans een bijtende stof in het gezicht van die [slachtoffer] heeft/hebben gespoten en/of (daarbij) tegen die [slachtoffer] heeft/hebben geroepen/gezegd dat hij/zij de scooter van die [slachtoffer] wilde(n) hebben

EN/OF

hij op of omstreeks 08 december 2014 te Apeldoorn tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een scooter in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het

oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s) onverhoeds- mogelijk verzet brekend- die [slachtoffer] heeft/hebben geduwd en/of (meermalen) pepperspray, althans een bijtende stof in het gezicht van die [slachtoffer] heeft/hebben gespoten en/of (daarbij) tegen die [slachtoffer] heeft/hebben geroepen/gezegd dat hij/zij de scooter van die [slachtoffer] wilde(n) hebben;

althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling leidt:

Subsidiair

[medeverdachte 1] op of omstreeks 08 december 2014 te Apeldoorn tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte

van (een) scootersleutel(s), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan die [medeverdachte 1] en/of diens mededader(s) en/of aan verdachte, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld onder meer hierin bestond(en) dat die [medeverdachte 1] en/of diens mededader(s) onverhoeds- mogelijk verzet brekend- die [slachtoffer] heeft/hebben geduwd en/of (meermalen) pepperspray, althans een bijtende stof in het gezicht van die [slachtoffer] heeft/hebben gespoten en/of (daarbij) tegen die [slachtoffer] heeft/hebben geroepen/gezegd

dat hij/zij de scooter van die [slachtoffer] wilde(n) hebben

EN/OF

[medeverdachte 1] op of omstreeks 08 december 2014 te Apeldoorn tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een scooter in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] ,

in elk geval aan een ander of anderen dan aan die [medeverdachte 1] en/of diens mededader(s) en/of aan verdachte

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat die [medeverdachte 1] en/of diens mededader(s) onverhoeds- mogelijk verzet brekend- die [slachtoffer] heeft/hebben geduwd en/of (meermalen) pepperspray, althans een bijtende stof in het gezicht van die [slachtoffer] heeft/hebben gespoten en/of (daarbij) tegen die [slachtoffer] heeft/hebben geroepen/gezegd dat hij/zij de scooter van die [slachtoffer] wilde(n) hebben,

tot en/of bij het plegen van welk(e) misdrijven/misdrijf hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 01 december 2014 tot en met 08 december 2014 te Apeldoorn en/of elders in Nederland opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door

toen daar opzettelijk

- aan die [medeverdachte 1] informatie over de (persoonlijkheid van de) bestuurder van die scooter te verschaffen en/of

- aan die [medeverdachte 1] pepperspray te verstrekken.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs1

Aanleiding onderzoek

Op maandag 8 december 2014 omstreeks 00.12 uur, kwam bij de meldkamer van de Politie Oost Nederland de melding binnen van een overval, gepleegd bij [bedrijf 1] , [adres 3] . Een medewerker zou omstreeks 00.05 uur zijn overvallen, waarbij een geldbedrag was buitgemaakt. De dader zou zijn gevlucht op de scooter van de medewerker.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de feiten 1 primair en 2 primair. Ter terechtzitting heeft de officier van justitie de bewijsmiddelen opgesomd en toegelicht.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte integraal dient te worden vrijgesproken van de hem tenlastegelegde feiten vanwege het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. Ter terechtzitting heeft de raadsvrouw het standpunt van de verdediging toegelicht aan de hand van haar – aan het proces-verbaal gehechte - pleitnotities.

Beoordeling door de rechtbank

Feit 1 primair

Aangever [slachtoffer]2, werkzaam bij [bedrijf 1] te Apeldoorn, verklaart bij de politie dat hij op zondag 7 december 2014 bij [bedrijf 1] werkzaam was en dat hij tegen sluitingstijd de administratie moest afhandelen en de zaak moest sluiten. Aangever diende het contante deel van de omzetten van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] , zijnde die dag respectievelijk € 750,42 en € 454,00, in twee enveloppen weg te brengen naar cafetaria [bedrijf 3] aan de [adres 4] , alwaar het geld in een kluis gestort kon worden. Aangever heeft die nacht om 00.06 uur het pand verlaten via de personeelsingang aan de zijde van de [adres 3] . Aangever liep naar zijn bromfiets en kreeg plotseling een duw. Aangever zag dat een man met een zelfgemaakte zwarte bivakmuts op, waarin hele kleine gaatjes bij de ogen waren geknipt en geen mondopening, hem die duw had gegeven. Nadat de man hem geduwd had, sprayde hij aangever met een busje in zijn ogen. Aangever voelde gelijk pijn opkomen in zijn gelaat en hij moest zijn ogen samenknijpen. De man riep naar hem dat hij geld wilde hebben. De man herhaalde enkele keren dat hij geld wilde hebben, anders zou hij aangever slaan. Aangever voelde zich zo bedreigd dat hij de enveloppen uit zijn jaszak haalde en aan de man heeft gegeven. De man pakte die enveloppen met zijn linkerhand aan. In zijn rechterhand hield hij het busje.

