Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:4960

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
30-07-2015
Datum publicatie
03-08-2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 6571
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Maatregel Wwb. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat eiser in een gesprek op 3 september 2013 verwijtbaar een voorziening gericht op de arbeidsinschakeling heeft geweigerd en dat hij zich in datzelfde gesprek zeer ernstig heeft misdragen tegenover ambtenaren in dienst van verweerders gemeente. Ten aanzien van de eerste gedraging (weigeren van een voorziening) meent verweerder dat sprake is van een tweede recidive die aanleiding zou moeten geven tot een verlaging van de bijstand van 60% gedurende vier maanden. De tweede gedraging (bedreiging) geeft verweerder aanleiding tot een verlaging van 40% gedurende één maand. Met toepassing van de in de Maatregelenverordening opgenomen cumulatiebepaling komt verweerder uit op een verlaging van 100% voor de duur van vijf maanden. De rechtbank komt ten aanzien van de eerste gedraging - anders dan verweerder - tot het oordeel dat sprake is van een eerste recidive die op grond van de verordening had moeten leiden tot een verlaging van de bijstand van 60% voor de duur van twee maanden. Voorts is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is van “samenloop” als bedoeld in genoemde cumulatiebepaling uit de verordening en dat verweerder de duur en het percentage van de afzonderlijke maatregelen niet had mogen cumuleren op de wijze zoals is geschied. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en voorziet zelf in de zaak door te bepalen dat de bijstand van eiser wordt verlaagd met 60% voor de duur van twee maanden en 40% voor de duur van een maand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: 14/6571

uitspraak van de meervoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. M.M. Dezfouli),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Culemborg te Culemborg, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 25 september 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser en zijn partner [naam 1] (verder: [naam 1] ) een maatregel opgelegd, inhoudende de verlaging van hun bijstand met 100% voor de duur van vijf maanden met ingang van 1 september 2013.

Bij besluit van 31 juli 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard in die zin dat de ingangsdatum van de verlaging wordt vastgesteld op

1 oktober 2013. Tevens wordt aan eiser een vergoeding van de kosten in bezwaar toegekend van € 974,-.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek op de zitting van de enkelvoudige kamer heeft plaatsgevonden op 24 april 2015. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. B.J.M. de Leest. Het onderzoek ter zitting is geschorst in verband met verwijzing naar de meervoudige kamer van deze rechtbank. Na daartoe van de partijen verkregen schriftelijke toestemming, is het onderzoek zonder nadere zitting op 10 juni 2015 gesloten.

Overwegingen

1.1

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.2

Eiser en [naam 1] ontvangen vanaf 1 januari 1997 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (Wwb). Bij besluit van 22 april 2013 wordt hun bijstand met ingang van 18 februari 2013 ingetrokken. De daaraan ten grondslag gelegde reden is dat zij onvoldoende informatie hebben verstrekt over een ontvangen verhuiskostenvergoeding van

€ 60.000.

1.2

Bij besluit van 10 juli 2013 wordt aan eiser en [naam 1] met ingang van 14 mei 2013 opnieuw een Wwb-uitkering toegekend. Daarbij wordt de bijstand met ingang van 1 juli 2013 voor de duur van twee maanden met 60% verlaagd. Aan deze maatregel is ten grondslag gelegd dat eiser op 18 juni 2013 heeft geweigerd om te tekenen voor deelname aan het traject “Werken in Openbare Ruimte” (verder: WIOR-traject) en daarmee niet of onvoldoende gebruik heeft gemaakt van een door verweerder aangeboden voorziening gericht op de arbeidsinschakeling. Daarnaast wordt de bijstand met ingang van dezelfde datum verlaagd met 100%, eveneens voor de duur van twee maanden. De reden daarvan is dat eiser en [naam 1] volgens verweerder onverantwoord snel hebben ingeteerd op een verkregen verhuiskostenvergoeding. Met toepassing van artikel 8 van de Verordening maatregelen 2013 van de gemeente Culemborg (verder: de Verordening) zijn beide maatregelen gecumuleerd en is per saldo een maatregel opgelegd van 100% verlaging van de bijstand gedurende twee maanden. Eiser en [naam 1] hebben geen rechtsmiddelen aangewend tegen voornoemd besluit.

