Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:4977

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
04-08-2015
Datum publicatie
05-08-2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 4619
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aanslag nazorgheffing. Hoogte van de heffing moet zodanig zijn dat uit de opbrengst van de heffing en de rentebaten en beleggingsopbrengsten de kosten van nazorg voor een gesloten stortplaats kunnen worden bestreden. Het Rekenmodel Ipo Nazorg Stortplaatsen en baggerdepots (RINAS) bevat breed gedragen normen ten aanzien van de calculatie van te verwachten kosten over een lange periode. De rechtbank acht deze normen een goed uitgangspunt voor de nazorgheffing. Gelet op de wijze van totstandkoming van deze normen en het brede draagvlak ervoor, ligt het op de weg van de partij die van deze normen af wil wijken om aannemelijk te maken dat daarvoor een goede grond bestaat. Offertes, die momentopnamen zijn met betrekking tot het heden, vormen geen goede maatstaf voor een calculatie van te verwachten kosten over een lange periode (75 jaar). De rechtbank verlaagt de aanslag nazorgheffing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/1709
Belastingblad 2015/381 met annotatie van P. de Bruin
FutD 2015-1999
mr. dr. G. Groenewegen annotatie in NTFR 2015/2523
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummer: AWB 14/4619

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 4 augustus 2015

in de zaak tussen

[X] , te [Z] , eiser

(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ),

en

de Inspecteur der provinciale belastingen van de provincie Gelderland, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser over het tijdvak 1 april 1999 tot 18 december 2012 een aanslag (aanslagnummer [000] ) nazorgheffing opgelegd, ten bedrage van € 5.016.992. Tevens is een rentevergoeding ten bedrage van € 24.730 toegekend.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 3 juni 2014 de aanslag nazorgheffing gehandhaafd en de rentevergoeding herrekend.

Eiser heeft daartegen bij brief van 11 juli 2014, ontvangen door de rechtbank op 14 juli 2014, beroep ingesteld. Bij brief van 22 augustus 2014 is het beroep nader gemotiveerd.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft, na daartoe door de rechtbank in de gelegenheid te zijn gesteld, schriftelijk gerepliceerd. Vervolgens is door verweerder gedupliceerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 april 2015. Namens eiser zijn verschenen mr. [gemachtigde] , [A] , [B] , [C] en mr. [D] . Namens verweerder zijn verschenen mr. [gemachtigde] , [E] , [F] en [G] .

Overwegingen

Feiten

1. Eiser is een publiekrechtelijk lichaam in de vorm van een gemeenschappelijke regeling.

2. Ten behoeve van de coördinatie van de afvalverwerking op de stortplaats [H] gelegen aan de [A-straat 1] te [Z] (hierna: de [I] ) is in 1977 door de gemeenten Nijkerk, Putten, Harderwijk en Ermelo eiser opgericht. De [I] was van [1978] tot en met [2007] operationeel. Aansluitend hierop is de eindafwerking voltooid en op [2012] is voor de [I] door Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland een sluitingsbeschikking afgegeven.

3. [I] is een (gesloten) stortplaats in de zin van art. 8.47, eerste lid, onderdeel b, en tweede lid, van de Wet milieubeheer (hierna: Wm).

4. Bij besluit van 24 maart 1999 hebben Provinciale Staten van Gelderland de Verordening nazorgheffing stortplaatsen Gelderland 1999 (hierna: de Verordening) vastgesteld. De Verordening, versie 1 januari 2013 luidt, voor zover hier van belang:

Begripsomschrijvingen

Artikel 1.

In deze verordening wordt verstaan onder:

• a. wet: de Wet milieubeheer;

• b. sluitingsverklaring: de verklaring als bedoeld in artikel 8.47, derde lid, van de Wet milieubeheer.

(…)

Artikel 3.

De nazorgheffing wordt geheven van degene die een stortplaats drijft.

(…)

Maatstaf en berekening van de heffing

Artikel 5.

