Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:4722

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
22-07-2015
Datum publicatie
22-07-2015
Zaaknummer
C/05/277624 / HZ ZA 15-47
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Overboekingen en opnamen door stiefzoon van vier en/of bankrekeningen vader en stiefmoeder met volmacht vader onrechtmatig ten opzichte van stiefmoeder en ten opzichte van vader.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zutphen

zaaknummer / rolnummer: C/05/277624 / HZ ZA 15-47

Vonnis van 22 juli 2015

in de zaak van

[bestuurder]

in zijn hoedanigheid van bestuurder van de Gelderse Stichting tot Beheer en Bewindvoering ter Bescherming van Meerderjarigen, bewindvoerder over het vermogen van [betrokkene]

kantoor houdend te Arnhem,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. J.B.R. Daniels te Arnhem,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. C.W. Langereis te Arnhem.

Partijen zullen hierna [bestuurder] en [gedaagde] genoemd worden. [betrokkene] zal hierna [betrokkene] worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 28 januari 2015

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 2 juni 2015.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[bestuurder] is bij beschikking van de sector kanton van de rechtbank Arnhem van 2 september 2010 benoemd tot bewindvoerder over het vermogen van [betrokkene]. De organisatie van welke hij bestuurder is, zal hierna worden aangeduid als GSBB.

2.2.

[betrokkene] is gehuwd geweest met wijlen de vader van [gedaagde], O.Ch. [gedaagde] (hierna: [gedaagde] sr.). Zij was zijn tweede echtgenote. [gedaagde] sr. is op 20 juli 2010 overleden. Bij zijn op 1 juli 2010 opgemaakte testament (hierna: het testament) zijn [betrokkene] voor 1/100ste deel en zijn twee kinderen ([gedaagde] en diens zuster S.M.E. [gedaagde]) gezamenlijk voor het overige tot erfgenamen benoemd. Verder heeft hij voor het geval hij bij zijn overlijden nog gehuwd is met [betrokkene], bepaald dat zijn nalatenschap overeenkomstig de wet zal worden verdeeld. [gedaagde] is bij dit testament benoemd tot executeur, welke benoeming hij heeft aanvaard. Op grond van het bepaalde in artikel 4:193, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) geldt de nalatenschap als door [betrokkene] beneficiair aanvaard. Van de bevoegdheid bedoeld in artikel 4:18 van het BW is door [betrokkene] geen gebruik gemaakt. Vereffening van de nalatenschap heeft nog niet plaatsgevonden.

2.3.

[betrokkene] en [gedaagde] sr. waren onder bij notariële akte van 20 december 1989 aangegane huwelijkse voorwaarden met elkaar gehuwd. De huwelijkse voorwaarden houden uitsluiting van elke gemeenschap in. In de huwelijkse voorwaarden is daarnaast een verplichting tot jaarlijkse verrekening opgenomen. Bij het einde van het huwelijk was niet aan deze verplichting voldaan.

2.4.

Ongeveer drie weken voor zijn overlijden is [gedaagde] sr. opgenomen in het ziekenhuis. In de weken daaraan voorafgaand heeft [gedaagde] zijn vader verzorgd. [gedaagde] sr. heeft bij notariële akte van 1 juli 2010 [gedaagde] aangesteld als zijn algemeen gevolmachtigde. De daarbij verleende volmachten houden onder meer in het (in het kader van beheer en administratie) voeren van bankrekeningen en het storten en opnemen van bedragen.

2.5.

[gedaagde] heeft in de periode van 30 juni 2010 tot en met 13 juli 2010 bedragen overgemaakt van vier ten name van [betrokkene] en [gedaagde] sr. staande en/of bankrekeningen (hierna: de bankrekeningen) naar zijn eigen rekening en bedragen opgenomen van drie van die rekeningen. In totaal is € 55.538,27 overgemaakt en opgenomen. De hiervoor bedoelde overboekingen en opnamen worden hierna ook aangeduid als de overboekingen en opnamen.

3 De vordering in conventie

3.1.

[bestuurder] vordert dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis voor recht zal verklaren dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld jegens mevrouw [betrokkene] en uit dien hoofde aan haar c.q. eiser een bedrag verschuldigd is in hoofdsom van € 55.538,27, althans een zodanig bedrag als de rechtbank juist voorkomt, en [gedaagde] zal veroordelen om binnen twee dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis dat bedrag aan mevrouw [betrokkene] c.q. [bestuurder]/ GSBB te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de data van opnames, althans vanaf 20 juli 2010, de dag van overlijden van de heer Olaf [gedaagde], althans vanaf 26 september 2014 tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van het geding, waaronder begrepen de nakosten van de advocaat.

