Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:4967

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
30-07-2015
Datum publicatie
30-07-2015
Zaaknummer
05/900387-11
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2016:10171, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een voormalig penningmeester van een woning onderhoud stichting wordt veroordeeld tot een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor het onttrekken van grote geldbedragen aan de stichting over een langere periode. De feiten worden gekwalificeerd als diefstal met een valse sleutel en witwassen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/900387-11

Datum uitspraak : 30 juli 2015

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] , wonende te [adres]

.

raadsman: J.A. van der Lem, advocaat te Zwolle.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen

van 16 mei 2013, 28 november 2013, 6 februari 2014, 12 maart 2015 en 16 juli 2015.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na een door de rechtbank toegewezen vordering wijziging tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 15 oktober 2008

t/m 13 oktober 2009 te Arnhem, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(telkens) opzettelijk een aantal geldbedragen, te weten

-(dos. 3) in de periode van 1 februari 2009 t/m 24 augustus 2009 een aantal

geldbedragen, een totaal bedrag belopende van 182.000,-- euro en/of

-(dos. 7) op 13 oktober 2009 een bedrag van 510,-- euro en/of

-(dos. 10) op 15 oktober 2008 een bedrag van 4.000,-- euro,

althans totaal belopende een bedrag van ca. 186.510 euro, in elk geval enig

geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan stichting [naam stichting] , in elk geval

aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welk(e) geldbedrag(en) verdachte en/of zijn mededader(s) anders dan door

misdrijf, te weten als dagelijks bestuur(der) van stichting [naam stichting] en/of als

financieel beheerder van de gelden van stichting [naam stichting] , onder zich had(den),

(telkens) wederrechtelijk zich heeft/hebben toegeëigend;

en/of dat

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 februari 2009

t/m 13 oktober 2009 te Arnhem, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toeeigening heeft weggenomen

een aantal geldbedragen, te weten

-(dos. 3) in de periode van 1 februari 2009 t/m 24 augustus 2009 een aantal

geldbedragen, een totaal bedrag belopende van 182.000,-- euro en/of

-(dos. 7) op 13 oktober 2009 een bedrag van 510,-- euro, in elk geval een

geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan stichting [naam stichting] ,

in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn

mededader(s),

waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des

misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen geld onder zijn/hun

bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel (het

onrechtmatig gebruik van een bankpas;

en/of

hij in of omstreeks de periode van 15 oktober 2008 t/m 13 oktober 2009 te

Arnhem, althans in Nederland,

(telkens) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen een

(aantal) geldbedrag(en) (totaal belopende een bedrag van ca. 186.510 euro)

terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van

voormeld(e) geldbedrag(en) wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden

dat dit/deze door verduistering in elk geval door enig misdrijf was/waren

verkregen;

en/of

hij in of omstreeks de periode van 1 februari 2009 t/m 24 augustus 2009 te

Arnhem, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, (van) een of meer voorwerp(en), te weten een aantal

geldbedrag(en), een totaal bedrag belopende van 182.000 euro, althans enig

geldbedrag,

a. de herkomst heeft verborgen/verhuld en/of de vindplaats heeft

verborgen/verhuld en/of de vervreemding heeft verborgen/verhuld en/of de

verplaatsing heeft verborgen/verhuld en/of heeft verborgen/verhuld wie de

rechthebbende op het voorwerp was en/of het voorwerp voorhanden heeft gehad

en/of

b. verworden en/of voorhanden heeft gehad en/of van een voorwerp, te weten

een of meer geldbedrag(en), een totaal bedrag belopende van ca. 182.000 euro,

althans enig geldbedrag, gebruik heeft gemaakt,

terwijl hij wist en/of redelijkerwijs moest vermoeden dat het voorwerp -

onmiddellijk of middellijk – (mede) afkomstig was uit enig misdrijf.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Inleiding

De [naam stichting]

De [naam stichting] Stichting ( hierna: [naam stichting] ) is in 1992 opgericht en kent als doel: ‘de instandhouding van de kwaliteit van het casco van woningen, nadat die woningen verbeterd zijn in het kader van de collectieve particuliere woningverbetering in Arnhem, en voorts al hetgeen met een en ander rechtstreeks of zijdelings verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn, alles in de ruimste zin des woords’.2Sinds 1992 beheert zij gelden van deelnemers voor het onderhoud en het laten verrichten van bouwtechnische inspecties van woningen in Arnhem.3
De deelnemers zijn te onderscheiden in de categorieën [naam stichting] - en WoningWacht-deelnemers. De eerste categorie participeert voor 15 jaar in een onderhoudsfonds dat werd beheerd door de gemeente. De [naam stichting] maakte daartoe een onderhoudsplan en een begroting. Daarnaast beheerde de stichting, zoals genoemd, het geld voor deze deelnemers en voerde zij het onderhoud en tussentijdse inspecties uit. Deelnemers van de WoningWacht (hierna: WW) participeerden ook voor 15 jaar. Voor het geld dat zij overmaakten aan de [naam stichting] , voerde de stichting alleen onderhoudsinspecties uit.4