De beelden van de beveiligingscamera’s in de buurt van het gebouw van [bedrijf 1] met de opnames van 7 december 20143 zijn uitgekeken op de plaats delict. Het bleek dat de tijdsinstelling van de bewakingscamera’s 13 minuten achterliep. Op de beelden is te zien dat een medewerker van [bedrijf 1] de toegangsdeur van het pand dicht trekt en kennelijk afsluit. De werkelijke tijd is dan 08 december te 00.06 uur. Na circa 2 minuten komt een manspersoon vanuit de richting Kanaal Zuid aan rennen. De man draagt onder andere een zwarte bivakmuts. Op de beelden is te zien dat de man de medewerker van [bedrijf 1] een duw tegen de borst geeft, waardoor de medewerker met zijn rug tegen de muur komt te staan. Beide mannen gebaren met hun handen. De medewerker wrijft vervolgens in zijn ogen. Hierna overhandigt hij kennelijk goederen aan die man. De man loopt naar een scooter met een hoog scherm waar hij opstapt. De lichten van de scooter gaan aan. Hij manoeuvreert de scooter achteruit en rijdt weg over de [adres 3] in de richting van Kanaal Zuid.

Medeverdachte [medeverdachte 1]4 heeft bij de politie als volgt verklaard:

“Ik was (ongeveer 2 à 3 dagen voor de overval van 8 december 2014) op bezoek bij [medeverdachte 2] aan de [adres 5] . Zij is de zus van mijn ex. Die avond was ook een bekende bij haar aanwezig. Het is een vriend van haar. Hij leverde later de muts en de pepperspray voor de overval. Hij is iets ouder dan ik ben. Hij is ongeveer 1.70 a 1.75 meter groot. Hij had kort stekeltjes haar. Beetje haakneus, alsof die een keer gebroken was. Ik zou hem daar wel aan kunnen herkennen. Ik kreeg te horen dat [medeverdachte 2] in financiële moeilijkheden verkeerde. [medeverdachte 2] wist nu wel een mogelijkheid om aan geld te komen en dat zou ik moeten doen. Zij had gewerkt bij de [bedrijf 4] aan de [adres 4] . De eigenaar heeft nog twee zaken. Het betreft in ieder geval [bedrijf 1] en iets van een [bedrijf 5] of [bedrijf 2] . [medeverdachte 2] wist te vertellen dat elke zondag tussen 23.00 en 24.00 uur vanaf de [adres 6] de dagomzetten naar de [bedrijf 4] aan de [adres 4] worden gebracht. Ze wist ook te vertellen dat daar dan een jongen werkte die op een scooter was en die dan heel makkelijk het geld zou afgeven. Het zou allemaal heel makkelijk zijn. Toen [medeverdachte 2] mij dit verhaal vertelde, besloot ik het te doen.”5

(verwijderd publicatie)

Waarschijnlijk heeft hij toen gedacht dat het te heet onder zijn schoenen werd. Ik weet wel dat [verdachte] later [medeverdachte 2] bedreigd heeft. Dat was een gedoe over geld. [verdachte] heeft toen gedreigd dat zij op moest houden, anders zou hij wel een patatje gaan eten bij [bedrijf 3] en daar alles vertellen. Ik denk dat hij sowieso niet naar [bedrijf 3] zou gaan, want dan zou hij zichzelf ook verraden.”6

Met betrekking tot de dag van de overval heeft [medeverdachte 1] verder verklaard:

De afspraak was dat ik na afloop naar [medeverdachte 2] toe zou gaan. Ik zou dan de scooter van die jongen mee kunnen nemen, want die was mooi snel. [medeverdachte 2] heeft mij ook de naam van die werknemer verteld. Ik had de muts op, handschoenen aan en de pepperspray in mijn jaszak. Ik heb een uurtje tegenover die zaken staan wachten. Ik stond dus in het zijstraatje van de [adres 6] . Op een gegeven moment zag ik een jongen naar buiten komen. Toen die jongen naar buiten kwam wist ik dat ik hem moest hebben. Ik ben naar hem toegegaan. Ik vroeg hem om geld. Maar nu bleek dat het helemaal niet zo makkelijk ging, wat [medeverdachte 2] wel verteld had. Want de jongen zei dat hij geen geld had. Ik wist zeker dat hij geld had. Ik ging met mijn hand in mijn jaszak en haalde de pepperspray eruit. Toen ik hem uit mijn jaszak haalde, kwam mijn vinger op het knopje en de pepperspray spoot tussen ons in. We hadden er allebei last van. Toen gaf hij wel dat geld. Althans hij gaf mij twee enveloppen.”7

“Ik stuurde [medeverdachte 2] een WhatsApp bericht waarin ik haar vertelde dat de politie achter mij aanzat. Ik legde uit waar ik was en zij wist dat wel en kwam mij toen ophalen. Zij heeft mij toen naar de [bedrijf 6] gebracht. Daar heb ik haar de enveloppen gegeven. [medeverdachte 2] heeft mij toen in eerste instantie al 50 euro gegeven en de volgende dag nog 300 euro.”8