3.2.

Aan deze vorderingen heeft [bestuurder] tegen de achtergrond van de onder 2. vermelde feiten de volgende stellingen ten grondslag gelegd.

Omdat bij het einde van het huwelijk van [betrokkene] en [gedaagde] sr. niet voldaan was aan de in hun huwelijkse voorwaarden opgenomen verplichting tot periodieke verrekening wordt op grond van artikel 1:141, derde lid, van het BW het ten tijde van het overlijden van [gedaagde] sr. bij hem en [betrokkene] aanwezige vermogen vermoed te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden. Dat vermogen wordt aldus ook vermoed van hen gezamenlijk te zijn.

[gedaagde] heeft tijdens een bespreking ten kantore van notaris M. Hofman te [woonplaats] in april 2011, waaraan ook [bestuurder] heeft deelgenomen, niet verklaard dat de opgenomen en overgeboekte bedragen waren bestemd voor [gedaagde] sr. dan wel voor [betrokkene]. Daarom is toen geconcludeerd dat hij het geld voor zichzelf heeft gehouden en dat het terugbetaald moet worden. [gedaagde] heeft dat toen niet weersproken. In aansluiting daarop is aan [gedaagde] door voornoemde notaris een ontwerp van een akte van bekrachtiging en toedeling en vaststelling erfdelen toegestuurd. [gedaagde] is niet ingegaan op het verzoek van de notaris om contact met hem op te nemen over die akte en over de betaling van een bedrag aan [betrokkene]. Uiteindelijk heeft [gedaagde] gesteld dat hij vóór het overlijden van zijn vader gemachtigd was om zijn financiële zaken te regelen en dat hij heeft gehandeld overeenkomstig diens eigen beslissingen. Welk belang van [gedaagde] sr. met de overboekingen en opnamen kort voor diens overlijden was gediend, blijft echter in het ongewisse.

[gedaagde] heeft onrechtmatig gehandeld door zonder daartoe gerechtigd te zijn en zonder de instemming van [betrokkene] de onder 2.5 bedoelde bedragen te onttrekken aan het vermogen van [betrokkene], deze te behouden en voor zichzelf aan te wenden. Hij is aansprakelijk voor de door haar als gevolg daarvan geleden schade. Voor zover [gedaagde] al door [gedaagde] sr. gemachtigd zou zijn om te beschikken over de en/of bankrekeningen, dan brengt dat niet mee dat hij vrijelijk over het saldo heeft kunnen beschikken, te meer nu hij wist, althans behoorde te weten dat het saldo mede (voor de helft) toekwam aan [betrokkene]. Gesteld noch gebleken is dat [gedaagde] sr. hem bedragen heeft geschonken.

[gedaagde] heeft ook onrechtmatig gehandeld door de niet aan [betrokkene] toekomende helft van de bedragen toen zijn vader op sterven lag aan de nalatenschap te onttrekken en zich wederrechtelijk toe te eigenen, wetende dat die nalatenschap op basis van de wet, ongeacht enig testament, in eerste instantie volledig toekwam aan [betrokkene]

De schade van [betrokkene] bestaat uit het totaal van de overgeboekte en opgenomen door [gedaagde] aan zichzelf toebedeelde bedragen.

4 Het verweer in conventie

4.1.

[gedaagde] concludeert dat de rechtbank bij, voor zover mogelijk, uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis [bestuurder] niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn vorderingen, althans hem die vorderingen als zijnde ongegrond zal ontzeggen, met veroordeling van [bestuurder] in de kosten van het geding, met bepaling dat over deze kosten, indien zij niet binnen 14 dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis zijn bijgeschreven op de derdengeldrekening van de advocaat van [gedaagde], de wettelijke rente is verschuldigd.

4.2.

Aan deze conclusie heeft [gedaagde] de volgende verweren ten grondslag gelegd.

[gedaagde] was op grond van de onder 2.4 vermelde akte gevolmachtigde van [gedaagde] sr. voor diens overlijden. Het overmaken en opnemen van de onder 2.5. vermelde bedragen was volledig in overeenstemming met de wensen van [gedaagde] sr.