In het handelsregister van de Kamer van Koophandel staat, voor zover voor deze strafzaak relevant, het volgende beschreven met betrekking tot de [naam stichting] :

- [medeverdachte 1] stond vanaf 1 januari 1996 tot en met 23 april 2001 ingeschreven als bestuurder en was gezamenlijk bevoegd.5 Per 28 november 2001 wordt [medeverdachte 1] ingeschreven als voorzitter, gezamenlijk bevoegd.6 Op 9 juli 2009 wordt [medeverdachte 1] met terugwerkende kracht, per 1 januari 2009 uitgeschreven als vicevoorzitter.7 [medeverdachte 1] stond echter, zoals hiervoor weergegeven als voorzitter en niet als vicevoorzitter ingeschreven.

- Per 8 maart 2007 wordt [medeverdachte 2] ingeschreven als penningmeester, gezamenlijk bevoegd.8 Het inschrijvingsformulier is op diezelfde datum ondertekend door [medeverdachte 1] .9
Op 22 december 2008 wordt [medeverdachte 2] met terugwerkende kracht, per 1 december 2008, uitgeschreven als penningmeester.10

- Op 22 december 2008 wordt [verdachte] per 1 december 2008 ingeschreven als penningmeester.11 Het inschrijvingsformulier is op laatstgenoemde datum ondertekend door [medeverdachte 2] .12Op 13 oktober 2009 werd [verdachte] met terugwerkende kracht uitgeschreven als penningmeester, per 1 januari 2009.13

Aangifte

Op 12 november 2009 doet [aangever] namens de [naam stichting] aangifte van verduistering.14 Sinds 19 november 2009 vormt hij samen met [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [betrokkene 3] het nieuwe bestuur. Aangever [aangever] , zelf deelnemer aan de [naam stichting] , heeft verklaard dat hij in 2006 voor het laatst een saldo overzicht had ontvangen. Toen na 1 januari 2009 binnen de kring van deelnemers duidelijk werd dat uitkeringen uit het [naam stichting] fonds niet of nog nauwelijks werden gedaan en het toenmalige bestuur minimaal te bereiken was, is aangever samen met [betrokkene 1] en [betrokkene 3] een onderzoek gestart. Op dat moment bleken [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [verdachte] zich allen al uitgeschreven te hebben als bestuurder.15
Aangever heeft verder verklaard dat het balanstotaal op 31 december 2006 € 789.090,07 bedroeg.16 Ten tijde van het doen van aangifte hadden 109 deelnemers aan aangever kenbaar gemaakt welke saldi op dat moment op de rekening van de [naam stichting] hadden moeten staan. Bij elkaar opgeteld bedroeg dit € 336.622,--. De Rabobank heeft aangever echter te kennen gegeven dat het saldo minder dan € 10.000,-- bedroeg.17

In maart 2012 werden onder meer [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [verdachte] als verdachten aangehouden.


Patroon in handelen

Er zijn diverse getuigen en medeverdachten gehoord. Meerdere van hen verklaren te zijn benaderd door hetzij [medeverdachte 2] , hetzij [medeverdachte 1] , om hun bankrekening beschikbaar te stellen zodat daarop gelden konden worden gestort. De gestorte bedragen moesten contant worden opgenomen en worden afgegeven aan [medeverdachte 2] of [medeverdachte 1] . De rekeninghouder kreeg hiervoor een vergoeding of mocht zelf een percentage van de gestorte bedragen houden. De rechtbank zal hieronder kort de betreffende verklaringen aanhalen. Waar aan de orde, zal de rechtbank hierop later nader ingaan.

