Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:4946

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
28-07-2015
Datum publicatie
28-07-2015
Zaaknummer
05/801859-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte is met zijn mededader(s) veroordeeld voor openlijke geweldpleging tegen goederen en brandstichting. De dagvaarding is ten aanzien van één feit nietig verklaard. Van twee feiten is verdachte vrijgesproken. De rechtbank legt op een werkstraf voor de duur van 100 uren te vervangen door 50 dagen hechtenis, waarvan 40 uren voorwaardelijk te vervangen door 20 dagen hechtenis, met een proeftijd van één jaar. De verdachte moet met zijn mededaders schade vergoeden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer : 05/801859-13

Datum uitspraak : 28 juli 2015

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] , wonende te [adres 1] .

raadsvrouw: mr. W.C.M. Bénard-van Deutekom, advocaat te Apeldoorn.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 14 juli 2015.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 15 juli 2013 te Apeldoorn, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht, in/bij een tuin, gelegen aan de [adres 2] , immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk één conifeer, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met één conifeer, althans met (een)

brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan die conifeer geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor de naastgelegen woning, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor [slachtoffer 1] , in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was;

art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 157 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 15 juli 2013 te Apeldoorn met een ander of anderen, aan de [adres 3] , in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen het aldaar gelegen (openbare) voetpad, welk geweld bestond uit het in brand steken van hoeveelheid gras en hout op dat voetpad, waarbij hij, verdachte, opzettelijk het wegdek/voetpad en/of de bitumen laag heeft vernield;

art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 141 lid 2 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 15 juli 2013 te Apeldoorn met een ander of anderen, aan de [adres 3] , in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen één of meerdere oranje vuilcontainer(s), welk geweld bestond uit het in brand steken van voornoemde container(s), waarbij hij, verdachte, opzettelijk voornoemde container(s) heeft vernield;

art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 141 lid 2 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

4.

hij op of omstreeks 15 juli 2013 te Apeldoorn, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht, in/bij een tuin, gelegen aan de [adres 4] , immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk één of meerdere conife(e)r(en), in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met één of meerdere

conife(e)r(en), althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan die conife(e)r(en) geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor de naastgelegen woning, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor [slachtoffer 2] , in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was;

art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 157 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

5.

hij op of omstreeks 15 juli 2013 te Apeldoorn met een ander of anderen, aan ' [adres 5] ' gelegen in de wijk [adres 6] , in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een metalen afvalbak, welk geweld bestond uit het in brand steken van houten planken in die metalen afvalbak, waarbij hij, verdachte, opzettelijk die metalen afvalbak heeft vernield;

art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 141 lid 2 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

6.

hij op of omstreeks 15 juli 2013 te Apeldoorn met een ander of anderen, aan de [adres 7] , in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een fiets, welk geweld bestond uit het in brand steken van kranten in de fietstas van die fiets, waarbij hij, verdachte, opzettelijk die fiets heeft vernield;

art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 141 lid 2 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

2a. Nietigheid van de dagvaarding ten aanzien van feit 2

De officier van justitie heeft ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde vrijspraak gevorderd nu de tenlastelegging niet duidelijk is opgesteld.

De raadsvrouw heeft ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde vrijspraak bepleit.

De rechtbank is van oordeel, dat de dagvaarding wat betreft het onder 2 ten laste gelegde nietig moet worden verklaard, aangezien onduidelijk is welk feit verdachte wordt verweten met deze tenlastelegging. In het dossier is sprake van meerdere vernielingen die op 15 juli 2013 in de wijk [adres 6] in Apeldoorn zijn gepleegd. Het is de rechtbank niet duidelijk over welke openlijke geweldpleging tegen goederen het in deze tenlastelegging gaat.

2b. Vrijspraak ten aanzien van feiten 1 en 6

Feit 1

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde.

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van het onder 1 tenlastegelegde.

De rechtbank overweegt het volgende. Er zijn geen bewijsmiddelen voorhanden dat door het in brand steken van de conifeer gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel van een ander of anderen te duchten was. Dit betekent dat de ten laste gelegde brandstichting niet kan worden bewezen. Het in de brand steken van een conifeer kan in het onderhavige geval echter niet tot meer leiden dan een openlijke geweldpleging tegen goederen of vernieling en dat is niet tenlastegelegd. De rechtbank acht derhalve niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder 1 is tenlastegelegd en zal verdachte daarvan vrijspreken.