• 1. De nazorgheffing wordt zodanig vastgesteld dat uit de opbrengst van de heffing en de daarover verkregen rentebaten en beleggingsopbrengsten de kosten kunnen worden bestreden, die naar verwachting gemoeid zullen zijn met de uitvoering van het in artikel 8.49, derde en vierde lid, van de Wet milieubeheer, bedoelde nazorgplan waarmee Gedeputeerde Staten hebben ingestemd, of indien

geen nazorgplan geldt, de in artikel 8.49, eerste lid, van die wet bedoelde zorg voor die stortplaats.

• 2. Het bedrag van de nazorgheffing wordt als volgt opgebouwd:

• a. een basisbedrag berekend volgens de in de bij deze verordening behorende en daarvan deel uitmakende bijlage “Berekening van nazorgkosten en nazorgheffing provincie Gelderland”, voor de kosten bedoeld in artikel 2, aanhef en onderdelen a, b en d; en

• b. een opslag, uitsluitend voor de niet-bedrijfsgebonden stortplaatsen, voor de kosten bedoeld in artikel 2, aanhef en onderdeel c.

• 3. De opslag als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, bedraagt € 0,9075 per ton gestort afval gedurende de jaren 1999 tot en met 2002.

Wijze van heffing

Artikel 6.

De nazorgheffing wordt bij wege van aanslag geheven.

(…)

5. Bij de Verordening behoort de bijlage BEREKENING VAN NAZORGKOSTEN EN NAZORGHEFFING PROVINCIE GELDERLAND. De bijlage luidt, voor zover hier van belang:

De berekening van het basisbedrag, genoemd in artikel 5, lid 2, onderdeel a, voor bedrijfsgebonden stortplaatsen, niet-bedrijfsgebonden stortplaatsen en depots voor baggerspecie vindt plaats door toepassing van het RINAS-rekenmodel.

Bij de berekening van het basisbedrag voor bedrijfsgebonden stortplaatsen, niet-bedrijfsgebonden stortplaatsen en depots voor baggerspecie worden de navolgende gegevens en waarden gebruikt:

- de gegevens uit het nazorgplan, dat de instemming heeft van Gedeputeerde Staten. Indien

en voorzover een nazorgplan niet de instemming heeft van Gedeputeerde Staten kunnen de

gegevens ambtshalve door de inspecteur worden vastgesteld;

- het inflatiepercentage is 2;

- het rentepercentage (de rekenrente) is 4,6;

- een toeslag voor onvoorziene kosten van 10% over het totaal van de jaarlijkse nazorgkosten;

- een toeslag voor ontwerp- en directiekosten van maximaal 12% over de periodieke

vervangingskosten;

- de opslag voor het afdekken van risico’s bedraagt 10% op alle nazorgkosten;

- de apparaatskosten bedragen structureel een bedrag van € 5.000,-- per stortplaats met een doelvermogen van meer dan € 100.000,--;

- de levensduur/vervangingsperiode van de bovenafdichting bedraagt maximaal 75 jaar;

- alle prijzen zijn exclusief omzetbelasting.

(…)

6. Tot 1 januari 2013 bedroeg het in de bijlage vermelde rentepercentage (de rekenrente) 5,15.

7. In 2012 en 2013 heeft ambtelijk en bestuurlijk overleg plaatsgevonden over de aan eiser op te leggen aanslag nazorgheffing. In juni 2013 heeft de fiscaal adviseur [J] (hierna: [J] ) aan verweerder advies uitgebracht over de aanslag nazorgheffing.