Zo heeft getuige [getuige 1] verklaard dat hij enkele jaren geleden is benaderd door een persoon genaamd [medeverdachte 1] (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 1] ) om zijn bankrekening te mogen gebruiken.18 [getuige 1] is via [betrokkene 4] in contact gekomen met [medeverdachte 1] . [betrokkene 4] vertelde hem dat een groot geldbedrag op zijn rekening zou worden gestort. Het geld was afkomstig van [medeverdachte 1] en voor het ter beschikking stellen van zijn bankrekening zou [getuige 1] € 100,-- krijgen.19 Medeverdachte [betrokkene 4] bevestigt dit verhaal, met dien verstande dat een en ander gebeurde in opdracht van [medeverdachte 2] .20
Ook getuige [getuige 2] heeft verklaard benaderd te zijn door [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] vroeg haar of ze geld wilde verdienen. Er zou geld gestort worden op de bankrekening van [getuige 2] , waarna [getuige 2] dit geld naar een andere bankrekening moest overschrijven.21 Enkele weken nadat [getuige 2] haar bankrekeningnummer aan [medeverdachte 1] gaf, liet hij haar weten dat er geld op haar rekening zou worden gestort. Op bankafschriften zag [getuige 2] dat er inderdaad geld was gestort.22 Hierna maakte [getuige 2] het geld over naar de rekening die [medeverdachte 1] haar had opgegeven. Per boeking mocht [getuige 2] zelf een bedrag houden. [medeverdachte 1] gaf telkens aan hoeveel dit mocht zijn, aldus [getuige 2] .23
Getuige [getuige 3] verklaarde dat zij [medeverdachte 1] kent via haar ex-vriend [ex-vriend] . [ex-vriend] vertelde haar dat ze snel geld kon verdienen door haar bankrekening ter beschikking te stellen. Er zou dan geld op haar rekening worden gestort. Nadat het geld gestort was, zou ze het samen met [medeverdachte 1] contant moeten opnemen bij de bank. [medeverdachte 1] moest daar bij zijn, omdat hij het allemaal had bedacht en zo aan [ex-vriend] had voorgesteld, aldus [getuige 3] .24 [medeverdachte 1] is ook daadwerkelijk met haar mee geweest naar de bank om gelden contant op te nemen. Vrijwel direct na de opname gaf [getuige 3] de contanten aan [medeverdachte 1] . Van tevoren had hij [getuige 3] verteld dat ze € 8.000,-- op mocht nemen, waarvan zij zelf € 250,-- mocht houden.25


Voorts zijn verdachten in verschillende zaaksdossiers gehoord.
[medeverdachte 3] heeft verklaard dat hij door [medeverdachte 2] is benaderd voor het opmaken van inspectierapporten voor de [naam stichting] . Vooraf was niet besproken wat [medeverdachte 3] betaald zou krijgen per rapport. [medeverdachte 3] verklaarde verder dat hij zijn bankrekeningnummer aan [medeverdachte 2] heeft gegeven en dat de betalingen gewoon begonnen te lopen. De betalingen stonden niet in verhouding tot het aantal ( te verrichten) inspecties.26 Na de eerste boeking deelde [medeverdachte 2] [medeverdachte 3] mede dat hij per keer € 8.000,-- contant bij de bank moest opnemen. [medeverdachte 3] mocht zelf 25 procent van de gestorte bedragen houden. De rest werd contant aan [medeverdachte 2] afgegeven.27
Ook [verdachte] heeft verklaard door [medeverdachte 2] te zijn benaderd om gelden op de bankrekening van [verdachte] bedrijf [bedrijfsnaam verdachte] te laten storten, zodat [verdachte] deze bedragen in contanten op kon nemen en aan [medeverdachte 2] af kon geven. [verdachte] mocht zelf 10 procent van de gestorte bedragen houden.28

Uit alle zaaksdossiers komt naar voren dat de aan verdachten tenlastegelegde bedragen zijn overgeboekt vanaf de bankrekening van de [naam stichting] .29

Hieronder bespreekt de rechtbank de afzonderlijke zaakdossiers waar verdachte mogelijk bij betrokken zou zijn. Deze zaakdossiers zijn ten laste gelegd onder verschillende feiten welke alternatief ten laste zijn gelegd. Het gaat daarbij achtereenvolgens om: verduistering (zaakdossiers 3, 7 en 10), diefstal met een valse sleutel (zaakdossiers 3 en 7), (opzet)heling (zaakdossiers 3, 7 en 10) en witwassen (zaakdossier 3). Niet bij ieder feit zijn alle zaaksdossiers waarbij verdachte mogelijk betrokken zou zijn opgenomen. Om die reden bespreekt de rechtbank hieronder eerst de afzonderlijke zaaksdossiers om vervolgens te concluderen welke strafbare feiten deze al dan niet opleveren.

Zaakdossier 3

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie is van mening dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opzetheling en witwassen. Hij heeft de herkomst en de vindplaats van het geld verhuld door het geld na ontvangst op de rekening op te nemen en vervolgens voor 90% te overhandigen aan [medeverdachte 2] en voor de overige 10% zelf te gelde te maken. Verdachte wist in ieder geval na de eerste overboeking dat het geld van de stichting [naam stichting] af kwam.

Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat zaaksdossier 3 geen heling, maar verduistering oplevert en dat aangenomen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen. Volgens de raadsvrouw is echter geen sprake van heling, nu helingshandelingen naar hun aard enkel betrekking kunnen hebben op het misdrijf dat door een ander is begaan.

