Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:4470

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
09-07-2015
Datum publicatie
09-07-2015
Zaaknummer
05/980531-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van witwassen. Niet is gebleken van een criminele herkomst van die geldbedragen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/980531-12

Datum uitspraak : 9 juli 2015

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [1936] te [geboorteplaats], wonende te [adres], [woonplaats]

raadsman: H.J. Pellinkhof, advocaat te Assen.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting

van 25 juni 2015.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

dat verdachte op één of meerdere tijdstippen in de periode van 3 oktober 2008

tot en met 16 augustus 2012,

in Nijkerk en/of (elders) in Nederland en/of in Liechtenstein en/of in

Zwitserland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt,

immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s)

(een) voorwerp(en), te weten (een) (deel van de/het) geldbedrag(en) van circa

30.714.210,- euro, althans een (aanzienlijk) bedrag, op een bankrekening bij

UBS Bank in Basel, ten name van en/of afkomstig van de [naam 1]

in Liechtenstein,

verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of

daarvan gebruik gemaakt, en/of

van (een) voorwerp(en), te weten (een) (deel van de/het) geldbedrag(en) van

circa 30.714.210,- euro, althans een (aanzienlijk) bedrag, op een bankrekening

bij UBS Bank in Basel, ten name van en/of afkomstig van de [naam 1]

in Liechtenstein,

de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats, en/of de

vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld en/of

verborgen of verhuld wie de werkelijk rechthebbende(n) op dat bedrag is(zijn),

door dit/deze geldbedrag(en) bij de [naam 1] in Liechtenstein te

beheren en/of te doen beheren en/of van de rekening ten name van de

[naam 1] naar andere bankrekeningen over te boeken en/of te doen

overboeken,

terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en) dat dat/die

geldbedrag(en) geheel of gedeeltelijk -onmiddellijk of middellijk- afkomstig

was/waren uit enig misdrijf;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

dat verdachte op één of meerdere tijdstippen in de periode van 3 oktober 2008

tot en met 16 augustus 2012,

in Nijkerk en/of (elders) in Nederland en/of in Liechtenstein en/of in

Zwitserland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(een) voorwerp(en), te weten (een) (deel van de/het) geldbedrag(en) van circa

30.714.210,- euro, althans een (aanzienlijk) bedrag, op een bankrekening bij

UBS Bank in Basel, ten name van en/of afkomstig van de [naam 1]

in Liechtenstein,

heeft/hebben verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet

en/of daarvan gebruik heeft/hebben gemaakt, en/of

van (een) voorwerp(en), te weten (een) (deel van de/het) geldbedrag(en) van

circa 30.714.210,- euro, althans een (aanzienlijk) bedrag, op een bankrekening

bij UBS Bank in Basel, ten name van en/of afkomstig van de [naam 1]

in Liechtenstein,

de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats, en/of de

vervreemding en/of de verplaatsing heeft/hebben verborgen en/of verhuld en/of

heeft/hebben verborgen of verhuld wie de werkelijk rechthebbende(n) op dat

bedrag is(zijn),

door dit/deze geldbedrag(en) bij de [naam 1] in Liechtenstein

te beheren en/of te doen beheren en/of van de rekening ten name van de

[naam 1] naar andere bankrekeningen over te boeken en/of te doen

overboeken,

terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en) dat dat/die

geldbedrag(en) geheel of gedeeltelijk -onmiddellijk of middellijk- afkomstig

was/waren uit enig misdrijf;

meer subsidiair

dat verdachte op één of meerdere tijdstippen in de periode van 3 oktober 2008

tot en met 16 augustus 2012,

in Nijkerk en/of (elders) in Nederland en/of in Liechtenstein en/of in

Zwitserland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(een) voorwerp(en), te weten (een) (deel van de/het) geldbedrag(en) van circa

30.714.210,- euro, althans een (aanzienlijk) bedrag, op een bankrekening bij

UBS Bank in Basel, ten name van en/of afkomstig van de [naam 1]

in Liechtenstein,

heeft verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of

daarvan gebruik heeft gemaakt, en/of

van (een) voorwerp(en), te weten (een) (deel van de/het) geldbedrag(en) van

circa 30.714.210,- euro, althans een (aanzienlijk) bedrag, op een bankrekening

bij UBS Bank in Basel, ten name van en/of afkomstig van de [naam 1]

in Liechtenstein,

de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats, en/of de

vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld en/of

heeft verborgen wie de werkelijk rechthebbende(n) op dat bedrag is/zijn,

door dit/deze geldbedrag(en) bij de [naam 1] in Liechtenstein te

beheren en/of te doen beheren en/of van de rekening ten name van de

[naam 1] naar andere bankrekeningen over te boeken en/of te doen

overboeken,

terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) redelijkerwijs moest(en)

vermoeden, dat dat/die geldbedrag(en) geheel of gedeeltelijk -onmiddellijk of

middellijk- afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

2 Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van dit feit in de opzetvariant, gelet op de bewijsmiddelen in het dossier. Het is de rechtbank niet duidelijk in hoeverre de officier van justitie ook het gewoontewitwassen bewezen acht.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder primair, subsidiair of meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe het navolgende.

