Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2015:4427

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
02-07-2015
Datum publicatie
07-07-2015
Zaaknummer
4076720
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Eenzijdige vermindering salaris onder de gegeven omstandigheden niet toegestaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2015-0624
AR 2015/1265

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Nijmegen

zaakgegevens 4076720 \ VV EXPL 15-42 \ 701 \ 456 rd

uitspraak van

vonnis in kort geding

in de zaak van

[eisende partij]

wonende te [woonplaats]

eisende partij

gemachtigde mr. M.T.A. Thijssen

toevoegingsnummer [nummer toevoeging]

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Vérian Care & Clean B.V.

gevestigd te Apeldoorn

gedaagde partij

gemachtigde mrs. P. van den Berg en B.J.J.C. Boot

Partijen worden hierna [eisende partij] en Vérian genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 1 mei 2015 met producties

- de conclusie van antwoord met producties

- de mondelinge behandeling van 12 mei 2015 en de tijdens de mondelinge behandeling door de gemachtigde van [eisende partij] en de gemachtigden van Vérian overgelegde pleitnotities

- de bij faxberichten van de gemachtigden van respectievelijk [eisende partij] en Vérian van 1 en 2 juni 2015 aan de kantonrechter gerichte verzoeken om het te wijzen vonnis aan te houden

- de bij faxberichten van de gemachtigden van respectievelijk Vérian en [eisende partij] van 12 en 15 juni 2015 aan de kantonrechter gerichte verzoeken om vonnis te wijzen.

1.2.

Vonnis is vervolgens bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

[eisende partij] is sinds 1 juni 2013 op grond van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd werkzaam bij Vérian.

2.2.

Vérian is een onderneming die zich onder meer in de provincie Gelderland bezig houdt met het aanbieden van thuiszorg. Vérian maakt deel uit van de Vérian groep waar in totaal circa 3500 medewerkers in dienst zijn. Bij Vérian zelf zijn in totaal ongeveer 2500 medewerkers in dienst, waarvan ongeveer 600 medewerkers werkzaam zijn in de functie van Thuishulp A, respectievelijk Verzorgingshulp B.

2.3.

[eisende partij] was werkzaam in de functie van Thuishulp A, tegen een tarief van (thans) € 12,84 bruto per uur. Zij voert haar werkzaamheden uit in en om Nijmegen. In augustus 2014 is [eisende partij] ziek geworden. Zij verricht thans op therapeutische basis werkzaamheden voor Vérian gedurende vier uur per week.

2.4.

Op de arbeidsovereenkomst tussen [eisende partij] en Vérian is de CAO Verpleeg- en Verzorgingshuizen en Thuishulp 2014-2016, hierna verder: de CAO, van toepassing.

Deze CAO is per 3 maart 2015 algemeen verbindend verklaard.

2.5.

Volgens Hoofdstuk 3 van de CAO geldt een systeem van functiewaardering als basis voor de beloning van werknemers. Daarover vermeldt artikel 3.1 onder meer:

“(…)

Functiewaardering

Vervalt per 1 januari 2016

1. Je functie is door je werkgever op basis van het actuele computerondersteunende systeem FWG ingedeeld in één van de functiegroepen 5 tot en met 80. (…)”

2.6.

Hoofdstuk 11 van de CAO heeft betrekking op functiewaardering en voorziet in een procedure in het geval van herindeling van een functie. De artikelen 11.2, 11.3, 11.4 en 11.5 luiden, voor zover van belang, als volgt:

“Artikel 11.2 Herindeling

1. Na de eerste indeling van functies volgens het functiewaarderingssysteem zullen zich regelmatig

situaties voordoen, waarin (indeling of) herindeling van functies moet plaatsvinden. De in dit

Hoofdstuk opgenomen herindelingsprocedure kan niet eerder starten dan één jaar na de datum van

het (her)indelingsbesluit waarbij de functie als laatste is vastgesteld bij de (her)indeling.

2. Uitgangspunten voor een herindeling:

a. Als cao-partijen na de introductie van het functiewaarderingssysteem FWG VVT

overeenkomen om het systeem of de systeeminhoud aan te passen, dan moet je werkgever

overgaan tot heroverweging van (een) bestaande functie-indeling(en) zodra sprake is van

aanpassingen die direct betrekking hebben op die bestaande functie- indeling(en).

b. Je werkgever moet tot toetsing of heroverweging van (een) functie-indeling(en) overgaan, als

sprake is van een wezenlijke verandering van de inhoud van (een) functie(s). Voor de

herindeling maakt de werkgever gebruik van de procedure uit dit hoofdstuk.