Feit 6

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 6 tenlastegelegde.

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van het onder 6 tenlastegelegde.

De rechtbank overweegt het volgende. Op 15 juli 2013 is een fiets(tas) in brand gestoken. De verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting ontkend dat hij dit feit (mede) heeft gepleegd. De rechtbank is van oordeel dat er geen bewijsmiddelen voorhanden zijn waaruit de directe betrokkenheid van verdachte bij dit feit kan worden afgeleid. Ook bewijsmiddelen waaruit zou kunnen worden opgemaakt dat sprake was van een bewuste en nauwe samenwerking met de medeverdachte bij de openlijke geweldplegingen ontbreken, zodat de verdachte voor het onder 6 ten laste gelegde feit vrijgesproken dient te worden.

2c. Overwegingen ten aanzien van het bewijs1

Aanleiding onderzoek

In de nacht van zondag 14 juli 2013 op maandag 15 juli 2013 werden in de wijk [adres 6] in Apeldoorn meerdere vernielingen en brandstichtingen gepleegd.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 3, 4 en 5 tenlastegelegde.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van onder 3 en 5 tenlastegelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van de onder 5 ten laste gelegde openlijke geweldpleging tegen goederen heeft zij aangevoerd dat er geen sprake is van vernieling van een metalen afvalbak. De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van het onder 4 tenlastegelegde.

Beoordeling door de rechtbank

Feit 3

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen van feit 3:

- het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 1] B.V.2;

- het proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte]3;

- de verklaring van verdachte bij de politie4;

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 14 juli 2015.

Feit 4

[slachtoffer 2] wonende aan [adres 4] te Apeldoorn heeft aangifte gedaan. Hij heeft - zakelijk weergegeven – verklaard dat hij op 15 juli 2013 omstreeks 02:10 uur samen met zijn echtgenote lag te slapen in hun woning toen zij wakker werden van een geluid vanuit de tuin. [slachtoffer 2] rook direct een brandlucht. Toen hij naar buiten liep, zag hij dat zijn coniferenhaag van ongeveer 2 à 2,5 meter hoog in brand stond. Hij zag dat er zeker zes coniferen in brand stonden. Door de brand zijn ongeveer twaalf coniferen in de heg beschadigd. De afstand tussen de coniferenhaag en de woning is ongeveer vijf meter.5

Getuige [getuige] , brandweerman, heeft - zakelijk weergegeven - verklaard dat hij in de nacht van 14 juli 2013 werkzaam was als brandweerman binnen Apeldoorn. Naar aanleiding van een brandmelding is hij naar de [adres 8] in Apeldoorn gegaan. Hij heeft verder verklaard dat de coniferen een afzettingshaag vormden langs een woning. Aan het einde van de schutting, naar de rechtbank begrijpt: die aansluit op de coniferenhaag, stond een carport. Naast deze carport stond een afgesloten garagebox. De ruimte tussen de coniferenhaag en de woning bedroeg ongeveer vier meter. De mogelijkheid zou kunnen bestaan dat de brand over was geslagen naar de carport. Een coniferenbrand brandt heel snel, aldus Kroon.6

Verdachte heeft bij de politie - zakelijk weergegeven - verklaard dat hij op 15 juli 2013 rond 01:00 uur met [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [betrokkene 3] op straat in Apeldoorn liep. Verdachte en [betrokkene 2] hadden een deodorantfles bij zich. Zij namen deodorantflessen mee om iets in de fik te steken. Zij hadden allemaal een aansteker meegenomen. Zij liepen naar de nieuwe wijk in Apeldoorn (de wijk [adres 6] ). In de buurt van een tennisvereniging stond een rij coniferen van ongeveer twee meter hoog. Op verzoek van [betrokkene 2] of [betrokkene 1] had verdachte bladeren gepakt en onder een conifeer gelegd. Eén van hen stak die conifeer in brand. Op het moment dat de conifeer werd aangestoken, liep hij naar [betrokkene 3] . Hij ging hier op de uitkijk staan. Hij zag dat de coniferen in brand stonden en dat de vlammen bijna zo hoog waren als het huis.7 Ter terechtzitting heeft verdachte zijn verklaring bij de politie herhaald en benadrukt dat hij op de uitkijk stond.8