Medeverdachte [medeverdachte 2]9 verklaart bij de politie dat zij twee maanden geleden is ontslagen door de eigenaar van het bedrijf [bedrijf 1] te Apeldoorn en dat zij door dit ontslag in financiële problemen (o.a. huurschuld) is gekomen. Het idee voor de overval op de [bedrijf 1] is ontstaan omdat [medeverdachte 2] en medeverdachte [medeverdachte 1] (die [medeverdachte 2] een aantal malen tegen sluitingstijd van de zaak had binnengelaten) de procedure van het geldtransport kenden. [medeverdachte 2] verklaart met betrekking tot het idee om de opbrengst van de [bedrijf 1] te stelen: “ [medeverdachte 1] kwam daar op het idee voor de overval. Ik wilde er niet in meegaan. [verdachte] zei: het is misschien wel een optie, als ik er dan wat geld bij doe dan hoef je in ieder geval niet je huis uit. [verdachte] heeft toen alle middelen geregeld zodat [medeverdachte 1] het kon doen. [verdachte] heeft alles geregeld.”

(verwijderd publicatie)

[medeverdachte 1] kwam met het idee om mij van de huurschulden af te helpen. Het was ook meer wraak naar mijn oude baas toe. Ergens eind november zijn we samengekomen, toen heb ik het er met [medeverdachte 1] [medeverdachte 1] over gehad. [verdachte] kwam 2 december in beeld.”10

“De reden dat ik meegedaan heb is omdat ik twee maanden geen geld heb gehad. Dus toen [medeverdachte 1] met dat idee kwam, dacht ik we doen het maar.”11

“Woensdag of donderdag hebben we afgesproken dat het die zondag zou gebeuren. Bij dat gesprek waren [medeverdachte 1] , [verdachte] en ik.”12

(Verwijderd publicatie)

[verdachte] is naar Arnhem gereden om de pepperspray en de muts te halen.”

“ [verdachte] zou eerst op zaterdag een muts regelen. [medeverdachte 1] appte zaterdagmiddag of [verdachte] het geregeld had. Dus ik vroeg aan [verdachte] of hij dat had gedaan. [verdachte] zei dat dat niet het geval was, maar dat hij de volgende dag naar Arnhem zou gaan omdat het daar koopzondag was. [verdachte] zou ook de pepperspray regelen. Hij had ’s avonds gewoon die spullen.”13

In het proces-verbaal van bevindingen inzake het uitlezen van de mobiele telefoon van medeverdachte [medeverdachte 2] staat onder meer – zakelijk weergegeven- in de Whatsapp berichten van haar telefoon:

(verwijderd publicatie)

Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft verder over de planning het volgende verklaard.

“Woensdag of donderdag hebben we afgesproken dat het die zondag zou gebeuren. Ja, op woensdag wisten we dat het zondag zou gebeuren.

(verwijderd publicatie)

Met betrekking tot de dag van de overval heeft medeverdachte [medeverdachte 2] verder verklaard:

“ [medeverdachte 1] hebben we om acht uur opgehaald met de BMW van [verdachte] en we zij toen naar mijn huis gegaan. [medeverdachte 1] maakte zelf die muts door er gaten in te knippen. We waren heel zenuwachtig, behalve [verdachte] .14

“We zijn op de terugweg langs de [bedrijf 1] gereden. We zagen toen een scooter staan en ik zag dat dit niet de scooter van [slachtoffer] was, want [slachtoffer] heeft geen scherm voor zijn scooter. Ik had verwacht dat [slachtoffer] zou werken“. Degene die normaal afsluit, [betrokkene 1] , die ken ik al heel lang en daar had ik een goede band mee. Ik wilde hem dat niet aandoen.”

“Ik zei ook, als die witte scooter er staat dan gebeurt het sowieso niet, want dat is de scooter van [betrokkene 1] .”

“Ik zag dat het niet de scooter van [betrokkene 1] was en dus gingen wij het doen.”

“We zijn met z’n drieën teruggereden naar mijn huis. Thuis kreeg [medeverdachte 1] de spullen van [verdachte] . [medeverdachte 1] heeft toen gaten geknipt in de muts.”15

“Tussen elf uur en kwart over elf ’s avonds hebben [verdachte] en ik [medeverdachte 1] afgezet aan de [adres 7] . Ik wist toen dat de overval gepleegd zou gaan worden. [verdachte] en ik zijn toen naar de [adres 8] gereden. Daar hebben we in de auto gewacht op een seintje van [medeverdachte 1] .”

Met betrekking tot het moment na het afzetten van medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verdachte verklaard: “We hebben bij de [adres 8] staan wachten in de auto. Ik heb [medeverdachte 1] nog aan de telefoon gehad, hij belde mij nog om te zeggen dat het niet klopte. Ik vertelde [medeverdachte 1] dat hij moest stoppen. [verdachte] maakte toen gebaren naar mij, hij wilde niet dat ik dat zei dat [medeverdachte 1] moest stoppen. En toen ineens zagen we [medeverdachte 1] op een scootertje langsrijden. [verdachte] zei: we rijden naar huis.”16

En verder: “Ik zat met [verdachte] in de auto te wachten. Wij stonden te wachten aan de [adres 8] . Ik was de bestuurder van de auto.”17

(verwijderd publicatie)