Er is sprake van een wezenlijke verandering van je functie wanneer redelijkerwijs

verondersteld mag worden dat je functie-inhoud en/of functie-eisen niet meer aansluiten bij de

meest recente beschrijving van je functie of indelingsniveau op basis van een (her)indeling.

3. Als je werkgever je nieuwe functie voorlopig heeft ingedeeld, kan je zes maanden na deze

voorlopige indeling een schriftelijk en gemotiveerd verzoek tot herindeling indienen. Vervolgens

zal je werkgever binnen drie maanden overgaan tot het starten van de herindelingsprocedure.

Artikel 11.3 Herindelingsprocedure

1. 1. Op basis van de in artikel 11.2 omschreven aanleidingen kan jij en/of je werkgever het initiatief

nemen tot het starten van een herindelingsprocedure.

Fasen herindeling 2. De herindelingsprocedure vindt plaats in de volgende fasen:

a. Fase 1:

- Je werkgever (of een door je werkgever daartoe aangewezen functionaris) toetst het

initiatief tot herindeling.

- Eventueel geeft je werkgever een nadere overweging of er gevolgen zijn van wijzigingen

van en/of aanvullingen op het systeem en zo ja welke dit zijn.

- Bij de beoordeling of sprake is van een wezenlijke verandering van de functie-inhoud

dient de inhoud van je functie te worden geïnventariseerd. Hierna kan worden vastgesteld

in hoeverre wijziging van het als laatste vastgestelde indelingsniveau noodzakelijk is.

b. Fase 2:

- Je werkgever legt de functiebeschrijving aan je voor. Je werkgever houdt hierbij rekening

met de inhoud van artikel 11.4 (vaststellen functiebeschrijving).

c. Fase 3:

- Je werkgever stelt de waardering van je functie vast en biedt deze aan je aan. Je werkgever

houdt hierbij rekening met de inhoud van artikel 11.5 (waardering en indeling van de

functie).

Artikel 11.4 Vaststellen functiebeschrijving

1. 1. Je werkgever neemt een voorlopig besluit over je functiebeschrijving en legt dit aan je voor. Als je niet instemt met dit voorlopige besluit kun je bezwaar maken bij je werkgever.

3. 3. Je moet je bezwaar schriftelijk en gemotiveerd bij je werkgever indienen.

4. 4. Je moet het bezwaar binnen een termijn van 30 dagen of binnen de met de Ondernemingsraad

overeengekomen termijn indienen.

5. 5. Je werkgever vraagt binnen 14 dagen na ontvangst van het bezwaarschrift advies in bij de door

hem ingestelde Interne Bezwaren Commissie FWG (IBC-FWG).

De taak, samenstelling en werkwijze van de IBC-FWG wordt vastgelegd in een tussen je

werkgever en de Ondernemingsraad overeengekomen reglement.

6. 6. Je werkgever beslist en informeert je schriftelijk binnen een termijn van 30 dagen na ontvangst van

het advies van de IBC-FWG over je bezwaarschrift definitief over de vaststelling van je

functiebeschrijving. Eventueel geldt binnen de instelling een afwijkende termijn die met de

Ondernemingsraad is overeengekomen.

7. 7. Het besluit van je werkgever in het vorige lid betekent het einde van de procedure binnen de

instelling voor de vaststelling van je functiebeschrijving.

8. 8. Als je het niet eens bent met het definitieve besluit van je werkgever is er sprake van een geschil

over de arbeidsovereenkomst.

Artikel 11.5 Waardering en indeling van de functie

Vervalt per 1 januari 2016

1. Je werkgever bepaalt de FWG-waardering en –indeling van je functie met behulp van het FWG-functiewaarderingssysteem. (…)”

2.7.

De door [eisende partij] bij Vérian uitgeoefende functie Thuishulp A is op basis van de functiebeschrijving ingedeeld in FWG schaal 15.

2.8.

In de functiebeschrijving Thuishulp A van Vérian staat onder meer:

“(…)

Taken en verantwoordelijkheden in hoofdlijnen

Verrichten van de huishoudelijke taken.

