Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:4535

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
21-07-2015
Datum publicatie
21-07-2015
Zaaknummer
AWB - 13 _ 7967
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Omzetbelasting, korting wegens contante betaling, artikel 29, derde lid Wet OB juncto artikel 3 van het Uitvoeringsbesluit zijn ook van toepassing indien korting niet op factuur is vermeld

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2015-1895 met annotatie van Fiscaal up to Date
V-N Vandaag 2015/1656
V-N 2015/45.21.15
Belastingadvies 2015/21.8
Mr. E.H.A.M. Thijssen annotatie in NTFR 2015/2386

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummer: AWB 13/7967

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 21 juli 2015

in de zaak tussen

[X] B.V., te [Z], eiseres

(gemachtigde: [gemachtigde] RA),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Enschede, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres over het tijdvak 1 januari 2007 tot en met 31 december 2007 een naheffingsaanslag (aanslagnummer [000].F.01.7502) omzetbelasting opgelegd van € 6.848, alsmede bij beschikking een boete van € 684. Tevens is bij beschikking € 1.097 aan heffingsrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 1 november 2013 de naheffingsaanslag, de beschikking heffingsrente en de boetebeschikking gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen bij brief van 12 december 2013, ontvangen door de rechtbank op 13 december 2013, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 juli 2015.

Namens eiseres zijn [A] en [B] verschenen, bijgestaan door de gemachtigde. Namens verweerder zijn verschenen [gemachtigde] en

[C] RA.

Overwegingen

Feiten

1. Bij eiseres is een boekenonderzoek ingesteld naar onder meer, en voor zover hier van belang, de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting over de jaren 2007 tot en met 2010. Van dit boekenonderzoek is met dagtekening 24 april 2013 een rapport opgemaakt. In dit rapport is onder meer, en voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:

“(…)

Grootboekrekening [001] Korting crediteur

(…) Daarnaast zijn op rekening [001] ‘Korting crediteur’ bedragen verantwoord, welke samenhangen met het gedeeltelijk niet betalen van de door crediteuren in rekening gebrachte bedragen. Op de betreffende inkoopfacturen is veelal genoteerd -3% en in aansluiting hierop is het te betalen bedrag gekort.

(…)

2007 (…)

Korting crediteur € 174.865 (…)

(…)

De op de factuur vermelde voorbelasting werd volledig in aftrek genomen, ook indien op de factuur geen melding werd gemaakt van een betalingskorting. Op grond van artikel 29 lid 2 Wet OB is de ondernemer, ingeval van gedeeltelijke betaling, de teveel in aftrek genomen voorbelasting verschuldigd. Voor zover géén sprake is van een op de factuur vermelde betalingskorting, is artikel 3 Uitv. Besl OB niet van toepassing.

Mede omdat deels sprake is van facturen van buitenlandse leveranciers, waarop geen OB vermeld staat, is een steekproef uitgevoerd om vast te stellen in hoeverre in dit kader voorbelasting ten onrechte in aftrek is genomen. Ten einde het aantal te beoordelen steekproefposten te beperken zijn, in overleg met de accountant, de posten getrokken over de periode 2007 tot en met 2010. Hierbij is het interval, rekening houdend met materialiteit en controletolerantie, bepaald op € 12.609.

Gelet op de totale massa leidt dit tot een steekproefomvang van 60 posten, waarbij elke getrokken euro representatief is voor een bedrag aan voorbelasting van € 12.609.

Met betrekking tot 13 van de 60 getrokken posten was de op de factuur vermelde OB ten onrechte volledig in aftrek genomen. Op grond van de uitgangspunten van de steekproef kan geconcludeerd worden dat inzake een bedrag van € 163.917 (13 * € 12.609) aan korting crediteuren, de voorbelasting ten onrechte in aftrek is genomen c.q. niet gecorrigeerd is ten tijde van de betaling aan de crediteur. Met een bedrag van €163.917 aan korting crediteuren correspondeert een bedrag van € 26.171 (19I119) aan OB. Naar evenredigheid van de bedragen aan korting is de correctie OB toegerekend aan de jaren 2007 tot en met 2010, te weten: €6.848, € 6.564, € 5.558 resp. € 7.200.”