Nadat ik met [medeverdachte 1] contact had gehad ben ik met [verdachte] naar de [adres 9] gereden, waar [betrokkene 2] en [betrokkene 3] ook waren. [verdachte] had gezegd dat wij daar maar heen moesten rijden omdat we dan een alibi zouden hebben. Ik zei toen dat ik [medeverdachte 1] daar niet zo kon laten staan. [verdachte] zei laat hem dan naar de [adres 10] komen. Waarop [betrokkene 2] zei laat [medeverdachte 1] naar dat en dat nummer komen. Omdat dat dichterbij zou zijn vooraan de weg. Daar zijn [betrokkene 2] en ik in de auto van [verdachte] heen gereden.”18

Met betrekking tot het geld dat bij de overval was buitgemaakt heeft medeverdachte [medeverdachte 2] verklaard: “Hij (medeverdachte [medeverdachte 1] ) gaf mij geld. Dat was 1040 euro. Het was niet in een envelop. Ik kreeg het gewoon los. Ik heb [medeverdachte 1] 70 euro meegegeven. Eerst 50 euro en toen 20 euro voor een taxi.”19

“ [medeverdachte 1] had nog een hand vol met losgeld in zijn zakken. Dat heeft hij zelf gehouden.

(verwijderd publicatie)

Feit 2 primair

Aangever [slachtoffer] heeft verklaard dat, nadat hij de enveloppen had afgegeven, de man zei dat hij de scootersleutels van aangever wilde hebben. Aangever had de sleutels van de scooter in zijn hand en weigerde deze eerst af te geven, maar nadat de man weer begon te spuiten met de bijtende stof, heeft aangever de sleutels gegeven. De man griste de sleutels uit zijn handen, stapte op de scooter en startte die. Aangever zag dat de man wegreed op de scooter de [adres 3] in en vervolgens de Lepelaarweg op in de richting van Kanaal Zuid.20

Medeverdachte [medeverdachte 1]21 heeft daarover verklaard:

“De afspraak was dat ik na afloop naar haar (medeverdachte [medeverdachte 2] ) toe zou gaan. Ik zou dan de scooter van die jongen mee kunnen nemen, want die was mooi snel.”22

“Ik vroeg hem nu om de scootersleutels. Die kreeg ik. Ik startte de scooter en ben weggereden. Ik ben richting het fietsbruggetje gegaan, naar de wijk de Maten waar [medeverdachte 2] woont. Halverwege kwam ik de politie tegen. Ik kreeg het vermoeden dat ze mij wilden controleren. Ik ben toen vlug een paadje ingereden en daar heb ik de scooter neer gegooid en ben weggerend.”23

Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft bij de politie verder verklaard dat hij de overval waarschijnlijk niet had gedaan als er geen scooter stond. “ [medeverdachte 2] zei dat er in ieder geval een scooter stond, die ik dan mee zou kunnen nemen.”24

Medeverdachte [medeverdachte 2]25 heeft met betrekking tot de afpersing en diefstal van de scooter verklaard:

“ [medeverdachte 1] heeft tegen mij gezegd, dat hij als hij de kans kreeg, ook de scooter zou stelen. We hadden afgesproken dat hij die scooter dan zou dumpen niet al te dicht bij mijn woning. Hij zou naar mijn huis komen. Als het niet zou lukken, zou [medeverdachte 1] na de overval naar mij en [verdachte] komen rennen en wij stonden klaar met de auto om naar huis te rijden. Toen we [medeverdachte 1] met de scooter langs ons zagen rijden wisten wij dat het gelukt was. [verdachte] en ik zijn met de auto naar mijn huis gegaan. [medeverdachte 1] vertelde dat hij van de scooter was gestapt en naar de Bierbrouwerhorst was gelopen. Toen hij daar aan kwam waren wij al weg. Omdat [medeverdachte 1] dacht de politie te zien, is hij terug gerend naar de scooter en keihard de wijk De Maten ingescheurd om naar mijn huis te rijden. Hij is de weg kwijtgeraakt.”

Nadere bewijsoverweging ten aanzien van beide feiten

Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de primair onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde feiten heeft begaan.

De verdachte heeft ter terechtzitting van 21 juli 2015 ontkend iets met de roofoverval op

[slachtoffer] , medewerker van de [bedrijf 1] , te maken te hebben gehad.

De rechtbank overweegt daaromtrent als volgt.

De verklaringen van de medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] komen er - kort gezegd - op neer dat verdachte betrokken is geweest bij de overval op een medewerker van de [bedrijf 1] op 8 december 2014. Ten aanzien van de rol van verdachte bij de planning en de uitvoering van de overval hebben zij uitvoerige, gedetailleerde en consistente verklaringen afgelegd. Zo hebben zij verklaard dat verdachte een rol heeft gespeeld bij het voorbespreken en regisseren van de overval, dat verdachte de muts en de pepperspray heeft geregeld, dat verdachte samen met [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] naar de plek van de overval heeft gebracht, dat [medeverdachte 1] vervolgens de overval heeft gepleegd en dat verdachte samen met [medeverdachte 2] op een afgesproken punt en tijdstip hebben gewacht op [medeverdachte 1] om na de overval de vlucht mogelijk te maken.