Overige werkzaamheden.

Uitwerking van werkzaamheden en taken in activiteiten

Verrichten van de huishoudelijke taken:

(…)

Overige werkzaamheden:

  • -

    houdt start-, evaluatie- en eindgesprekken met cliënten;

  • -

    stelt in overleg met de cliënt het werkplan op en stelt deze op grond van evaluatie(s) bij;

  • -

    signaleert eventuele wijzigingen in de cliëntsituatie en rapporteert deze aan de planningsfunctionaris;

  • -

    stimuleert de zelfredzaamheid van de cliënt op gebied van huishoudelijke taken of houdt deze zo veel mogelijk op gelijk niveau.

(…)”

2.9.

Vérian sluit in het kader van de exploitatie van haar onderneming overeenkomsten met gemeenten na aanbestedingstrajecten, omdat het de gemeenten zijn die inmiddels in de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) verantwoordelijk zijn gemaakt voor hulp bij het huishouden van hun burgers. Bij het inkopen van thuiszorg wordt door gemeenten een indeling gemaakt in twee categorieën hulp: HH1 en HH2.

Indicaties in de categorie HH1 zien op louter huishoudelijke werkzaamheden in de situatie waarin de cliënt geacht wordt zelf de regie te voeren over zijn eigen huishouden, terwijl een indicatie in de categorie HH2 daarnaast ook de dagelijkse organisatie van het huishouden omvat ter ondersteuning en begeleiding van de cliënt.

2.10.

Vérian heeft over 2013 een verlies geleden van (afgerond) € 3,4 miljoen en over 2014 een verlies van (afgerond) € 2,9 miljoen.

2.11.

De accountant van Vérian, drs. [persoon A] RA van Ernst & Young Accountants LLP, heeft bij brief van 7 mei 2015 aan de raad van bestuur van Stichting Vérian onder meer geschreven:

“(…)

Over 2014 zijn nog geen definitieve cijfers voorhanden, maar de eerste voorlopige cijfers zijn bekend. De situatie over 2014 is weliswaar iets beter, maar nog steeds zwaar negatief.

(…)

  • -

    Ook voor 2014 geldt dat Care & Clean zonder de steun van Vérian (financiering van het verlies via rekening-courant) technisch failliet is.

  • -

    Gezien de voorlopige resultaten over 2014 verwachten wij een forse discussie bij de afwikkeling de komende maanden omtrent de continuïteit van Care & Clean maar gezien de huidige situatie inzake de liquiditeit in 2015 ook omtrent Vérian.

  • -

    Op basis van de meest recente liquiditeitsprognoses die zijn opgesteld worden problemen verwacht in mei/juni 2015. Voor de beoordeling van onze accountantsverklaring over 2014 van zowel Vérian als Care & Clean kijken wij een jaar vooruit waarbij de liquiditeitsprognoses positief moeten zijn.”

(…)”

2.12.

In een door de directeur van Vérian op 24 november 2014 aan [eisende partij] - en alle overige medewerkers werkzaam als Thuishulp A of Verzorgingshulp B - gezonden brief staat onder meer:

“(…)

We sturen u deze brief omdat we een voor u zeer belangrijk besluit hebben moeten nemen.

Zoals u weet wordt er fors bezuinigd in de zorg en vooral door gemeenten in de uitvoering van het huishoudelijk werk. De omvang van de bezuinigingen zijn nu duidelijk en Vérian is genoodzaakt drastische maatregelen te nemen om de zorgverlening te kunnen continueren en daarmee de bedrijfsvoering te kunnen voortzetten. Eén van de maatregelen die we moeten nemen heeft direct gevolgen voor alle uitvoerende medewerkers van Vérian

Care & Clean B.V.

Op dit moment bent u werkzaam in de functie van Thuishulp A. In de praktijk verricht u hoofdzakelijk werkzaamheden behorende bij de functie van Basishulp Huishoudelijke Verzorging.

Gezien de financiële situatie hebben wij per 29 december 2014, start eerste periode 2015, alleen nog werk voor medewerkers met de functie: Basishulp Huishoudelijke Verzorging met bijpassend salaris. Dit betekent dat wij genoodzaakt zijn u deze functie aan te bieden, met ingang van bovengenoemde datum. Het bijbehorende salaris is € 10,18 per uur. Dit is overeenkomstig met FWG 10, periodiek 4, volgnummer 5. De Cao-indexatie moet nog worden toegepast.