De beoordeling door de rechtbank
In de periode 4 februari 2009 tot en met 17 augustus 2009 werden vanuit de [naam stichting] meerdere geldbedragen overgemaakt naar het Duitse bankrekeningnummer [nr] , ten name van [bedrijfsnaam verdachte] B.V. (hierna: [bedrijfsnaam verdachte] ). Het totaalbedrag van deze transacties is
€ 182.000,-- (€ 50.000,-- + € 50.000,-- + € 50.000,-- + € 22.000,-- + € 10.000,--).30 Verdachte was enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijfsnaam verdachte] .31
Op de bankafschriften is te zien dat relatief kort na elke overboeking van de [naam stichting] grote contante opnames volgen. Ook wordt een relatief groot bedrag á € 6.000,-- overgemaakt naar de bankrekening met nummer [bankrekeningnummer] , zijnde een bankrekening van verdachte.32 Opvallend is overigens dat kort na deze storting op de rekening van verdachte, € 5.000,-- wordt overgemaakt naar [naam] ’.33 Van de € 182.000,-- die gestort is op de rekening van [bedrijfsnaam verdachte] , wordt uiteindelijk in totaal € 166.000,-- contant opgenomen.34

[medeverdachte 2] heeft in een gesprek met [betrokkene 3] en [aangever] verklaard dat hij eind 2008 de hele administratie aan verdachte heeft overgedragen.35 Eerder is al aan de orde geweest dat in deze periode verdachte stond ingeschreven als penningmeester van de [naam stichting] .36 Pas op 13 oktober 2009 liet hij zich met terugwerkende kracht, op 1 januari 2009, uitschrijven.37 De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte gedurende de onder zaaksdossier 3 tenlastegelegde periode stond ingeschreven als penningmeester van de [naam stichting] .

Verdachte heeft in dit kader verklaard dat hij via [medeverdachte 2] bekend raakte met de [naam stichting] . [medeverdachte 2] vroeg hem of hij penningmeester wilde worden. Dit was slechts een papieren functie en verdachte zou als stroman fungeren, aldus verdachte.38 Hij zou hiervoor maandelijks contant € 1.000,-- van [medeverdachte 2] ontvangen.39 Verder verklaarde verdachte dat hij enkele maanden daarna benaderd werd door [medeverdachte 2] met de vraag of hij met enige regelmatig bedragen op de rekening van [bedrijfsnaam verdachte] mocht overmaken. Het zou gaan om een bedrag van € 182.500,-- en van de bedragen die gestort zouden worden, mocht verdachte 10 procent zelf houden.40 Het overige heeft verdachte contant opgenomen en aan [medeverdachte 2] op zijn kantoor afgegeven, aldus verdachte.41 De eerste keer dat verdachte geld van de rekening van [bedrijfsnaam verdachte] opnam, deed hij dit in grote coupures van biljetten van € 500,--. [medeverdachte 2] vertelde hem daarop dat dit niet de bedoeling was en dat verdachte het geld de volgende keer in kleinere coupures op moest nemen.42 Verdachte verklaarde verder dat de omschrijvingen van de betalingen op de rekening van [bedrijfsnaam verdachte] door [medeverdachte 2] zijn bedacht en dat het [medeverdachte 2] was die de betalingen van de [naam stichting] aan [bedrijfsnaam verdachte] feitelijk heeft verricht.43

Verdachte heeft verklaard dat naar aanleiding van de volmacht die hij had getekend een bankpas door de Rabobank is afgegeven. Hij heeft gezien dat deze pas in bezit was van [medeverdachte 2] , evenals de randomreader.44 Verdachte heeft de bankpas slechts één keer gebruikt.45 Op grond hiervan acht de rechtbank aannemelijk dat [medeverdachte 2] in de tenlastegelegde periode, ook nadat hij gestopt was als penningmeester, nog over de bankpas van de rekening van de [naam stichting] beschikte en dat hij de betalingen heeft gedaan.

Gelet het vorengaande is de rechtbank van oordeel dat het [medeverdachte 2] de overboekingen vanuit de [naam stichting] aan [bedrijfsnaam verdachte] heeft verricht met gebruikmaking van een valse sleutel, namelijk de bankpas op naam van verdachte. [medeverdachte 2] was formeel niet meer bevoegd om transacties te verrichten voor de [naam stichting] en was daarom eveneens niet bevoegd de bankpas, op naam van verdachte, te gebruiken voor het verrichten van deze overboekingen. Het handelen van [medeverdachte 2] past in het patroon zoals dat in de inleiding door de rechtbank is geschetst. Op het moment van overboeken beschikte [medeverdachte 2] telkens als heer en meester over de bedragen.

Voorts volgt uit de verklaring van verdachte dat in deze zaak sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen hem en [medeverdachte 2] , zodat bewezen kan worden dat zij dit feit in vereniging hebben gepleegd.