Gezien het voorgaande en het feit dat zij door aldus te verklaren ook zichzelf ernstig hebben belast, acht de rechtbank de afgelegde verklaringen van de medeverdachten betrouwbaar en geloofwaardig en derhalve bruikbaar als bewijs. Het verweer van de raadsvrouw op dit punt wordt verworpen.

De rechtbank acht op grond van voormelde bewijsmiddelen bewezen dat de verdachte een rol heeft gespeeld bij en een aandeel heeft gehad in de roofoverval op [slachtoffer] , medewerker van [bedrijf 1] , in Apeldoorn.

De rechtbank overweegt daarbij dat vast is komen te staan dat er sprake is geweest van een zodanig nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] , gericht op de totstandkoming van het bewezenverklaarde, dat er sprake is van medeplegen.

De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Er is sprake van samenwerking en een onderlinge taakverdeling tussen verdachte en medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] . De rechtbank let daarbij op de intensiteit van de samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, uitvoering en afhandeling van het delict en de aanwezigheid van verdachte op belangrijke momenten. Deze rol van verdachte komt onder andere tot uitdrukking in het samen met medeverdachte [medeverdachte 1] en medeverdachte [medeverdachte 2] vóórbespreken en regisseren van de verschillende handelingen en tijdstippen van de overval, het kopen van een muts en pepperspray, het samen met [medeverdachte 2] met de auto van [verdachte] medeverdachte [medeverdachte 1] thuis ophalen en later wegbrengen naar de plek van de overval en het in de auto samen met [medeverdachte 2] op een afgesproken punt en tijdstip wachten op [medeverdachte 1] , om zodoende na de overval de vlucht mogelijk te maken.

Alle omstandigheden in aanmerking nemend, is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het in vereniging plegen van een roofoverval op [slachtoffer] , medewerker van de [bedrijf 1] , te Apeldoorn.

Ten aanzien van feit 2 primair, de afpersing en de diefstal van de scooter vergezeld van (bedreiging met) geweld, is de rechtbank van oordeel dat voldoende uit de bewijsmiddelen is gebleken dat verdachte een substantieel aandeel heeft gehad in de plannen om de scooter van aangever te stelen. Medeverdachte [medeverdachte 1] verklaart hierover dat het een plan was van medeverdachte [medeverdachte 2] om de scooter van [slachtoffer] mee te nemen en [medeverdachte 2] heeft hierover bij de politie verklaard dat zij, samen met verdachte, in de auto zou wachten op [medeverdachte 1] , zodat [medeverdachte 1] – indien de diefstal van de scooter zou mislukken – met hen zou kunnen vluchten.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1 primair en feit 2 primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij op 8 december 2014 te Apeldoorn tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld

[slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van twee enveloppen inhoudende geldbedragen van respectievelijk ongeveer 750 Euro en ongeveer 454 Euro toebehorende aan Van [naam bedrijf] , welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat zijn mededader, die [slachtoffer] onverhoeds heeft geduwd en pepperspray in het gezicht van die [slachtoffer] heeft gespoten en daarbij tegen die [slachtoffer] meermalen heeft geroepen dat hij geld wilde hebben en anders die [slachtoffer] zou slaan;

2.

hij op 8 december 2014 te Apeldoorn tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld

[slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van scootersleutels toebehorende aan die [slachtoffer] , welk geweld en welke bedreiging met geweld onder meer hierin bestonden dat zijn mededader, onverhoeds die [slachtoffer] heeft geduwd en pepperspray in het gezicht van die [slachtoffer] heeft gespoten en daarbij tegen die [slachtoffer] heeft geroepen dat hij de scooter van die [slachtoffer] wilde hebben;

en

hij op 8 december 2014 te Apeldoorn tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een scooter toebehorende aan [slachtoffer] , welke diefstal werd voorafgegaan van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat zijn mededader, onverhoeds die [slachtoffer] heeft geduwd en pepperspray in het gezicht van die [slachtoffer] heeft gespoten en daarbij tegen die [slachtoffer] heeft geroepen dat hij de scooter van die [slachtoffer] wilde hebben.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 1 primair

Afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

Feit 2 primair

Afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

en

Diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

5 De strafbaarheid van het feit

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Op 8 juli 2015 is door [psycholoog] , forensisch psycholoog, een rapportage opgemaakt omtrent de persoon van verdachte. De psycholoog concludeert dat bij verdachte geen ziekelijke stoornis van de geestvermogens aanwezig wordt geacht. Er is wel sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van een antisociale persoonlijkheidsstoornis met narcistische trekken. Verdachte neemt weinig verantwoordelijkheid voor zijn delictgedrag. Naar aanleiding van het onderzoek worden bij verdachte vooral een weinig doorleefd gevoelsleven, krenkbaarheid, wisselend normbesef, beperkte frustratietolerantie en verhoogde prikkelbaarheid waargenomen. Uit het justitieel verleden en het testmateriaal blijkt onder meer dat hij onvoldoende beschikt over adequate controle over emoties en gedrag. Er is sprake van agressieremming, waarschijnlijk uit angst voor agressieve impulsdoorbraken.