Medeverdachte [betrokkene 2] heeft bij de politie - zakelijk weergegeven - verklaard dat hij op 15 juli 2013 rond 00:00 uur samen was met verdachte, [betrokkene 3] en [betrokkene 1] . Zij gingen weg met de gedachte iets in de brand te steken. Zij hadden geprobeerd coniferen in de brand te steken. Hij had bij een conifeer bladeren gelegd zodat het makkelijker was deze aan te steken. Hij wilde nog meer bladeren halen. Toen hij terug kwam met bladeren hoorde hij van [betrokkene 3] dat de conifeer al in de brand stond.9

Getuige [betrokkene 1] heeft bij de politie - zakelijk weergegeven - verklaard dat hij op 15 juli 2013 omstreeks 00:00 uur met verdachte, [betrokkene 3] en [betrokkene 2] bij de woning van verdachte vertrokken. Bij een tennisvereniging in de buurt stond een stel coniferen die ongeveer zes meter van een huis vandaan stonden. [betrokkene 1] zag dat [betrokkene 3] de coniferen volspoot met deo. [verdachte] en [betrokkene 2] staken deze aan.10

De rechtbank overweegt het volgende.

Uit de hiervoor opgenomen verklaringen komt naar voren dat de brandstichting door verdachte en medeverdachte [betrokkene 2] is gepleegd.

Het verweer van de raadsvrouw dat de omstandigheid dat verdachte blaadjes onder een coniferenhaag heeft gelegd niet van doorslaggevende betekenis is geweest voor de brandstichting wordt door de rechtbank verworpen. Anders dan de raadsvrouw beoogt te betogen heeft verdachte wel degelijk een wezenlijke bijdrage geleverd aan de brandstichting.

De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en medeverdachte [betrokkene 2] . Dit blijkt onder andere uit de omstandigheid dat verdachte en medeverdachte gezamenlijk op pad zijn gegaan, een deodorantflesje en een aansteker hadden meegenomen om dingen mee in de brand te steken, verdachte blaadjes onder de coniferenhaag heeft gelegd en hij vervolgens op de uitkijk ging staan om te kijken of er iemand aankwam. Er is sprake van op elkaar afgestemde en aansluitende uitlatingen en handelingen, die in hun onderlinge verband hebben geleid tot de brandstichting, zodanig dat gezegd moet worden dat verdachte bewust en nauw heeft samengewerkt met zijn medeverdachte bij de brandstichting.

De rechtbank acht dan ook bewezen dat verdachte de brandstichting samen met een ander heeft gepleegd. In tegenstelling tot hetgeen de verdediging naar voren heeft gebracht, kwalificeert de rechtbank, gelet op het voorgaande, de rol van verdachte als medepleger. De rechtbank volgt de raadsvrouw in haar standpunt dat er geen gemeen gevaar voor de naastgelegen woning of levensgevaar te duchten was, doch dat laat onverlet dat er wel gemeen gevaar voor goederen was, gelet op de verklaring van getuige Kroon die heeft verklaard dat

de mogelijkheid zou kunnen bestaan dat de brand over was geslagen naar de carport.

Feit 5

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen van feit 5:

- het proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 2]11;

- het proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [betrokkene 1]12;

- het proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte]13;

- de verklaring van verdachte bij de politie14;

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 14 juli 2015.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3, 4 en 5 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

3.

hij op of omstreeks 15 juli 2013 te Apeldoorn met een ander of anderen, aan de [adres 3] , in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen één of meerdere oranje vuilcontainer(s), welk geweld bestond uit het in brand steken van voornoemde container(s), waarbij hij, verdachte, opzettelijk één container(s) heeft vernield;

4.

hij op of omstreeks 15 juli 2013 te Apeldoorn, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht, in/bij een tuin, gelegen aan de [adres 4] , immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk één of meerdere conife(e)r(en), in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met één of meerdere

conife(e)r(en), althans met (een) brandbare stof(fen), ten gevolge waarvan die conife(e)r(en) geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor de naastgelegen woning, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor [slachtoffer 2] , in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was;