2. De naheffingsaanslag is opgelegd met dagtekening 27 november 2012.

Geschil

3. In geschil is of de naheffingsaanslag omzetbelasting tot een juist bedrag aan eiseres is opgelegd. Meer in het bijzonder is in geschil of sprake is van een korting wegens contante betaling, als bedoeld in artikel 29, derde lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: Wet OB), juncto artikel 3 van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 (hierna: Uitvoeringsbesluit). Voor zover geen sprake is van een korting wegens contante betaling in vorenbedoelde zin, is in geschil of verweerder de steekproefmethode op de juiste wijze heeft toegepast.

4. Niet meer in geschil is dat de boete ten onrechte is opgelegd omdat sprake is van een pleitbaar standpunt.

Beoordeling van het geschil

Vooraf

5. Eiseres heeft ter zitting afschriften van correspondentie (e-mails en brieven uit het jaar 2012) met een aantal van haar leveranciers overgelegd. Voorts heeft zij een aantal facturen uit de jaren 2010 en 2011 overgelegd.

6. Verweerder heeft desgevraagd aangegeven dat de stukken laat zijn aangeleverd.

7. Voor zover verweerder daarmee beoogd heeft te stellen dat de stukken als tardief buiten beschouwing dienen te blijven, onderschrijft de rechtbank dat standpunt niet. Daarbij weegt mee dat verweerder voldoende gelegenheid heeft gehad om van deze stukken kennis te nemen (de rechtbank heeft de zitting ongeveer 15 minuten geschorst) en ook voldoende in staat is geweest ter zitting inhoudelijk daarop te reageren (zie HR 19 december 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC4490).

Wettelijk kader

8. Artikel 29 van de Wet OB luidt als volgt:

“1. Op verzoek wordt teruggaaf verleend van de belasting ter zake van leveringen en diensten, voor zover de vergoeding:

a. niet is en niet zal worden ontvangen;

b. wordt terugbetaald omdat een vermindering van de vergoeding is verleend of omdat de goederen in ongebruikte staat zijn teruggenomen.

2. De ondernemer die ingevolge artikel 15 belasting in aftrek heeft gebracht ter zake van aan hem verrichte leveringen van goederen en diensten, wordt het afgetrokken bedrag naar evenredigheid als belasting verschuldigd op het tijdstip waarop en voor zover redelijkerwijs moet worden aangenomen dat hij de vergoeding waarop dat bedrag betrekking heeft, niet of niet geheel zal betalen dan wel heeft terugontvangen. De belasting wordt in ieder geval verschuldigd twee jaren na de opeisbaarheid van de vergoeding, voor zover deze op dat tijdstip nog niet is betaald. De verschuldigd geworden belasting wordt op de voet van artikel 14 voldaan.

3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld waarin het eerste en tweede lid niet van toepassing worden verklaard op bedragen welke niet zijn ontvangen onderscheidenlijk betaald ten gevolge van een korting voor contante betaling.”

9. Artikel 2 van het Uitvoeringsbesluit luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“1. Met kortingen wegens contante betaling wordt voor de bepaling van de vergoeding terstond rekening gehouden, mits op de factuur - ingeval deze wordt uitgereikt - de korting in mindering wordt gebracht op het in rekening te brengen bedrag.

(…)”

10. Artikel 3 van het Uitvoeringsbesluit luidt als volgt:

“Artikel 29, eerste en tweede lid, en artikel 29a, eerste lid, van de wet zijn niet van toepassing op bedragen welke niet zijn ontvangen onderscheidenlijk betaald ten gevolge van een korting voor contante betaling, indien niet ter zake van die korting een aanvullende factuur is uitgereikt.”

Beoordeling

11. Vaststaat dat eiseres op grootboekrekening [001] (korting crediteur) onder meer bedragen heeft verantwoord (hierna: betalingskortingen) die zij in mindering heeft gebracht op de door leveranciers aan haar in rekening gebrachte bedragen. Op een gedeelte van de betreffende inkoopfacturen is door de leveranciers geen melding gemaakt van een betalingskorting. Eiseres heeft de betalingskorting zelf op de factuur vermeld, bijvoorbeeld door het te betalen bedrag exclusief omzetbelasting met 3% te verminderen of door op de factuur -3% te noteren. Eiseres heeft vervolgens het in rekening gebrachte bedrag, verminderd met de door haar berekende betalingskorting, aan de leveranciers betaald. Eiseres heeft de op de facturen vermelde omzetbelasting volledig in aftrek heeft gebracht, zonder rekening te houden met de betalingskorting, ook indien op de factuur door de leverancier geen melding werd gemaakt van een betalingskorting.

12. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres met hetgeen zij ter zitting heeft verklaard en met de door haar ter zitting overgelegde stukken aannemelijk gemaakt dat zij met haar leveranciers een korting voor contante betaling als bedoeld in artikel 29, derde lid, van de Wet OB, juncto artikel 3, van het Uitvoeringsbesluit is overeengekomen. Aan het vorenstaande doet niet af, dat eiseres het initiatief heeft genomen door haar leveranciers te benaderen met het verzoek om een korting van 3% toe te kennen bij betaling binnen een periode van 10 of 14 dagen of door op eigen initiatief een betalingskorting toe te passen bij betaling binnen die periode. Nu de leveranciers uitdrukkelijk dan wel stilzwijgend hebben ingestemd met het verzoek dan wel de handelwijze van eiseres is sprake van overeenstemming tussen partijen ten aanzien van de betalingskorting. Aan het vorenstaande doet evenmin af dat de door eiseres overgelegde facturen betrekking hebben op de jaren 2010 en 2011. Eiseres heeft immers onweersproken gesteld dat zij reeds vanaf 2003 de hiervoor beschreven handelwijze toepast.

13. De rechtbank verwerpt het standpunt van verweerder dat artikel 29, derde lid, van de Wet OB juncto artikel 3, van het Uitvoeringsbesluit slechts van toepassing is indien de korting voor contante betaling door de leverancier op de factuur vermeld is. Deze eis wordt noch in artikel 29, derde lid, van de Wet OB noch in artikel 3 van het Uitvoeringsbesluit gesteld. De omstandigheid dat in artikel 2 van het Uitvoeringsbesluit wel is vermeld dat de betalingskorting op de factuur moet worden opgenomen, doet hieraan niet af. Deze bepaling ziet immers op de presterende ondernemer die wil bereiken dat voor het berekenen van de verschuldigde omzetbelasting onmiddellijk met de betalingskorting rekening wordt gehouden en dat is hier nu juist niet het geval. Aan dit artikel kan daarom niet worden ontleend dat een betalingskorting slechts een betalingskorting is als deze als zodanig op de factuur is vermeld. Voorts heeft eiseres onweersproken gesteld dat door haar leveranciers geen creditfacturen zijn uitgereikt ter zake van de betalingskorting. Anders dan verweerder stelt, is voor toepassing van artikel 29, derde lid, van de Wet OB ten aanzien van eiseres niet van belang of de leverancier bij de voldoening van de verschuldigde omzetbelasting al dan niet rekening heeft gehouden met de betalingskorting. Onjuiste toepassing van dit artikel heeft slechts gevolgen voor de leverancier zelf en kan niet leiden tot een naheffing bij de afnemer.

14. Het gelijk is aan de zijde van eiseres. Het beroep inzake de naheffingsaanslag is gegrond. De naheffingsaanslag dient te worden vernietigd.

Heffingsrente

15. Het beroep inzake de beschikking heffingsrente is eveneens gegrond. De beschikking heffingsrente dient te worden vernietigd.

Boete

16. Verweerder heeft zich in zijn verweerschrift nader op het standpunt gesteld dat sprake is van een pleitbaar standpunt. Het beroep inzake de boetebeschikking is gegrond. De boete dient te vervallen.

Proceskostenveroordeling

17. De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 980 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 490 en een wegingsfactor 1). Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar;

  • -

    vernietigt de naheffingsaanslag omzetbelasting over het jaar 2007;

  • -

    vernietigt de beschikking heffingsrente;

  • -

    vernietigt de boetebeschikking;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 980;

  • -

    gelast dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 318 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Tikken, voorzitter, mr. R.A. Boon en mr. A.I. van Amsterdam, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.L. van Benthem, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 21 juli 2015

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.