Verdachte wil inhoudelijk niet praten over het plegen van de ten laste gelegde feiten. Hij wil daarnaast inhoudelijk zeer beperkt praten over eerder (soortgelijk) delictgedrag. Al met al is er te weinig informatie beschikbaar om voldoende zicht te kunnen krijgen op zijn aandeel in het plegen van de feiten. De psycholoog onthoudt zich daarom van een uitspraak over een verband tussen diagnose en delict en de toerekeningsvatbaarheid.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte strafbaar is, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden als gesteld in het reclasseringsrapport d.d. 19 mei 2015.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat, mocht de rechtbank overwegen om tot oplegging van een vrijheidsstraf over te gaan, het onvoorwaardelijke deel van de vrijheidsstraf gelijk dient te zijn aan de reeds ondergane voorlopige hechtenis. In het kader van een voorwaardelijk strafdeel kan vervolgens de begeleiding door de reclassering alsmede de contacten met reclasseringswerker [reclasseringswerker] worden voortgezet, aldus de raadsvrouw.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 14 juli 2015;

- een rapport van [psycholoog] , forensisch psycholoog, gedateerd 8 juli 2015;

- een voorlichtingsrapportage van Reclassering Nederland, gedateerd 19 mei 2015.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen - en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een deels onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van na te melden duur leiden - dat verdachte samen met de medeverdachten de roofoverval heeft voorbereid en geregisseerd, waarbij medeverdachte [medeverdachte 1] de roofoverval daadwerkelijk heeft uitgevoerd.

Dit betreft een zeer ernstig feit, dat getuigt van weinig respect voor de eigendommen van een ander en een gebrek aan besef van de grote impact die dit soort daden heeft op het slachtoffer. Het slachtoffer heeft in het schade-onderbouwingsformulier aangegeven dat hij hierdoor dagen niet heeft kunnen slapen, dat hij lang last heeft gehouden van schrikkerigheid en dat hij zich tijdens zijn werk erg gespannen voelde. “Ik vind het nog steeds bizar dat ik op die manier overvallen ben en dat ze zo mijn leven op zijn kop hebben gezet,” aldus het slachtoffer.

Naast de gevolgen voor het directe slachtoffer heeft een dergelijk feit ook tot gevolg dat anderen die ervan horen worden aangetast in hun gevoel van veiligheid. Verdachte neemt door zijn ontkennende houding hiervoor totaal geen verantwoordelijkheid.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmaat ten nadele van verdachte meegewogen dat uit het strafblad van verdachte 26 is gebleken dat hij al meermalen met politie en justitie in aanraking is gekomen voor strafbare feiten en daarvoor is veroordeeld, hetgeen hem er niet van heeft weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

De rechtbank heeft verder in ogenschouw genomen voormeld rapport van [psycholoog] , forensisch psycholoog, waarin onder meer staat opgenomen dat de kans op herhaling van soortgelijk delictgedrag hoog wordt geacht; er zijn veel risicofactoren en onvoldoende beschermende factoren. Deze hoge recidivekans wordt verder ondersteund met de eigen klinische blik. [psycholoog] heeft hierover verder opgemerkt dat het zorgelijk is dat verdachte tijdens het huidige onderzoek problemen loochent, hier niet of amper over wil praten en geen openheid wenst te verschaffen over zijn functioneren op meerdere essentiële levensgebieden. Ondertussen is er sprake van ernstige persoonlijkheidspathologie, een aanzienlijk justitieel verleden en van meerdere risicofactoren voor toekomstig soortgelijk delictgedrag.

Ondanks het feit dat verdachte inhoudelijk niet wenst te praten over de ten laste gelegde

feiten, is er op basis van dit onderzoek een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens

vastgesteld en is er een hoog risico op soortgelijk delictgedrag. Verdachte heeft nooit eerder

behandeling ondergaan voor zijn persoonlijkheidsstoornis. Er zijn volgens [psycholoog] meerdere risicofactoren die met een ambulante behandeling bij een forensische polikliniek kunnen worden teruggedrongen, en die met een stevig toezicht kunnen worden beïnvloed.

Vanwege de beperkte intrinsieke motivatie voor behandeling blijft er een grote kans bestaan

op schijnaanpassing door verdachte aan een behandeling. Een behandelverplichting kan in

dat opzicht negatief werken. Het opleggen van een toezicht waarbinnen kan worden gewerkt

aan contactopbouw en geprobeerd kan worden om hem voor een behandeling te motiveren zal meer kans van slagen hebben, aldus [psycholoog] , forensisch-psycholoog.