In de twee jaar voordat [gedaagde] sr. in het ziekenhuis werd opgenomen, raakte [gedaagde] steeds meer betrokken bij diens zakelijke beslommeringen. [gedaagde] is ZZP’er. In de acht weken voor de ziekenhuisopname waarin hij [gedaagde] sr. heeft verzorgd, heeft [gedaagde] geen inkomsten gehad. [gedaagde] sr. heeft [gedaagde] gevraagd het geld op te nemen als compensatie voor de inkomensderving en als vergoeding voor de al eerder verleende zorg. Van een deel van de opgenomen gelden mocht [gedaagde] “lekker” op vakantie gaan. Er is ook geld van [betrokkene] opgenomen in verband met de zorg die [gedaagde] voor haar heeft gehad. Dat was ook in overeenstemming met de wens van [gedaagde] sr. en [betrokkene]. [gedaagde] fungeerde immers als verzorger van [betrokkene].

[gedaagde] betwist nadrukkelijk dat hij heeft ingestemd met de voorstellen van de notaris beschreven in de onder 3.2. vermelde ontwerpakte. [bestuurder] heeft hem tijdens de bespreking in april 2011 onder druk gezet. Daardoor heeft [gedaagde] mondeling toegezegd, maar die toezegging wil en kan hij niet nakomen.

[betrokkene] heeft als erfgenaam in beginsel slechts recht op 1% van de nalatenschap. Dat zij het vruchtgebruik van de nalatenschap heeft, doet daaraan niet af. Voor zover de vordering die 1% te boven gaat, moet zij dan ook worden afgewezen. [gedaagde] heeft na het overlijden van zijn vader heel wat kosten gemaakt die vergoed hadden moeten worden door [betrokkene]. Het gaat om de kosten voor het leegruimen en in oude staat terugbrengen van de huurwoning van wijlen zijn vader en om de eindafrekeningen van gas, water en licht, die [gedaagde] uit de nalatenschap van zijn vader heeft betaald.

5 De vordering in reconventie

5.1.

[gedaagde] vordert dat de rechtbank bij, voor zover mogelijk, uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis [bestuurder] zal gebieden inzage te geven aan [gedaagde], zulks onder door de rechtbank vast te stellen voorwaarden met betrekking tot vergoeding door [gedaagde] aan [bestuurder], van de inkomsten en uitgaven van [betrokkene] over het verleden, zulks binnen één maand na betekening van het in dezen te wijzen vonnis op straffe van verbeurte van een dwangsom ter hoogte van € 1.000,00 per dag dat [bestuurder] in gebreke blijft aan dat deel van het vonnis te voldoen, tot een maximum van

€ 25.000,00, alsmede [bestuurder] zal gebieden die inzage te verstrekken aan [gedaagde] telkens de eerste volle werkweek van het nieuwe jaar, voor het eerst in 2016, over het jaar daaraan voorafgaand, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom ter hoogte van

€ 1.000,00 per dag dat [bestuurder] in gebreke blijft aan het vonnis te voldoen, tot een maximum van € 25.000,00, met veroordeling van [bestuurder] in de kosten van het geding onder de bepaling dat over deze kosten, indien zij niet binnen 14 dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis zijn bijgeschreven op de derdengeldrekening van de advocaat van [gedaagde], de wettelijke rente is verschuldigd.

5.2.

Aan deze vorderingen heeft [gedaagde] ten grondslag gelegd de verweren die hij in conventie heeft gevoerd. Daaraan heeft hij toegevoegd dat hij, gezien het geringe erfdeel van [betrokkene], recht heeft op inzage in al hetgeen door [bestuurder] administratief wordt bijgehouden met betrekking tot de stand van haar vermogen, haar inkomsten en uitgaven. [bestuurder] heeft dat tot nu toe altijd geweigerd.

6 Het verweer in reconventie

6.1.

[bestuurder] concludeert dat de rechtbank [gedaagde] in zijn vorderingen niet-ontvankelijk zal verklaren althans hem die vorderingen als zijnde ongegrond zal ontzeggen, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure.

6.2.

Aan deze conclusie heeft [bestuurder] de volgende verweren ten grondslag gelegd.