1.3

Op 3 september 2013 heeft eiser in het kader van een intake voor het WIOR-traject een gesprek met H. [naam 2] (verder: [naam 2] ), inkomensconsulent bij verweerders gemeente en [naam 3] (verder: [naam 3] ), projectleider van het WIOR-traject. Op 23 september 2013 rapporteert [naam 2] naar aanleiding van het gesprek, voor zover van belang, het volgende:

Dhr. [naam 3] geeft een uitleg over de werkzaamheden en de tijden in het WIOR-traject. [eiser] geeft aan dat hij nog steeds geen uitkering ontvangen heeft en dus niet meewerkt. Hij zegt letterlijk: “dat zou jij toch ook niet doen, als je geen geld krijgt ga je toch ook niet wat doen. (..) Dan uit blh. dreigementen richting de collega [naam 4] met de zinssnede: “als ik [naam 4] tegenkom sla ik hun kop eraf, hij zal hier wel achter zitten”. (..) “ik heb tot nu toe geen geld gehad en ik ga nergens aan mee werken, eerst wil ik geld zien. En als ik die [naam 4] tegenkom sla ik zijn kop eraf. En ook moet ik die [naam 5] niet tegenkomen, want dan gaat die er ook aan, ook die [naam 5] zijn kop sla ik eraf, ik zie hem vaak genoeg hier over de markt lopen. (..) Belh. Houdt vast aan zijn stelling dat hij niet gaat meewerken aan het traject WIOR.

[naam 2] verklaart op 21 april 2015 voorts dat het gespreksverslag een feitelijke weergave vormt van hetgeen door eiser, [naam 3] en haar is gezegd tijdens het gesprek op 3 september 2013.

1.4

Bij besluit van 16 september 2013 heeft verweerder een maatregel opgelegd, inhoudende verlaging van de bijstand met 60% voor de duur van vier maanden, in verband met de weigering van eiser op 3 september 2013 om deel te nemen aan het WIOR-traject waardoor hij niet of onvoldoende gebruik heeft gemaakt van een voorziening gericht op de arbeidsinschakeling. Bij het primaire besluit heeft verweerder dit besluit ingetrokken.

2. De onderhavige maatregel is gebaseerd op twee verweten gedragingen, ten eerste dat eiser in het gesprek van 3 september 2013 verwijtbaar zijn medewerking aan het WIOR-traject heeft geweigerd en daarmee niet of onvoldoende gebruik heeft gemaakt van een voorziening gericht op de arbeidsinschakeling (verder: gedraging I) en ten tweede dat eiser zich in het hetzelfde gesprek zeer ernstig heeft misdragen door twee ambtenaren te bedreigen (verder: gedraging II). Voor gedraging I komt verweerder op grond van de Verordening vanwege recidive op een verlaging met 60% gedurende vier maanden. Voor gedraging II hanteert verweerder een verlaging met 40% gedurende één maand. Met toepassing van de cumulatiebepaling van artikel 8 van de Verordening komt verweerder per saldo uit op een verlaging met 100% (60% + 40%) gedurende vijf (vier + één) maanden.

3. Eiser kan zich hiermee niet verenigen en voert in de eerste plaats aan dat hij zich altijd beschikbaar heeft gesteld voor trajecten in verband met de arbeidsinschakeling. Daarbij was het zo dat eiser te kampen had met diverse gezondheidsklachten waarvan verweerder ook op de hoogte was en dat hij in de periode van de start van het traject een operatie moest ondergaan. Verweerder heeft daar onvoldoende rekening mee gehouden en hem op een onacceptabele toon aangesproken. Eiser is daarop boos geworden en is vertrokken. Hij bestrijdt dat hij ambtenaren heeft beledigd en acht de verklaringen van de betrokken personen een onvoldoende onderbouwing voor een dergelijk zware maatregel, welke hij hoe dan ook disproportioneel acht.

4. De rechtbank is allereerst van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat eiser in strijd met artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wwb deelname aan het WIOR-traject, zijnde een voorziening gericht op de arbeidsinschakeling, heeft geweigerd. Blijkens de rapportage van [naam 2] van 23 september 2013 heeft eiser tijdens het gesprek op 3 september uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gezegd niet te zullen meewerken. De rechtbank heeft geen aanleiding om aan de juistheid van de weergave van het gesprek te twijfelen. Daarbij betrekt de rechtbank dat eiser in dat verband eerder een maatregel is opgelegd alsmede dat eiser zich nadien ook niet heeft gemeld voor deelname aan het WIOR-traject. De rechtbank acht dit verwijtbaar nu eiser er niet in is geslaagd om aan de hand van objectieve bewijsstukken aannemelijk te maken dat het WIOR-traject in het algemeen niet passend zou zijn gezien zijn gezondheidsklachten, dan wel dat hij als gevolg van een geplande operatie niet in staat was om met het traject te starten. Voorgaande klemt te meer nu hij voornoemde stellingen niet eerder dan in bezwaar heeft ingenomen. Verder heeft de rechtbank geen reden om twijfelen aan de in de rapportage verwoorde bedreigingen. [naam 3] heeft op 20 april 2015 schriftelijk bevestigd dat het een zeer heftig gesprek was. Verweerder heeft terecht geconcludeerd dat eiser zich met die bedreigingen verwijtbaar zeer ernstig heeft misdragen tegenover ambtenaren in dienst van verweerders gemeente.

