Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:5161

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
06-08-2015
Datum publicatie
10-08-2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 8414
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Exportverbod uitkering Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten. Geen onbillijkheid van overwegende aard; beleidsregels. Artikel 6 van het Besluit nr. 3/80 van de Associatieraad EEG-Turkije; artikel 59 van het Aanvullend Protocol bij de Associatieovereenkomst; arresten van het Hof van Justitie Demirci van 14 januari 2015 en Akdas 26 mei 2011. Nederlandse nationaliteit en Turkse nationaliteit.

Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: 14/8414

uitspraak van de meervoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser] , eiser

(gemachtigde: mr. D. Gürses),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen te Arnhem, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 1 juli 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser meegedeeld dat zijn uitkering ingevolge de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wet Wajong) eindigt met ingang van de eerste dag van de maand nadat hij buiten Nederland gaat wonen.

Bij besluit van 5 november 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 juni 2015. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en vergezeld door zijn vader. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.S. Winkel.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

Eiser is geboren in Turkije op [geboortedatum]. Sedert 3 november 2004 woont eiser in Nederland bij zijn vader, [naam] . Eiser heeft de Nederlandse nationaliteit. Aan eiser is met ingang van 17 mei 2010 een Wajong-uitkering toegekend omdat hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is in de zin van de Wet Wajong.

Eiser heeft verweerder op 25 juni 2014 verzocht om met behoud van Wajong-uitkering buiten Nederland te mogen wonen.

2. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen en zich, onder verwijzing naar de artikelen 2:11 en 2:13 van de Wet Wajong, op het standpunt gesteld dat het niet in Nederland wonen een uitsluitingsgrond is voor het recht op Wajong-uitkering, met ingang van de eerste dag volgend op de maand dat een betrokkene buiten Nederland is gaan wonen. Daarvan kan worden afgeweken indien sprake is van onbillijkheid van overwegende aard, maar hiervan is geen sprake, aldus verweerder.

3. Het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de bepalingen van de Wet Wajong, zoals die luidden ná 1 januari 2010. In geschil is of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat in het geval van eiser geen sprake is van een onbillijkheid van overwegende aard, zodat geweigerd wordt toepassing te geven aan de in artikel 2:13, derde lid, van de Wet Wajong opgenomen hardheidsclausule.

4. In artikel 2:11, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet Wajong is bepaald dat voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen als uitsluitingsgrond wordt onderscheiden: het niet in Nederland wonen.

Ingevolge artikel 2:13, eerste lid, van de Wet Wajong is artikel 2:11, eerste lid, aanhef en onder c, van die wet eerst van toepassing met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die waarin de jonggehandicapte buiten Nederland is gaan wonen.

In het derde lid daarvan is bepaald dat verweerder 2:11, eerste lid, onderdeel c, buiten toepassing kan laten of daarvan kan afwijken voor zover toepassing, gelet op het belang van het eindigen van het recht op arbeidsondersteuning indien de jonggehandicapte buiten Nederland gaat wonen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

5. Verweerder heeft in zijn Besluit beleidsregels voortzetting Wajong-uitkering buiten Nederland (het Besluit) aangegeven in welke gevallen en op welke wijze door hem toepassing zal worden gegeven aan deze hardheidsclausule. In artikel 2 van dit Besluit is bepaald dat van een onbillijkheid van overwegende aard sprake is indien de jonggehandicapte zwaarwegende redenen heeft om buiten Nederland te gaan wonen en naar verwachting als gevolg van het beëindigen van het recht op uitkering aanmerkelijk nadeel zal ondervinden. Als zwaarwegende redenen worden in ieder geval aangemerkt:

a. het ondergaan van een medische behandeling van enige duur;

b. het aanvaarden van arbeid met enig re-integratieperspectief;

c. het volgen van de woonplaats van degene(n) van wie de jonggehandicapte voor zijn verzorging afhankelijk is en die genoodzaakt is om buiten Nederland te gaan wonen.

In de toelichting op dit Besluit is in verband hiermee aangegeven dat de redenen waarom de verzorgende personen buiten Nederland gaan wonen objectief en dwingend van aard moeten zijn, en niet in overwegende mate gebaseerd kunnen zijn op een eigen keuze. In de toelichting bij het Besluit is voorts aangegeven dat de hardheidsclausule steeds aan de hand van de omstandigheden van het individuele geval moet worden toegepast. Ook in andere dan de drie hiervoor genoemde situaties kan er grond zijn voor toepassing van de hardheidsclausule. Daarom moet in alle gevallen beoordeeld worden of sprake is van zwaarwegende redenen en of het beëindigen van de uitkering tot een aanmerkelijk nadeel als bedoeld in het Besluit leidt.