8. Met dagtekening 13 december 2013 is de onderhavige aanslag nazorgheffing opgelegd. De grondslag voor de nazorgheffing is het door Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland goedgekeurde Nazorgplan [I] te [Z] , met dagtekening [2011] . De aanslag nazorgheffing is uit de volgende componenten opgebouwd:

Definitieve aanslag Nazorgheffing stortplaatsen Gelderland 1999

   
     

Specificatie:

   

Doelvermogen nazorgheffing per 18-12-2012

 

€ 4.807.488

Opslag inventarisatie voormalige stortplaatsen

 

123.454

Opslag apparaatskosten

 

86.050

Totaal aanslag

 

€ 5.016.992

     

Af: op voorlopige aanslagen betaald

 

3.732.198

Af: opgebouwd rendement nazorgfonds

 

1.822.410

Totaal te verrekenen

 

€ 5.554.608

     

Door u terug te ontvangen

 

€ 537.616

     

Rentevergoeding 4,6% over € 537.616,-

 

€ 24.730

     

Aan u wordt betaald:

 

€ 562.346

9. Verweerder heeft voor de berekening van de aanslag nazorgheffing gebruik gemaakt van de Inter Provinciaal Overleg (IPO) checklist stortplaatsen 2008. Deze checklist komt tot stand in een breed overleg tussen onder andere vertegenwoordigers van stortplaatsen en de provincies. Informatie van alle betrokken partijen wordt daarin betrokken. Doel is om (cijfermatige) uitgangspunten vast te stellen waarin alle partijen zich kunnen vinden, welke kunnen dienen als hulpmiddel voor de toetsing van een nazorgplan en de berekening van het doelvermogen. Voorts heeft verweerder gebruik gemaakt van het Rekenmodel Ipo Nazorg Stortplaatsen en baggerdepots (RINAS). Het RINAS-rekenmodel is een computerprogramma waarmee alle componenten, waaruit een doelvermogen is opgebouwd, van een prijs kunnen worden voorzien. Het RINAS-rekenmodel werkt met bedragen tegen prijspeil 2008. Daarvan wordt de netto contante waarde (hierna: NCW) uitgerekend. Alle bedragen op basis van de NCW bij elkaar opgeteld vormen het doelvermogen. Als uitgangspunt van de checklist en het daarop gebaseerde rekenmodel geldt een ‘modelstortplaats’ met een oppervlakte van 10 hectare. Daarbij is voorzien in afwijkingen wegens de grootte van individuele stortplaatsen en locatiespecifieke omstandigheden. Bij de aanslag nazorgheffing zijn de rapportage RINAS en een berekening van de aanslag gevoegd.

10. Eiser heeft tegen de aanslag nazorgheffing tijdig bezwaar gemaakt. Het bezwaar is behandeld door de Commissie van Advies voor Bezwaarschriften en Klachten (hierna: de Commissie). Op 18 maart 2014 is eiser gehoord. De Commissie heeft op 6 mei 2014 advies uitgebracht.

11. Bij uitspraak op bezwaar van 3 juni 2014 is het bezwaar ongegrond verklaard, behoudens de berekening van de rente over het terugbetaalde bedrag van het doelvermogen. Verweerder heeft in de uitspraak op bezwaar vermeld dat hij de overwegingen die zijn neergelegd in het advies van de Commissie, met uitzondering van de overwegingen over de kostenvergoeding, tot de zijne heeft gemaakt.

Geschil

12. In geschil is of de aanslag nazorgheffing tot het juiste bedrag is opgelegd.

Beoordeling van het geschil

13. Artikel 15.45 van de Wm luidt -voor zover hier van belang-:

“1. De heffing wordt geheven van degene die een stortplaats drijft.

2. Het bedrag van de heffing wordt zodanig vastgesteld dat uit de opbrengst van de heffing en de daarover verkregen rentebaten en beleggingsopbrengsten de kosten kunnen worden bestreden, die naar verwachting gemoeid zullen zijn met de uitvoering van het in artikel 8.49, derde en vierde lid, bedoelde nazorgplan waarmee gedeputeerde staten hebben ingestemd, of, indien geen nazorgplan geldt, de in artikel 8.49, eerste lid, bedoelde zorg voor die stortplaats. Indien na de vaststelling blijkt dat de opbrengst van de heffing hoger dan wel lager is dan het bedrag dat nodig is om de kosten te bestrijden die naar verwachting met die zorg van die stortplaats gemoeid zullen zijn, kan het bedrag van de heffing opnieuw worden vastgesteld. Het reeds betaalde bedrag van de heffing wordt hierop in mindering gebracht.”