Als u werkzaamheden verricht bij een cliënt met een HH2-indicatie krijgt u een toeslag van

€ 1,00 bruto per gewerkt uur bovenop het genoemde uurloon.

Deze noodzakelijke aanpassing betekent dat u er financieel op achteruit gaat. Echter, Vérian Care & Clean B.V. heeft al zijn inspanningen er nu op gericht om medewerkers aan het werk te houden en de zorgverlening te continueren. Daarom is tot deze maatregel besloten. (…).”

2.13.

In de functiebeschrijving Basishulp Huishoudelijke Verzorging van Vérian staat onder meer:

“(…)

Taken en verantwoordelijkheden in hoofdlijnen

Verrichten van de huishoudelijke taken.

Overige werkzaamheden.

Verrichten van de huishoudelijke taken:

(…)

Overige werkzaamheden:

  • -

    let op eventuele wijzigingen in de cliëntsituatie en rapporteert deze aan de planningsfunctionaris;

  • -

    neemt deel aan teambijeenkomsten;

  • -

    verricht uit de functie voortvloeiende administratieve werkzaamheden (bijv. noodzakelijke registratie).

(…}

2.14.

Door 306 van de ongeveer 600 betrokken medewerkers is bij Vérian bezwaar gemaakt tegen de in de brief van 24 november 2014 aangekondigde maatregel. Ook [eisende partij] heeft bezwaar gemaakt tegen deze maatregel.

2.15.

Op 11 en 12 maart 2015 heeft Vérian informatiebijeenkomsten belegd met de betrokken medewerkers. Daarin is, kort gezegd, door Vérian gemeld dat geen andere oplossing mogelijk is dan de voorgenomen herindeling in de functie van Basishulp Huishoudelijke Verzorging. Tevens heeft Vérian aangekondigd dat een afbouwregeling is uitgewerkt om de betrokken medewerkers financieel tegemoet te komen. Die regeling is bevestigd bij brief van 19 maart 2015. In deze brief staat hierover het volgende vermeld:

“(…)

Afbouwschema met ingang van periode 1-2015 (29-12-2014)

Basishulp Huishoudelijke Verzorging

Periode

Afbouw %

01-2015

Uurloon ongewijzigd

02-2015

Uurloon ongewijzigd

03-2015

-25% van het verschil in uurloon

04-2015

-25% van het verschil in uurloon

05-2015

-50% van het verschil in uurloon

06-2015

-50% van het verschil in uurloon

07-2015

-75% van het verschil in uurloon

08-2015

-75% van het verschil in uurloon

09-2015

Salaris in FWG 10

De bovenstaande regeling wordt per direct uitgevoerd. De regeling gaat gelden voor alle uitvoerende

HV-medewerkers die een andere functie hebben dan die van Basishulp Huishoudelijke Verzorging, dus ook voor de medewerkers die in eerder stadium geen bezwaar tegen het aanbod hebben ingediend. Deze regeling is voor iedereen gelijk en gaat voor iedereen gelijktijdig in.

(…)”

2.16.

Sinds januari 2015 staat op de loonstroken van [eisende partij] als functie Basishulp Huishoudelijke Verzorging vermeld. Sinds periode 3-2015 wordt aan [eisende partij] een lager salaris uitgekeerd, overeenkomstig het onder r.o. 2.15 genoemde afbouwschema.

3 De vordering en het verweer

3.1.

[eisende partij] vordert dat de kantonrechter, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Vérian zal veroordelen om aan haar te betalen het volledige laatstgenoten salaris, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex art. 7: 625 BW en de wettelijke rente vanaf de dag van opeisbaarheid tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van Vérian in de proceskosten ad € 196,-- aan eigen bijdrage.

3.2.

[eisende partij] baseert haar vordering, tegen de achtergrond van de vaststaande feiten, op de volgende – zakelijk weergegeven – stellingen.

Vérian is ten onrechte overgegaan tot een eenzijdige wijziging van de arbeidsovereenkomst door haar functie te wijzigen van Thuishulp A naar Basishulp Huishoudelijke Verzorging onder aanpassing (verlaging) van het salaris van € 12,84 bruto naar (uiteindelijk) € 10,18 bruto per uur. Zij wijst erop dat in haar arbeidsovereenkomst, noch in de CAO een eenzijdig wijzigingsbeding is opgenomen.