Uit het dossier volgt dat verdachte en zijn zus [betrokkene 1] en broer [betrokkene 2] tussen 27 mei 2010 en 6 juni 2010 bij de belastingdienst Breda hebben aangegeven te willen inkeren op een door hen, als erfgenamen, verkregen vermogen. Het buitenlands vermogen was ondergebracht bij een bank in Zwitserland en werd beheerd via een Liechtensteinse Stiftung “[nr. 2]”. Per 30 september 2008 zou het vermogen in de Stiftung € 26.580.570,- bedragen.

Na de inkeerverzoeken heeft de belastingdienst vragenbrieven verstuurd om meer informatie over onder andere de herkomst van het vermogen te krijgen en onderliggende stukken te verkrijgen. Door adviseurs van verdachten zijn stukken aangeleverd en in 2011 is er ook een bespreking geweest tussen de belastingdienst en adviseurs van verdachte (de heer [naam 2] en mr. [naam 3]). [naam 2] heeft daarbij aangegeven dat hij wist dat de vader van verdachten, [betrokkene 3] senior, was veroordeeld wegens fraude en dat er een dadingsovereenkomst moest zijn tussen [betrokkene 3] en zijn voormalig werkgever, benadeelde. De belastingdienst heeft dat nader uitgezocht.

[betrokkene 3] is in 1981 in hoger beroep definitief veroordeeld voor onjuiste belastingaangiften, valsheid in geschrift en verduistering in dienstbetrekking (als directeur van het bakkerspensioenfonds en de bedrijfsvereniging voor het bakkersbedrijf). De civiele procedure eindigde met een dadingsovereenkomst tussen [betrokkene 3] en benadeelde. [betrokkene 3] was aansprakelijk gesteld voor een benadelingsbedrag van fl 11.795.129,-. In de overeenkomst deed vader civielrechtelijk afstand van zijn gestelde totale vermogen van ongeveer fl 5.000.000,- ten gunste van benadeelde. Volgens de notulen van de gecombineerde vergaderingen van de besturen van de bedrijfsvereniging voor het bakkersbedrijf en het bedrijfspensioenfonds voor het bakkersbedrijf zou er door [betrokkene 3] uiteindelijk fl. 2.119.445,- zijn terugbetaald aan de bedrijfsvereniging. Met betrekking tot verschil het tussen die twee bedragen (van circa fl 7.000.000,-) verklaarde vader indertijd dat dat kwam door beleggingsverliezen. [betrokkene 3] overleed op 24 mei 1983.

Uit de aangifte recht van successie in 1983 komt naar voren dat ten tijde van het overlijden het zuivere vermogen fl 250.000,- bedroeg. De moeder van verdachten, [betrokkene 4], verkreeg het vruchtgebruik.

In augustus 1983 gaan moeder en dochter [betrokkene 1] naar de UBS-bank te Zwitserland. [betrokkene 1] opent een nummerrekening [nr. 1]. Gebleken is dat moeder tot april 1994 een nummerrekening bij deze bank heeft gehouden met nummer [nr. 2]. De verbalisanten geven aan, vanwege de opeenvolgende nummering, dat vermoedelijk moeder en dochter gelijktijdig rekeningen hebben geopend.

Op 4 maart 1994 wordt de Stiftung [nr. 2] opgericht. Ultimo 1994 heeft de Stiftung een vermogen van, omgerekend, fl 22.571.856,-.

Onderzocht is hoeveel vermogen er bij opening van de bankrekeningen [nr. 3] en [nr. 4] aanwezig moet zijn geweest. Voorzover bekend is het vermogen op deze rekeningen en de rekening van de Stiftung tussen 1983 en de datum van overlijden van [betrokkene 4] (3 oktober 2008), alleen gegroeid door beleggingen en ontvangen rente. Daaruit kan worden geconcludeerd dat het vermogen op de rekeningen van moeder en [betrokkene 1] per 31 december 1983 vermoedelijk fl. 11.896.135,- ( CHF 8.752.178) bedroeg.