5.

hij op of omstreeks 15 juli 2013 te Apeldoorn met een ander of anderen, aan ' [adres 5] ' gelegen in de wijk [adres 6] , in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een metalen afvalbak, welk geweld bestond uit het in brand steken van houten planken in die metalen afvalbak, waarbij hij, verdachte, opzettelijk die metalen afvalbak heeft vernield;

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van de feit 3:

Het openlijk in vereniging geweld plegen tegen goederen, terwijl de schuldige opzettelijk goederen vernielt;

Ten aanzien van feit 4:

medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

Ten aanzien van feit 5:

Het openlijk in vereniging geweld plegen tegen goederen.

5 De strafbaarheid van het feit

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder 3, 4 en 5 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot het verrichten van 100 uren werkstraf, te vervangen door 50 dagen hechtenis.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit een lagere werkstraf met een groot voorwaardelijk deel.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 3 juni 2015;

- een voorlichtingsrapportage van de Jeugdbescherming en Reclassering van het Leger des Heils, gedateerd 5 januari 2015.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen - en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een deels onvoorwaardelijke werkstraf van na te melden duur leiden - dat verdachte zich op 15 juli 2013 schuldig heeft gemaakt aan brandstichting en openlijke geweldplegingen tegen goederen. Hij heeft in de bewuste nacht samen met anderen een spoor van vernielingen in Apeldoorn achtergelaten. Verdachte heeft brand gesticht bij een coniferenhaag die bij een woning stond, terwijl de bewoners daar lagen te slapen. Ook heeft hij openlijk geweld gepleegd tegen grote afvalcontainers en een metalen afvalbak door deze in brand te steken. Dit zijn ergerlijke feiten, waardoor voor de benadeelden overlast en materiële schade is ontstaan.

De Jeugdbescherming en Reclassering heeft geadviseerd een werkstraf op te leggen. De kans op herhaling wordt als laag ingeschat. Hij is geschrokken van het gebeurde. Op zich zal dit al recidivebeperkend zijn. Verdachte komt jonger en kinderlijker over dan zijn kalenderleeftijd aangeeft. Dit is mede het gevolg van zijn verstandelijke beperking; zijn IQ is 67. In verband daarmee woont hij in een beschermde woongroep van ’s-Heerenloo, een instelling gespecialiseerd in mensen met een verstandelijke beperking.

De rechtbank houdt verder rekening met de proceshouding van verdachte waaruit blijkt dat hij schuldbewust is en compassie heeft getoond met de benadeelden. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard, hetgeen ook uit de stukken blijkt, dat hij samen met de mededaders meerdere benadeelden heeft benaderd en bloemen en excuses heeft aangeboden. Verder houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat verdachte sinds 15 juli 2013 een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt en het tenlastegelegde een eenmalige gebeurtenis lijkt te zijn geweest.

De rechtbank ziet gelet op de standpunten van de officier van justitie en raadsvrouw geen aanleiding jeugdsanctierecht toe te passen nu dat niet tot een ander resultaat leidt.

Alles overwegende acht de rechtbank een werkstraf voor de duur van 100 uren te vervangen door 50 dagen hechtenis, waarvan 40 uren voorwaardelijk te vervangen door 20 dagen hechtenis, met een proeftijd van één jaar passend en geboden. De rechtbank komt daartoe mede gelet op het tijdsverloop, de proceshouding van verdachte, zijn jeugdige leeftijd en het feit dat verdachte sinds de tenlastegelegde feiten niet opnieuw strafbare feiten heeft gepleegd. Verdachte is door de voorwaardelijke werkstraf nu een gewaarschuwd man.

7a. De beoordeling van de civiele vordering, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het onder 3 bewezenverklaarde feit. Gevorderd wordt een bedrag van € 5.093,--.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] toe te wijzen tot het bedrag van € 4.900,- ( twee nieuwe containers), waarbij tevens de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 59 dagen hechtenis en met toepassing van de hoofdelijkheidsclausule. Voor het overige heeft de officier van justitie verzocht dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de vordering.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft naar voren gebracht dat de schade ook door de verzekering kan worden vergoed. De raadsvrouw heeft zich verder op het standpunt gesteld dat het gevorderde bedrag onvoldoende is onderbouwd.