Het handelen van Vérian moet volgens [eisende partij] te worden getoetst aan de eisen van goed werkgeverschap, de eisen van redelijkheid en billijkheid en/of onvoorziene omstandigheden. Deze eisen rechtvaardigen naar het oordeel van [eisende partij] in het onderhavige geval geen eenzijdige wijziging van de arbeidsovereenkomst door Vérian. [eisende partij] voegt nier nog aan toe dat aan haar, tijdens een gesprek naar aanleiding van het door haar ingediende bezwaarschrift, door Vérian is meegedeeld dat voor haar voorlopig alles het zelfde zou blijven. Door deze toezegging heeft Vérian bij [eisende partij] verwachtingen gewekt, waar Vérian twee maanden later al op is teruggekomen. Dit is strijdig met het goed werkgeverschap.

[eisende partij] voegt hier nog aan dat Vérian de door haar gestelde slechte bedrijfseconomische resultaten niet heeft onderbouwd, alsmede dat niet is gebleken dat zij andere, voor haar werknemers minder bezwaarlijke, maatregelen heeft onderzocht.

3.3.

Vérian voert gemotiveerd verweer. Zij betwist nadrukkelijk dat door haar ooit enige toezegging aan [eisende partij] is gedaan dat haar functie en salaris geen wijzigingen zouden ondergaan. Volgens Vérian zou wel aan [eisende partij] gezegd kunnen zijn dat er met ingang van de maand januari 2015 nog niets zou wijzigen, maar dat Vérian na afronding van alle individuele gesprekken een definitief besluit zou nemen. Van gewekte verwachtingen waarop Vérian later zou zijn teruggekomen is dan ook geen sprake. Vérian voert verder nog aan dat zij, ook al is [eisende partij] momenteel arbeidsongeschikt, geen aanleiding ziet om onder deze omstandigheden [eisende partij] anders te behandelen dan alle andere werknemers. Samengevat concludeert Vérian voorts dat zij [eisende partij] op goede gronden de functie van Basishulp Huishoudelijke Verzorging en het daarbij behorende salaris conform FWG 10 heeft voorgesteld, welke aanbod door [eisende partij] diende te worden geaccepteerd. Vérian had in dit opzicht geen andere keuze vanwege de wijzigingen in de Wmo per 1 januari 2015 waardoor de vraag naar de inhoud van het werk is verschoven van huishoudelijke verzorging naar zuiver huishoudelijk (schoonmaak)werk. Ten gevolge van deze beleidswijziging geven de gemeenten nog nauwelijks indicaties af in categorie HH2, zodat Vérian nog slechts de (lagere) tarieven betaald krijgt die gelden voor HH1 zorg. Alhoewel [eisende partij], toen zij niet zoals thans op therapeutische basis werkzaamheden verricht, feitelijk werk deed dat behoort tot de functie van Basishulp Huishoudelijke Verzorging en Vérian ook nog slechts daarvoor betaald krijgt, is het salaris van [eisende partij] nog wel afgestemd op indeling in FWG 15.

Voor Vérian is het financieel onmogelijk om [eisende partij] nog langer een hoger salaris te betalen dan FWG 10. Vérian heeft al aanzienlijke verliezen geleden over 2013 en 2014 en zij heeft slechts kunnen voortbestaan omdat Stichting Vérian miljoenen euro’s heeft geïnvesteerd in haar exploitatie. De reserves van Stichting Vérian zijn echter verteerd en daarmee verkeert Vérian, nu zij in concernverband nergens meer op terug kan vallen, in een financiële situatie

die zodanig ernstig is dat het voortbestaan van haar onderneming in acuut gevaar is gekomen. Vérian heeft er ter gelegenheid van de mondelinge behandeling nog op gewezen dat het weliswaar juist is dat de gemeente Nijmegen zich bereid heeft getoond tijdelijk vanuit de algemene voorzieningen financieel bij te springen, maar dat ook deze gemeente er volgens Vérian niet aan zal ontkomen om nu en in de toekomst fors te bezuinigen op thuiszorg.

