Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:457

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
29-01-2015
Datum publicatie
03-02-2015
Zaaknummer
AWB - 13 _ 1880
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2016:4082, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiser heeft geen aangiften IB/PVV gedaan en heeft zich op het standpunt gesteld dat hij in Spanje woont. De rechtbank volgt dit standpunt niet. Verweerder heeft aannemelijk gemaakt dat eiser in Nederland woont. Omdat eiser niet is uitgenodigd tot het doen van aangifte kan de bewijslast niet worden omgekeerd in verband met het niet doen van de vereiste aangifte. Ook omkering vanwege het niet voldoen aan de inlichtingenplicht is niet aan de orde. De inlichtingen zijn pas in de bezwaarfase gevraagd en de uitspraken op bezwaar dateren van na 1 juli 2011 zodat verweerder een informatiebeschikking had moeten afgeven. Ook voor wat betreft de administratieplicht had verweerder een informatiebeschikking moeten afgeven aangezien verweerder hier pas ná 1 juli 2011, te weten in de beroepsfase, een beroep op heeft gedaan. Voor wat betreft de hoogte van de belastingaanslagen kan aangesloten worden bij de resultaten van het strafrechtelijk financieel onderzoek. De vergrijpboeten worden deels vernietigd vanwege het ontbreken van een wettelijke grondslag en deels verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/233
FutD 2015-0332
FutD 2015-0333
NTFR 2015/1182 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummers: AWB 13/1880, 13/1881, 13/1882, 13/1883, 13/1884, 13/1885, 13/1886 en 13/2014

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 29 januari 2015

in de zaken tussen

[X] , eiser,

(gemachtigde: mr. [gemachtigde])

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Utrecht, verweerder.

1 Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiser de volgende belastingaanslagen opgelegd:

- met dagtekening 4 december 2006 voor het jaar 2001 een navorderingsaanslag (aanslagnummer [000].H.17) inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV), berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van ƒ 500.000 (€ 226.890), alsmede bij beschikking een boete van ƒ 119.976 (€ 54.442). Tevens is bij beschikking ƒ 43.278 (€ 19.638) aan heffingsrente in rekening gebracht;

- met dagtekening 4 december 2006 voor het jaar 2001 een navorderingsaanslag (aanslagnummer [000].W.17) premie arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (hierna: WAZ), berekend naar een WAZ-grondslag van ƒ 55.000 (€ 24.957). Tevens is bij beschikking ƒ 874 (€ 396) aan heffingsrente in rekening gebracht;

  • -

    met dagtekening 4 december 2006 voor het jaar 2003 een aanslag (aanslagnummer [000].H.36) IB/PVV, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 500.000, alsmede bij beschikking een boete van € 250.341. Tevens is bij beschikking € 30.181 aan heffingsrente in rekening gebracht;

  • -

    met dagtekening 4 december 2006 voor het jaar 2003 een aanslag (aanslagnummer [000].W.36) premie WAZ, berekend naar een WAZ-grondslag van € 24.958. Tevens is bij beschikking € 264 aan heffingsrente in rekening gebracht;

  • -

    met dagtekening 9 november 2007 voor het jaar 2004 een aanslag (aanslagnummer [000].H.46) IB/PVV, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 400.000, alsmede bij beschikking een boete van € 198.320. Tevens is bij beschikking € 26.174 aan heffingsrente in rekening gebracht;

  • -

    met dagtekening 31 december 2008 voor het jaar 2005 een aanslag (aanslagnummer [000].H.56) IB/PVV, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 600.000, alsmede bij beschikking een boete van € 302.350. Tevens is bij beschikking € 42.706 aan heffingsrente in rekening gebracht;

  • -

    met dagtekening 15 december 2011 voor het jaar 2006 een navorderingsaanslag (aanslagnummer [000].H.67) IB/PVV, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 200.000, alsmede bij beschikking een boete van € 94.015. Tevens is bij beschikking € 19.543 aan heffingsrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar van 22 februari 2013 en 25 februari 2013 de belastingaanslagen, de beschikkingen heffingsrente en de boetebeschikkingen over de jaren 2001, 2003, 2004, 2005 en 2006 gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen bij brief van 4 april 2013, ontvangen door de rechtbank op dezelfde dag, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 augustus 2014 te Arnhem. Namens eiser is daar verschenen zijn gemachtigde. Namens verweerder zijn verschenen [gemachtigde], [A] en [B].