5. Nu eiser derhalve verwijtbaar zijn verplichtingen die voortvloeiende uit de Wwb onvoldoende is nagekomen en zich jegens verweerder zeer ernstig heeft misdragen, was verweerder gehouden om een maatregel op te leggen overeenkomstig zijn Verordening (artikel 18, tweede lid, van de Wwb). Van dringende redenen in de zin van artikel 6, tweede lid, van de Verordening om geheel of gedeeltelijk af te zien van het opleggen van een maatregel is de rechtbank niet gebleken.

6. Ten aanzien van gedraging II stelt de rechtbank vast dat verweerder de maatregel

- voorafgaande aan cumulatie - conform artikel 12 van de Verordening heeft bepaald op een verlaging met 40% gedurende één maand. Ten aanzien van gedraging I is de rechtbank echter van oordeel dat verweerder de duur van de maatregel in strijd met de Verordening op vier maanden heeft bepaald. Rekening houdend met recidive, schrijft artikel 9, vierde lid, aanhef en onder b, in samenhang bezien met artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, en tweede lid, van de Verordening immers een verlaging voor met 60% gedurende twee maanden. Niet in geschil is dat eiser op 18 juni 2013 voor de eerste maal deelname aan het WIOR-traject heeft geweigerd, dat hij in verband met deze weigering - bij het besluit van 10 juli 2013 (1.3) - is gesanctioneerd met een maatregel en dat hij zich met gedraging I binnen twaalf maanden na bekendmaking van dat besluit opnieuw schuldig heeft gemaakt aan een verwijtbare gedraging van dezelfde categorie. Nu het een eerste recidive betreft, is verweerder niet bevoegd de duur van de maatregel met toepassing van artikel 2 van de Verordening om die reden te vast te stellen op vier maanden. Het feit dat verweerder de duur van de maatregel bij het besluit van 10 juli 2013 reeds had vastgesteld op twee maanden en eiser geen bezwaar gemaakt heeft tegen dit besluit, maakt dat niet anders.

7.1

Dan ligt de vraag voor of verweerder terecht heeft geconcludeerd dat er met de gedragingen I en II sprake is van “samenloop” als bedoeld in artikel 8 van de Verordening en of verweerder zowel de duur van de afzonderlijke maatregelen als de percentages van verlaging had mogen cumuleren op de wijze zoals is geschied. Blijkens het verhandelde ter zitting wordt artikel 8 van de Verordening toegepast in gevallen als de onderhavige waarbij twee gedragingen gelijktijdig ofwel dusdanig kort na elkaar plaatsvinden dat de recidivebepaling niet kan worden toegepast en de overtreder daardoor minder zwaar gesanctioneerd zou kunnen worden in vergelijking met een situatie waarbij er meer tijd zit tussen dezelfde gedragingen en de recidiveregeling wel zou zijn toegepast. De rechtbank stelt vast dat, wat ook zij van de ratio achter dit artikel, ook in het geval het tijdsverloop tussen gedraging I en gedraging II lang genoeg was geweest, de Verordening niet voorziet in een recidiveregeling met betrekking tot deze gedragingen. Immers, blijkens artikel 10, tweede lid, van de Verordening is een verdubbeling van de duur van de verlaging alleen aan de orde als de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit tot verlaging van de bijstandsuitkering opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging van dezelfde of een hogere categorie. Daarvan is in het onderhavige geval geen sprake, aangezien de maatregel in verband met gedraging II is opgelegd op grond van artikel 12, eerste lid, van de Verordening en dit artikel - anders dan artikel 9 van de Verordening - geen indeling van verwijtbare gedragingen in categorieën kent, doch enkel de mogelijkheid om te verlagen met 40%.

7.2

De rechtbank zal artikel 8 van de Verordening dan ook buiten toepassing laten, nog daargelaten of verweerder de cumulatie van duur en percentages van verlaging van de afzonderlijke maatregelen conform de bedoeling van de (gemeentelijke) regelgever heeft uitgevoerd, waarbij opvalt dat verweerder dit bij besluit van 10 juli 2013 (1.3) afwijkend heeft uitgevoerd.

8. Nu de maatregel in strijd is met de Verordening, is het beroep gegrond en zal het bestreden besluit worden vernietigd. De rechtbank ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien door het primaire besluit te herroepen en te bepalen dat de uitkering van eiser met ingang van 1 oktober 2013 wordt verlaagd met 60% voor de duur van twee maanden en aansluitend met 40% voor de duur van een maand.

9. Nu het beroep gegrond is, zal verweerder worden opgedragen het door eiser betaalde griffierecht te vergoeden. De rechtbank ziet voorts aanleiding om verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten te veroordelen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 980,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 490,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- herroept het primaire besluit en bepaalt dat de uitkering van eiser met ingang van 1 oktober

2013 wordt verlaagd met 60% voor de duur van twee maanden en met 40% voor de duur van

een maand;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 45,- aan hem vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 980,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.P. Heijmans, voorzitter, mr. H.J. Klein Egelink en

mr. J.M. Hamaker, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N.C. Vlaskamp, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.