De aanslag nazorgheffing

14. Eiser stelt dat de aanslag nazorgheffing te hoog is vastgesteld en dient te worden verminderd tot € 4.035.366. Ter onderbouwing heeft eiser daartoe de volgende vijf standpunten aangevoerd.

1. De kosten voor vervanging van de bovenafdichting bedragen € 24,69 per m² in plaats van € 35,00 per m².

2. De levensduur van de bovenafdichting is ten minste 100 jaar in plaats van 75 jaar.

3. Op de kosten voor de monitoring van het grondwater dient een korting van 35% in plaats van 15% te worden gehanteerd.

4. De toeslagen ontwerpkosten voor de vervanging van de bovenafdichting dienen lager vastgesteld te worden. Deze kosten bedragen, als er al een nieuw ontwerp moet worden opgesteld, maximaal € 60.000 in plaats van € 230.000.

5. Er mag niet ten nadele van belastingplichtigen afgeweken worden van de IPO-checklist stortplaatsen 2008 en het RINAS-rekenmodel.

15. Verweerder heeft de hiervoor genoemde punten van eiser gemotiveerd betwist. De bewijslast dat de aanslag nazorgheffing niet tot een te hoog bedrag is opgelegd, rust op verweerder. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Kosten vervanging bovenafdichting

16. Verweerder heeft de vervangingskosten voor de bovenafdichting als volgt berekend:

Frequentie

Kosten (peil 2008)

Netto contante waarde NCW

Vervanging fase 1995/1999

1 x per 75 jr

23.000 x € 35 = 805.000

€ 336.263

Vervanging fase 2007, 2008 en 2009

1 x per 75 jr

1.562.000 x € 35 = 5.467.000

€ 787.614

Totaal

€ 1.123.877

Niet in geschil is dat de kosten met betrekking tot de vervanging van de bovenafdichting tot een bedrag van € 32,73 per m² zijn bepaald conform de standaardkostprijs voor een bovenafdichting zoals vermeld in de IPO-checklist en opgenomen in het RINAS-rekenmodel. Eiser stelt echter dat daarin is uitgegaan van kosten van de aanleg van een bovenafdichtingslaag en niet van kosten van vervanging daarvan. Vaststaat echter dat in de IPO checklist gesproken wordt van vervangingswerkzaamheden. Dat de daarmee gemoeide kosten mede gebaseerd zijn op de kosten van de aanleg van een bovenafdichtingslaag maakt nog niet dat daarmee voor de vervanging te hoge kosten worden berekend. Eiser stelt voorts dat er in het onderhavige geval aanleiding is om af te wijken van de standaardbedragen uit RINAS. Eiser wijst erop dat er voor de onderhavige stortplaats concrete gegevens voorhanden zijn omtrent de vervanging van een bovenafdichtingslaag. Hij wijst daartoe onder meer op de inschrijfstaten van [K] BV (hierna: [K] ), met dagtekening 17 januari 2007, op de openbare aanbesteding voor het vervangen van de bovenafdichting en op de verklaring van [K] met dagtekening 19 mei 2014 omtrent de prijsopbouw van de aanleg van een bovenafdichting [H] . Voorts wijst eiser op berekeningen van € 26,72, € 28,40 en € 29,01 per m² van drie andere aanbieders. Verweerder heeft de bruikbaarheid van deze offertes betwist door te wijzen op het feit dat de nazorgheffing is bedoeld voor ‘de te verwachten kosten’ over een zeer lange periode. Hiermee wordt in de offertes geen rekening gehouden. Bovendien zijn niet alle relevante elementen in de offertes begrepen.