De gemachtigde van eiser heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de wederpartij.

De beroepen van eiser zijn, met toestemming van partijen, ter zitting gelijktijdig behandeld met de beroepen van [C] (zaaknummers: AWB 13/1873, 13/1874, 13/1875, 13/1876, 13/1877, 13/1878 en 13/1879).

Overwegingen

Feiten

1. Eiser, geboren op [1960], heeft van 22 juni 1999 tot 5 februari 2001 ingeschreven gestaan op het adres [A-straat 1] te [Q]. Dit is een huurwoning. Volgens het systeem Beheer van Relaties (hierna: BVR) van de Belastingdienst, welk systeem is gekoppeld aan de gemeentelijke basisadministratie, heeft eiser zich op 5 februari 2001 uitgeschreven en opgegeven dat hij vanaf die datum woonachtig is in Spanje.

2. In de onderhavige jaren is [C] de partner van eiser (hierna: partner). Samen hebben zij twee kinderen, [D] geboren op [1997] en [E] geboren op [2005]. Zowel de partner als de kinderen hebben volgens het BVR van 11 maart 1997 (de kinderen vanaf hun geboorte) tot 7 november 2005 ingeschreven gestaan op het adres [A-straat 1] te [Q] en vervolgens van 7 november 2005 tot 30 augustus 2012 op het adres [A-straat 2] te [Q]. Zij hebben ook daadwerkelijk op die adressen gewoond.

3. De partner heeft op 31 december 2003 een koop- aannemingsovereenkomst gesloten voor de bouw van de woning [A-straat 2] te [Q]. Voor deze woning is op
27 mei 2004 een hypothecaire lening van € 599.000 afgesloten, waarvoor € 2.350 aan hypotheekrente per maand wordt betaald. Voor het passeren van de notariële akte op 27 mei 2004 is door de partner een bedrag van € 81.251 voldaan. Van dit bedrag was € 8.000 afkomstig van een contante storting en € 50.000 was afkomstig van een overboeking vanuit het buitenland.

4. De partner heeft op 2 november 1999 een koopovereenkomst gesloten waarbij zij een tweetal appartementen met parkeerplaatsen in [R] in Spanje (hierna: de appartementen) koopt. De koopprijs van de appartementen bedroeg ongeveer € 135.000. De oplevering heeft in 2000 plaatsgevonden.

5. Op 15 mei 2001 hebben eiser en zijn partner een Spaanse rechtspersoon, genaamd [F], opgericht. Het startkapitaal van de rechtspersoon bedraagt € 198.333. De appartementen zijn in deze rechtspersoon ingebracht.

6. In 2005 heeft eiser samen met een derde een woning op Kreta laten bouwen. De geschatte kostprijs van de woning bedroeg € 100.000, waarvan de helft van de kosten voor rekening van eiser zijn gekomen. Op 14 april 2006 heeft eiser zijn aandeel aan deze derde verkocht voor € 48.274.

7. Eiser beschikt over meerdere binnen- en buitenlandse bankrekeningen en blijkens het Renseignementen Informatie Systeem (hierna: RIS) beschikt eiser verder over een boot uit het jaar 1996 en heeft eiser twee kapitaalverzekeringen, welke ultimo 2005 en 2006 een waarde hadden van respectievelijk € 1.544 en € 2.050.

8. Eiser is niet uitgenodigd tot het doen van een aangifte IB/PVV over de onderhavige jaren. Eiser heeft ook geen aangiften IB/PVV ingediend over de onderhavige jaren.

9. Van eiser zijn geen inkomsten bekend bij de Belastingdienst. Bij de Spaanse belastingdienst zijn evenmin inkomsten van eiser bekend. Bij de Spaanse belastingdienst is eiser niet bekend als binnenlands belastingplichtige.

