Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:4947

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
29-07-2015
Datum publicatie
14-08-2015
Zaaknummer
C-05-276239 - HZ ZA 15-10
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Overeenkomst ikv overgang van dealerschap. Schending van contractuele verplichingen? Beroep op boetebeding afgewezen ogv art. 6:248 lid 2 BW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zutphen

zaaknummer / rolnummer: C/05/276239 / HZ ZA 15-10

Vonnis van 29 juli 2015

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[bedrijf BV 1],

gevestigd te [plaats] ,

eiseres,

advocaat mr. R.H. van de Beeten te Zevenaar,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[bedrijf BV 2],

gevestigd te [plaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. H.J. Ligtenbarg te Velp (Gld).

Partijen zullen hierna [bedrijf BV 1] en [bedrijf BV 2] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 4 maart 2015

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 17 april 2015

  • -

    de brief van 22 april 2015 van [bedrijf BV 2]

  • -

    de brief van 23 april 2015 van [bedrijf BV 1] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[bedrijf BV 1] is een autodealerbedrijf, met onder meer een vestiging in [plaats] , dat verschillende merken van het Volkswagen/Audi-concern voert. [bedrijf BV 2] is een garagebedrijf gevestigd in [plaats] , [gemeente] , dat ruim 35 jaar officieel merkdealer voor het merk Škoda is geweest.

2.2.

Importeur [bedrijf BV 3] , h.o.d.n. [bedrijf BV 3] (hierna: [bedrijf BV 3] ) had aan [bedrijf BV 2] haar wens kenbaar gemaakt dat haar dealer voor het merk Škoda, op dat moment [bedrijf BV 2] , zich zou vestigen in [plaats] . [bedrijf BV 2] heeft de mogelijkheden tot verplaatsing van haar garagebedrijf naar [plaats] onderzocht, maar heeft ervan afgezien. Nadat [bedrijf BV 3] hiervan op de hoogte is gebracht, heeft [bedrijf BV 3] besloten het dealerschap van [bedrijf BV 2] te beëindigen en een nieuwe dealer in [plaats] aan te stellen. In de dealerovereenkomst tussen [bedrijf BV 3] en [bedrijf BV 2] is een opzegtermijn van 24 maanden opgenomen.

2.3.

[bedrijf BV 3] , [bedrijf BV 2] en [bedrijf BV 1] zijn in overleg getreden over de wijze waarop [bedrijf BV 1] het dealerschap voor Škoda van [bedrijf BV 2] kon overnemen. [bedrijf BV 1] als koper en [bedrijf BV 2] als verkoper hebben op 10 december de “Overeenkomst koop/verkoop activa” ondertekend (hierna: de overeenkomst). [bedrijf BV 3] heeft de basis voor de overeenkomst verstrekt en partijen hebben deze samen met hun adviseurs op hun wensen aangepast. Hierin is voor zover van belang het volgende bepaald:

Artikel 1: Koop/verkoop activa/passiva

1. Verkoper zal per 1 februari 2014 (…) aan koper verkopen, gelijk koper van verkoper zal kopen, diverse activa (…), welke als volgt zijn te specificeren:

ACTIVA

a. de dealerovereenkomst Škoda Sales tussen verkoper en [bedrijf BV 3] , betreffende de verkoop van nieuwe Škoda’s, (…)

b. nieuwe auto’s van het merk Škoda, (…)

2. Hieronder zijn in ieder geval niet begrepen de nieuwe auto’s die bij verkoper in consignatie staan.

c. backorders van nieuwe auto’s, nog uit te leveren op of na 1 februari 2014

d. de goodwill, knowhow, het bewerkingsgebied, en gegevens ter zake bestaande en (…) toekomstige klanten van verkoper, doch slechts voor zover het betrekking heeft op de verkoop van nieuwe Škoda’s.

e. de dealerovereenkomst Škoda Aftersales, die tussen verkoper en [bedrijf BV 3] is overeengekomen wordt expliciet niet overgedragen. Koper stemt in met het feit dat de serviceactiviteiten en verkoopactiviteiten van (o.a. Škoda’s) occasions door verkoper worden voortgezet. Koper stemt eveneens in met de mogelijkheid voor verkoper om in de toekomst bij de verkoop van nieuwe Škoda’s te bemiddelen.