De rechtbank stelt vast dat, gelet op de wijze van totstandkoming van IPO en RINAS, sprake is van breed gedragen normen ten aanzien van de calculatie van te verwachten kosten over een lange periode. De rechtbank is bovendien van oordeel dat vanwege de lange periode waarover de kosten moeten worden geschat enige voorzichtigheid in de raming is toegestaan. De offertes die eiser thans tegenover deze breed gedragen normen stelt, zijn momentopnames en niet op dezelfde grondslagen gebaseerd als de RINAS-normen. De rechtbank is van oordeel dat de offertes van onvoldoende gewicht zijn om te concluderen dat een raming van de standaardkostprijs volgens RINAS in het onderhavige geval leidt tot een te hoge aanslag nazorgheffing. De offertes vormen bovendien onvoldoende bewijs dat locatiespecifieke omstandigheden, zoals de hellingshoek, aanleiding geven voor een afwijking van de RINAS normen.

Verweerder heeft echter bij het vaststellen van de aanslag bovenop de standaardkostprijs volgens RINAS van € 32,73 per vierkante meter, rekening gehouden met aanvullende kosten in verband met een extra dikke laag van de bovenafdichting. Eiser heeft gemotiveerd betwist dat hiervoor aanleiding bestaat. De rechtbank is van oordeel dat het nazorgplan leidend is, nu de aanslag nazorgheffing immers gebaseerd is op de te verwachten kosten bij de uitvoering daarvan. Op bladzijde 75 van het nazorgplan is vermeld: “Voor het aanbrengen van een nieuwe bovenafdichting na 75 jaar wordt uitgegaan van een afdeklaag van 1,0 meter, voldoende voor de ontwikkeling van nieuwe heidevegetatie”. Uit het voorgaande volgt dat verweerder ten onrechte is uitgegaan van het plaatsen van een laag van 1,80 meter. De omstandigheid dat de huidige laag 1,80 meter hoog is, laat onverlet dat moet worden geheven op basis van het nazorgplan. Het nazorgplan vermeldt voorts: “Er wordt vanuit gegaan dat het zand/grondoverschot op de stortplaats blijft (buiten het stortlichaam). Dit heeft geen invloed op de nazorgkosten”. Tussen partijen is niet in geschil dat ten aanzien van het zand/grondoverschot afstemming had moeten plaatsvinden met de grondeigenaar. Dat deze afstemming (nog) niet heeft plaatsgevonden en dat hieruit mogelijk extra kosten voortvloeien die niet in het nazorgplan zijn opgenomen, dient naar het oordeel van de rechtbank voor risico van de provincie te blijven en kan niet leiden tot het in aanmerking nemen van een extra bedrag per vierkante meter voor de bovenafdichtingslaag. Voor zover verweerder heeft betoogd dat de extra kosten alleen betrekking hebben op het herplaatsen van de grond en niet op het afgraven van de thans aanwezige extra dikke laag, overweegt de rechtbank dat eventueel hogere kosten van het afgraven van 1,80 meter mogelijk worden gecompenseerd door een eventuele opbrengst van de grond. Verweerder heeft niet aannemelijk gemaakt dat er reden is om af te wijken van de RINAS normen.

Levensduur van de bovenafdichting

17. Eiser heeft er op gewezen dat voor de levensduur van de bovenafdichtingslaag zou moeten worden uitgegaan van 100 jaar in plaats van 75 jaar. De rechtbank stelt vast dat het door verweerder gehanteerde uitgangspunt in overeenstemming is met de Verordening. Niet gebleken is dat met dit uitgangspunt méér wordt geheven dan volgens de Wet (de Wm) is toegestaan. Eisers beroepsgrond dat de Verordening in zoverre onverbindend is, faalt daarom.

18. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat voor de kosten van de bovenafdichtingslaag moet worden uitgegaan van € 32,73 per vierkante meter. Dit leidt tot een verlaging van de aanslag met € 72.892.