10. Op 30 oktober 2006 is eiser aangehouden als verdachte in verband met witwassen, betrokkenheid bij een criminele organisatie die zich bezig hield met de handel in hennep en valsheid in geschrifte.

11. Ter bepaling van de omvang van het door eiser wederrechtelijk verkregen voordeel is een strafrechtelijk financieel onderzoek (hierna: sfo) ingesteld. Van de bevindingen van dit onderzoek is met dagtekening 13 augustus 2007 een rapport opgemaakt. Bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel is gebruik gemaakt van de eenvoudige kasopstelling. Door middel daarvan is nagegaan of, en zo ja, in hoeverre, eiser meer contante uitgaven heeft gedaan dan via een legale bron van inkomsten kunnen worden verantwoord. Het totaal aan wederrechtelijk verkregen voordeel over de periode 1 januari 2002 tot en met 30 oktober 2006 is vervolgens berekend op (afgerond) € 1.459.064 aan onverklaarbare saldi.

12. Het wederrechtelijk verkregen voordeel is bij een eerste aanvulling op het rapport, opgemaakt op 25 september 2007, nader becijferd op € 1.488.407. Van dit bedrag hebben de volgende bedragen betrekking op de jaren 2003 tot en met 2006:

Saldo onverklaarbaar 2003

€ 303.557

Saldo onverklaarbaar 2004

€ 355.575

Saldo onverklaarbaar 2005

€ 625.292

Saldo onverklaarbaar 2006

€ 152.847

13. Vervolgens zijn aan eiser de belastingaanslagen over de jaren 2001 en 2003 tot en met 2005 opgelegd, alsmede boetebeschikkingen en beschikkingen heffingsrente. Daarbij zijn de in de eerste aanvulling op het rapport van het sfo becijferde inkomsten tot uitgangspunt genomen waarop een correctie naar boven is toegepast. Eiser heeft op 9 januari 2007 (2001 en 2003), 20 december 2007 (2004) en 9 februari 2009 (2005) bezwaar gemaakt tegen deze belastingaanslagen en vervolgens verweerder verzocht om uitstel te verlenen voor de motivering van deze bezwaarschriften vanwege de inbeslagname van administratieve bescheiden.

14. Bij arrest van 23 oktober 2009 is eiser door het Gerechtshof Arnhem veroordeeld voor verboden wapenbezit en valsheid in geschrifte met betrekking tot schriftelijke bescheiden verband houdend met het fictieve dienstverband van de partner bij [G] B.V., die zijn gebruikt bij de aanvraag van een hypotheek voor de woning aan de [A-straat 2] te [Q]. Verder is eiser vrijgesproken van witwassen en deelname aan een criminele organisatie.

15. Verweerder heeft vervolgens een boekenonderzoek ingesteld bij eiser. Dit onderzoek heeft zich beperkt tot de fiscale gevolgen van het strafrechtelijk onderzoek door de politie. Van zijn bevindingen heeft verweerder op 7 december 2011 een rapport opgemaakt. Daarin heeft hij zich onder meer op het standpunt gesteld dat eiser in de in geding zijnde jaren in Nederland woont. Hij heeft zich daarbij gebaseerd op de resultaten van een bij eiser ingesteld woonplaatsonderzoek waarvan separaat een rapport is opgesteld. In dit rapport is onder meer vastgesteld dat eiser zich op basis van de ter beschikking staande gegevens in 2003, 2004, 2005 en 2006 respectievelijk 78 dagen, 34 dagen, 15 dagen en 31 dagen in Spanje bevond en respectievelijk 282 dagen, 326 dagen, 336 dagen en 213 dagen in Nederland. Verder is in dit rapport onder ‘1 Samenvatting woonplaatsonderzoek’ onder meer het volgende vermeld:

‘(…) De enkele aspecten die kunnen duiden op een binding met het buitenland, een woning, een aantal bankrekeningen en ondernemingen, zijn zeer beperkt. De woning in Spanje lijkt verhuurd te zijn of er komen nagenoeg geen kosten voor die wijzen op een frequent gebruik van de woning. De ondernemingen zijn opgezet en worden bestuurd door anderen, zijn gestart in 2005/2006 en de aanwezigheid van de heer [X] in Spanje is kennelijk maar af en toe vereist. Ook uit de tapgesprekken komt naar voren dat de heer [X] de woning in [Q] als zijn thuis ziet. De mutaties op de Spaanse bankrekening beperken zich tot vaste lasten. (…)’

16. In de bezwaarfase heeft verweerder eiser – voor het laatst op 3 februari 2011 – op grond van het bepaalde in artikel 47, eerste lid, onderdelen a en b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) verzocht om inlichtingen te verstrekken.

17. Vervolgens is met dagtekening 15 december 2011 aan eiser de navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2006 opgelegd, alsmede een boetebeschikking en een beschikking heffingsrente. Hierbij zijn de in de eerste aanvulling op het rapport van het sfo becijferde inkomsten voor het jaar 2006 als uitgangspunt gehanteerd waarop vervolgens een correctie naar boven is toegepast. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

18. Op 22 februari 2013 en 25 februari 2013 heeft verweerder uitspraken op bezwaar gedaan voor alle in geding zijn de belastingaanslagen, boetebeschikkingen en beschikkingen heffingsrente.

19. Op 1 oktober 2012 hebben eiser en zijn partner een verklaring ondertekend waarin is vermeld dat alle inkomsten over de jaren 2001 en 2006 (bedoeld zal zijn tot en met 2006) moeten worden toegerekend aan eiser. Dit omdat de activiteiten waaruit de belastbare inkomens van eiser en zijn partner in die jaren voortvloeien, door hem werden verricht.

Geschil

20. In geschil is of de onderhavige belastingaanslagen, boetes en beschikkingen heffingsrente terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd. Dit geschil spitst zich toe op de volgende vragen:

a. a) is de woonplaats van eiser Nederland of Spanje;

b) kan de bewijslast worden omgekeerd op basis van schending van de inlichtingenplicht en schending van de administratieplicht;

c) zijn de belastingaanslagen tot de juiste bedragen opgelegd;

d) zijn de vergrijpboetes terecht opgelegd.

Beoordeling van het geschil

Woonplaats

21. Op grond van het bepaalde in artikel 4 van de AWR dient de woonplaats van eiser naar de omstandigheden te worden beoordeeld. Als uitgangspunt heeft daarbij te gelden dat een natuurlijk persoon zijn woonplaats in Nederland heeft, indien hij daarmee een duurzame betrekking van persoonlijke aard heeft. Bepalend is dat uit uiterlijk waarneembare omstandigheden moet blijken dat de banden van een belastingplichtige met Nederland voldoende sterk zijn om te kunnen aannemen dat hij hier te lande het duurzame middelpunt van zijn persoonlijke levensbelangen heeft.

22. Verweerder - die eiser als binnenlands belastingplichtige heeft aangemerkt - dient feiten en omstandigheden te stellen en - bij betwisting daarvan door eiser - aannemelijk te maken op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat eiser in de onderhavige jaren in Nederland woonachtig was. Verweerder heeft daartoe op de resultaten van het woonplaatsonderzoek gewezen. Eiser heeft de resultaten van het woonplaatsonderzoek naar het oordeel van de rechtbank niet dan wel onvoldoende weersproken. Gelet hierop en op de hiervoor onder 15. weergegeven resultaten van het woonplaatsonderzoek alsmede het feit dat de partner en de kinderen van eiser in de in geding zijnde jaren in Nederland wonen, heeft verweerder aannemelijk gemaakt dat ook eiser in de jaren 2003 tot en met 2006 in Nederland woonde. Ook voor het jaar 2001 heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk gemaakt dat eiser zijn woonplaats in Nederland had. Weliswaar heeft verweerder naar dat jaar minder onderzoek gedaan, maar daar staat tegenover dat eiser zijn stelling dat hij in 2001 in Spanje woonde niet dan wel onvoldoende heeft onderbouwd. De rechtbank heeft hierbij ook belang gehecht aan het feit dat in de gedingstukken geen enkel aanknopingspunt is te vinden dat de woonplaats van eiser in 2001 een andere is dan in de daaraan voorafgaande of de daaropvolgende jaren.