In de Terwee-vordering (in de brief van mr. G.M. Tiddens) en ter terechtzitting wordt aangegeven dat door [betrokkene 3] een bedrag van fl. 7.125.000,- is terugbetaald aan de bakkerspensioenfonds en de bedrijfsvereniging voor het bakkersbedrijf (in plaats van de fl. 2.119.445,- die in de notulen werden genoemd en waar het OM bij de berekeningen vanuit is gegaan).

De rechtbank stelt voorop dat zij in de eerste plaats dient te onderzoeken of wettig en overtuigend kan worden bewezen dat het bij de Zwitserse bank ondergebrachte vermogen uit enig misdrijf afkomstig is. Met betrekking tot onder een verdachte aangetroffen geld kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht dat dit geld uit enig misdrijf afkomstig is, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is. Het is aan het openbaar ministerie bewijs bij te brengen waaruit zodanige feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid (HR 13 oktober 2010, LJN BM0787, NJ 2010, 456).

Verdachte heeft verklaard dat hij ten tijde van de veroordeling van zijn vader in 1981 geen goed contact had met zijn familie en ook niet meer in Groningen, maar in [woonplaats] woonde. Hij was er wel van op de hoogte dat zijn vader was veroordeeld, maar hij wist ook niet meer dan dat. Hij heeft zich daar destijds niet in verdiept. Verder heeft verdachte verklaard dat hij niet eerder dan 2010 – toen hij door mevrouw [naam 4] van de UBS-bank in Zwitserland werd gebeld – op de hoogte was van het vermogen van de Liechtensteinse Stiftung “[nr. 2]”. Daarvoor wist hij niet van het bestaan van die ‘Stiftung’ en ook niet dat hij ‘Nachbegunstigde’ was. Verdachte stelt niet te weten waar het geld vandaan komt. Hij denkt dat het geld gewoon komt van goed zaken-doen door zijn vader. Verder had zijn moeder een goed pensioen.

Namens verdachte is voorts naar voren gebracht dat het zeer aannemelijk is dat [betrokkene 3] in de periode dat hij commissaris en aandeelhouder was van [bedrijf], daaruit een substantieel vermogen heeft verkregen, welk vermogen hij op een Zwitserse bank had staan.

De gegeven verklaring voor de herkomst van het geld is niet zo onwaarschijnlijk dat zij bij de vorming van het bewijsoordeel zonder meer terzijde kan worden gesteld.

Door of namens het openbaar ministerie is echter niet of nauwelijks onderzoek verricht naar de herkomst van het geld van de Liechtensteinse Stiftung “[nr. 2]” en het vermogen van de moeder. Bovendien blijkt het ‘gat’ tussen het bedrag waarvoor het bakkersbedrijf en het bedrijfspensioenfonds voor het bakkersbedrijf zijn benadeeld en de door [betrokkene 3] gedane (terug)betalingen aanmerkelijk kleiner te zijn dan waar in het dossier vanuit is gegaan, gelet op de hiervóór reeds genoemde informatie in de Terwee-vordering over de hoogte van deze (terug)betalingen. Aanvullend onderzoek heeft echter niet plaatsgevonden.

Het enkele feit dat [betrokkene 3] in een ver verleden is veroordeeld voor onder meer fraude en dat er nu een zeer groot geldbedrag op een Zwitserse bankrekening boven water komt dat mede aan verdachte toekomt en waarvan de herkomst niet volledig helder is, is onvoldoende voor de conclusie dat het niet anders kan dan dat dat geld van misdrijf afkomstig is. De rechtbank spreekt de verdachte om die reden vrij van het tenlastegelegde.

Nu verdachte volledig wordt vrijgesproken en derhalve zich geen strafvorderlijk belang daartegen verzet, zal de teruggave worden gelast van de in beslag genomen voorwerpen voor zover deze nog niet zijn teruggegeven en voor zover daar geen conservatoir beslag op rust.

De benadeelde partij zal niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering, nu verdachte integraal is vrijgesproken. De benadeelde partij kan derhalve haar vordering slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

3 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

 gelast de teruggave van de in beslag genomen voorwerpen voor zover deze nog niet zijn teruggegeven en voor zover daar geen conservatoir beslag op rust;

 verklaart de benadeelde partij Stichting Bedrijfspensioenfonds voor het Bakkersbedrijf niet-ontvankelijk in haar vordering.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.A. Holland (voorzitter), mr. N.K. van den Dungen-Dijkstra en mr. F.M.A. ’t Hart, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B.C.C. van den Bosch, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 9 juli 2015.