(…)

Artikel 2: Kooprijs en betaling

1. De koopprijs van de in artikel 1a en 1d genoemde activa bedraagt in totaal € 225.000 (…).

(…)

3. Voor wat betreft de zogenaamde ‘backorderpositie’ (te weten de auto’s welke reeds vóór de overdrachtsdatum bij verkoper zijn besteld, doch welke pas ná de overdrachtsdatum worden uitgeleverd) zijn partijen overeengekomen dat verkoper de volledige transactie voor zijn rekening neemt. (…)

(…)

Artikel 6: CI/CD

Verkoper draagt binnen twee weken na overdrachtsdatum zorg voor de verwijdering van alle CI/CD en uitingen welke refereren aan de activiteiten betreffende verkoop van nieuwe Škoda’s. De verwijderingskosten van deze CI/CD komen voor rekening en risico van [bedrijf BV 3]

(…)

Artikel 12: Boete

Bij niet nakoming van één of meer bepalingen van deze overeenkomst verbeurt de in gebreke blijvende partij zonder voorafgaande ingebrekestelling jegens de andere partij een onmiddellijk opeisbare boete van € 25.000 (…) per overtreding en van € 2.500 (…) voor elke dag dat deze overtreding zal voortduren, onverminderd de rechten van de andere partij krachtens de wet tot het vorderen van volledige schadevergoeding en/of nakoming van deze overeenkomst en/of ontbinding daarvan, (…)”

2.4.

Bij brief van 27 februari 2015 heeft [bedrijf BV 3] aan klanten van [bedrijf BV 2] onder meer het volgende geschreven:

“Met ingang van 1 maart 2015 stopt Autobedrijf [bedrijf BV 2] te [plaats] als officieel Škoda Service partner. (…)

Om uw belangen als Škoda-klant te blijven waarborgen, zijn wij zeer content dat wij een nieuwe partner aan u kunnen voorstellen. [bedrijf BV 1] Autogroep is reeds officieel Škoda dealer voor de Achterhoek en per 1 maart ook voor [plaats] en omgeving. (…)”

3 De vordering

3.1.

[bedrijf BV 1] vordert dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis

I voorwaardelijk – namelijk voor zover de door [bedrijf BV 2] in het geding te brengen gegevens door [bedrijf BV 1] niet worden geaccepteerd – op de voet van artikel 843a Rv zal gelasten dat een door de rechtbank te benoemen deskundige onderzoek zal doen naar de door [bedrijf BV 2] sinds 1 februari 2014 gepleegde verkopen van nieuwe Škoda’s en daarbij zal vaststellen hoeveel en vanaf welke data Škoda’s zijn aangeboden en wanneer uitlevering plaatsvond, alles met bevel aan [bedrijf BV 2] om de deskundige toe te laten op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,00 voor elke dag dat [bedrijf BV 2] nalatig is zulks te doen,

II voor recht zal verklaren dat [bedrijf BV 2] wegens niet-nakoming van de verplichting uit hoofde van artikel 3 van de overeenkomst van 10 december 2013 tot overdracht van klantrelaties de in artikel 12 verbeurde boete verschuldigd is over nader te bepalen tijdvakken c.q. vanaf een bepaalde datum tot een nader te bepalen einddatum,

III [bedrijf BV 2] zal veroordelen tot schadevergoding wegens wanprestatie c.q. onrechtmatige daad, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,

IV [bedrijf BV 2] zal veroordelen om als voorschot op de verbeurde boetes en/of de schadevergoeding aan [bedrijf BV 1] te betalen een bedrag van € 350.000,00, althans een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf betekening van het vonnis,

V [bedrijf BV 2] zal veroordelen in de kosten van het geding – de beslagkosten en de nakosten daaronder begrepen – onder bepaling dat [bedrijf BV 2] over deze proceskosten met ingang van de veertiende dag na betekening van het vonnis tot aan de dag der algehele voldoening de wettelijke rente zal zijn verschuldigd.

3.2.

[bedrijf BV 1] legt aan haar vorderingen, tegen de achtergrond van de vaststaande feiten, het volgende ten grondslag.

Ten onrechte heeft [bedrijf BV 2] de aanduidingen die samenhingen met het dealerschap van Škoda niet verwijderd. Verder heeft [bedrijf BV 2] nieuwe Škoda’s op eigen naam te koop aangeboden en in november 2014 een nieuw model Škoda Fabia in zijn bedrijf gezet. Als gevolg van concurrerende activiteiten van [bedrijf BV 2] zijn de Škoda-klantrelaties die [bedrijf BV 1] vanaf 1 februari 2014 van [bedrijf BV 2] heeft overgenomen, feitelijk niet overgegaan.