Gelet op het vorengaande concludeert de rechtbank dat verdachte en [medeverdachte 2] zich op die momenten de betreffende geldbedragen (in totaal €182.000,--) wederrechtelijk hebben toegeëigend met gebruikmaking van een valse sleutel.

Uit het voorgaande volgt dat verdachte en [medeverdachte 2] de geldbedragen door eigen misdrijf hebben verkregen. De rechtbank zal verdachte daarom voor dit zaakdossier vrijspreken van de tenlastegelegde verduistering en heling.

De rechtbank dient ten slotte te oordelen of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen. Beide varianten van witwassen zijn ten laste gelegd: zowel het verhullen en verbergen (lid 1 onderdeel a) van art. 420bis/420quater Sr als het verwerven en voorhanden hebben (lid 1 onderdeel b) van art. 420bis/420quater Sr.

Met betrekking tot het verhullen en verbergen overweegt de rechtbank het navolgende. Gedurende een periode van ruim een half jaar werd er door middel van meerdere kleinere overboekingen een totaalbedrag van € 182.000,- overgemaakt van de rekening van de [naam stichting] naar een Duitse bankrekening. Van die Duitse bankrekening zijn diverse kasopnames gedaan, meestal snel volgend op de overboekingen van de [naam stichting] , en een overboeking naar de rekening van verdachte. Van de € 182.000,- wordt een bedrag van € 166.000,- contant opgenomen. Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze handelingen geschikt en bestemd om de werkelijke aard, herkomst, vindplaats, etc. te verbergen of te verhullen.

Ten aanzien van het verwerven en voorhanden hebben stelt de rechtbank voorop dat noch de tekst van art. 420bis/420quater Sr noch de wetsgeschiedenis eraan in de weg staat dat iemand die een in die bepaling omschreven gedraging verricht ten aanzien van een voorwerp dat afkomstig is uit enig door hemzelf begaan misdrijf, wordt veroordeeld wegens (schuld)witwassen. Dit betekent niet dat elke gedraging die in art. 420bis/420quater, eerste lid, Sr is omschreven, onder alle omstandigheden de kwalificatie (schuld)witwassen rechtvaardigt.

Uit de wetsgeschiedenis volgt dat ook in het geval het witwassen de opbrengsten van eigen misdrijf betreft, van de witwasser in beginsel een handeling wordt gevergd die erop is gericht "om zijn criminele opbrengsten veilig te stellen". Gelet hierop moet worden aangenomen dat indien vaststaat dat het enkele verwerven of voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, die gedraging niet als (schuld)witwassen kan worden gekwalificeerd.

Er moet dus sprake zijn van een gedraging die meer omvat dan het enkele verwerven of voorhanden hebben en die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat door eigen misdrijf verkregen voorwerp gericht karakter heeft (zie onder meer: HR 26 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM4440).

De rechtbank is van oordeel dat daarvan sprake is, nu de geldbedragen zijn overgemaakt naar een Duitse rekening en vervolgens contant zijn opgenomen en deels weer zijn teruggegeven aan [medeverdachte 2] .

Zaakdossier 7

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal in vereniging met een valse sleutel van een geldbedrag van € 510,--.

Het standpunt van de raadsman
De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van dit feit gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De beoordeling van de rechtbank
Op 13 oktober 2009 is een contant geldbedrag van € 510,-- gepind van de rekening van de [naam stichting] met de betaalpas van de [naam stichting] .46 Voor deze geldopname was geen toestemming van de deelnemers van de [naam stichting] gegeven.47

Zoals al eerder door de rechtbank is overwogen, blijk uit de gegevens van de Kamer van Koophandel dat er op 13 oktober 2009 geen bestuur was van de [naam stichting] .

Verdachte heeft over deze pintransactie verklaard dat het ging over een bedrag dat hij nog moest krijgen voor zijn penningmeesterschap.48 [medeverdachte 2] vertelde hem toen dat er nog ongeveer € 600,-- op de rekening stond en dat hij dat maar moest opnemen. Hiertoe kreeg verdachte van [medeverdachte 2] de bankpas. Verdachte heeft toen het geld van de rekening opgenomen terwijl [medeverdachte 2] buiten in zijn auto zat te wachten.49

Gelet op het feit dat in deze periode zowel [medeverdachte 2] als verdachte formeel niet meer bevoegd waren om transacties te verrichten voor de [naam stichting] , is de rechtbank is van oordeel wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat [medeverdachte 2] en verdachte zich een geldbedrag van € 510,-- wederrechtelijk hebben toegeëigend door middel van een valse sleutel. Uit de verklaring van verdachte volgt dat in deze zaak sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen hem en [medeverdachte 2] , zodat bewezen kan worden dat zij dit feit in vereniging hebben gepleegd.