Omkering en verzwaring van de bewijslast

23. Aangezien eiser niet is uitgenodigd tot het doen van aangifte, kan de bewijslast niet worden omgekeerd wegens het niet doen van de vereiste aangifte. Voor wat betreft de omkering van de bewijslast vanwege het niet voldoen aan de inlichtingenplicht (artikel 47, eerste lid, onderdelen a en b, van de AWR) en administratieplicht (artikel 52, eerste lid, van de AWR), overweegt de rechtbank als volgt.

24. Ingevolge het met ingang van 1 juli 2011 in werking getreden artikel 25, derde lid, van de AWR (Wet van 27 mei 2011, Stb. 2011, 265, en Koninklijk Besluit van 14 juni 2011, Stb. 2011, 301), voor zover hier van belang, wordt, indien een aanslag of een navorderingsaanslag met betrekking tot welke sprake is van een onherroepelijk geworden informatiebeschikking als bedoeld in artikel 52a, eerste lid, bij de uitspraak op het bezwaarschrift de belastingaanslag gehandhaafd, tenzij is gebleken dat en in hoeverre die belastingaanslag onjuist is. In het eveneens gewijzigde artikel 27e, eerste lid, van de AWR is dit ook bepaald voor de procedure bij de rechtbank die het beroep in een dergelijk geval ongegrond zal verklaren.

25. In het op diezelfde datum in werking getreden artikel 52a, eerste lid, van de AWR is bepaald, voor zover thans van belang, dat, indien met betrekking tot een op te leggen aanslag of navorderingsaanslag niet of niet volledig wordt voldaan aan de verplichtingen ingevolge artikel 47 en 52, de inspecteur dit kan vaststellen bij een voor bezwaar vatbare beschikking (hierna: de informatiebeschikking). Blijkens de laatste volzin wijst de inspecteur in de informatiebeschikking op artikel 25, derde lid. Ingevolge het derde lid vervalt de informatiebeschikking, indien de inspecteur een aanslag of navorderingsaanslag vaststelt voordat de met betrekking tot die belastingaanslag genomen informatiebeschikking onherroepelijk is geworden.

26. In de Wet van 27 mei 2011, waarbij de artikelen 52a, 25, derde lid, en 27e, eerste lid, van de AWR (nieuw) zijn ingevoerd, zijn geen overgangsrechtelijke bepalingen opgenomen. Dit betekent dat in beginsel sprake is van een onmiddellijke, exclusieve werking voor die feiten die dateren van 1 juli 2011 en later. Anders dan partijen betogen, brengt dit niet mee dat verweerder in de onderhavige zaken geen informatiebeschikkingen had hoeven nemen vanwege het feit dat de door verweerder gestelde feiten (het niet voeren van een administratie in de in geding zijnde jaren en het niet verstrekken van inlichtingen) zich vóór 1 juli 2011 hebben voorgedaan. Naar het oordeel van de rechtbank is voor de vraag of verweerder een informatiebeschikking had moeten nemen bepalend de dagtekening van de belastingaanslag of van de uitspraak op bezwaar. Relevant is dan het moment waarop het rechtsgevolg van artikel 25 van de AWR – de sanctie van omkering en verzwaring van de bewijslast – daadwerkelijk wordt ingeroepen.

27. In dit geval is het rechtsgevolg van artikel 25 van de AWR, voor wat betreft de schending van de inlichtingenplicht, ingeroepen bij de uitspraken op bezwaar. Verweerder heeft immers pas in de bezwaarfase om inlichtingen verzocht. De uitspraken op bezwaar zijn van ná 1 juli 2011 zodat verweerder een informatiebeschikking had moeten nemen. Voor wat betreft de administratieplicht geldt eveneens dat verweerder een informatiebeschikking had moeten nemen, aangezien verweerder hierop pas tijdens de beroepsfase een beroep heeft gedaan. Voor alle in geding zijnde jaren geldt dan ook dat de bewijslast niet kan worden omgekeerd en verzwaard.

