Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:4568

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
29-06-2015
Datum publicatie
15-07-2015
Zaaknummer
05/085115-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De politierechter heeft een man veroordeeld tot een werkstraf van 160 uur en een maand gevangenisstraf voorwaardelijk voor het medeplegen van het telen van hennep en het medeplegen van diefstal van stroom. Het door de raadsman gevoerde verweer met betrekking tot het onrechtmatig binnentreden wordt door de politierechter verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats: Arnhem

Parketnummer : 05/085115-15

proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van de politierechter d.d. 29 juni 2015

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [1974] te [geboorteplaats], wonende te [adres 1], [woonplaats],

raadsman : mr. G.F. Schadd, advocaat te Arnhem.

Alle in dit proces-verbaal weergegeven verklaringen zijn zakelijk weergegeven.

Tegenwoordig:

mr. F.J.H. Hovens, als politierechter, in tegenwoordigheid van mr. M.G.A. Luijckx, griffier.

Als officier van justitie is aanwezig mr. J. Veenendaal.

Uitgeroepen wordt de zaak tegen de na te noemen verdachte.

De verdachte:

Naam : [verdachte],

geboren op : [1974] te [geboorteplaats],

adres : [adres 1],

plaats : [woonplaats],

is niet verschenen.

Als raadsman van verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. G.F. Schadd, advocaat te Arnhem. Hij verklaart desgevraagd uitdrukkelijk te zijn gemachtigd om namens verdachte het woord ter verdediging te voeren.

De officier van justitie draagt de zaak voor.

De politierechter deelt de korte inhoud van de stukken van het voorbereidend onderzoek mee, waaronder:

- een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal nr. PL0600-2015125165, d.d. 7 april 2015, opgemaakt door verbalisant van de politie Oost-Nederland, district Gelderland-Midden, met bijlagen;

- een uittreksel uit het algemeen documentatieregister van de justitiële documentatiedienst d.d. 2 mei 2015.

De officier van justitie voert het woord voor requisitoir en vordert dat verdachte wordt veroordeeld tot het verrichten van 160 uren werkstraf subsidiair 80 dagen hechtenis en een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

De officier van justitie legt vervolgens de vordering aan de politierechter over.

De raadsman voert het woord ter verdediging en voert daartoe aan:

Primair stel ik mij op het standpunt dat sprake is van een onrechtmatige binnentreding waardoor het daardoor verkregen bewijs dient te worden uitgesloten. Om binnen te treden op basis van artikel 9 van de Opiumwet is een redelijk vermoeden van schuld nodig. Er zijn onvoldoende feiten of omstandigheden om hiervan te spreken. Er is een melding over wateroverlast. De verbalisanten komen ter plaatse en zien dat op de ramen enigszins condens is gevormd en dat er vochtplekken op het plafond zitten. Dit is echter niet terug te zien op de foto. De aanwezigheid van condens is niet vreemd gezien het feit dat het voorjaar is, de ruimte niet wordt gebruikt en bovenal sprake is van wateroverlast. Daarnaast is het feit dat er stof op het bureau ligt en de monitor niet is aangesloten normaal omdat de ruimte niet in gebruik is. Dit alles draagt niet bij aan een verdenking in de zin van artikel 9 van de Opiumwet. Het feit dat de verbalisanten horen dat dagelijks iemand komt om de ramen schoon te maken is eveneens onvoldoende om te spreken van een redelijk vermoeden van schuld. Hetgeen mij overigens sterk lijkt. Gezien het voorstaande is geen redelijk vermoeden van schuld waardoor het binnentreden op basis van artikel 9 van de Opiumwet onrechtmatig is. Gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad is hierdoor sprake van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Gezien de ernst van het verzuim en mate waarin dergelijke vormverzuimen plaatsvinden, zal bewijsuitsluiting moeten plaatsvinden. Het binnentreden zonder voldoende verdenking komt namelijk geregeld voor. Uit een artikel uit de krant blijkt – welk artikel ik u nu overleg – dat recentelijk 22 keer is binnengetreden en daarbij in geen enkele woning hennep is aangetroffen. In december 2014 is 61 keer binnengetreden en is slechts in 20 gevallen hennep in de woning aangetroffen. In twee eerdere uitspraken van de rechtbank Gelderland in vergelijkbare situaties overgegaan tot bewijsuitsluiting.

Subsidiair stel ik mij op het standpunt dat niet kan worden bewezen dat sprake is van plegen dan wel medeplegen. Er kan niet worden vastgesteld dat mijn cliënt de huurder is van het pand. Mijn cliënt verklaart de huur van het pand aan een ander te hebben overgedragen. Het huurcontract staat ook op een naam van een ander. Verder is er geen bewijs dat mijn cliënt iets met de hennepkwekerij te maken heeft. Mijn cliënt is nooit bij de hennepkwekerij gezien. De bestuurder van de auto wordt omschreven als een magere man. Mijn cliënt is juist een forse en brede man.