Uit het voorgaande volgt dat verdachte en [medeverdachte 2] het geldbedrag door eigen misdrijf hebben verkregen. De rechtbank zal verdachte daarom voor dit zaakdossier vrijspreken van de tenlastegelegde verduistering en heling.

Zaakdossier 10

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het dossier onvoldoende wettig bewijs bevat op grond waarvan kan worden vastgesteld dat verdachte (strafrechtelijk verwijtbare) betrokkenheid had bij de verweten handelingen. Hij zal om die reden van dit deel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 februari 2009

t/m 13 oktober 2009 te Arnhem, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen

een een aantal geldbedragen, te weten

-(dos. 3) in de periode van 1 februari 2009 t/m 24 augustus 2009 een aantal

geldbedragen, een totaal bedrag belopende van 182.000,-- euro en/of

-(dos. 7) op 13 oktober 2009 een bedrag van 510,-- euro, in elk geval een

geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan stichting [naam stichting] ,

in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn

mededader(s),

waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des

misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen geld onder zijn/hun

bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel (het

onrechtmatig gebruik van een bankpas);

en/of

hij in of omstreeks de periode van 1 februari 2009 t/m 24 augustus 2009 te

Arnhem, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, (van) een of meer voorwerp(en), te weten een aantal

geldbedrag(en), een totaal bedrag belopende van 182.000 euro, althans enig

geldbedrag,

a. de herkomst heeft verborgen/verhuld en/of de vindplaats heeft

verborgen/verhuld en/of de vervreemding heeft verborgen/verhuld en/of de

verplaatsing heeft verborgen/verhuld en/of heeft verborgen/verhuld wie de

rechthebbende op het voorwerp was en/of het voorwerp voorhanden heeft gehad

en/of

b. verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of van een voorwerp, te weten

een of meer geldbedrag(en), een totaal bedrag belopende van ca. 182.000 euro,

althans enig geldbedrag, gebruik heeft gemaakt,

terwijl hij wist en/of redelijkerwijs moest vermoeden dat het voorwerp -

onmiddellijk of middellijk - (mede) afkomstig was uit enig misdrijf.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, meermalen gepleegd..

En

Medeplegen van witwassen.

5 De strafbaarheid van het feit

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, met als bijzondere voorwaarde dat het verdachte gedurende de proeftijd verboden wordt een bestuursfunctie in een stichting uit te oefenen en met aftrek van de tijd in verzekering doorgebracht.

Het standpunt van de verdediging

Door de verdediging is verzocht aan verdachte geen werkstraf dan wel gevangenisstraf op te leggen, maar te kijken naar een mogelijkheid voor elektronische detentie, gelet op de ernstige gezondheidsproblemen, waarmee verdachte te kampen heeft.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 3 juni 2015;

- een voorlichtingsrapportage van Reclassering Nederland, gedateerd 14 maart 2013;

- een brief van [arts] , arts en medisch adviseur bij de Dienst Justitiële Inrichtingen, gedateerd 26 mei 2015.

Verdachte heeft samen met zijn medeverdachte gelden onttrokken aan de [naam stichting] terwijl verdachte (op papier) penningmeester was van die stichting. De gelden bestonden uit de inleg van deelnemers van de [naam stichting] en waren bestemd voor onderhoud en inspecties aan de woningen van deze deelnemers. Met zijn handelen heeft verdachte zich meermalen schuldig gemaakt aan diefstal in vereniging met een valse sleutel en het medeplegen van witwassen. Hiermee heeft verdachte de deelnemers gedupeerd en heeft hij hun vertrouwen ernstig beschaamd. De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat zij op doortrapte wijze te werk zijn gegaan.

Bij het bepalen van de strafmaat houdt de rechtbank rekening met het feit dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. Uit het aangehaalde uittreksel uit het algemeen documentatieregister blijkt verder dat verdachte reeds eerder ter zake van vermogensdelicten onherroepelijk is veroordeeld.


Bij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank verder rekening gehouden met het feit dat de redelijke termijn is overschreden. Uit vaste jurisprudentie van het EHRM en de Hoge Raad volgt dat de redelijke termijn aanvangt op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. In dit geval is de redelijke termijn aangevangen op het moment van de doorzoeking in de woning van verdachte op 22 september 2011. Als uitgangspunt dient te gelden dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen. Hoewel sprake is van een relatief complex en grootschalig onderzoek, met meerdere verdachten, waarin ook door de verdediging verzoeken zijn gedaan tot het laten opstellen van een aanvullend reclasseringsrapport, zal de rechtbank in de strafmaat, zij het in beperkte mate, rekening houden met de overschrijding van deze termijn.