28. Zou de redenering van partijen worden gevolgd, dat verweerder geen informatiebeschikkingen had moeten nemen teneinde de sanctie van omkering en verzwaring van de bewijslast te kunnen toepassen, dan zou dat afbreuk doen aan de door de Wet van 21 mei 2011 ingevoerde rechtsbescherming voor belastingplichtigen. Verweerder zou zich in die redenering bij het opleggen van de belastingaanslag of – indien tijdens de bezwaarfase door verweerder een beroep wordt gedaan op omkering van de bewijslast - bij uitspraak op bezwaar met een dagtekening ná 1 juli 2011, op omkering van de bewijslast kunnen beroepen zonder dat een informatiebeschikking is genomen die de belastingplichtige de gelegenheid geeft het standpunt van de inspecteur aan de rechter voor te leggen. Dit komt in wezen neer op een uitgestelde inwerkingtreding van de wet. Die interpretatie komt de rechtbank, juist bij gebreke van expliciet overgangsrecht in de Wet van 27 mei 2011, onjuist voor.

Hoogte van de belastingaanslagen

29. De belastingaanslagen 2003 tot en met 2006 zijn gebaseerd op de hiervoor onder 12. genoemde resultaten van het sfo, waarop door verweerder een correctie naar boven is toegepast. Naar het jaar 2001 is tijdens het sfo en ook daarna geen onderzoek gedaan. Voor het geval de rechtbank tot het oordeel komt dat verweerder niet (volledig) in zijn bewijslast is geslaagd, heeft verweerder een beroep gedaan op interne compensatie. Dit laat zich schematisch als volgt weergeven:

Jaar

Belastbaar inkomen uit werk en woning volgens belastingaanslag

Inkomenstekort volgens sfo

Beroep interne compensatie, belastbaar inkomen uit sparen en beleggen

2001

€ 226.890 (f 500.000)

€ 10.000

2003

€ 500.000

€ 303.557

€ 10.000

2004

€ 400.000

€ 355.575

€ 15.000

2005

€ 600.000

€ 625.042

€ 10.000

2006

€ 200.000

€ 152.847

€ 40.000

30. Verweerder heeft zich voor de jaren 2003 tot en met 2006 op het standpunt gesteld dat, indien geen sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast, de inkomenstekorten volgens het sfo minimaal aan inkomen moeten zijn genoten. Omdat aannemelijk is dat niet alle uitgaven in de kasopstelling zijn opgenomen rechtvaardigt dit een afronding naar boven, aldus verweerder. De rechtbank volgt verweerder in dit standpunt. Daarbij heeft de rechtbank met name ook belang gehecht aan het feit dat eiser geen enkel inzicht heeft gegeven in het inkomen dat hij in die jaren heeft genoten en dat hij de hoogte van de belastingaanslagen voor die jaren ook niet gemotiveerd betwist. Gelet hierop is verweerder voor de jaren 2004 tot en met 2006 in zijn bewijslast geslaagd. Dit geldt niet voor het jaar 2003 aangezien er in dit jaar een groot verschil zit tussen het inkomenstekort volgens het sfo en het door verweerde vastgestelde belastbaar inkomen uit werk en woning. Een goede verklaring heeft verweerder hiervoor niet kunnen geven. De rechtbank zal het belastbaar inkomen uit werk en woning voor het jaar 2003 verminderen en vaststellen op € 350.000 en daarmee meer aansluiten bij het inkomenstekort volgens het sfo. Het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen moet dan, gelet op het door verweerder gedane beroep op interne compensatie voor box 3 en het niet betwisten door eiser van de juistheid daarvan, vastgesteld worden op € 10.000.