Het is niet juist dat [betrokkene] slechts aanspraak heeft op 1% van de nalatenschap en voor het overige een recht van vruchtgebruik heeft. Uit de bij het testament bepaalde wettelijke verdeling vloeit voort dat de helft van het gezamenlijke vermogen van [betrokkene] en [gedaagde] sr. door [betrokkene] is verkregen. Het gaat dan om de volle eigendom. [gedaagde] en zijn zuster hebben slechts een vordering op [betrokkene] voor hun aandeel in de nalatenschap, die zij pas te gelde kunnen maken na haar overlijden. Over wat [betrokkene] uit de nalatenschap heeft verkregen mag zij vrijelijk beschikken, zonder dat zij gehouden is daarover rekening en verantwoording af te leggen jegens [gedaagde] en zijn zuster. Zij mag alles volledig opsouperen. Voor [bestuurder] als haar bewindvoerder geldt hetzelfde. Over het gevoerde bewind moet hij alleen rekening en verantwoording afleggen aan de kantonrechter en daarbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen het bewind over het vermogen afkomstig uit de nalatenschap en dat over het ‘overige’ vermogen. Eerst na het overlijden van [betrokkene] moet [bestuurder] de erfgenamen, onder wie [gedaagde], betrekken bij de finale rekening en verantwoording, zij het dat ook die tegenover de kantonrechter moet worden afgelegd.

7 De beoordeling

in conventie

7.1.

De rechtbank stelt voorop dat niet is weersproken dat bij het einde van het huwelijk van [betrokkene] en [gedaagde] sr. niet voldaan was aan de in hun huwelijkse voorwaarden opgenomen verplichting tot periodieke verrekening. Daaruit volgt, gelet op het bepaalde in artikel 1:141, derde lid, van het BW, dat bij het einde van het huwelijk aanwezige vermogen vermoed wordt te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden. [gedaagde] heeft geen tegenbewijs tegen het hiervoor bedoelde vermoeden aangeboden. Evenmin heeft hij aangevoerd dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid in het licht van de aard en omvang van de verrekenplicht voortvloeit dat niet van het vermoeden moet worden uitgegaan. Gezien het vorenstaande ontstond er op het tijdstip van het overlijden van [gedaagde] sr. een plicht tot verrekening van dit uit de niet verrekende bedragen ontstane, gezamenlijke vermogen.

7.2.

[gedaagde] heeft niets gesteld over de herkomst van de gelden op de bankrekeningen voorafgaande aan de overboekingen en de opnamen en over de gerechtigdheid tot die gelden. Dat brengt mee dat de saldi van de bankrekeningen op de tijdstippen voorafgaande aan de overboekingen en de opnamen tot het gezamenlijke vermogen van [gedaagde] sr. en [betrokkene] moeten worden gerekend.

7.3.

Nu vast staat dat [betrokkene] geen toestemming aan [gedaagde] heeft gegeven voor de overboekingen en de opnamen heeft hij met de overboekingen en opnamen onrechtmatig gelden onttrokken aan het deel van het gezamenlijke vermogen op de bankrekeningen dat aan [betrokkene] moet worden toegerekend. Dat betekent dat de schade die daaruit voor haar voortvloeit door hem moet worden vergoed. [bestuurder] is als haar bewindvoerder gerechtigd namens [betrokkene] daarvan vergoeding te vorderen. Die vordering ligt gezien het vorenstaande voor toewijzing gereed. Om die reden zal de gevorderde verklaring voor recht die tot hetzelfde strekt, wegens gebrek aan belang worden afgewezen.

7.4.

Nu bij het testament van [gedaagde] sr. is bepaald dat zijn nalatenschap volgens de wet moet worden verdeeld brengt dat mee, zoals ook in het testament is vastgelegd, dat van [betrokkene] alle tot de nalatenschap van [gedaagde] sr. behorende goederen verkrijgt. Het testament houdt, anders dan [gedaagde] meent, niet in dat [betrokkene] ten tijde van het overlijden van [gedaagde] sr. slechts recht heeft op 1% van de nalatenschap. Tot die goederen die [betrokkene] verkrijgt, behoort ook de vordering op [gedaagde] ter grootte van de bedragen die door de overboekingen en de opnamen zijn onttrokken aan het aan [gedaagde] sr. toe te rekenen deel van het gezamenlijke vermogen van hem en [betrokkene] op de bankrekeningen, als die onttrekkingen als onrechtmatig moeten worden aangemerkt. [bestuurder] is als bewindvoerder van [betrokkene] gerechtigd tot het namens haar vorderen van die onttrekkingen.

7.5.

In dat verband is van belang dat [gedaagde] niet heeft gesteld dat [betrokkene] en [gedaagde] sr. onderling afspraken hadden gemaakt over het beheer van de bankrekeningen en het beschikken over de saldi daarvan. Daaruit volgt, naar analogie van het bepaalde in artikel 3:170, tweede en derde lid, van het BW dat het beheer van de bankrekeningen door hen gezamenlijk diende te geschieden en dat zij uitsluitend tezamen bevoegd waren over de saldi te beschikken.