Primair stelt Vérian zich op het standpunt dat zij als goed werkgever in deze, sterk gewijzigde, marktomstandigheden aan haar medewerkers het wijzigingsvoorstel heeft mogen en zelfs moeten doen. Het wijzigingsvoorstel betreft volgens Vérian een redelijk en fatsoenlijk voorstel omdat daarmee het voorhanden zijnde werk en de praktijk met elkaar in overeenstemming worden gebracht. Door het aanhouden van een afbouwschema heeft Vérian bovendien alles gedaan wat financieel in haar macht ligt om de gevolgen van het voorstel voor de medewerkers zoveel mogelijk te beperken en te verzachten.

Beoordeeld naar de in de rechtspraak ontwikkelde eisen van goed werknemerschap waren de medewerkers – en dus ook [eisende partij] – op grond van artikel 7:611 BW in redelijkheid gehouden het wijzigingsvoorstel te aanvaarden, terwijl het voorts op grond van artikel 6:248 lid 2 BW naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de werknemers, onder wie [eisende partij], het aanbod voor de functie van Basishulp Huishoudelijke Verzorging en het daarbij behorende lagere salaris hebben geweigerd, nu zij in de praktijk nog slechts huishoudelijk werk verrichten. Vérian heeft voorts betoogd dat zij haar werknemers vanwege onvoorziene omstandigheden in de zin van artikel 6:258 BW in redelijkheid de functie van Basishulp Huishoudelijke Verzorging heeft kunnen voorstellen aan de werknemers.

Subsidiair voert Vérian aan dat het haar op grond van de CAO niet is toegestaan om aan werknemers een hoger salaris toe te kennen dan past bij de functie. Volgens Vérian is zij (ook) daarom gehouden [eisende partij] voor de functie van Basishulp Huishoudelijke Verzorging te belonen overeenkomstig FWG 10.

4 De beoordeling

4.1.

De kantonrechter neemt, met partijen, het gestelde spoedeisend belang aan nu [eisende partij] vanaf betalingsperiode 3-2015 wordt geconfronteerd met aanzienlijke reducties op haar salaris, die uiteindelijk leiden tot een verlaging van het salaris van € 12,84 bruto per uur tot € 10,18 bruto per uur.

4.2.

In deze procedure moet worden beoordeeld of de vordering in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft, dat vooruitlopend daarop toewijzing gerechtvaardigd is. Gelet op het voorlopige karakter van de kort geding procedure past geen uitgebreid onderzoek naar de feiten noch is er plaats voor nadere bewijsvoering. Er is in dit geval geen reden om van deze regel af te wijken. De kantonrechter baseert de beslissing daarom op stellingen die erkend of onweersproken zijn of die aannemelijk zijn geworden.

4.3.

Dit geding spitst zich toe op de beantwoording van de vraag of de rechter in een eventuele bodemprocedure met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid tot het oordeel zal komen of Vérian eenzijdig, dus zonder instemming van [eisende partij], die is ingedeeld in de functie Thuishulp A met het daarbij behorende salaris in FWG schaal 15, de door [eisende partij] verrichte werkzaamheden mocht indelen in een andere functie, die van Basishulp Huishoudelijke Verzorging, met het daarbij behorende lagere salaris in FWG schaal 10. Deze vraag wordt door de kantonrechter ontkennend beantwoord en wel op grond van het navolgende.

Vérian heeft voorshands voldoende aannemelijk gemaakt dat zij aanzienlijke verliezen heeft geleden over 2013 en 2014, maar zij heeft onvoldoende feitelijk onderbouwd dat het voor haar financieel onmogelijk is om aan [eisende partij] nog langer een hoger salaris te betalen dan FWG 10. Dit klemt te meer nu Vérian er ter gelegenheid van de mondelinge behandeling op heeft gewezen dat de gemeente Nijmegen, binnen welke gemeente [eisende partij] haar werkzaamheden (zij het thans op therapeutische basis) verricht, momenteel nog uit haar algemene middelen financieel bijspringt, waarmee de bezuinigingen op de thuiszorg in elk geval gedeeltelijk worden gecompenseerd. Daar doet niet aan af dat ook deze gemeente er niet aan zal ontkomen om in de toekomst fors te bezuinigen op thuiszorg. Dit betekent dat het er niet voor kan worden gehouden dat er op dit moment met betrekking tot haar Nijmeegse portefeuille sprake is van een zodanig financieel nadeel aan de zijde van Vérian dat van haar niet gevergd zou kunnen worden aan [eisende partij] vooralsnog het salaris in FWG schaal 15 te blijven voldoen. Voor [eisende partij] daarentegen zou afwijzing van de vordering wel tot substantieel financieel nadeel leiden.