De rechtbank heeft tevens kennis genomen van het voorlichtingsrapport van de reclassering, dat mondeling ter terechtzitting op 21 juli 2015 is toegelicht door mevrouw [reclasseringswerker] namens de reclassering in Almelo. De reclassering acht op basis van de beschikbare informatie het recidiverisico matig. Echter, wegens de ontkennende opstelling van verdachte kan hierover geen uitspraak worden gedaan. Voorts heeft de reclassering gemeld dat er een afname lijkt te zijn in de frequentie van zijn justitiecontacten en dat verdachte zich verder aan afspraken leek te houden en daadwerkelijk aan de slag leek te gaan met stof tot nadenken, hetgeen in eerdere toezichten niet gebeurde. Beschermende factoren zijn naar mening van de reclassering dat betrokkene werk/dagbesteding, inkomen en huisvesting heeft en dat er geen sprake is van financiële problematiek. Ook zijn er geen aanwijzingen meer voor middelengebruik. Voortzetten van het toezicht (bij reclassering Almelo) acht de reclassering dan ook zeer gewenst. Verdachte is wel bereid mee te werken aan nadere diagnostiek en aan een ambulante behandeling, maar ziet dat in een gedwongen kader niet zitten, aldus [reclasseringswerker] . Om methodisch te kunnen handelen heeft [reclasseringswerker] dan ook geadviseerd om als bijzondere voorwaarde op te leggen een ambulante behandelverplichting, met daarbij de formulering ‘voor zover en voor zolang de reclassering zulks nodig acht.’

De rechtbank heeft voorts meegewogen dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht tot tweemaal toe van toepassing is. Ten slotte heeft de rechtbank gelet op de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het LOVS inzake feiten, soortgelijk aan de bewezenverklaarde feiten en heeft zij ook meegewogen de straffen die aan de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zijn opgelegd.

Alles overwegende komt de rechtbank tot het oordeel dat een gevangenisstraf van achttien maanden, waarvan negen maanden voorwaardelijk met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden is. De rechtbank overweegt dat deze straf recht doet aan de ernst van de feiten en de overige omstandigheden van het geval die maken dat tot een lagere strafoplegging wordt overgegaan dan door de officier van justitie geëist.

De rechtbank stelt de straf van verdachte gelijk aan die van zijn medeverdachten nu zij van oordeel is dat de drie betrokken verdachten tezamen en in vereniging – ieder in hun eigen

rol – gezamenlijk hebben gehandeld, waarbij bij verdachte sterk meespeelt dat hij reeds vele malen met justitie in aanraking is geweest.

Aan het voorwaardelijk strafdeel zullen de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden worden verbonden, omdat de rechtbank het in het belang van verdachte acht dat hij hulp krijgt en ambulant wordt behandeld om soortgelijke situaties in de toekomst te voorkomen.

7a. De beoordeling van de civiele vordering, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partijen [benadeelde] en [slachtoffer] hebben zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het onder respectievelijk feit 1 en 2 bewezenverklaarde.

Door [benadeelde] wordt een bedrag van € 728,- (materiële schade) gevorderd.

Door [slachtoffer] worden de bedragen gevorderd van € 172,65 (materiële schade), € 461,89 (psychologische hulp) en € 1.000,- (immateriële schade).

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht de benadeelde partij [benadeelde] niet ontvankelijk te verklaren in haar vordering, nu deze onvoldoende is onderbouwd.

De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] tot betaling van het bedrag van in totaal € 1.634,54 hoofdelijk toe te wijzen, waarbij tevens de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag, alsmede toewijzing van de wettelijke rente vanaf 8 december 2014.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft primair verzocht beide vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren, gelet op de door haar bepleitte integrale vrijspraak.

Geheel subsidiair heeft de raadsvrouw ten aanzien van de vordering van [slachtoffer] aangevoerd dat deze moet worden gematigd voor wat betreft de gevorderde immateriële schadevergoeding aangezien de casus die door de benadeelde partij ter vergelijking is aangevoerd, qua ernst en feitelijkheden niet overeen komt met de aan verdachte ten laste gelegde feiten.

Geheel subsidiair heeft zij ten aanzien van de vordering van Van [naam bedrijf] aangevoerd dat deze niet-ontvankelijk verklaard dient te worden nu deze vordering onvoldoende is onderbouwd en ten aanzien van de post ‘loonkosten’ bovendien geen sprake is van rechtstreekse schade.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank is ten aanzien van de vordering van [benadeelde] van oordeel dat deze vordering onvoldoende is onderbouwd. Bij de rechtbank bestaat onduidelijkheid over de opgevoerde loonkosten en over de urendeclaratie bij de politie. Ten aanzien van de eerste post heeft de rechtbank uit het dossier begrepen, dat het beleid bij [bedrijf 1] ten aanzien van het afsluiten van het restaurant zo is, dat er op het tijdstip van afsluiten altijd twee werknemers aanwezig zijn. Er is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen schade ontstaan door het draaien van de door de benadeelde partij opgevoerde dubbele diensten. De opgevoerde urendeclaratie is niet onderbouwd en de rechtbank overweegt dat aanhouding van de zaak om de benadeelde partij de gelegenheid te geven de vordering nader te onderbouwen niet in de rede ligt. Dit zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren.

De benadeelde partij zal dan ook niet-ontvankelijk verklaard worden in de vordering.

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij [slachtoffer] als gevolg van het hierboven onder punt 3 bewezen verklaarde handelen tot een bedrag van € 1.384,54 schade heeft geleden (te weten € 172,65 materiële schade, € 461,89 psychologische hulp en € 750,- immateriële schade), waarvoor verdachte naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk is. De vordering dient tot dit bedrag hoofdelijk te worden toegewezen.