Met een beroep op artikel 12 van de overeenkomst vordert [bedrijf BV 1] de boete van € 25.000,00 per overtreding, verhoogd met € 2.500,00 voor elke dag dat de overtreding (achterwege laten van verwijdering/ overdracht klantrelaties) voortduurt.

De schade als gevolg van niet-nakoming van (art. 3 van) de overeenkomst betreft gemiste winst inzake verkoop van nieuwe en ingeruilde auto’s en vaste kosten, alsmede inzake onderhoud en schadeherstel van nieuwe auto’s.

Indien de door [bedrijf BV 2] ten behoeve van de onderhandelingen voorafgaande aan de overeenkomst aangeleverde cijfers ondeugdelijk zijn, dient zo nodig met toepassing van artikel 843a Rv onderzoek te worden gedaan in de boekhouding van [bedrijf BV 2] teneinde de schade definitief vast te stellen en dient een deskundige een onderzoek in te stellen naar het aantal verkopen door [bedrijf BV 2] .

4 Het verweer

4.1.

[bedrijf BV 2] concludeert dat de rechtbank

I [bedrijf BV 1] niet-ontvankelijk zal verklaren in haar vorderingen, althans deze zal afwijzen,

II alle door [bedrijf BV 1] ten laste van [bedrijf BV 2] gelegde beslagen zal opheffen,

III [bedrijf BV 1] zal veroordelen in de kosten van het geding, inclusief nakosten,

IV ten aanzien van II en III de beslissingen uitvoerbaar bij voorraad zal verklaren.

4.2.

Op de door [bedrijf BV 2] gevoerde verweren zal voor zover van belang hierna woorden ingegaan.

5 De beoordeling

5.1.

De achtergrond van het geschil tussen partijen wordt gevormd door de wens van [bedrijf BV 3] om voor het merk Škoda over een dealervestiging in [plaats] te kunnen beschikken. [bedrijf BV 2] , op at moment dealer voor het merk Škoda, was niet in staat om zijn bedrijf van [plaats] naar [plaats] te verhuizen. Het in [plaats] gevestigde garagebedrijf van [bedrijf BV 1] was reeds voor verschillende merken van het Volkswagen/Audi-concern als officiële merkdealer aangesteld. Daarom zijn [bedrijf BV 3] , [bedrijf BV 1] en [bedrijf BV 2] met elkaar in overleg getreden over de overgang van het dealerschap van het merk Škoda van [bedrijf BV 2] naar [bedrijf BV 1] . Hiervan is de overeenkomst van 10 december 2013 het resultaat.

5.2.

[bedrijf BV 1] legt aan haar vordering ten grondslag dat [bedrijf BV 2] in strijd met de verplichtingen uit voornoemde overeenkomst klantrelaties werft voor nieuwe Škoda’s en bewerkstelligt dat klantrelaties niet overgaan naar [bedrijf BV 1] . Voor zover dat geen wanprestatie onder de overeenkomst zou zijn, handelt [bedrijf BV 2] onrechtmatig jegens [bedrijf BV 1] door een bedrag van € 225.000 te incasseren voor goodwill en deze vervolgens willens en wetens te ontfutselen door werving van klanten voor nieuwe Škoda’s.

[bedrijf BV 2] heeft als verweer aangevoerd dat zij op grond van de overeenkomst een erkend onderhoudsbedrijf van het merk Škoda zal blijven, dat zij Škoda occasions mag verkopen en mag bemiddelen bij verkoop van nieuwe Škoda’s.

5.3.

In artikel 1 is opgenomen welke activa door [bedrijf BV 2] aan [bedrijf BV 1] worden verkocht. In 1e van de overeenkomst is het volgende bepaald:

“e. de dealerovereenkomst Škoda Aftersales, die tussen verkoper en [bedrijf BV 3] is overeengekomen wordt expliciet niet overgedragen. Koper stemt in met het feit dat de serviceactiviteiten en verkoopactiviteiten van (o.a. Škoda’s) occasions door verkoper worden voortgezet. Koper stemt eveneens in met de mogelijkheid voor verkoper om in de toekomst bij de verkoop van nieuwe Škoda’s te bemiddelen.”