6. Eiser heeft aangevoerd dat sprake is van een uitzonderlijke situatie waarop de hardheidsclausule van toepassing is. Verweerder heeft volgens eiser de (medische) feiten onvoldoende in kaart gebracht en het besluit onvoldoende gemotiveerd. De vader van eiser is arbeidsongeschikt en lijdt aan een depressie. Volgens de huisarts is er voor hem veel ziektewinst te behalen bij een terugkeer naar Turkije. Eiser verwijst daarnaast naar brieven van behandelaars.

7. De rechtbank is van oordeel dat het onderzoek van verweerder zorgvuldig is en dat onvoldoende is gebleken dat de verhuizing van de ouders - en in het bijzonder de vader - van eiser naar Turkije noodzakelijk is in de zin van artikel 2, aanhef en onder c, van het Besluit.

De vader van eiser heeft weliswaar lichamelijke en psychische klachten, maar uit de stukken is niet gebleken dat die klachten van zodanige aard zijn dat hij om medische redenen genoodzaakt is te verhuizen naar Turkije. Ook uit de overgelegde verklaring van de huisarts van 16 december 2014 blijkt niet van een medische noodzaak. De huisarts schrijft dat hij geen zeer dwingende of objectieve redenen kan aangeven (voor de noodzaak tot verhuizing) buiten het feit dat de ouders daarvan veel gelukkiger zullen worden.

Ook van een niet-medische noodzaak in de zin van artikel 2 van het Besluit dan wel van andere zwaarwegende redenen is de rechtbank niet gebleken. De wens van de ouders om terug te keren naar Turkije is geenszins onbegrijpelijk, maar kan niet wegnemen dat de voorgenomen verhuizing in overwegende mate op de eigen keuze is gebaseerd zonder dat van een objectieve en dwingende noodzaak daartoe is gebleken.

De rechtbank benadrukt dat blijkens de wetsgeschiedenis het exportverbod van de Wajong-uitkeringen het uitgangspunt is en dat de hardheidsclausule slechts in uitzonderlijke situaties toepassing kan vinden, welke door verweerder enerzijds expliciet zijn genoemd in het Besluit en voor het overige moeten voldoen aan de voorwaarden dat een noodzaak bestaat voor het wonen buiten Nederland op gronden die objectief en dwingend van aard zijn. Daarbij is het aan eiser om feiten en omstandigheden te stellen op grond waarvan tot onbillijkheid van overwegende aard geconcludeerd kan worden. De rechtbank acht de invulling die verweerder in zijn beleidsregels aan de toepassing van de hardheidsclausule heeft gegeven, niet onjuist of onredelijk (zie ook de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 18 november 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU5101).

8. Eiser heeft voorts aangevoerd dat hij op grond van artikel 6 van het Besluit nr. 3/80 van de Associatieraad EEG-Turkije van 19 september 1980 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen van de Lid-Staten der Europese Gemeenschappen op Turkse werknemers en hun gezinsleden (het Besluit 3/80) recht heeft op export naar Turkije van zijn Wajong-uitkering. Eiser heeft in dat verband aangegeven dat hij naast de Nederlandse nationaliteit tevens de Turkse nationaliteit bezit.

Inzake de toepassing van artikel 59 van het Aanvullend Protocol bij de Associatieovereenkomst van 12 september 1963 heeft eiser aangegeven dat zijn situatie niet kan worden vergeleken met de situatie van EU onderdanen. Ter zitting heeft eiser in dit verband gesteld dat zijn Nederlanderschap van rechtswege vervalt na een verblijf in Turkije gedurende 10 jaar.