Korting monitoring van het grondwater

19. Verweerder heeft voor de monitoring van het grondwater een bedrag van € 836.451 in aanmerking genomen. Verweerder heeft hierbij niet de RINAS/IPO-normen primair tot uitgangspunt genomen maar een recente offerte van [L] BV ( [L] ), omgerekend naar het juiste prijspeil, en heeft hierop een kortingspercentage van 15 toegepast. Verweerder heeft het door hem gehanteerde kortingspercentage gebaseerd op de korting die daadwerkelijk tot op heden is genoten. Een hogere korting is volgens verweerder niet mogelijk. Verweerder heeft voorts gesteld dat het gehanteerde kortingspercentage past in de bandbreedte van de IPO-checklist die 25-45% voorschrijft. Verweerder stelt dat de prijzen van [L] lager liggen dan de RINAS-normen. Ten opzichte van de RINAS-normen heeft verweerder feitelijk een korting toegepast van 25%, zo stelt hij. Eiser staat een bedrag van € 603.350 voor; uitgaande van de saneringskosten en een kortingspercentage van 35 zoals deze in de IPO-checklist zijn geadviseerd. Eiser staat onder verwijzing naar de IPO bandbreedte een korting van 35% voor. Eiser heeft daarnaast ingebracht dat uit recente offertes voor drie stortplaatsen (waaronder die van eiser) blijkt dat voor de grondwatermonitoring gedurende vier jaren van deze drie stortplaatsen gezamenlijk, offertes zijn gedaan die lager zijn dan het bedrag dat verweerder voor een vergelijkbare periode bij eiser alleen in aanmerking heeft genomen. Volgens eiser moet hieruit worden geconcludeerd dat de tarieven van [L] waarop verweerder zich baseert niet juist kunnen zijn.
Zoals de rechtbank hiervoor al heeft overwogen moeten de RINAS-nomen en de IPO-checklist, gelet op de wijze van totstandkoming en de omstandigheid dat deze breed worden gedragen, als een aanvaardbare benadering van de te verwachten kosten van sanering worden aangemerkt. Gelet hierop ligt het op de weg van de partij die daarvan wil afwijken, aannemelijk te maken dat daartoe een goede grond bestaat. De rechtbank is van oordeel dat verweerder daarin niet is geslaagd. De rechtbank overweegt in dit verband dat het, ook ten aanzien van de kosten van monitoring van het grondwater, gaat om een raming van kosten op lange termijn. Het huidige kortingspercentage is daarom niet doorslaggevend. Tegenover de betwisting door eiser maakt verweerder daarnaast niet aannemelijk dat de actuele tarieven van [L] een dusdanig betere benadering van de verwachte kosten op lange termijn geven dat er noodzaak bestaat van de IPO-tarieven en het daarin gegeven advies ten aanzien van de korting. Ten aanzien van verweerders stelling dat hij ten opzichte van de RINAS-cijfers een korting heeft toegepast van 25% overweegt de rechtbank dat verweerder, tegenover de betwisting door eiser, niet aannemelijk heeft gemaakt dat een kortingspercentage van 25% niet te laag is. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank daarom onvoldoende aannemelijk gemaakt dat voor de monitoring van het grondwater terecht een bedrag van € 836.451 in de aanslag nazorgheffing is betrokken. Nu de berekening van eiser niet is weersproken door verweerder, zal de rechtbank eiser volgen in het door hem voorgestane bedrag van € 603.350 en de aanslag met € 233.101 verlagen. Tevens dient de aanslag verlaagd te worden met 10% hiervan als toeslag onvoorzien, ofwel met € 23.310.