Indien mijn cliënt als huurder zou kunnen worden aangemerkt, dan is dat onvoldoende om te spreken van pleger of medepleger van het delict. Het huren van een pand of het ter beschikking stellen van een pand is geen substantiële bijdrage waardoor sprake is van medeplichtigheid. Het feit kan dus niet worden bewezen.

Gelet op het bovenstaande verzoek ik u mijn cliënt vrij te spreken van het tenlastegelegde.

De officier van justitie repliceert en merkt hierbij nog op:

Er is sprake van wateroverlast, condens, iemand die dagelijks de ramen schoonmaakt en de bovenste verdieping is verduisterd met lamellen. Dit zijn feiten en omstandigheden die leiden tot een redelijk vermoeden van schuld. Er is dus rechtmatig binnengetreden.

De raadsman dupliceert en merkt nog op:

Gelet op de foto’s in het dossier kan niet worden gezegd dat sprake is van een mogelijke overtreding van de Opiumwet. De condens is een ver gezochte omstandigheid. Deze condens kan om veel andere redenen ontstaan. Op basis van extra onderzoek moet de verdenking worden aangedikt. Deze feiten en omstandigheden zijn onvoldoende om te spreken van een redelijk vermoeden.

De politierechter sluit daarop het onderzoek en zegt terstond mondeling vonnis te zullen geven.

De politierechter spreekt het vonnis uit ter openbare terechtzitting.

AANTEKENING VAN HET MONDELINGE VONNIS

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 maart 2015 tot en met 18 maart 2015 te Andelst, althans in de gemeente Overbetuwe tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een (bedrijfs)pand aan het [adres 2]) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 172 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 maart 2015 tot en met 18 maart 2015 te Andelst, althans in de gemeente Overbetuwe tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen stroom/elektriciteit (in/uit een (bedrijfs)pand gelegen aan het [adres 2]), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Liander NV, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking (door één of meer (ijk)zegel(s) en/of het deksel van de elektriciteitsmeter te verbreken en/of verwijderen en/of (vervolgens) een elektriciteitsaansluiting aan de boven- en/of buitenzijde, in elk geval buiten de meter om, te maken);

GEVAL VAN BEWEZENVERKLARING

2A. Bewijsuitsluiting

Standpunt van de verdediging

Door de verdediging is bewijsuitsluiting ten aanzien van feit 1 en 2 bepleit nu onrechtmatig is binnengetreden. Om op basis van artikel 9 van de Opiumwet binnen te treden moet sprake zijn van een redelijk vermoeden van schuld. De enkele aanwezigheid van condens, een stoffig bureau en een niet aangesloten monitor is onvoldoende nu sprake is van wateroverlast in een onbewoond pand. Hierdoor is sprake van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Gelet op de ernst van het verzuim en het geschonden recht zal het bewijs dat door het binnentreden is verkregen, moeten worden uitgesloten.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat rechtmatig is binnengetreden en dat gezien de feiten en omstandigheden sprake is van een redelijk vermoeden van schuld.

Beoordeling van de politierechter

De politierechter is van oordeel dat in de onderhavige zaak geen sprake is van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Het betreft een leeg bedrijfspand waar zich iedere dag condens op de ramen vormt. Het is de verbalisanten ambtshalve bekend dat bij hennepkwekerijen water wordt gebruikt en dat het vaak warme ruimtes betreft waardoor veel condens vrijkomt. Deze condensvorming kan ontstaan door de bouw van het pand. Er komt echter iedere dag iemand langs om de ramen schoon te maken. Dat is minst genomen opvallend omdat het pand leeg zou staan en niet zou worden gebruikt. Dit gegeven in combinatie met de omstandigheid dat er verduisterde ramen zijn en vochtplekken op het plafond, is voldoende voor een redelijk vermoeden van overtreding van de Opiumwet. Er is rechtmatig binnengetreden. Het als gevolg daarvan verzamelde bewijs kan worden gebruikt.

2B. Alle gebezigde bewijsmiddelen en andere gronden voor de bewezenverklaring

Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant van de politie Oost-Nederland, district Gelderland-Midden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2015125165, gesloten op 7 april 2015 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

De politierechter bezigt tot bewijs ten aanzien van de feiten de inhoud van de navolgende wettige bewijsmiddelen:

ten aanzien van feit 1 en 2:

  • -

    een proces-verbaal van bevindingen, inhoudende de verklaring van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] d.d. 31 maart 2015 (p. 13, 14);

  • -

    een proces-verbaal van aangifte, inhoudende de op 1 april 2015 afgelegde verklaring van [naam], namens [benadeelde] (p.31, 33, 35);

  • -

    een huurovereenkomst gesloten tussen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] (p. 54, 55);

  • -

    een huurovereenkomst gesloten tussen [betrokkene 1] en [betrokkene 3], vertegenwoordigd door [betrokkene 4] (p. 72, 73);

  • -

    een proces-verhaal , inhoudende de op 24 maart 2015 afgelegde verklaring van [betrokkene 1] (p. 108, 109);

  • -

    een factuur van betaling huur van de maanden september 2014 en oktober 2014 (p. 96, 97);

  • -

    een proces-verbaal van aanhouding [medeverdachte], inhoudende de op 18 maart 2015 afgelegde verklaring van verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 1] (p.98, 99);

  • -

    een proces-verbaal van verhoor verdachte [betrokkene 4] (p. 113) voor zover inhoudende: “een Opel Combo met het kenteken [kenteken]. Deze auto is mijn eigendom”.

