Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:5167

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
06-08-2015
Datum publicatie
06-08-2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 6423
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Berekening ziektewetuitkering. Belanghebbende heeft voor een uitzendbureau bij een inlener gewerkt. Het bedrijf van de inlener is rond de feestdagen van december en januari twee weken gesloten geweest. Belanghebbende heeft voor die periode een WW-uitkering ontvangen. Belanghebbende heeft daarna opnieuw bij de inlener gewerkt en is toen ziek geworden. De rechtbank oordeelt dat sprake is van één en niet twee uitzendovereenkomsten. De dagen uit de weken van de bedrijfssluiting tellen daarom mee als dagloondagen. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: 14/6423

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser] , eiser

(gemachtigde: mr. A.L. Looijenga),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen te Breda, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 5 mei 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser meegedeeld dat aan hem per 16 april 2014 een Ziektewetuitkering wordt toegekend gebaseerd op een dagloon van € 104,94.

Bij besluit van 31 juli 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 juni 2015. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door S. Barto.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

1.1

Eiser is werkzaam geweest voor [uitzendbureau]. (hierna: het uitzendbureau) op basis van een uitzendovereenkomst, gesloten op 6 december 2013. In artikel 2.1 van de uitzendovereenkomst is bepaald dat in geval van aanbod en acceptatie van uitzendarbeid de uitzendovereenkomst wordt aangegaan op basis van fase A van de CAO en artikel 7:690 BW. In artikel 2.2 van die overeenkomst is bepaald dat gedurende de eerste 78 weken waarin de uitzendkracht werkzaamheden verricht het beding van artikel 7:691, tweede lid, van het BW geldt en dat dit betekent dat de uitzendovereenkomst van rechtswege tot een einde komt op het moment dat de terbeschikkingstelling op verzoek van de derde tot een einde komt. Voorts is daarin bepaald dat indien nadien weer een uitzendaanbod wordt aanvaard, de bepalingen van die overeenkomst wederom gelden alsmede eventuele nadere schriftelijke afspraken die partijen wensen te maken naar aanleiding van de uitzendarbeid.

1.2

Eiser heeft uit hoofde van de uitzendovereenkomst vanaf 9 december 2013 als [functie] gewerkt bij [bedrijf] . Wegens bedrijfssluiting heeft eiser niet gewerkt in de laatste week van december 2013 en de eerste week van januari 2014. Eiser heeft over die weken van verweerder een WW-uitkering ontvangen van bruto € 636,30 (over de periode 2 december 2013 tot en met 29 december 2013) en € 512,65 (over de periode 30 december 2013 tot en met 26 januari 2014). Eiser heeft zich op 16 april 2014 met ingang van 14 april 2014 ziek gemeld.

1.3

Volgens gegevens van Suwinet heeft eiser van 9 december 2013 tot 10 augustus 2014 voor het uitzendbureau gewerkt. Door het uitzendbureau is onder meer opgave gedaan van de volgende gegevens:

- SV-loon over de periode 2 december 2013 tot en met 31 december 2013 € 1.306,71; SV-dagen 12;

- SV-loon over de periode 1 januari 2014 tot en met 26 januari 2014 € 1.727,52; aantal SV-dagen 15;

- SV-loon over de periode 27 januari 2014 tot en met 23 februari 2014 € 2.310,17; aantal SV-dagen 20;

- SV-loon over de periode 24 februari 2014 tot en met 23 maart 2014 € 2.324,94; aantal SV-dagen 20;

- SV-loon over de periode 24 maart tot en met 20 april 2014 € 1.809,20; aantal SV-dagen 15.

1.4

Bij de berekening van de ziektewetuitkering heeft verweerder als referteperiode genomen de periode 24 februari 2013 tot 23 februari 2014 en als berekeningsperiode de periode 9 december 2013 tot en met 23 februari 2014. Verweerder heeft vervolgens de inkomsten die eiser in die periode van het uitzendbureau heeft ontvangen, gedeeld door 55 dagloondagen.

2. In geschil is of verweerder bij de berekening van het dagloon terecht is uitgegaan van 55 dagloondagen.

3.1

Eiser heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte de twee weken die hij wegens de bedrijfssluiting niet voor het uitzendbureau heeft gewerkt, heeft meegeteld als dagloondagen. Volgens eiser dient het dagloon te worden berekend door hetzij twee weken, c.q. 10 dagen, buiten beschouwing te laten dan wel door bij de berekening uitsluitend uit te gaan van het loon dat eiser na de onderbreking van twee weken heeft genoten. Volgens eiser is sprake geweest van een opzegging als bedoeld in artikel 7:691 Burgerlijk Wetboek (BW). Eiser stelt dat een dergelijke opzegging mondeling pleegt te worden gedaan door de inlener.