7.6.

De rechtbank begrijpt dat [gedaagde] bedoeld heeft te stellen dat hij alle overboekingen en opnamen heeft verricht met gebruikmaking van de volmacht die aan hem is verleend bij de onder 2.4. vermelde notariële akte van 1 juli 2010. Naar het oordeel van de rechtbank is die volmacht gezien de tekst van de akte echter uitsluitend gegeven in het kader van beheer en administratie. Dat brengt mee dat [gedaagde] niet gerechtigd was tot het verrichten van overboekingen en opnamen, voor zover ze niet als daden van beheer zijn aan te merken. Gezien de stellingen van [gedaagde] over de bestemming en de aanwending van de overgeboekte en opgenomen bedragen staat vast dat deze niet zijn aangewend voor beheer. Daarbij komt nog dat het geven van de volmacht van 1 juli 2010 voor zover die ziet op de bankrekeningen, zich niet verdraagt met de tussen [gedaagde] sr. en [betrokkene] geldende, onder 7.5. omschreven regels. Met die regels is evenzeer in strijd dat [gedaagde] sr. naar zeggen van [gedaagde] hem toestemming heeft gegeven tot het verrichten van de overboekingen en geldopnamen. Alleen al gezien die strijdigheid kan worden voorbij gegaan aan het aanbod van [gedaagde] om te bewijzen dat [gedaagde] sr. hem toestemming had gegeven tot die overboekingen en opnamen. Voor een daartoe strekkende bewijsopdracht was ook los van het vorenstaande geen reden, omdat [gedaagde] niets heeft gesteld over de tijdstippen waarop en de omstandigheden waaronder die toestemmingen zijn verleend. Waarvoor de overgeboekte en opgenomen bedragen waren bestemd, maakt voor het hiervoor gegeven oordeel geen verschil.

7.7.

Onder deze omstandigheden moeten ook de overboekingen en opnamen voor zover die betreffen de bedragen die zijn onttrokken aan het aan [gedaagde] sr. toe te rekenen deel van het vermogen van [gedaagde] sr. en [betrokkene] als onrechtmatig worden aangemerkt. Met die overboekingen en opnamen heeft [gedaagde] ook jegens [betrokkene] in haar hoedanigheid van verkrijger van alle tot de nalatenschap van [gedaagde] sr. behorende goederen onrechtmatig gehandeld. Dat betekent dat de vordering tot vergoeding van geleden schade ook voor het overige voor toewijzing in aanmerking komt. De gevorderde verklaring voor recht die tot hetzelfde strekt, zal wegens gebrek aan belang worden afgewezen.

7.8.

[gedaagde] heeft geen verweer gevoerd tegen de verschuldigdheid van rente met ingang van de data van de overboekingen en de opnamen. Die vordering zal dan ook worden toegewezen.

7.9.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [bestuurder] worden begroot op:

- dagvaarding € 95,77

- griffierecht 868,00

- salaris advocaat 1.788,00 (2 punten × tarief € 894,00)

Totaal € 2.751,77.

in reconventie

7.10.

Alles wat bij wijze van verweer tegen de vordering in conventie is aangevoerd door [gedaagde] schept geen grondslag voor de in reconventie gevorderde inzage in de verkregen of toekomstige inkomsten en in de (gedane of nog te verrichten) uitgaven van [betrokkene]. Of de bedragen die [gedaagde] heeft aangewend voor het leeghalen en in oude staat terugbrengen van de huurwoning ten laste van de nalatenschap komen, staat in deze zaak niet ter discussie. Het gevorderde in reconventie moet dan ook worden afgewezen.

7.11.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [bestuurder] worden begroot op:

- salaris advocaat € 894,00 (2 punten × factor 0,5 × tarief € 894,00)

Totaal € 894,00.

8 De beslissing

De rechtbank

in conventie

8.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan [bestuurder] te betalen een bedrag van € 55.538,27 (vijfenvijftigduizend vijfhonderdachtendertig euro en zevenentwintig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de overgeboekte en opgenomen bedragen telkens vanaf de dag van de overboeking en de dag van de opname tot de dag van volledige betaling,

8.2.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [bestuurder] tot op heden begroot op € 2.571,77,

8.3.

veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagde] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

8.4.

verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

8.5.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

8.6.

wijst de vorderingen af,

8.7.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [bestuurder] tot op heden begroot op € 894,00,

8.8.

verklaart dit vonnis in reconventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. van Lee en in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2015.

LE/DB