De vraag hoe in een schriftelijke overeenkomst de verhouding van partijen is geregeld en of deze overeenkomst een leemte laat die moet worden aangevuld, kan niet worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van die overeenkomst. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht.

5.4.

In de procedure zijn e-mails overgelegd (productie 3 bij conclusie van antwoord), waaruit blijkt dat op het punt van bemiddelen nog een wijziging in de overeenkomst is opgenomen. Er is dus geen sprake van dat dit [bedrijf BV 1] kan zijn ontgaan. Ter zitting heeft [bedrijf BV 2] desgevraagd toegelicht dat het bemiddelen bij verkoop van nieuwe Škoda’s in de overeenkomst is opgenomen omdat hij graag zijn klanten wilde blijven bedienen. Tijdens de onderhandelingen is niet aan de orde geweest voor welke Škoda dealer hij zou gaan bemiddelen. [bedrijf BV 2] wilde de handen vrij houden en daarom is hij op dit punt geen verplichtingen aangegaan jegens [bedrijf BV 1] . Hij wilde het laten afhangen van hoe een en ander zich in de toekomst zou gaan ontwikkelen. [bedrijf BV 1] heeft deze gang van zaken niet weersproken.

5.5.

Dat [bedrijf BV 1] mogelijk andere verwachtingen heeft gehad over de bevoegdheden van [bedrijf BV 2] op grond van de overeenkomst, moet - mede gelet op de omstandigheid dat de tekst van de betreffende bepaling in samenspraak met adviseurs aan beide kanten tot stand is gekomen - voor haar rekening blijven. Dit brengt mee dat [bedrijf BV 2] gerechtigd was om ten behoeve van andere Škodadealers dan [bedrijf BV 1] te bemiddelen bij de verkoop van nieuwe Škoda’s.

5.6.

[bedrijf BV 1] heeft de door [bedrijf BV 2] aangeleverde gegevens onvoldoende geoordeeld, zodat aan de voorwaarde waaronder de vordering ex artikel 843a Rv is ingesteld, is voldaan. In het verlengde van de vaststelling onder 5.5 ligt besloten dat de vordering van [bedrijf BV 1] op de grondslag van artikel 843a Rv niet kan slagen. Het feit dat [bedrijf BV 2] zich niet heeft verplicht om alleen ten behoeve van [bedrijf BV 1] te bemiddelen bij verkoop van nieuwe Škoda’s impliceert dat het rechtmatig belang van [bedrijf BV 1] ontbreekt en de vordering, zoals [bedrijf BV 2] heeft aangevoerd, veel weg heeft van een ‘fishing expedition’ naar voor omliggende dealers concurrentiegevoelige informatie. Deze vordering zal worden afgewezen.

5.7.

Vervolgens is de vraag of [bedrijf BV 2] inderdaad heeft bemiddeld bij verkoop, of op eigen naam de auto’s heeft verkocht, zoals [bedrijf BV 1] stelt. Op dit punt rust op [bedrijf BV 2] een verzwaarde stelplicht omdat de gegevens omtrent de verkochte auto’s zich in haar administratie bevinden. [bedrijf BV 2] heeft een kopie van de Grootboekkaart overgelegd waarop 37 provisiebetalingen zijn vermeld over de periode van 5 maart 2014 tot en met 30 december 2014. Voorts heeft hij van elk van de elf niet gekentekende Škoda’s waarop conservatoir beslag was gelegd, de gegevens verstrekt van de verkoper, een erkende Škodadealer, en eindgebruiker, onderbouwd met nadere producties, waaruit blijkt dat sprake is van bemiddeling. Het had op de weg van [bedrijf BV 1] gelegen om haar stelling dat toch sprake is geweest van eigen verkoop door [bedrijf BV 2] nader te onderbouwen. De overgelegde prints van de website en marktplaats (producties 8, 9a en 9b) waarop [bedrijf BV 2] zich als dealer van het merk Škoda afficheert, tonen niet aan dat [bedrijf BV 2] daadwerkelijk op eigen naam heeft verkocht. [bedrijf BV 2] heeft hierover ter zitting verklaard dat de vermeldingen op internet aan de aandacht zijn ontsnapt. Conclusie is daarom dat [bedrijf BV 1] niet aan haar nadere stelplicht heeft voldaan en deze grondslag de vordering niet kan dragen. Dat geldt ook voor de grondslag dat [bedrijf BV 2] klantrelaties (wat dat ook moge zijn) niet heeft geleverd, omdat [bedrijf BV 2] overtuigend en onweersproken heeft betoogd dat een zodanige verplichting niet bestond.