Beoordeling door de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 3 bewezen verklaarde handelen schade heeft geleden. De rechtbank merkt hierbij op dat de benadeelde partij niet gehouden is de schade bij de verzekeraar is te verhalen.

Ten aanzien van de vergoeding van de opruimkosten en het plaatsen van nieuwe containers is de rechtbank van oordeel dat de gevorderde bedragen onvoldoende zijn onderbouwd, zodat de daarvoor opgenomen bedragen niet voor vergoeding in aanmerking komen.

Ten aanzien van de vergoeding voor twee nieuwe containers is de rechtbank van oordeel dat vergoeding niet onredelijk is. Het gevorderde bedrag van € 4.900, - ( 2 x € 2.450,-) is echter onvoldoende onderbouwd nu weliswaar een offerte is overgelegd van twee nieuwe containers, maar niet blijkt hoe oud de verbrande containers waren en uit de foto’s van de na het strafbare feit geplaatste containers de indruk ontstaat dat dit geen nieuwe containers zijn. Met gebruikmaking van de schattingsbevoegdheid zal de rechtbank de vordering toewijzen tot een bedrag van € 3.000,- ( 2 x € 1.500,-). De rechtbank is van oordeel dat verdachte voor vergoeding van de schade voor de containers, naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk is. De vordering dient tot dit bedrag te worden toegewezen.

Wat betreft het meer of anders gevorderde zal de benadeelde partij zal niet-ontvankelijk verklaard worden in haar vordering. De verdachte is niet meer tot vergoeding gehouden indien en voor zover het gevorderde door zijn mededader(s) is of wordt voldaan.

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van het toe te wijzen bedrag ten behoeve van genoemde benadeelde partij.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 141 en 157 van het Wetboek van Strafrecht.

9. De beslissing

De rechtbank:

 verklaart de dagvaarding nietig ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit;

 spreekt verdachte vrij van de onder 1 en 6 ten laste gelegde feiten;

 verklaart bewezen dat verdachte de overige tenlastegelegde feiten, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een werkstraf gedurende 100 (honderd) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 50 (vijftig) dagen;

 bepaalt, dat een gedeelte van de werkstraf groot 40 (veertig) uren, niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van na te melden voorwaarde voor het einde van de proeftijd die op één jaar wordt bepaald;

 dat de veroordeelde zich voor het einde daarvan niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

 veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 3 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [benadeelde 1] , van een bedrag van 3.000,- (drieduizend euro) met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

 verklaart de benadeelde partij [benadeelde 1] voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering;

  • -

    verstaat dat indien en voor zover door de mededader en/of mededaders het betreffende schadebedrag is betaald, veroordeelde daarvan zal zijn bevrijd;

  • -

    legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 1] , een bedrag te betalen van € 3.000,- drieduizend euro), met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal 40 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

 bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit vonnis is gegeven door mr. Van Apeldoorn (voorzitter), mr. Steinebach-de Wit en

mr. Knoop rechters, in tegenwoordigheid van mr. Buitenhuis, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 28 juli 2015.

Mr. Steinebach-de Wit is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] , brigadier van de politie regio Noord- en Oost Nederland, team Zuid, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL062B-2013094168, gesloten op 31 juli 2013 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal van aangifte door aangever [benadeelde 1] , p. 78 en 79..

3 Proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte] , p. 72 en 73.

4 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 63 en 64.

5 Proces-verbaal van aangever [slachtoffer 2] , p. 18.

6 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige] , p. 88 en 89.

7 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 63 en 64.

8 Proces-verbaal ter terechtzitting van 15 juli 2015.

9 Processen-verbaal van verhoor van medeverdachte [betrokkene 2] , p. 32, 68, 82 en 83.

10 Proces-verbaal van verhoor van getuige [betrokkene 1] , p. 58 en 59.

11 Proces-verbaal van aangifte door [benadeelde 2] , p. 75 en 76.

12 Proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [betrokkene 1] , p. 85 en 86.

13 Proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte] , p. 72 en 73.

14 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 63 en 65.