31. Voor het jaar 2001 heeft verweerder zich, voor het geval de bewijslast niet kan worden omgekeerd, op het standpunt gesteld dat ook in dat jaar een substantieel inkomen is genoten van ten minste € 55.000. De rechtbank deelt dit standpunt niet. Eiser heeft hiertegen terecht aangevoerd dat er voor 2001 geen bewijzen zijn van een inkomen dan wel van een inkomenstekort. De rechtbank zal het belastbaar inkomen uit werk en woning verminderen tot nihil. Het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen zal de rechtbank, gelet op het beroep van verweerder op interne compensatie en het niet betwisten door eiser van de juistheid daarvan, vaststellen op € 10.000.

Vergrijpboeten

32. De rechtbank constateert dat verweerder in het verweerschrift te kennen heeft gegeven dat de vergrijpboeten over de jaren 2003, 2004 en 2005 dienen te worden vernietigd. Verweerder geeft aan dat sprake is van een primitieve aanslagregeling en dat de boeten zijn opgelegd op grond van artikel 67d van de AWR. Aangezien eiser niet is uitgenodigd tot het doen van aangifte, is ook geen plaats voor een vergrijpboete wegens het niet, dan wel onjuist doen van die aangifte. Voor deze jaren bestond nog geen sanctie op het niet verzoeken om een aangiftebiljet. De rechtbank zal de vergrijpboeten om deze reden vernietigen.

33. Voor de jaren 2001 en 2006 zijn navorderingsaanslagen opgelegd, omdat de termijn voor het opleggen van een aanslag op het moment van opleggen al was verstreken. De vergrijpboeten zijn opgelegd op grond van artikel 67e van de AWR, omdat naar de mening van verweerder het aan (voorwaardelijk) opzet van de belastingplichtige is te wijten dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld of, zoals in dit geval, anderszins te weinig belasting is geheven. Voor het jaar 2001 is een boete van 50% opgelegd en voor het jaar 2006 een boete van 100%.

34. Naar het oordeel van de rechtbank is het in beide jaren aan voorwaardelijk opzet van eiser te wijten dat te weinig belasting is geheven. Eiser heeft de hoogte van het belastbaar inkomen onvoldoende gemotiveerd betwist en tevens heeft verweerder aannemelijk gemaakt dat eiser in alle in geding zijnde jaren ononderbroken in Nederland heeft gewoond. Eiser heeft daartegenover geen concrete feiten en omstandigheden aangevoerd ter onderbouwing van zijn standpunt dat hij in die jaren in Spanje woonde. Desondanks heeft hij geen aangifte gedaan. Als gevolg daarvan is ten onrechte geen belasting geheven. Hiermee heeft verweerder aannemelijk gemaakt dat eiser op het moment dat hij aangifte had moeten doen wetenschap had van de aanmerkelijke kans dat door het niet doen van aangifte te weinig belasting zou worden geheven, dat hij die kans toen bewust heeft aanvaard en de gevolgen daarvan op de koop toe heeft genomen. Van een pleitbaar standpunt kan, anders dan eiser stelt, onder deze omstandigheden evenmin sprake zijn.

35. Dat, zoals eiser stelt, bij hem de financiële draagkracht ontbreekt om de belastingaanslagen en/of de boetes te voldoen, heeft hij op geen enkele wijze onderbouwd. De voor het jaar 2001 opgelegde boete van 50% is passend en geboden. Dit geldt ook voor de voor het jaar 2006 opgelegde boete van 100% aangezien eiser al vanaf 2001 zijn inkomsten niet aangeeft, zodat sprake is van recidive.

36. Ten slotte dient beoordeeld te worden of de boete gematigd moet worden wegens de overschrijding van de redelijke termijn als genoemd in artikel 6 EVRM. In beginsel is daarvan sprake indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen, uitspraak heeft gedaan (zie HR 22 april 2005, nr. 37 984, ECLI:NL:HR:2005:AO9006, BNB 2005/337). Deze termijn vangt aan op het moment dat jegens de beboete een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat aan hem een boete zal worden opgelegd.