5.8.

De door [bedrijf BV 1] aangevoerde grondslag onrechtmatige daad kan haar evenmin baten. Voor zover al geoordeeld zou kunnen worden dat het niet betaamt om goodwill te incasseren (zie hierna) en vervolgens klanten voor nieuwe Škoda’s aan [bedrijf BV 1] te ontfutselen, ziet [bedrijf BV 1] eraan voorbij dat zij de bevoegdheid van [bedrijf BV 2] om te bemiddelen bij verkoop van nieuwe Škoda’s door ondertekening van de overeenkomst heeft aanvaard. Deze aanvaarding impliceert toestemming tot uitoefening van de bevoegdheid en ontneemt hierdoor aan het handelen door [bedrijf BV 2] de gestelde onrechtmatigheid.

Daarbij komt dat [bedrijf BV 2] terecht heeft opgemerkt dat [bedrijf BV 3] - gelet op de opzegtermijn van 24 maanden - vergoeding voor twee jaar dealerschap diende te betalen. Op grond van het door [bedrijf BV 1] overgelegde waarderingsrapport van het dealerschap (productie 3 bij dagvaarding) waarin de gemiste kasstromen op een bedrag van € 434.000 uitkomen, is het als koopprijs ontvangen bedrag mede te beschouwen als compensatie hiervoor. [bedrijf BV 1] heeft de suggestieve opmerking van [bedrijf BV 2] ter zitting dat hij niet uitsluit dat het bedrag van de koopsom door [bedrijf BV 3] ter beschikking is gesteld zonder reactie gelaten.

5.9.

Voorts verwijt [bedrijf BV 1] dat [bedrijf BV 2] haar in artikel 6 opgenomen verplichting tot verwijdering van de CI/CD (zie 2.3) niet is nagekomen. CI staat voor ‘corporate identity’ en CD voor ‘corporate design’. Aanvankelijk heeft [bedrijf BV 1] het aan [bedrijf BV 3] overgelaten om hierop actie te ondernemen. [bedrijf BV 2] heeft aangevoerd dat de logo’s voor Škoda dealer en Škoda Service partner aanvankelijk hetzelfde waren. Omdat de nieuwe CI/CD op dat moment niet beschikbaar was, heeft [bedrijf BV 3] ermee ingestemd dat voorlopig de aanwezige CI/CD, die [bedrijf BV 2] als Škoda servicepartner moest voeren, mocht blijven hangen. [bedrijf BV 1] heeft betwist dat Pon deze afspraak met [bedrijf BV 2] heeft gemaakt en voert aan dat deze afspraak [bedrijf BV 1] niet regardeert. Wat er zij van de door [bedrijf BV 1] betwiste afspraak, als onweersproken wordt als uitgangspunt genomen dat de CI/CD ter beschikking worden gesteld door [bedrijf BV 3] en verplicht moeten worden gevoerd door [bedrijf BV 2] . Zolang [bedrijf BV 2] niet de beschikking had gekregen over de juiste service partner CI/CD, kan zij zich jegens [bedrijf BV 1] beroepen op overmacht. Van een tekortkoming op dit punt is dan ook geen sprake.

5.10.

Tot slot resteert het verwijt van [bedrijf BV 1] dat [bedrijf BV 2] zich ook overigens is blijven presenteren als Škoda dealer. Hoewel vaststaat dat [bedrijf BV 2] het briefpapier heeft aangepast en op de website een bericht heeft geplaatst waarin is opgenomen dat [bedrijf BV 2] niet langer officieel verkoopkanaal van Škoda is (producties 4 en 5 bij conclusie van antwoord), heeft [bedrijf BV 2] nagelaten/vergeten om de advertenties op internet aan te passen en is hierin blijven staan dat zij Škoda dealer is. Voor [bedrijf BV 1] is de advertentie voor de nieuwe Fabia in november 2014 de bekende druppel geweest. Hoewel strikt genomen in deze advertentie het woord Škoda dealer niet voorkomt en alleen het logo van Škoda Service partner is opgenomen, kan een consument bij deze (ludieke) advertentiemogelijk het idee hebben dat bij [bedrijf BV 2] deze Škoda inclusief gratis boodschappen kan worden gekocht. Hierover merkt de rechtbank op dat de pijn voor [bedrijf BV 1] vooral zat in het feit dat [bedrijf BV 2] erin was geslaagd om de nieuwe Fabia twee dagen eerder in de showroom te hebben staan dan [bedrijf BV 1] zelf en dat [bedrijf BV 2] met de ludieke advertentie [bedrijf BV 1] qua marketing had overtroffen.