Wat betreft het meer of anders gevorderde zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard worden in haar vordering. De benadeelde partij kan derhalve dat deel van haar vordering slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van het toe te wijzen bedrag ten behoeve van genoemde benadeelde partij.

De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar vanaf 8 december 2014.

7b. Vordering na voorwaardelijke veroordeling (21/003153-12)

De raadsvrouw heeft ten aanzien van de vordering na voorwaardelijke veroordeling aangevoerd dat deze primair niet-ontvankelijk moet worden verklaard dan wel, subsidiair moet worden afgewezen. De raadsvrouw heeft hiertoe aangevoerd dat de proeftijd van deze voorwaardelijk opgelegde straf door de politierechter op de terechtzitting van 26 maart 2015 al is verlengd met een jaar. De raadsvrouw heeft zich derhalve op het standpunt gesteld dat, indien de vordering opnieuw zou worden behandeld, hiermee de rechterlijke uitspraak van 26 maart 2015 zal worden gepasseerd. Daarnaast zal een hernieuwde behandeling in strijd zijn met het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel, aldus de raadsvrouw.

De rechtbank is van oordeel dat, nu is bewezen dat verdachte zich binnen de proeftijd opnieuw heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit, de tenuitvoerlegging van de bij arrest van het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden van 22 november 2013 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden kan worden gelast.

Echter, in de persoon en de omstandigheden van de veroordeelde, als ook gelet op het feit dat de politierechter bij vonnis van 26 maart 2015 de proeftijd van hierboven vermelde voorwaardelijke veroordeling heeft verlengd, ziet de rechtbank aanleiding de tenuitvoerlegging slechts voor een gedeelte, te weten, een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden, te gelasten.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 27, 36f, 57, 63, 312, 317 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden;

 bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf groot 9 (negen) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van na te melden algemene en bijzondere voorwaarden voor het einde van de proeftijd die op twee jaren wordt bepaald;

 legt als algemene voorwaarden op dat de veroordeelde:

- zich voor het einde daarvan niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van haar identiteit haar medewerking zal verlenen aan

het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in

artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

- zijn medewerking zal verlenen aan het door de Reclassering Nederland te houden

toezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de

medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

 legt als bijzondere voorwaarden op dat de veroordeelde:

- zich binnen drie dagen na het onherroepelijk worden van het vonnis zal melden aan de

balie van Reclassering Nederland te Almelo en zich gedurende de proeftijd zich zal

blijven melden bij deze instelling, zo frequent en zolang de instelling dat noodzakelijk

acht;

- zich, ter beoordeling van de reclassering, zal laten behandelen voor zijn psychische

gesteldheid bij (Forensische) psychiatrie de Tender, of een soortgelijke ambulante

forensische zorginstelling, voor zover en voor zolang de reclassering zulks noodzakelijk

acht, waarbij de verdachte zich dan zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van

die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

 geeft opdracht aan de Reclassering Nederland (locatie Almelo) tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

 beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

 veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 2 primair tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer], van een bedrag van € 1.384,54 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 december 2014 tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk in de

vordering;

 verstaat dat indien en voor zover door de mededader en/of mededaders het betreffende schadebedrag is betaald, veroordeelde daarvan zal zijn bevrijd;

 legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer] een bedrag te betalen van € 1.384,54, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 december 2014 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 1 dag hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

 bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

 verklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering;

gelast de tenuitvoerlegging van een gedeelte van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij arrest van het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden van 22 november 2013, te weten van: een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden.

Dit vonnis is gegeven door mr. E.G. de Jong (voorzitter), mr. C.J.M. van Apeldoorn en mr. J. van Santen rechters, in tegenwoordigheid van E.T. Vriezekolk-Velner, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 4 augustus 2015.

De jongste rechter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisanten van de politie Oost Nederland, district Noord- en Oost Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL 2014206868, gesloten op 12 maart 2015 te Apeldoorn en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] , pag. 125 - 128 en 130-133 en 134 -136

3 Proces-verbaal van bevindingen m.b.t. bekijken beelden overval, pag. 180 en 181

4 Proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 1] , pag. 280 - 282 en 290 - 293

5 Proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 1] , pag. 281

6 Proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 1] , pag. 292

7 Proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 1] , pag. 281

8 Proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 1] , pag. 282

9 Proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 2] , pag. 335 - 337 en 346 - 347

10 Proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 2] , pag. 336

11 Proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 2] , pag. 343

12 Proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 2] , pag. 347

13 Proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 2] , pag. 347

14 Proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 2] , pag. 337

15 Proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 2] , pag. 347

16 Proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 2] , pag. 337

17 Proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 2] , pag. 348

18 Proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 2] , pag. 356

19 Proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 2] , pag. 348

20 Proces-verbaal van verhoor aangever [slachtoffer] , pagina 43

21 Proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 1] , pag. 281 en 282 en 290 - 292

22 Proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 1] , pag. 281

23 Proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 1] , pag. 282

24 Proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 1] , pag. 291

25 Proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 2] , pag. 351

26 Uittreksel Justitiële Documentatie van 14 juli 2015