Deze strafzaak behelst oude, maar ernstige feiten. Dankzij inspanningen van de huidige bestuursleden van de [naam stichting] is het onderzoek - geruime tijd na het doen van aangifte - aangevangen. De rechtbank constateert dat al in 2009 namens de [naam stichting] aangifte is gedaan, maar dat pas in 2011 huiszoekingen hebben plaatsgevonden. Verdachte is uiteindelijk in 2012 aangehouden, waarna verder onderzoek is gevolgd. Gelet hierop, komt de rechtbank tot een lagere straf dan door de officier van justitie is geëist. De ernst en omvang van de feiten rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank echter wel een forse vrijheidsbenemende straf. Een werkstraf is niet aan de orde, nu verdachte geen vaste woon- of verblijfplaats heeft. Om diezelfde reden is ook (een onderzoek naar) elektronische detentie niet mogelijk. Nu uit het bericht van de medisch adviseur bij de Dienst Justitiële Inrichtingen blijkt dat verdachte, niettegenstaande zijn gezondheidsproblemen, op dit moment niet detentieongeschikt is en de benodigde zorg binnen detentie kan krijgen, ziet de rechtbank geen reden om af te zien van oplegging van een (deels voorwaardelijke) gevangenisstraf.

De rechtbank neemt hierbij als uitgangspunt een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk. Zoals eerder verwoord, zal de rechtbank echter de overschrijding van de redelijke termijn verdisconteren in de strafmaat en acht zij een gevangenisstraf van 10 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, passend en geboden. Nu veel tijd is verstreken tussen de pleegperiode en het moment van uitspraak, zal de rechtbank geen bijzondere voorwaarde aan het voorwaardelijke strafdeel koppelen.

7.a. De beoordeling ten aanzien van het beslag

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat alle onder verdachte inbeslaggenomen goederen zoals opgenomen in dit vonnis in de bijlage I zullen worden teruggegeven aan de verdachte.

Het standpunt van de verdediging

Door de verdediging is geen standpunt ingenomen ten aanzien van het beslag.

De beoordeling door de rechtbank

Nu zich geen strafvorderlijk belang daartegen verzet, zal de teruggave worden gelast van de hierna genoemde goederen aan de verdachte, voor zover hier nog beslag op rust.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 27, 47, 57, 63, 310, 311 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte de overige tenlastegelegde feiten, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

 een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) maanden;

  • -

    bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf groot 4 aantal (vier) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van na te melden voorwaarde voor het einde van de proeftijd die op twee jaren wordt bepaald;

  • -

    dat de veroordeelde zich voor het einde daarvan niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

 beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

 gelast de teruggave van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen aan veroordeelde, te weten: de administratie onder de nummers C1.01.01, C1.04.01, C1.05.01 tot en met 03, C1.06.01en 02, C1.07.01, C1.08.01, C1.09.01 en C2.01.02, voor zover hier nog beslag op rust.

Dit vonnis is gegeven door mr. W.A. Holland (voorzitter), mr. J.M. Klep en mr. J.M.J.M. Doon rechters, in tegenwoordigheid van mr. B.C.C. van den Bosch, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 30 juli 2015.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisanten van de regiopolitie Gelderland-Midden, opgemaakte proces-verbaal, proces-verbaalnummer 200120807.1045, gesloten op 12 juli 2012 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 De akte van oprichting d.d. 16 november 1992, p. 32 en 33.

3 Het proces-verbaal van bevindingen overzicht [naam stichting] Stichting, p. 24.

4 Het proces-verbaal van bevindingen overzicht [naam stichting] Stichting, p. 25.

5 Het document Opgaaf van wijzigingen handelsregister, p. 74 en het handelsregister van de Kamer van Koophandel, p. 79.

6 Het inschrijvingsformulier van de Kamer van Koophandel, p. 93 t/m 96.

7 Het document wijziging functionarisgegevens, p. 97 t/m 100 en het handelsregister van de Kamer van Koophandel, p. 80.

8 Het inschrijvingsformulier van de Kamer van Koophandel, p. 83 t/m 88 en het handelsregister van de Kamer van Koophandel, p. 81.

9 Het inschrijvingsformulier van de Kamer van Koophandel, p. 88.

10 Het uitschrijvingsformulier van de Kamer van Koophandel, p. 89 t/m 92 en het handelsregister van de Kamer van Koophandel, p. 81.

11 Het inschrijvingsformulier van de Kamer van Koophandel, p. 101 t/m 106.

12 Het inschrijvingsformulier van de Kamer van Koophandel, p. 106.

13 Het document wijziging functionarisgegevens, p. 107 t/m 110.

14 Het proces-verbaal van aangifte door [aangever] , p. 329 t/m 334.

15 Het proces-verbaal van aangifte door [aangever] , p. 330, laatste alinea en p. 331, tweede alinea.

16 Het proces-verbaal van aangifte door [aangever] , p. 332, eerste alinea.

17 Het proces-verbaal van aangifte door [aangever] , p. 333, tweede, vijfde en zesde alinea.

18 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , p. 846, onder het midden.