5.11.

Rechtvaardigt deze tekortkoming, het zich op internet presenteren als Škoda dealer en verkoper van nieuwe auto’s, dat [bedrijf BV 2] een boete heeft verbeurd van € 750.000, zoals [bedrijf BV 1] stelt, waarvan zij een bedrag van € 350.000 als voorschot vordert. Daar kan de rechtbank kort over zijn: nee. Naar het oordeel van de rechtbank is [bedrijf BV 2] jegens [bedrijf BV 1] geen enkele boete verschuldigd.

De volgende omstandigheden zijn hiervoor relevant. Door een beslissing van [bedrijf BV 3] omtrent het wenselijk netwerk van Škoda dealers is [bedrijf BV 2] , na 35 jaar dealer voor Škoda te zijn geweest, aan de onderhandelingstafel met [bedrijf BV 1] terechtgekomen. Vanuit die positie is begrijpelijk dat [bedrijf BV 2] haar belangen optimaal heeft willen waarborgen. Voorzien van adviseurs aan beide zijden is het [bedrijf BV 1] geweest die de bepaling heeft aanvaard die het [bedrijf BV 2] toestond om te bemiddelen bij verkoop van nieuwe Škoda’s. Juist deze bevoegdheid heeft ervoor gezorgd dat de verwachtingen die [bedrijf BV 1] , en mogelijk ook [bedrijf BV 3] , heeft gehad over het effect van de overdracht van het Škoda dealerschap niet onmiddellijk zijn ingelost. Voorts is de mate waarin [bedrijf BV 2] het verbod om zich te afficheren als dealer heeft overtreden, gering gelet op haar intentie bij het persbericht op de website. Bovendien heeft, zoals ook ter zitting is besproken, in feite [bedrijf BV 3] met het sturen van de brief van 27 februari 2015 het geschil tussen partijen in het nadeel van [bedrijf BV 2] beslist. Aan [bedrijf BV 2] zijn met ingang van 1 maart 2015 alle officiële activiteiten ten aanzien van Škoda’s ontnomen. Waarom de reactie van [bedrijf BV 3] niet van invloed kan zijn op de hoogte van de boete, heeft [bedrijf BV 1] niet toegelicht. [bedrijf BV 1] heeft nu meer gekregen dan waarop zij aanvankelijk aanspraak kon maken krachtens de overeenkomst van 10 december 2013. Deze overeenkomst liet immers het Škoda Service partnerschap van [bedrijf BV 2] onverlet. Alle omstandigheden in aanmerking genomen is het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat [bedrijf BV 1] zich beroept op het boetebeding.

5.12.

Het oordeel dat de vorderingen tegen [bedrijf BV 2] zullen worden afgewezen, leidt ertoe dat bezien moet worden of een belangenafweging leidt tot opheffing van de ten laste van haar gelegde beslagen. Omtrent handhaving van deze beslagen bij afwijzing van de vorderingen, heeft [bedrijf BV 1] geen feiten of omstandigheden gesteld, zodat aan een belangenafweging niet wordt toegekomen. De ten laste van [bedrijf BV 2] gelegde beslagen zullen daarom worden opgeheven.

5.13.

[bedrijf BV 1] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [bedrijf BV 2] worden begroot op:

- griffierecht 3.864,00

- salaris advocaat 4.000,00 (2,0 punten × tarief € 2.000,00)

Totaal € 7.864,00

6 De beslissing

De rechtbank

6.1.

wijst de vorderingen af,

6.2.

heft de ten laste van [bedrijf BV 2] gelegde conservatoire derdenbeslagen op,

6.3.

veroordeelt [bedrijf BV 1] in de proceskosten, aan de zijde van [bedrijf BV 2] tot op heden begroot op € 7.864,00,

6.4.

veroordeelt [bedrijf BV 1] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [bedrijf BV 1] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

6.5.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.A.M. Strens-Meulemeester en in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2015.

St/Le