Ontwerpkosten bovenafdichting

20. Verweerder heeft ten aanzien van de ontwerpkosten bovenafdichting een bedrag van € 63.237 (NCW, gebaseerd op € 230.000 te maken ontwerpkosten) in de aanslag nazorgheffing betrokken. Verweerder heeft hierbij overeenkomstig de IPO-checklist een percentage van 6,5 van de vervangingskosten in aanmerking genomen. Eiser heeft gesteld dat de ontwerpkosten niet meer dan € 60.000 kunnen bedragen. Daartoe heeft hij onder meer gewezen op een actuele offerte van [L] . Verweerder heeft betoogd dat [L] weliswaar reeds gedurende vele jaren werkzaam is voor eiser, daardoor op dit moment veel informatie over de stortplaats heeft en kan besparen op het te offreren bedrag, maar dat op die kennis over 75 jaar niet kan worden teruggegrepen. Het is immers volstrekt onzeker of die ontwerpopdracht over 75 jaar aan [L] wordt gegund en zo ja, of de thans beschikbare informatie dan nog relevant is. De rechtbank acht daarom aannemelijk dat met een ontwerp meer kosten gemoeid zijn dan het door eiser voorgestane bedrag. Gelet op de wijze van totstandkoming van de IPO-checklist en de breed gedragen normen heeft verweerder met het door hem gehanteerde percentage aannemelijk gemaakt dat hij niet een te hoog bedrag in de aanslag heeft betrokken.

Omtrent de hoogte van de ontwerpkosten is overleg gevoerd. Eiser stelt dat verweerder daarin toezeggingen heeft gedaan tot het verlagen van het bedrag voor ontwerpkosten. De rechtbank is van oordeel dat het in beginsel is toegestaan om in een overlegsituatie standpunten naar voren te brengen waarop in een later stadium wordt teruggekomen. Gelet op de tot de gedingstukken behorende actiepuntenlijst van het overleg behelst de toezegging niet meer dan dat de provincie nog eens goed naar de kosten zou kijken.

De algemene beginselen van behoorlijk bestuur

21. De stellingen van eiseres met betrekking tot de voorfase en het onzorgvuldig handelen van de provincie en/of Gedeputeerde Staten kunnen niet tot verlaging van de aanslag leiden. Verweerder heeft als uitgangspunt de RINAS/IPO-normen gevolgd. Dat de door verweerder daarvan bepleite afwijkingen thans niet door de rechtbank worden gehonoreerd, betekent niet dat verweerder willekeur kan worden verweten. Ook kan, anders dan eiser bepleit, niet worden gezegd dat verweerder onvoldoende zorgvuldig is geweest bij het vaststellen van de aanslag. Er is uitvoerig met eiser overleg gepleegd en er is voldoende gekeken naar de specifieke situatie bij eiser. Ook het verwijt dat verweerder ten onrechte de door hem ingeschakelde fiscalist als onafhankelijk heeft bestempeld, treft geen doel. Het stond verweerder vrij een externe deskundige in te schakelen en deze – omdat de adviseur niet in dienst is van verweerder – als onafhankelijk aan te duiden. Eiser kan hierdoor niet hebben verwacht dat verweerder ook de beslissingsbevoegdheid bij die deskundige zou leggen.

22. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het doelvermogen moet worden verminderd met € 72.892 (vervanging afdekking) + € 233.101 (kosten monitoring) + € 23.310 (10% opslag monitoring) = € 329.303. Verhoogd met 10% toeslag risicofonds bedraagt de vermindering van het doelvermogen in totaal € 362.233. De aanslag moet worden vastgesteld op € 5.016.992 - € 362.233 = € 4.654.759. Verweerders beroep op interne compensatie zoals ingenomen in zijn conclusie van dupliek kan gelet op het oordeel van de rechtbank over de kosten van de extra dikke bovenafdichtingslaag niet slagen. De rentevergoeding dient dienovereenkomstig te worden aangepast.

Proceskosten

23. De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 2.570 (1 punt voor het bezwaarschrift en 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 244, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 0,5 punt voor de conclusie van repliek en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 490 en een wegingsfactor 1,5. De in de bezwaarfase toegekende vergoeding van € 729 komt hierop in mindering indien deze reeds is uitbetaald. Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar;

  • -

    vermindert de aanslag nazorgheffing tot een bedrag van € 4.654.759;

  • -

    bepaalt dat de rentevergoeding dienovereenkomstig wordt aangepast;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.570;

  • -

    gelast dat verweerder de proceskosten van eiser van € 328 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F. Germs-de Goede, voorzitter, mr. R.A. Eskes en mr. A.I. van Amsterdam, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.M.R. Richardson, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 4 augustus 2015

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.