9. De rechtbank is van oordeel dat uit het arrest Demirci van het Hof van 14 januari 2015, C-171/13 blijkt dat het Besluit 3/80 aldus moet worden uitgelegd dat burgers van een lidstaat die als Turkse werknemers tot de legale arbeidsmarkt van deze staat hebben behoord, zich niet op grond van het feit dat zij de Turkse nationaliteit hebben behouden, kunnen beroepen op artikel 6 van het Besluit nr. 3/80 bij verzet tegen een woonplaatsvereiste waaraan volgens de wettelijke regeling van deze staat moet zijn voldaan om aanspraak te kunnen maken op een bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestatie. De rechtbank is van oordeel dat dit arrest, dat betrekking heeft op prejudiciële vragen van de CRvB in een zaak met betrekking tot de Toeslagenwet, ook van toepassing is op de Wet Wajong. In beide gevallen gaat het immers om bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestaties.

De rechtbank is voorts van oordeel dat eiser, anders dan uit het arrest van het Hof van Justitie van 26 mei 2011 in de zaak Akdas C-485/07 volgt, die naast de Turkse nationaliteit ook de Nederlandse nationaliteit bezit, geen aanspraak kan maken op export van zijn Wajong-uitkering, gelet op het bepaalde in artikel 59 van het Aanvullend Protocol waarin is bepaald dat de behandeling van Turkije niet gunstiger mag zijn dan de behandeling van de lidstaten van de Europese Unie

Dat eiser na 10 jaar verblijf in Turkije het Nederlanderschap verliest – zoals eiser ter zitting heeft gesteld onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, van de Rijkswet op het Nederlanderschap – en dat daarom niet kan worden aangesloten bij het arrest van het Hof inzake Demirci heeft eiser niet onderbouwd en maakt ook overigens niet dat er anders geoordeeld moet worden. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat ingevolge het vierde lid van artikel 15 van de Rijkswet op het Nederlanderschap de periode van 10 jaar wordt gestuit door de verstrekking van een verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap dan wel van een reisdocument of Nederlandse identiteitskaart in de zin van de Paspoortwet. Vanaf de dag der verstrekking begint een nieuwe periode van tien jaren te lopen. Eiser heeft het dus zelf in de hand of hij door migratie naar Turkije zijn Nederlanderschap verliest.

10. Eiser heeft voorts gesteld dat verweerder in strijd handelt met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) door hem export van zijn uitkering te weigeren.

De rechtbank is van oordeel dat van een ongerechtvaardigde schending van artikel 8 van het EVRM geen sprake is. Daargelaten dat ter zitting is aangegeven dat de ouders nog niet naar Turkije zijn verhuisd, is van belang dat het eiser vrij staat om al dan niet naar Turkije te verhuizen. De verhuizing naar het buitenland heeft consequenties voor zijn Wajong-uitkering. Daarmee is echter niet gegeven dat het bestreden besluit inbreuk maakt op het recht op familie- en gezinsleven als omschreven in artikel 8 van het EVRM (zie de uitspraak van de CRvB van 7 december 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY5453).

11. De rechtbank is ten slotte van oordeel dat het beroep van eiser op de arresten van het Hof van Justitie in de zaken Sürül, C-262/96 en Pinna, 41/84, op de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 5 augustus 2014 (ECLI:NL:RBAMS:2014:4861), op artikel 1 van het Eerste Protocol van het EVRM en op - zoals eiser stelt – diverse internationaalrechtelijke bepalingen en non-discriminatiebepalingen, geen doel treft.

De rechtbank stelt daarbij voorop dat eiser zijn beroep op een groot aantal hiervoor genoemde onderdelen niet heeft toegelicht en ziet voorts geen aanleiding om aan de hand van de verwijzingen naar de arresten Sürül en Pinna, en de verwijzing naar diverse internationaalrechtelijke bepalingen en non-discriminatiebepalingen te oordelen dat het in geding zijnde besluit geen stand kan houden.

Van strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol van het EVRM is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. De rechtbank volstaat in dit verband met verwijzing naar de uitspraak van de CRvB van 16 mei 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ4816 in een zaak met betrekking tot de Toeslagenwet. Voor de volledigheid merkt de rechtbank op dat de in die zaak genoemde afbouwregeling niet van belang is in de onderhavige zaak.

De uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 5 augustus 2014, ECLI:NL:RBAMS:2014:4861 gaat over de toepassing van het woonlandbeginsel op de vervolguitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen en die zaak is mede daarom niet vergelijkbaar. Dat betreft anders dan hier een uitkering waarvoor premies zijn betaald als werknemer.

12. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas, voorzitter, mr. H.J. Klein Egelink en mr. E.C.G. Okhuizen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.W.M. Litjens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.