Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:4560

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
15-07-2015
Datum publicatie
24-07-2015
Zaaknummer
AWB - 15 _ 2256
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wettelijke grondslag van het primaire besluit daterend van vóór 1 januari 2015 kan uitsluitend berusten op de Wmo 2007. Ingevolge artikel 8.9, tweede lid, van de Wmo 2015 moet het bestreden besluit eveneens geacht worden te zijn genomen op grond van de Wmo 2007.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2015/296 met annotatie van H. van Rooij
RSV 2015/189
JWWB 2015/162

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: 15/2256

proces-verbaal van de meervoudige kamer van 7 juli 2015

in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. S.G. Blasweiler),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ede te Ede, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 28 november 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser hulp bij het huishouden op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) over de periode van 1 januari 2015 tot en met 31 december 2016 toegekend.

Bij besluit van 12 maart 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juli 2015. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en zijn vader. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Klok, L. Blanken-Koops en M. Karman.

Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit:

  • -

    herroept het primaire besluit, bepaalt dat eiser in aanmerking komt voor 4 uur en 30 minuten huishoudelijke hulp per week tot en met 31 december 2016 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

  • -

    gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht groot € 45 aan hem vergoedt;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 980.

Overwegingen

1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.

2.1

Ingevolge artikel 8.11, eerste lid van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: Wmo 2015) treedt deze wet in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Het in artikel 8.11, eerste lid bedoelde koninklijk besluit (hierna: KB) is het KB van 9 juli 2014 (Stb. 2014, 281) houdende vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Wmo 2015. Op grond van dit KB is de Wmo 2015 op 19 juli 2014 in werking getreden, behoudens een aantal met name in genoemd KB opgesomde artikelen die op 1 januari 2015 in werking zijn getreden. Tot de bepalingen die met ingang van 1 januari 2015 in werking zijn getreden behoren de artikelen 2.1.1 en 2.3.1 van de Wmo 2015, waarop de bevoegdheid van verweerder berust om te beslissen op aanvragen voor maatschappelijke ondersteuning.

Het primaire besluit dateert van vóór 1 januari 2015, terwijl verweerder onmiskenbaar heeft beoogd dit besluit te baseren op de Wmo 2015. Onder verwijzing naar het bovenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat verweerder ten tijde van het primaire besluit niet bevoegd was een besluit inzake maatschappelijke ondersteuning te nemen op grond van de Wmo 2015. De wettelijke grondslag van het besluit kan daarom uitsluitend berusten op de Wet maatschappelijke ondersteuning 2007 (hierna: Wmo 2007).

2.2

Ingevolge artikel 8.9, tweede lid, van de Wmo 2015 blijft het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van enig artikel van deze wet van toepassing ten aanzien van besluiten genomen op grond van de Wmo 2007. Dat brengt mee dat verweerder het bestreden besluit had moeten baseren op de Wmo 2007.

2.3

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank niet toe aan een oordeel over het bestreden besluit tegen de achtergrond van de Wmo 2015.

3.1

Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien, in die zin dat eiser in aanmerking komt voor 4 uur en 30 minuten huishoudelijke hulp per week tot en met 31 december 2016, waarbij de duur van de indicatie is gelijk gesteld met de toegekende periode in het primaire besluit.

3.2

De rechtbank is van oordeel dat artikel 4 van de Wmo 2007 en de – ten tijde van het bestreden besluit nog steeds van kracht zijnde – beleidsregels hulp bij het huishouden van toepassing zijn op de onderhavige besluitvorming.

Bij besluit van 23 oktober 2013 heeft verweerder eiser op grond van de Wmo 2007 hulp bij het huishouden toegekend voor 4 uur en 30 minuten per week over de periode van 22 oktober 2013 tot en met 31 december 2014.

Het is de rechtbank niet gebleken dat er aan de zijde van eiser sprake is van gewijzigde omstandigheden op grond waarvan de huishoudelijke hulp van eiser per 1 januari 2015 lager kon worden geïndiceerd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat eiser met de – bij het primaire besluit – huidige toegekende huishoudelijke hulp onvoldoende wordt gecompenseerd als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Wmo 2007.

4. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

5. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 980 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 490 en een wegingsfactor 1).

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Klein Egelink, voorzitter, mr. J.A. van Schagen en mr. C.W.C.A. Bruggeman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. Wolsink-van Veldhuizen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2015.

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.