4.4.

De kantonrechter is voorts van oordeel dat, ook al zou vast zijn komen te staan dat er wel sprake zou zijn van (enig) financieel nadeel voor Vérian als door haar betoogd, dit voorshands evenmin tot de conclusie leidt dat de vordering van [eisende partij] zou moeten worden afgewezen. De kantonrechter overweegt daartoe als volgt.

In het schriftelijk debat en in de ter zitting gehouden pleidooien is aandacht besteed aan wat in verband met de rechtspraak van de Hoge Raad (Van der Lely/Taxi Hofman, NJ 1998, 767, Stoof/Mammoet, NJ 2011, 185) de eisen behoren te zijn die bij de toetsing van deze eenzijdige beslissing op grond van artikel 7:611 BW gesteld moeten worden.

Daaraan gaat echter de vraag vooraf hoe de beslissing van Vérian zich verhoudt tot de in de CAO voorkomende (normatieve) bepalingen over functie-indeling, functie- waardering en beloning, nu [eisende partij] heeft betoogd dat de functie van Thuishulp A feitelijk geenszins is vervallen, ook al verricht zij momenteel niet de bij die functie behorende (kern)werkzaamheden als gevolg van haar arbeidsongeschiktheid.

4.5.

De kantonrechter stelt vast dat Vérian in verband met haar aanzegging in de brief van 24 november 2014 (zie onder 2.12) ‘alleen nog werk (te hebben) voor medewerkers met de functie: Basishulp Huishoudelijke Verzorging met bijpassend salaris’, niet de gelijktijdige beslissing heeft genomen om ófwel de niet bij die functie passende werkzaamheden geheel af te stoten en niet langer deel te laten zijn van haar ondernemersactiviteiten ófwel haar werkorganisatie zo in te richten dat voortaan een strikte scheiding wordt aangebracht tussen het op de functiebeschrijving voor de Basishulp Huishoudelijke Verzorging afgestemde hoofdzakelijk huishoudelijke werk en de in de functiebeschrijvingen voor Thuishulp A en Verzorgingshulp B omschreven ‘overige werkzaamheden’ welke als extra te beschouwen zijn vergeleken met de beperkte werkzaamheden van de Basishulp Huishoudelijke Verzorging in dezelfde categorie. In plaats hiervan is er binnen de werkorganisatie van Vérian feitelijk niets gewijzigd. Dit klemt te meer waar de directeur van Vérian desgevraagd tijdens de mondelinge behandeling heeft bevestigd dat HH2-werkzaamheden niet tot de functieomschrijving van een Basishulp Huishoudelijke Verzorging behoren. In feite volgt dat ook al wel uit de mededeling van Vérian in de brief van 24 november 2014 waarin staat dat bij het verrichten van werkzaamheden bij een cliënt met een HH2-indicatie de medewerker een toeslag krijgt van € 1,00 bruto per gewerkt uur bovenop het uurloon.

De directeur van Vérian heeft voorts bevestigd dat HH2-werkzaamheden vallen onder de in de functiebeschrijving voor Thuishulp A omschreven ‘overige werkzaamheden’.

4.6.

Daar komt bij dat Vérian, als zij meent dat sprake is van een wezenlijke verandering van de inhoud van de functie, is aangewezen op de in hoofdstuk 11 van de CAO voorziene herindelingsprocedure (zie artikel 11.2 lid 2 onder b van de CAO) overeenkomstig de daar eveneens omschreven waarborgen (zie artikel 11.3 en 11.4 van de CAO), wat zij
– ongemotiveerd – heeft nagelaten.

4.7.

Het door Vérian gedane beroep op artikel 7:611 BW faalt eveneens. Niet valt in te zien waarom van [eisende partij] als goed werknemer, verwacht mag worden dat zij genoegen moet nemen met een voorstel tot functiewijziging en salarisvermindering in strijd met de CAO. Van de door Vérian geschetste situatie waarin louter huishoudelijk werk wordt uitgevoerd door te hoog gekwalificeerd en ingeschaald personeel is, gelet op het voorgaande, in de praktijk (in ieder geval vooralsnog) geen sprake. Om dezelfde reden faalt ook het door Vérian gedane - en op dezelfde redenering gestoelde - beroep op artikel 6:248 lid 2 BW. Van, door Vérian subsidiair opgeworpen, handelen in strijd met de CAO is evenmin sprake, nu de eigen functie van [eisende partij] niet kwalificeert als die van een Basishulp Huishoudelijke Verzorging.