De politierechter overweegt in het bijzonder het navolgende.

In het pand aan de [adres 2] te Andelst zijn op 18 maart 2015 het aantal van 172 hennepplanten aangetroffen Verdachte heeft dit pand gehuurd vanaf 1 september 2015, maar heeft na korte tijd aan de verhuurder laten weten er weer van af te willen. Het pand is toen verhuurd aan ene [betrokkene 2]. Opvallend is dat verdachte, ook nadat het pand aan een ander is verhuurd, zich wel ermee blijft bemoeien en nog steeds de huurpenningen van dit pand betaalde, zo blijkt uit de verklaring van de verhuurder. Hierbij was verdachte ook degene die de nieuwe huurder heeft gevonden. De politierechter is dan ook van oordeel dat sprake is van een schijnconstructie waarbij een nieuwe huurder voor het pand is gezocht terwijl verdachte zelf de daadwerkelijke huurder van het pand is gebleven in de periode waarin de hennep is geteeld. Blijkens getuigenverklaringen worden elke dag de ramen schoongemaakt door medeverdachte [medeverdachte]. Hierbij maakt [medeverdachte] gebruik van de auto van verdachte, namelijk de Opel Combo [kenteken]. Verdachte heeft zelf geen alternatieve verklaring voor de gehele situatie gegeven. De politierechter is op basis van het voorgaande van oordeel dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachte waarbij hennep is geteeld en stroom illegaal is getapt. De politierechter acht het onder 1 en 2 tenlastegelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen.

3 Bewezenverklaring

Voor zover er in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Door de inhoud van voormelde bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel - ook in onderdelen - slechts wordt gebezigd tot bewijs van de feiten waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft de politierechter de overtuiging verkregen en acht de politierechter bewezen, dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 maart 2015 tot en met 18 maart 2015 te Andelst, althans in de gemeente Overbetuwe tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een (bedrijfs)pand aan het [adres 2]) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 172 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 maart 2015 tot en met 18 maart 2015 te Andelst, althans in de gemeente Overbetuwe tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen stroom/elektriciteit (in/uit een (bedrijfs)pand gelegen aan het [adres 2]), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Liander NV, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking (door één of meer (ijk)zegel(s) en/of het deksel van de elektriciteitsmeter te verbreken en/of verwijderen en/of (vervolgens) een elektriciteitsaansluiting aan de boven- en/of buitenzijde, in elk geval buiten de meter om, te maken);

4. Kwalificatie, eventueel met de gronden daarvoor, en de artikelen van de wet, welke worden toegepast

Het bewezenverklaarde levert op:

ten aanzien van feit 1:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod

ten aanzien van feit 2:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking

artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 57, 91, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht alsmede de artikelen 3, 11 en 13 van de Opiumwet.

De feiten zijn strafbaar.

5. Beslissing omtrent de strafbaarheid van de verdachte, eventueel met de gronden daarvoor

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

6. Opgelegde straf of maatregel; Opgave van de bijzondere redenen, die de straf hebben bepaald of tot de maatregel hebben geleid

Veroordeelt verdachte tot

een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf in zijn geheel niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit.

het verrichten van een werkstraf gedurende 160 (honderdzestig) uren.

Beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast en stelt deze vervangende hechtenis vast op 80 (tachtig) dagen.

Deze strafoplegging is in overeenstemming met de persoon en de omstandigheden van veroordeelde, de aard en de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De politierechter overweegt in het bijzonder het navolgende.

Veroordeelde heeft samen met een ander hennep geteeld en illegaal elektriciteit getapt. Dit zijn twee ernstige feiten. Het telen van hennep gaat vaak gepaard met andere vormen van criminaliteit en het illegaal aftappen van stroom kan zeer gevaarlijke situaties veroorzaken. De kwekerij en de daarbij gebruikte installaties ogen professioneel. De politierechter acht daarom naast een onvoorwaardelijke werkstraf ook een voorwaardelijke gevangenisstraf geboden.

7 Bijkomende beslissingen, eventueel met de gronden daarvoor.

Vrijspraak van hetgeen meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard.

De politierechter merkt op dat de veroordeelde binnen 14 dagen hoger beroep kan instellen tegen dit vonnis.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de politierechter en griffier is vastgesteld en ondertekend.