3.2

Verweerder heeft dat betwist. Volgens verweerder is er sprake is van één uitzendovereenkomst met als ingangsdatum 6 december 2013 en is er ook geen sprake van verlof als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder i van het Dagloonbesluit. Volgens verweerder is de berekening in overeenstemming met het bepaalde in het Dagloonbesluit.

4. In artikel 1, eerste lid, aanhef en onder i van het Dagloonbesluit, voor zover hier van belang, is bepaald dat onder verlof dient te worden verstaan een tussen een werkgever en werknemer voor een gedeelte of het geheel van de arbeidstijd overeengekomen tijdvak, waarin de werknemer geen arbeid jegens de werkgever verricht, met uitzondering van verlof als bedoeld in artikel 3:1 en 3:2 van de Wet arbeid en zorg (Wazo).

Op grond van artikel 2, eerste lid, van het Dagloonbesluit, voor zover hier van belang, wordt onder refertejaar verstaan de periode van het jaar die eindigt op de laatste dag van het tweede aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de ziekte is ingetreden.

In artikel 5, eerste lid, van het Dagloonbesluit is bepaald dat het dagloon van uitkeringen op grond van de ZW de uitkomst is van de volgende berekening:
[(A-B) x 108/100 + C]/D, waarbij A staat voor het loon dat de werknemer in het refertejaar heeft genoten bij een werkgever die vakantiebijslag reserveert, B voor de bedragen aan vakantiebijslag die de werknemer in het refertejaar heeft genoten, C voor het loon dat de werknemer in het refertejaar heeft genoten bij een werkgever die geen vakantiebijslag reserveert; en D staat voor 261 dan wel, indien de dienstbetrekking waaruit de werknemer ziek is geworden is aangevangen na aanvang van het refertejaar, voor het aantal dagloondagen vanaf en met inbegrip van de dag waarop de dienstbetrekking is aangevangen tot en met de laatste dag van het refertejaar.

In artikel 5, vierde lid, van het Dagloonbesluit is bepaald dat als de dienstbetrekking van waaruit de werknemer ziek is geworden een of meer aangiftetijdvakken kent waarin geen loon is genoten anders dan vanwege verlof, arbeidsongeschiktheid of ziekte, D, in afwijking van het eerste lid, staat voor het aantal dagloondagen van de aangiftetijdvakken waarin wel loon is genoten.

Op grond van artikel 6 van het Dagloonbesluit wordt als tijdens een periode van verlof in een aangiftetijdvak geen of minder loon wordt genoten, afhankelijk van de situatie, rekening gehouden met het loon uit een voorafgaand of een volgend tijdvak waarin die omstandigheid zich niet heeft voorgedaan, dan wel met het per aangiftetijdvak overeengekomen loon als er geen voorafgaand of volgend aangiftetijdvak is waarin de omstandigheid dat geen of minder loon is genoten als gevolg van verlof, zich niet voordoet.

5. In geschil is de in artikel 5 van het Dagloonbesluit genoemde factor D die het aantal dagloondagen in het refertetijdvak representeert. Eiser heeft de stelling van verweerder dat geen sprake is van verlof in de zin van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder i van het Dagloonbesluit, niet betwist. De rechtbank heeft ook geen reden om aan de juistheid van die stelling te twijfelen. Dat brengt mee dat het bepaalde in artikel 6 van het Dagloonbesluit geen toepassing kan vinden. Vast staat dat in elk van de twee aangiftetijdvakken voorafgaand aan de ziekmelding loon is genoten van het uitzendbureau. Dat is ook niet in geschil. De in artikel 5, vierde lid, van het Dagloonbesluit genoemde situatie doet zich derhalve evenmin voor. Volgens de opgave van Suwinet heeft eiser in de referteperiode over 47 SV-dagen loon genoten. Verweerder heeft daar acht dagloondagen bijgeteld in verband met de dagen die eiser niet heeft gewerkt als gevolg van de bedrijfssluiting. Daarbij is verweerder ervan uitgegaan dat sprake is van één uitzendovereenkomst. Verweerder heeft zich daarvoor gebaseerd op de gegevens van Suwinet. De rechtbank onderschrijft het standpunt van verweerder dat sprake is van één over de jaargrens heen doorlopende uitzendovereenkomst. De rechtbank acht daarvoor van belang dat eiser maar één uitzendovereenkomst heeft overgelegd en niet twee. Eiser heeft ook anderszins geen bewijs overgelegd van zijn stelling dat de op 6 december 2013 met het uitzendbureau gesloten uitzendovereenkomst in de loop van die maand is beëindigd. Dat brengt mee dat de dagen waarover WW is uitgekeerd, moeten worden meegeteld als dagloondagen bij de berekening van het dagloon als voorgeschreven in artikel 5 van het Dagloonbesluit.

6. Uit het voorgaande volgt dat het beroep ongegrond is. Voor een proceskostenveroordeling ziet de rechtbank geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C.G. Okhuizen, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J.J.W.C. van Dinther, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.