4.8.

Voor wat betreft de gevraagde toepassing van artikel 6:258 BW geldt ten slotte dat Vérian aan de kantonrechter geen (zelfstandig) verzoek heeft gedaan om op grond van gewijzigde omstandigheden tot aanpassing van de arbeidsvoorwaarden van de werknemers te komen, en op de uitkomst van een dergelijk verzoek kan nu eenmaal niet worden vooruitgelopen (vgl. kantonrechter Amsterdam 23 februari 2015, RAR 2015, 69).

4.9.

Dit leidt tot het oordeel dat de vordering van [eisende partij] tot doorbetaling van het loon van € 12,84 bruto per uur wordt toegewezen, evenals de gevorderde wettelijke rente.

4.10.

[eisende partij] heeft tevens de veroordeling van Vérian gevraagd tot betaling van wettelijke verhoging over het sinds loonbetalingsperiode 3-2015 te weinig betaalde salaris. Deze vordering wijst de kantonrechter af omdat er billijkheidshalve gronden zijn om deze verhoging op nihil te stellen in een geval als dit waarin Vérian heeft geprobeerd om op juridische gronden in een situatie waarin zij volgens haar accountant technisch failliet is de salarislasten te beperken.

4.11.

Vérian wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten, waaronder tevens is begrepen een bedrag van € 196,-- ter zake de door [eisende partij] betaalde eigen bijdrage, tegen welke post Vérian geen afzonderlijk verweer heeft gevoerd.

4.12.

Vérian heeft nog verzocht bij toewijzing van (een deel van) de vordering van [eisende partij] de gevorderde uitvoerbaar bij voorraadverklaring achterwege te laten. Zij wijst daarbij op haar precaire financiële situatie, alsmede op het principiële belang van deze zaak, dat maakt dat zij de mogelijkheid wenst te houden om dit geschil in hoger beroep aan het Gerechtshof voor te leggen en in een bodemprocedure in eerste aanleg aan de kantonrechter. Indien het vonnis uitvoerbaar bij voorraad zou worden verklaard dat zou dat, gelet op de verstrekkende consequenties van een veroordelend vonnis, mogelijk illusoir worden.

De kantonrechter ziet geen grond het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Maatstaf voor het uitvoerbaar verklaren van een vonnis is of het belang van degene die een toewijzend vonnis verkrijgt zwaarder weegt dan het belang van de wederpartij die zich daartegen verzet. Gesteld noch gebleken is dat het belang van Vérian in dit verband zwaarder weegt dan het belang van [eisende partij]. Mogelijke ingrijpende gevolgen van een eventuele executie staan op zichzelf hieraan niet in de weg.

5 De beslissing

De kantonrechter

rechtdoende als voorzieningenrechter

5.1.

veroordeelt Vérian tot betaling aan [eisende partij] van het volledig laatstgenoten salaris van € 12,84 bruto per uur vanaf periode 3-2015, te vermeerderen met de wettelijke rente over het tot dit vonnis achterstallige salaris vanaf de dag van opeisbaarheid ervan, tot de dag van algehele voldoening;

5.2.

veroordeelt Vérian in de proceskosten, tot deze uitspraak aan de kant van [eisende partij] begroot op € 96,16 aan dagvaardingskosten, € 78,-- aan griffierecht en € 400,-- aan salaris voor de gemachtigde, alsmede € 196,-- ter zake van de door [eisende partij] betaalde eigen bijdrage;

5.3.

bepaalt dat Vérian van het totaalbedrag aan proceskosten het door [eisende partij] betaalde griffierecht van € 78,--, de door haar betaalde eigen bijdrage van € 196,-- en het salaris gemachtigde van € 400,-- moet betalen aan de gemachtigde van [eisende partij] en de explootkosten van € 96,16 aan de griffier van de rechtbank te Arnhem, door voldoening van de nota die het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak zal toesturen;

5.4.

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. P.J. Wiegman en in het openbaar uitgesproken op