37. De rechtbank heeft vastgesteld dat de boete voor het jaar 2001 in ieder geval op 17 november 2006 aan eiser bekend is gemaakt. Nu tussen het moment van bekendmaking en deze uitspraak van de rechtbank meer dan twee jaren zijn verstreken, is de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM overschreden. Weliswaar kan een substantieel deel van deze termijnoverschrijding aan eiser worden toegerekend, maar gelet op het feit dat de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem in de strafzaak tegen eiser al dateert van 23 oktober 2009 en sindsdien al weer een geruime tijd is verstreken, ziet de rechtbank aanleiding de maximale matiging toe te kennen van 20% zodat de boete wordt verminderd tot € 1.200, waarbij is uitgegaan van een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 10.000. Voor het jaar 2006 is de redelijke termijn aangevangen op 31 oktober 2011, zodat ook daarvoor de redelijke termijn in beginsel is overschreden. Een gedeelte van deze overschrijding is echter aan eiser toe te rekenen in verband met verleend uitstel. De door de gemachtigde van eiser gestelde omstandigheid, dat de vertraging is ontstaan doordat hij niet altijd even adequaat contact met zijn in het buitenland verblijvende cliënt kon krijgen, dient voor risico van eiser te komen. In deze tijd kan op diverse manieren op elektronische wijze in contact met elkaar getreden worden. Eiser heeft geen bevredigende verklaring kunnen geven waarom hij daarvan geen gebruik heeft kunnen maken. De rechtbank zal de boete matigen met 5% en vaststellen op € 89.314.

Heffingsrente

38. Nu eiser geen afzonderlijke gronden tegen de beschikkingen heffingsrente heeft aangevoerd, zal de in rekening gebrachte heffingsrente dienen te worden verminderd overeenkomstig de vermindering van de desbetreffende belastingaanslagen.

WAZ

39. Eiser heeft geen afzonderlijke gronden tegen de belastingaanslagen WAZ 2001 en 2003 aangevoerd. Aangezien het belastbare inkomen uit werk en woning voor het jaar 2003 boven het maximale premie-inkomen blijft, zal de rechtbank de aanslag WAZ 2003 handhaven. Voor het jaar 2001 is het belastbaar inkomen uit werk en woning verminderd tot nihil zodat ook de aanslag WAZ 2001 moet worden verminderd en worden berekend naar een WAZ-grondslag van nihil.

Conclusie

40. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zijn de beroepen tegen de belastingaanslagen en de daarbij opgelegde beschikkingen heffingsrente IB/PVV 2001, IB/PVV 2003 en WAZ 2001 gegrond. Ook de beroepen tegen de over de jaren 2001 en 2003 tot en met 2005 opgelegde boetebeschikkingen zijn gegrond. Voor het overige zijn de beroepen ongegrond.

Proceskosten

41. De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van de bezwaren en beroepen redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.825,50 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt € 243, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 487 en een wegingsfactor 1,5 omdat sprake is van 4 of meer samenhangende zaken waarin het beroep gegrond wordt verklaard). Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.

6 Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen tegen de belastingaanslagen en de daarbij opgelegde beschikkingen heffingsrente IB/PVV 2001, IB/PVV 2003 en WAZ 2001 gegrond;

- verklaart de beroepen tegen de over de jaren 2001 en 2003 tot en met 2006 opgelegde boetebeschikkingen gegrond;

- vernietigt de daarop betrekking hebbende uitspraken op bezwaar;

- verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;

- vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV 2001 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 10.000;

- vermindert de navorderingsaanslag WAZ 2001 tot een berekend naar een WAZ-grondslag van nihil;

- vermindert de aanslag IB/PVV 2003 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 350.000 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 10.000;

- vermindert de beschikkingen heffingsrente dienovereenkomstig;

- vermindert de boetebeschikking die over het jaar 2001 is opgelegd tot € 1.200;

- vermindert de boetebeschikking die over het jaar 2006 is opgelegd tot € 89.314;

- vernietigt de boetebeschikkingen die over de jaren 2003 tot en met 2005 zijn opgelegd;

- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde uitspraken op bezwaar;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 1.825,50;

- gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 44 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C.G.J. van Well, voorzitter, mr. F.M. Smit en mr. J.M.W. van de Sande, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G. Schokker, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op: 29 januari 2015

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.