19 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , p. 846, onder het midden.

20 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [betrokkene 4] , p. 836, laatste alinea en p. 837, eerste alinea.

21 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , p. 824, eerste alinea.

22 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , p. 824, eerste alinea.

23 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , p. 824, eerste alinea.

24 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] , p. 811, laatste alinea.

25 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] , p. 812, tweede, vierde en vijfde alinea.

26 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 3] , p. 794, eerste, derde en vierde alinea.

27 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 3] , p. 794, laatste alinea.

28 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] , p. 770, vierde alinea.

29 Zaaksdossier 1: bankafschriften van de [naam stichting] d.d. 1 oktober 2007, 1 november 2007, 1 december 2007, 1 december 2007 en 1 januari 2008, respectievelijk genummerd p. 869, 870, 871, 872 en 873. Zaaksdossier 2: Bankafschriften van de [naam stichting] d.d. 1 december 2007, 1 juni 2008, 1 juli 2008, 1 oktober 2008, 19 januari 2010 en 19 januari 2010, respectievelijk genummerd p. 1078, 1079, 1080, 1081, 1082 en 1083. Zaaksdossier 3: bankafschriften van de [naam stichting] d.d. 19 januari 2010, 19 januari 2010, 19 januari 2010, 30 juli 2009 en 31 augustus 2009, respectievelijk genummerd p. 1126, 1127, 1128, 1129 en 1130. Zaaksdossier 4: het bankafschrift van de [naam stichting] d.d. 19 januari 2010, p. 1211. Zaakdossier 5: het bankafschrift van de [naam stichting] d.d. 1 oktober 2008, p. 1326. Zaaksdossier 6: het bankafschrift van de [naam stichting] d.d. 19 januari 2010, p. 1366 en het bankafschrift van de [naam stichting] , gedateerd 30 juli 2009, p. 1368. Zaakdossier 7: het bankafschrift van de [naam stichting] , gedateerd 30 oktober 2010, p. 1459. Zaaksdossier 8: een bankafschrift van de [naam stichting] , gedateerd 1 augustus 2008, p. 1494. Zaaksdossier 9: een bankafschrift van de [naam stichting] , gedateerd 1 juli 2008, p. 1547. Zaaksdossier 10: Een bankafschrift van de [naam stichting] , gedateerd 1 november 2008, p. 1568. Zaaksdossier 11: de bankafschriften van de [naam stichting] d.d. 1 november 2008, 1 januari 2008 en 1 december 2007, respectievelijk genummerd p. 1602, 1603 en 1604. Zaakdossier 12: het bankafschrift van de [naam stichting] d.d. 19 januari 2010, p. 1721.

30 Bankafschriften van de [naam stichting] d.d. 19 januari 2010, 19 januari 2010, 19 januari 2010, 30 juli 2009 en 31 augustus 2009, respectievelijk genummerd p. 1126, 1127, 1128, 1129 en 1130 en het document inhoudende bankrekening informatie met betrekking tot nummer [nr] , p. 1134 en bankafschriften van [bedrijfsnaam verdachte] B.V., p. 1135 t/m 1139.

31 Het uittreksel van de Kamer van Koophandel, p. 489.

32 De bankafschriften van [bedrijfsnaam verdachte] B.V., p. 1135 t/m 1139 en het document inhoudende bankrekening informatie met betrekking tot nummer [bankrekeningnummer] , p. 1143 en een bankafschrift van [verdachte] , p. 1145.

33 Een bankafschrift van [verdachte] , p. 1145.

34 De bankafschriften van [bedrijfsnaam verdachte] B.V., p. 1135 t/m 1139.

35 Het gespreksverslag d.d. 23 oktober 2009, bijlage H bij de aangifte, p. 388, laatste alinea.

36 Het inschrijvingsformulier van de Kamer van Koophandel, p. 101 t/m 106.

37 Het document wijziging functionarisgegevens, p. 107 t/m 110.

38 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] , p. 770, eerste en derde alinea.

39 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] , p. 770, derde alinea.

40 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] , p. 770, vierde alinea.

41 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] , p. 770, vierde alinea.

42 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] , p. 770, vijfde alinea.

43 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] , p. 771, derde en vierde alinea.

44 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] , p. 771, vierde alinea.

45 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] , p. 771, zesde alinea.

46 Het bankafschrift van de [naam stichting] , gedateerd 30 oktober 2010, p. 1459.

47 Aanvulling op aangifte Stichting [naam stichting] , opgemaakt door [aangever] , p. 422, tweede alinea.

48 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] , p. 771, zesde alinea.

49 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] , p. 771, zesde alinea.